← België

Arrest 187112 - Milieuvergunningen - 16/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.112 Rolnummer: A. 187944/VII-37181 Zaak: Arrest 187112 - Milieuvergunningen - 16/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-29 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:43 Fiche Arrest nr 187.112 van 16 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.112 van 16 oktober 2008 in de zaak A. 187.944/VII-37.181. In zake : Roger CUYKX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de deputatie van de provincie Limburg. tussenkomende partij : de NV VRANKEN, die woonplaats kiest bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te GENT, Casinoplein 19. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger CUYKX op 22 april 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 14 februari 2008 waarbij het beroep dat verzoeker had ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken van 18 september 2007 houdende het verlenen aan de NV VRANKEN van een vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een aannemingsbedrijf met atelier en opslagplaatsen, gelegen aan de Diestersteenweg 182 te Nieuwerkerken, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd doch waarbij de bijzondere vergunnings- voorwaarden met betrekking tot de houtverbrandingsinstallatie worden gewijzigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.181-1/12 Gelet op de beschikking van 2 september 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKETELAERE, die verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. DE ZUTTER die, loco advocaat F. CORYN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 10 mei 2008 vraagt de NV VRANKEN om in de debatten te mogen tussenkomen. Aangezien zij de begunstigde is van de bestreden milieuvergunning, kan dit verzoek worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. De tussenkomende partij exploiteert een industriële schrijnwerkerij aan de Diestersteenweg 182 te Nieuwerkerken. Volgens het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, was de inrichting tot voor kort deels gelegen in een agrarisch gebied en deels in een recreatiegebied. Met betrekking tot de percelen waarop de inrichting is gevestigd, heeft de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 21 september 2005 een bijzonder plan van aanleg "sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase 2" van de gemeente Nieuwerkerken goedgekeurd. Door dat bijzonder plan van aanleg wordt een van het gewestplan afwijkende bestemming van "zone voor lokale bedrijvigheid" vastgesteld. VII-37.181-2/12 2.2. Op 2 mei 2007 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken een hernieuwings- aanvraag in die gepaard gaat met een verandering van de inrichting door uitbreiding en toevoeging. Het voorwerp van de aanvraag omvat in concreto : - een verbrandingsinstallatie voor houtafval met een nominaal thermisch vermogen van 500 kW; - het lozen van 350 m3 bedrijfsafvalwater per jaar; - het lozen van 350 m3 sanitair afvalwater per jaar; - een spuitcabine met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 25 kW; - parkeerplaatsen voor een tiental bedrijfsvoertuigen; - een wasplaats voor voertuigen en hun aanhangwagens; - diverse compressoren met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 25,5 kW; - de opslag van 15.000 liter diesel, met bijhorende verdeelslang; - de opslag van maximum 250 liter gevaarlijke producten; - een werkplaats voor houtbewerking met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 132,8 kW; - de opslag van 400 m3 hout; - een werkplaats voor metaalbewerking met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 25,2 kW. 2.3. Met een besluit van 18 september 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken de gevraagde milieuvergunning. