← België

Arrest 187114 - Milieu bescherming - Reglementen - 16/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.114 Rolnummer: A. 188569/VII-37210 Zaak: Arrest 187114 - Milieu bescherming - Reglementen - 16/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:43 Fiche Arrest nr 187.114 van 16 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.114 van 16 oktober 2008 in de zaak A. 188.569/VII-37.210. In zake : 1. Robert OOGHE, 2. Jacqueline ALGOET, die woonplaats kiezen bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de NV CLAREBOUT POTATOES, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Robert OOGHE en Jacqueline ALGOET op 13 juni 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerleg- ging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 april 2008 waarbij de aanvraag van de NV CLAREBOUT POTATOES, exploitant van een aardappelverwerkend bedrijf gelegen aan de Heirweg 26 te Nieuwkerke (Heuvelland), om op grond van artikel 1.2.2.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) een individuele afwijking te bekomen van de in artikel 5.45.1.2. van hetzelfde besluit vervatte afstandsregel, wordt ingewilligd mits een aantal voorwaarden worden nageleefd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.210-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. RYELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P.-J. STAELENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 2 juli 2008 vraagt de NV CLAREBOUT POTATOES om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Aangezien zij de begunstigde is van de bestreden afwijking, kan dit verzoek worden ingewilligd. VII-37.210-2/9 2. De feiten 2.1. De tussenkomende partij verwerkt aardappelen in haar inrichting gelegen aan de Heirweg 26 te Nieuwkerke. De productieactiviteit bestaat hoofdzake- lijk uit het voorbakken, invriezen en verpakken van frieten. De inrichting is volgens het gewestplan Ieper-Poperinge, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 augustus1979, gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. De bestemming van de inrichting wordt tevens geregeld door een bijzonder plan van aanleg "10/1 Heirweg", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 juni 2004, dat ter plaatse voorziet in een ambachtelijke zone. Het bedrijfsterrein paalt aan een woongebied. 2.2. De basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting werd op 2 maart 1989 verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen voor een termijn van twintig jaar. De geldigheidsduur van die vergunning, en van de diverse later verleende veranderingsvergunningen, verstrijkt aldus op 2 maart 2009. 2.3. Aangezien het te dezen gaat om een inrichting die behoort tot de voedingsindustrie, zijn de verbods- en afstandsregels van artikel 5.45.1.2. van Vlarem II van belang. Deze bepaling luidt als volgt : "Art. 5.45.1.2. Verbods- en afstandsregels § 1. Het is verboden een inrichting die overeenkomstig rubriek 45 van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse te exploiteren : (...) 2/ waarvan de opslagplaatsen en/of bedrijfsgebouwen gelegen zijn op minder dan 100 m afstand van een woongebied of van een recreatiegebied. § 2. De verbodsbepalingen van § 1 gelden niet voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan". 2.4. Op 20 november 2007 dient de tussenkomende partij bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om te mogen afwijken van deze afstandsregel. VII-37.210-3/9 2.5. De afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbe- leid verleent een gunstig advies. In het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt voorgesteld om de gevraagde afwijking te weigeren. Het adviesverlenend bestuur is van oordeel dat de exploitant geen maatregelen voorstelt die gelijkwaar- dige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het leefmilieu in vergelijking met de milieuvoorwaarden waarvan wordt gevraagd te mogen afwijken. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt voor om de gevraagde afwijking te verlenen, mits deze afhankelijk wordt gesteld van een aantal voorwaarden. 2.6. Op 2 april 2008 verleent de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur aan de tussenkomende partij de gevraagde afwijking voor een termijn van twintig jaar. Deze termijn valt samen met de termijn van de nog te verkrijgen milieuvergunning voor de verdere exploitatie van de inrichting. De afwijking wordt afhankelijk gesteld van de naleving van meerdere voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing. 3. Beoordeling 3.