id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.108 Rolnummer: A. 158975/VII-33348 Zaak: Arrest 187108 - Milieu bescherming - Reglementen - 16/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:43 Fiche Arrest nr 187.108 van 16 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.108 van 16 oktober 2008 in de zaak A. 158.975/VII-33.
- In zake : Robert VAN DE GEJUCHTE, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Robert VAN DE GEJUCHTE op 6 januari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Vlaamse Regering dd. 9 november 2004 (...) waarbij het beroep dat werd ingesteld ogv artikel 23 van het Decreet van 22 februari 1995 tegen de beslissing van de OVAM dd. 5 oktober 2004 (...) onontvankelijk werd verklaard (...)"; Gelet op het arrest nr. 142.320 van 17 maart 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan verzoeker op 23 maart 2005; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker, en gezegeld ten belope van 125 euro; VII-33.348-1/4 Gelet op de kennisgeving aan verzoeker, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; gelet op het feit dat in diezelfde kennisgeving aan verzoeker wordt meegedeeld dat het verzoek tot voortzetting van de procedure van 15 april 2005 niet binnen de voorziene termijn van dertig dagen werd gezegeld met fiscale plakzegels ten belope van 175 euro; Gezien het van een fiscale plakzegel van 50 euro voorziene aangetekend schrijven van verzoeker van 12 mei 2005, waarin hij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2005 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 22 september 2005; gelet op het feit dat op deze terechtzitting de zaak sine die werd uitgesteld in afwachting van het antwoord van het toenmalig Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, op de prejudiciële vraag die door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State werd gesteld in zijn arrest nr. 146.889 van 28 juni 2005; Gelet op de beschikking van 2 september 2008 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CHRISTIAEN die, loco advocaat D. RYCKBOST verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. VANDEN- DAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-33.348-2/4 OVERWEEGT WAT VOLGT : Naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van verzoeker een vermoeden van afstand van geding wanneer hij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Het arrest nr. nr. 142.320 van 17 maart 2005 heeft de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. Verzoeker diende weliswaar binnen de vastgestelde termijn van dertig dagen een verzoek tot voortzetting in, doch dit verzoek was slechts voorzien van fiscale zegels voor een bedrag van 125 euro in plaats van de vereiste 175 euro. In zijn arrest nr. 183.476 van 27 mei 2008 heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat het Grondwettelijk Hof negatief heeft geantwoord op de prejudiciële vraag of "artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een schending in(houdt) van de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in onderlinge samenhang gelezen, doordat bij die bepaling aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om de essentiële gegevens te bepalen van het recht verschuldigd voor een beroep bij de Raad van State, inzonderheid het bedrag van dat recht, de grondslag ervan, de vorm waarin het moet worden betaald alsook het ogenblik waarop het verschuldigd is, terwijl aan niemand een belasting mag worden opgelegd en niemand van die belasting mag worden vrijgesteld dan bij een beslissing van een democratisch verkozen beraadsla- gende vergadering?". Gelet op deze rechtspraak werd te dezen geen rechtsgeldig verzoek tot voortzetting ingediend binnen de reeds vermelde termijn van dertig dagen. Bijgevolg geldt ten aanzien van verzoeker een vermoeden van afstand van het geding. VII-33.348-3/4 Verzoeker toont ter zitting niet aan dat hij ingevolge overmacht niet bij machte was een voldoende gezegeld verzoek tot voortzetting in te dienen. Er zijn aldus geen redenen die de toepassing van de voormelde bepalingen in de weg staan, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-33.348-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.108 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div