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden : "1. mbt de houtverbrandingsinstallatie Artikel 1.1. Enkel houtafval afkomstig van de eigen productie en de eigen activiteiten op externe werven mag worden verbrand. Artikel 1.2. Er mag enkel houtafval worden verbrand op het moment dat er warmte nodig is voor gebouwenverwarming. Indien er geen warmtebehoefte is moet het houtafval worden opgeslagen en afgevoerd. Artikel 1.3. De emissiegrenswaarden en bijhorende meetfrequentie voor installaties van meer dan 5 MW van artikel 5.2.3bis4.15 moeten worden nageleefd. De meetfrequentie dient 1 jaar aangehouden te blijven om vervolgens in onderling overleg met de bevoegde inspecterende en adviserende diensten te evalueren naar continuering. Artikel 1.4. Er mag in de verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval verbrand worden en de kwaliteit van het geleverde hout moet de richtwaarden van type A hout van art 5.2.3bis4.14 respecteren. Artikel 1.5. Enkel houtafval dat niet voor materiaalrecuperatie in aanmerking komt mag verbrand worden. VII-37.181-3/12 Artikel 1.6. Teneinde geluidsoverlast voor de buurt te voorkomen zijn breekactiviteiten op zaterdag verboden. 2. mbt de houtopslag Artikel 2.1. In afwijking van wat op het grondplan 1/200 bij de milieuvergunningsaanvraag is ingetekend, is het de exploitant toegelaten de houtopslag tijdelijk op de terreinen en in de gebouwen van fase 1 van de bouwvergunning op te slaan, teneinde de uitvoering van de werken ikv het sectoraal BPA en de bouwvergunning fase 1 mogelijk te maken. 3. mbt lozing van huishoudelijk afvalwater Artikel 3.1. Het huishoudelijk afvalwater moet worden afgekoppeld van het oppervlaktewater en aangesloten op de openbare riolering. 4. mbt integraal waterbeheer Artikel 4.1. De code van goede praktijk, de voorschriften en de voorwaarden vervat in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater moeten worden opgevolgd". 2.4. Op 25 oktober 2007 dient verzoeker bij de deputatie van de provincie Limburg een administratief beroep in tegen dit vergunningsbesluit. 2.5. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)In een advies van 26 november 2007 stelt de afdeling Toezicht Volksgezondheid voor om het beroepen besluit te bevestigen "met behoud van de opgelegde bijzondere voorwaarden". In het advies wordt ook op gedetailleerde wijze aandacht besteed aan de "relevante gezondheidsbedreigende factoren". (
  2. b)De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert gunstig over de aanvraag, mits de vergunning afhankelijk wordt gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. In het advies wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat bijzondere voorwaarde 3 van het schepencollege tot gevolg heeft dat de door de exploitant beoogde installatie niet kan worden gebruikt omdat deze niet kan voldoen aan de sectorale voorwaarden die dan van toepassing zijn; dat dit neerkomt op een indirecte weigering van de houtverbrandingsinstallatie aangezien de investeringen in rookgasreiniging en -metingen dan niet in verhouding zijn tot de beperkte schaalgrootte van de installatie". (
  3. c)De Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling Ruimtelijke Ordening en de afdeling Milieuvergunningen adviseren gunstig. (
  4. d)Op 21 december 2007 stelt OVAM in een aanvullend advies voor om de in haar oorspronkelijk advies van 27 november 2007 voorgestelde bijzondere voorwaarde, waarbij het te verbranden houtafval wordt beperkt tot het houtafval van VII-37.181-4/12 eigen productie, uit te breiden tot het houtafval dat de exploitant verkrijgt via de externe werven. (
  5. e)Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 21 januari 2008 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de in eerste aanleg verleende vergunning te bevestigen mits wijziging van de opgelegde bijzondere voorwaarden. 2.6. Op 14 februari 2008 neemt de deputatie van de provincie Limburg het bestreden besluit. Het beroep van verzoeker wordt niet ingewilligd en de in eerste aanleg verleende milieuvergunning wordt grotendeels bevestigd. Om gevolg te geven aan het advies van OVAM van 21 december 2007 worden de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden voor de exploitatie van de houtverbrandingsinstallatie in die zin gewijzigd dat ook onbehandeld en niet- verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van interieurinrichting op de externe werven van de exploitant mag worden verbrand. Tevens worden de opgelegde voorwaarden aangevuld met een