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2.1. In een eerste middel wordt door de verzoekende partijen de schending aangevoerd van de artikelen 1.2.2.1. en 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II. De verzoekende partijen betogen dat niet is voldaan aan de in de voormelde bepalingen vervatte voorwaarden om een individuele afwijking op een milieuvoorwaarde van Vlarem II toe te staan. VII-37.210-4/9 In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoe- kende partijen aan dat de aanvraag van de tussenkomende partij geen duidelijke opgave bevat van de voorwaarden en artikelen van Vlarem II, waarvan wordt gevraagd te mogen afwijken. Zodoende zou de aanvraag niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er geen "technische" redenen voorhanden zijn om van de betrokken afstandsregel af te wijken. In het derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat bij de aanvraag geen nota werd gevoegd waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de best beschikbare technieken. In het vierde onderdeel van hetzelfde middel betogen de verzoekende partijen dat de afwijking van de betrokken milieuvoorwaarde niet wordt gecompenseerd door gelijkwaardige waarborgen voor de bescherming van de mens en het leefmilieu. 3.2.2. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de stelling van de verzoekende partijen. 3.2.3. Artikel 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II bepaalt dat de individuele afwijking op de milieuvoorwaarden schriftelijk moet worden aangevraagd door de exploitant van de inrichting en dat de aanvraag onder meer moet omvatten : "de technische redenen die de afwijking motiveren". Artikel 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II bepaalt dat de afwijkingsaanvraag tevens een "voorstel van maatregelen" moet omvatten die "van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken". Luidens § 1, 4/, van dezelfde bepaling moet de exploitant, met een bij de aanvraag gevoegde nota, aantonen dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken. De tweede paragraaf van hetzelfde artikel bepaalt voorts dat het besluit van de minister, waarbij de afwijking wordt toegestaan, melding maakt van de na te leven "gelijkwaardige" voorwaarden die in de plaats komen van de Vlarem II-voorwaarden waarvan wordt afgeweken. VII-37.210-5/9 Te dezen wordt in de aanvraag, onder de hoofding "technische redenen die een afwijking motiveren", onder de titel "groei via doorgedreven optimalisatie", gesteld dat "het bedrijf continu bezig (

  1. is)verdere aanpassingen en optimalisaties door te voeren en te onderzoeken" en onder de titel "gerealiseerde investeringen" wordt uitdrukkelijk het volgende gesteld : "Het bedrijf heeft de laatste jaren al tal van investeringen gerealiseerd die een positieve impact hebben naar omgeving en milieu. In volgend hoofdstuk wordt bij de behandelde aspecten lucht, geur, geluid en veiligheid telkens een overzicht gegeven van de reeds gerealiseerde investeringen die een positief effect hebben op de impact naar de omgeving. Het bedrijf wenst verder te optimaliseren, en dit zowel naar rendementsver- hoging als naar milieu-investeringen toe. Mits het bekomen van een milieuver- gunning voor de duur van 20 jaar voor ondermeer de geplande veranderingen (bijkomende vlokkenlijn, vergisting van bruin zetmeel, biogasvalorisatie, naverbander, ...) zal blijvend kunnen geïnvesteerd worden in deze maatregelen die de impact naar de omgeving nog verdergaand kunnen verbeteren". De aanvrager geeft dan als conclusie : "Gelet op de achtergrond van de onderneming en de reeds uitgevoerde investeringen naar optimalisatie van zowel het productieproces als maatregelen ter bescherming van de mens en het leefmilieu, is een delokalisatie technisch en economisch uitgesloten". Deze passages geven duidelijk aan dat de tussenkomende partij ook (technische) maatregelen zal nemen om de "impact naar de omgeving ... (