bijkomende voorwaarde waarbij, in afwijking van artikel 5.2.3bis.4.14., § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), de exploitant gedurende de eerste twee jaar na de ingebruikname van de houtverbrandingsinstallatie wordt verplicht om driemaandelijks een bemonstering en een analyse van het te verbranden houtafval uit te voeren. Dit besluit is onder meer gestoeld op de volgende motivering : "Overwegende dat de argumenten van de beroeper m.b.t. de 'onaanvaardbare milieuhinder' niet worden bijgetreden; dat door de aanleg van een groenbuffer en aarden wal de visuele hinder tot een minimum zal beperkt blijven; dat er bovendien een bijkomende groenbuffer wordt voorzien op een perceel dat eigendom blijft van de Sociale Huisvestingsmaatschappij Nieuw St-Truiden (zijnde lot 19, gelegen tussen het eigendom van de heer Cuykx en de percelen van de inrichting); dat de beroeper in zijn beroepschrift bezwaar heeft tegen de inplanting van een afvalverbrandingsinstallatie in een 'woonomgeving'; dat hij daarenboven stelt dat er geen concrete gegevens voorhanden zijn over de emissies van de verbrandingsinstallatie en geen sluitende controle mogelijk is betreffende de samenstelling van het hout; dat het schepencollege in haar besluit d.d. 18 september 2007, om tegemoet te komen aan de bezwaren geuit tijdens het openbaar onderzoek, bijzondere voorwaarden heeft opgelegd m.b.t. 1) de houtverbrandingsinstallatie, 2) de houtopslag, 3) de lozing van het huishoudelijk afvalwater en 4) het integraal waterbeheer; dat er wat betreft de houtverbrandingsinstallatie voorwaarden werden opgelegd omtrent de aard van het houtafval dat mag worden verbrand en het tijdstip waarop er mag worden verbrand; dat er tevens werd opgelegd dat de emissiegrenswaarden en bijhorende meetfrequenties voor installaties van meer dan 5MW van art. 5.2.3bis4.15 moeten worden nageleefd; dat door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid in het kader van de procedure in VII-37.181-5/12 beroep een gunstig advies d.d. 26 november 2007 werd uitgebracht, mits behoud van de bijzondere voorwaarden opgelegd door het schepencollege; Overwegende dat de verbrandingsinstallatie zal worden uitgerust met een monocycloon en rookgascirculatie; dat deze vorm van rookgasreiniging als BBT kan worden beschouwd voor het verbranden van voormeld type houtafval en grootte van de installatie; dat het houtafval van de eigen externe werven qua aard en samenstelling vergelijkbaar is met het productieafval; dat het zeker niet de bedoeling is dat bouw- en sloophout wordt verbrand in deze installatie; dat de OVAM in (haar) advies d.d. 27 november 2007 stel(
  6. t)dat de bijzondere voorwaarde opgelegd door het schepencollege omtrent de emmissiegrenswaarden (art. 1.3) in feite tot gevolg heeft dat de door de exploitant beoogde installatie niet kan worden gebruikt, omdat deze niet kan voldoen aan de sectorale voorwaarden die dan van toepassing zijn; dat de exploitant echter niet in beroep is gegaan tegen het besluit van het schepencollege d.d. 18 september 2007, en zich bijgevolg akkoord heeft verklaard met deze voorwaarde; dat het dan ook niet aan de deputatie toekomt om in het kader van het door derden ingediend beroep, een versoepeling op te leggen aan deze voorwaarde; dat de bijzondere voorwaarde opgelegd door het schepencollege in artikel 1.4, m.b.t. de kwaliteit van het geleverde hout, uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 5.2.3bis 4.14; dat de A-kolom van dit artikel de concentratiegrenzen aangeeft die bij meer dan 3 metingen per jaar in 75% van de metingen niet mogen worden overschreden; dat de exploitant de kwaliteit van het houtafval volgens dat artikel slechts éénmaal per jaar moet controleren; dat de exploitant een goed zicht heeft op de kwaliteit van houten materiaal dat hij zelf aankoopt, maar dat dit minder het geval is bij houtafval dat hij van externe werven betrekt; dat dit ook pleit voor een beperking van de soorten houtafval die hij wenst te verbranden; dat een intensievere opvolging van de kwaliteit van het te verbranden houtafval wordt opgelegd, gelet op de nabijheid van enkele woningen; dat de door het schepencollege opgelegde bijzondere voorwaarden dan ook in die zin worden aangepast". 3. De beoordeling 3.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt teweeggebracht, zet verzoeker in het enige verzoekschrift het volgende uiteen : "(...) Zoals hiervoor reeds omstandig toegelicht, grenzen de woning en de tuin van verzoeker (op een smalle bufferstrook
  7. na)aan de terreinen van de NV VII-37.181-6/12 VRANKEN. Verzoeker heeft vanuit zijn woning en tuin een direct zicht op de bedrijfsterreinen van de NV VRANKEN. Dat zal ook het geval zijn met betrekking tot de nieuw op te richten installaties en inrichtingen, zoals vergund bij de thans bestreden beslissing. Verzoeker is ook zelfstandig zaakvoerder van de BVBA Fiduciaire Cuykx, met vestiging te 3850 Nieuwerkerken, Diestersteenweg 166, zodat ook zeer veel arbeidstijd wordt doorgebracht in de betreffende woning. In het bijzonder wordt opgemerkt dat de door het bestreden besluit aan de NV VRANKEN vergunde houtafvalverbrandingsinstallatie wordt ingeplant op minder dan 100 meter van de woning van verzoeker. In de adviezen die werden uitgebracht door TOVO wordt zonder meer erkend dat de emissies van deze verbrandingsinstallatie zeer schadelijk en zelfs kankerverwekkend zijn. Het spreekt dan ook voor zich - en het blijkt onomstotelijk uit de bestreden beslissing zelf - dat de inrichting een significante aantasting van de leefkwaliteit van verzoeker (én de hele buurt) tot gevolg zal hebben. Tevens zal de ontegensprekelijke uitstoot van schadelijke stoffen een impact genereren op de gezondheid van verzoeker en deze van de ganse buurt. Verzoeker merkt tevens op dat zijn kleinkinderen regelmatig in zijn tuin spelen! (...) De voormelde gezondheidsrisico's worden zeer uitdrukkelijk en omstandig bevestigd in de adviezen van de Afdeling Toezicht Volksgezondheid (ToVo) dd. 18 juli 2007 en 26 november 2007. In haar eerste advies dd. 18 juli 2007 formuleerde deze administratie als conclusie : 'Ons advies is ongunstig voor de gevraagde activiteiten omdat de risico's voor mens en leefmilieu onaanvaardbaar zijn'. (...) Verzoeker had reeds in zijn bezwaarschrift dd. 25 juli 2007 aangestipt dat er geen enkele motivering terug te vinden is voor het feit dat men een afvalverbrandingsinstallatie met een vermogen van 0,5 MW gaat inplanten in een woonomgeving. Het gaat hier niet over een gewone stookinstallatie doch om een als afvalverwijderingsinrichting ingedeelde inrichting. Nochtans bepaalt artikel 5.2.1.4. van VLAREM II dat bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot onder meer woongebieden, recreatiegebieden en landbouwgebied. Deze drie bestemmingen palen letterlijk aan de inrichting van de NV VRANKEN (zelf volgens het gewestplan gelegen in agrarisch gebied en recreatiegebied). Rookgassen van brandstoffen - en dus zeker ook van afvalstoffen - vormen een belangrijke milieuhinder. Duizeligheid, irritatie van de luchtwegen en zelfs kanker kunnen daarbij horen. Onder meer koolmonoxide is daarbij een belangrijke boosdoener. Hout is een complexe vaste brandstof. Ze bestaat uit niet-brandbare componenten (water en mineralen), vluchtige brandbare componenten ('kleine' koolstofverbindingen met een laagmoleculair gewicht) en niet-vluchtige brandbare componenten ('grote' koolstofverbindingen met hoog moleculair gewicht). Door de hitte ontwijken de vluchtige componenten de brandstof, waardoor een ontvlambaar mengsel ontstaat in de zogenaamde primaire verbrandingszone. Dat zijn de zichtbare vlammen. Onvolledige verbranding ontstaat voornamelijk als gevolg van een te snelle migratie van vaste of gasvormige brandbare componenten doorheen de primaire verbrandingszone, met onvolledige oxidatie tot gevolg. In een latere fase van de verbranding, wanneer de meeste vluchtige bestanddelen verbrand zijn, zal via zuurstofdiffusie in de overblijvende houtskool oxydatie van de niet-vluchtige bestanddelen optreden. Bij de onvolledige verbranding van hout komen heel wat onverbrande koolwaterstoffen zoals benzeen, tolueen en xyleen vrij, vooral in de beginfase VII-37.181-7/12 van de verbranding. Maar ook polyaromatische koolwaterstoffen (PAK's), treden op