  2. te)kunnen verbeteren". Daarna volgt onder de hoofding "voorstel van maatregelen die van die aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden ..." een uitgebreide, technisch ondersteunde, uiteenzetting van hetgeen in het verleden op milieutechnisch vlak werd gerealiseerd en welke technische maatregelen zullen worden genomen ter verbetering van de visuele aspecten, het voorkomen van lucht- en geurverontreini- ging, en het voorkomen van geluidshinder. Er worden eveneens technisch ondersteunde maatregelen omschreven in verband met de veiligheidsimpact. De tussenkomende partij heeft bovendien in de loop van de administratieve procedure een milieueffectenrapport en aanvullende rapporten inzake de geluidsproblematiek overgelegd. VII-37.210-6/9 Deze bevindingen en maatregelen werden door de vergunningver- lenende overheid op hun doeltreffendheid beoordeeld, en de verwerende partij heeft in de bestreden beslissing een hele reeks milieuvoorwaarden opgelegd die de hinder tot een aanvaardbaar niveau moeten herleiden. Men kan op het eerste gezicht dan ook bezwaarlijk op ernstige wijze voorhouden dat de afwijkingsaanvraag geen "technische" redenen aangeeft om van de betrokken afstandsregel af te wijken. De tussenkomende partij heeft in de aanvraag ook meerdere bladzijden gewijd aan de "evaluatie van de best beschikbare technieken". Artikel 1.2.2.2., § 1, van Vlarem II kan op het eerste gezicht niet zó worden geïnterpreteerd dat de "technische redenen die de afwijking motiveren" uitsluitend moeten voorkomen onder de desbetreffende hoofding in de aanvraag. Het volstaat prima facie dat in de aanvraag technische redenen worden aangegeven, wat te dezen lijkt te zijn gebeurd. Voor het overige komt de kritiek van de verzoekende partijen prima facie neer op het bekritiseren van de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregelen. Dit laatste wordt echter op discretionaire wijze beoordeeld door de vergunningverlenende overheid. De verzoekende partijen tonen niet aan dat die beoordeling kennelijk onredelijk is. Het eerste middel is niet ernstig. 3.3.1. Een tweede middel wordt ontleend aan de schending van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partijen betogen dat de in het bestreden besluit opgegeven motivering "niet afdoende, tegenstrijdig en niet draagkrachtig" is. Primo zou, wat betreft het aspect "geluid", de motivering tegenstrijdig en niet draagkrachtig zijn omdat, niettegenstaande er nog een aantal controlemetingen moeten worden uitgevoerd, het bestreden besluit nu reeds concludeert dat de voorgestelde maatregelen gelijkwaar- dige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het leefmilieu. Een gelijkaardige kritiek wordt geformuleerd ten aanzien van het aspect "geurhinder"; ook op dat vlak zou worden besloten tot de gelijkwaardigheid van de voorgestelde maatregelen terwijl het bestreden besluit een aantal, niet nader gespecifieerde, maatregelen in het vooruitzicht stelt. VII-37.210-7/9 3.3.2. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten opnieuw de stelling van de verzoekende partijen. 3.3.3. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. De formele motiveringsplicht heeft hoofdzakelijk tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De toetsing van de formele motivering brengt in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich mee. Zo de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, slagen zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn. Het tweede middel is niet ernstig. 3.4.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het "beginsel van behoorlijk bestuur" op diverse punten werden geschonden, inzonderheid omdat de verwerende partij geen gelijkwaardige waarborgen oplegt. 3.4.2. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten wederom de stelling van de verzoekende partijen. 3.4.3. Ook deze kritiek komt op het eerste gezicht neer op een inhoudelijke kritiek op de opgelegde voorwaarden en op de opportuniteit en doeltreffendheid daarvan. Die beoordeling is in beginsel zaak van de vergunningver- lenende overheid. Bovendien blijkt uit de uitvoerig gemotiveerde beslissing op het eerste gezicht dat alle door de tussenkomende partij verschafte gegevens nauwkeu- rig door de verwerende partij werden onderzocht en op hun doeltreffendheid beoordeeld. De verwerende partij heeft trouwens de milieuvoorwaarden aangevuld, daar waar zij hetgeen door de tussenkomende partij werd voorgesteld, onvoldoende achtte. Het derde middel is niet ernstig. VII-37.210-8/9 3.5. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 janua ri 1973. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV CLAREBOUT POTATOES in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.210-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.114 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.