in de eindfase van de verbranding. Voorbeelden zijn benzo(a)pyreen, dibenzothiofeen, anthraceen,... In een klassieke houtkachel werden emissiewaarden voor koolwaterstoffen met korte ketens opgetekend van 48 tot 816 mg/kg brandhout. De PAK-waarden kunnen in het slechtste geval oplopen tot zo'n 200 mg/kg. Het milieuvergunningsaanvraagdossier bevat geen concrete gegevens over de te verwachten emissies van de verbrandingsinstallatie, noch over het feit of de VLAREM II-emissienormen zullen worden gehaald. Dit is volstrekt onaanvaardbaar, gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied (thans 'omgetoverd' tot een bedrijvenzone) en palend aan woonbebouwing. (...) Het voormeld ongunstig advies van TOVO dd. 18 juli 2007 bevestigt met zoveel woorden en zeer duidelijk onderbouwd de voormelde opmerkingen aangaande de talrijke en ernstige gezondheidsrisico's. In het bijzonder wijst TOVO erop dat er bijzonder acuut gevaar is voor de woningen gelegen op minder dan 100 meter van de inrichting. De woning en tuin van verzoeker liggen op minder dan 100 meter van de geplande verbrandingsinrichting! (...) (...) Ook in het advies dat TOVO op 26 november 2007 heeft uitgebracht in het kader van de beroepsprocedure (die geleid heeft tot de thans bestreden beslissing) worden de voormelde gezondheidsrisico's veroorzaakt door de exploitatie van de houtverbrandingsinstallatie bevestigd, terwijl - onbegrijpelijk - het milieuvergunningsbesluit van 18 september 2007 wordt bevestigd. (...) (...) Tenslotte zal ook de belevingswaarde van de woning en de tuin van verzoeker ontegensprekelijk worden aangetast door de constante uitstoot van schadelijke emissies in de lucht en de daarmee inherente geurhinder. Milieuhinder, waaronder de uitstoot van schadelijke stoffen, vormt bij uitstel een nadeel dat niet te herstellen is, a fortiori niet de hieruit ontstane gezondheidsschade. Deze vormen van hinder zijn ook niet financieel waardeerbaar, doen zich onmiddellijk voor en worden onmiddellijk ondergaan". 3.3. De verwerende en de tussenkomende partij betwisten op uitgebreide wijze dat aan de gestelde schorsingsvoorwaarde zou zijn voldaan. 3.4. De eventuele visuele hinder houdt rechtstreeks verband met de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning van 26 juni 2007 en niet met de tenuitvoerlegging van het thans bestreden besluit dat betrekking heeft op de exploitatie van de inrichting. De nadelen die zouden worden veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de met de voorliggende vordering bestreden milieuvergunning, worden door verzoeker uitsluitend geput uit de beweerde schadelijke effecten van de vergunde houtverbrandingsinstallatie. VII-37.181-8/12 VII-37.181-9/12 Blijkens het bestreden besluit voldoet de geplande installatie op het vlak van rookgasreiniging aan de Beste Beschikbare Technieken. Verzoeker betwist dit overigens niet. In één van de opgelegde bijzondere voorwaarden wordt gepreciseerd dat houtafval enkel mag worden verbrand "op het moment dat er warmte nodig is voor gebouwenverwarming" en dat indien er geen warmtebehoefte bestaat het houtafval moet worden opgeslagen of afgevoerd. Uit die beperking volgt dat de houtverbrandingsinstallatie niet permanent in gebruik zal zijn. Het is alleszins niet zo dat het verbranden van allerhande houtafval een doel op zich zou zijn en dat er constante emissie zou zijn. De exploitatie van de houtverbrandingsinstallatie wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal strenge bijzondere voorwaarden. De bestreden milieuvergunning legt in afwijking van Vlarem II en wel in strengere zin op dat tijdens de exploitatie de emissiegrenswaarden en de bijhorende meetfrequentie voor verbrandingsinstallaties met een thermisch vermogen van meer dan 5 MW moeten worden nageleefd. Meer bepaald worden, hoewel het te dezen gaat om een installatie met een thermisch vermogen van 500 kW, de normen opgelegd die krachtens artikel 5.2.3bis.4.15. van Vlarem II gelden voor verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van "meer dan 5MW tot 50 MW" (het betreft inrichtingen die volgens rubriek 2.3.4.1.a).2/.2). van de bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning gevoegde indelingslijst ingedeeld zijn in de eerste klasse terwijl de vergunde installatie van de tussenkomende partij behoort tot de tweede klasse). De emissiegrenswaarden voor de "grotere" verbrandingsinstallaties zijn, op het vlak van de toegelaten concentraties van bepaalde stoffen in de rookgassen, merkelijk strenger. Juist omwille van het opleggen van deze bijzonder strenge voorwaarde is OVAM in haar advies van 27 november 2007 van oordeel dat de exploitant de beoogde houtverbrandings-installatie niet zal kunnen gebruiken omdat de "investeringen in rookgasreiniging en -metingen dan niet in verhouding zijn tot de beperkte schaalgrootte van de installatie". De verwerende partij heeft geoordeeld de in eerste aanleg opgelegde voorwaarde te moeten bevestigen omdat de exploitant daartegen geen administratief beroep had ingesteld zodat hij "zich bijgevolg akkoord heeft verklaard met deze voorwaarde" en het "dan ook niet aan de deputatie toekomt om in het kader van het door derden ingediend beroep, een versoepeling op te leggen aan deze voorwaarde". Precies omdat in de bestreden milieuvergunning de emissiegrenswaarden voor ver-brandingsinstallaties met een thermisch vermogen VII-37.181-10/12 van meer dan 5 MW worden opgelegd, kan verzoeker geen overtuigend argument putten uit de tijdens de vergunningsprocedure verleende adviezen van de afdeling Toezicht Volksgezondheid. In eerste aanleg had de afdeling Toezicht Volksgezondheid weliswaar nog een ongunstig advies uitgebracht, er tegelijk evenwel op wijzend dat, indien het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken zou beslissen de vergunning te verlenen, het alsdan zou passen de normen voor installaties met een vermogen van meer dan 5 MW op te leggen. De in eerste aanleg beoordelende instantie is op dat voorstel ingegaan. Rekening houdend met de in eerste aanleg opgelegde - en later in beroep bevestigde - bijzondere voorwaarde houdende de toepasselijke emissiegrenswaarden, is de gunstige strekking van het advies dat de afdeling Toezicht Volksgezondheid tijdens de beroepsprocedure heeft verleend - wat door verzoeker als "onbegrijpelijk" wordt aangeklaagd - bij nader inzien perfect te begrijpen. In beroep heeft de afdeling Toezicht Volksgezondheid immers kunnen vaststellen dat door het college van burgemeester en schepenen werd ingegaan op de suggestie met betrekking tot de emissiegrenswaarden en het meetprogramma, zodat in beroep de aanvraag gunstig kon worden geadviseerd " met behoud van de opgelegde bijzondere voorwaarden", zoals in het advies van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van 26 november 2007 uitdrukkelijk wordt gesteld. Voorts bevat het bestreden besluit ook duidelijke en stringente voorwaarden inzake de soorten houtafval die mogen worden verbrand. Terzake is het de exploitant niet toegelaten verontreinigd houtafval te verbranden. Ten slotte dient de exploitant zich, wat de kwaliteit van het te verbranden houtafval betreft, te houden aan een driemaandelijkse bemonstering en analyse van het te verbranden houtafval. Door die intense controle, die minstens gedurende twee jaar na de ingebruikname van de houtverbrandingsinstallatie moet worden aangehouden, kan worden nagegaan of het houtafval voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van artikel 5.2.3bis.4.14. van Vlarem II. In de uiteenzetting van verzoeker worden geen concrete elementen bijgebracht waaruit zou blijken dat de na te leven opgelegde bijzondere voorwaarden voor de exploitatie van de vergunde houtverbrandingsinstallatie manifest onvoldoende zouden zijn om een ernstige aantasting van de leef- en woonkwaliteit van verzoeker te voorkomen. Rekening houdend met de zich aandienende gegevens wordt het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van verzoeker dan ook niet op een overtuigende wijze gestaafd. VII-37.181-11/12 3.5. Aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV VRANKEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.181-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.112 Gerelateerde publicatie(
  8. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.