← België

Arrest 187141 - O.C.M.W. - 16/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.141 Rolnummer: A. 188385/XII-5457 Zaak: Arrest 187141 - O.C.M.W. - 16/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:43 Fiche Arrest nr 187.141 van 16 oktober 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.141 van 16 oktober 2008 in de zaak A. 188.385/XII-

  1. In zake : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, dat woonplaats kiest bij advocaat H. De Wachter, kantoor houdende te Antwerpen, Jan van Rijswijcklaan 164 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Maatschappelijke Integratie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Antwerpen op 30 mei 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de administratieve beslissing van 2 april 2008 van de POD MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, [...], ressorterend onder de bevoegdheid van de Minister van Maatschappelijke Integratie naar aanleiding van een bevoegdheidsconflict met het OCMW van Ranst”; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur B. Thys, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gezien het “antwoord op het verslag van de auditeur met verzoek tot voortzetting” van verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5457-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. De Wachter, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  2. Op 21 maart 2008 dient Omer N., erkend vluchteling, die in het vreemdelingenregister van de gemeente Ranst is ingeschreven op het adres van het opvangcentrum voor asielzoekers, bij het OCMW van Antwerpen een aanvraag in tot het verkrijgen van een huurwaarborg voor een woning te Borgerhout. Met brieven van dezelfde datum deelt het OCMW van Antwerpen aan het OCMW van Ranst en aan betrokkene mede dat het zich niet bevoegd acht om de aangevraagde steun te verlenen. Het verwijst naar het feit dat betrokkene op het ogenblik van zijn aanvraag op het grondgebied van de gemeente Ranst verblijft, en het besluit, op grond van artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de wet van 2 april 1965), tot de bevoegdheid van het OCMW van Ranst om aan betrokkene steun te verlenen. Het OCMW van Ranst acht zich echter evenmin bevoegd en legt dit bevoegdheidsconflict met het OCMW van Antwerpen, met het oog op de toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, voor aan de Programmatorische Federale Overheidsdienst (hierna: POD) Maatschappelijke Integratie. 1.
  3. Met een brief van 2 april 2008 deelt de directeur-generaal van de POD Maatschappelijke Integratie aan het OCMW van Antwerpen mee dat “het OCMW van Antwerpen op grond van artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 [...] ten voorlopige titel [wordt] aangewezen om een beslissing te nemen over de steunaanvraag van de heer Omar [N], onverminderd eventuele latere administratieve XII-5457-2/6 of rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s”. Ontvankelijkheid van het beroep
  4. Het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring is een beslissing tot voorlopige aanwijzing van het OCMW van Antwerpen als OCMW dat bevoegd is om steun te verlenen aan Omer N.
  5. Die beslissing werd genomen met toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, dat luidt : “Onverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening, bepaalt de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort, binnen vijf werkdagen, het centrum dat voorlopig moet tussenkomen wanneer twee of meerdere O.C.M.W.’s achten niet territoriaal bevoegd te zijn om een vraag te onderzoeken”. Deze bepaling is aan artikel 15 van de wet van 2 april 1965 toegevoegd door de Programmawet (I) van 24 december
  6. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de laatstgenoemde wet wordt over deze bepaling het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2002-2003, doc 50 2124/001, blz. 181) : “Het gebeurt dat bevoegdheidsconflicten tussen OCMW’s tot resultaat hebben dat de noodzakelijke hulp uiteindelijk niet wordt verleend. Dergelijke conflicten doen afbreuk aan fundamentele rechten. De termijnen die de verschillende rechterlijke overheden (bestendige deputatie, Raad van State, arbeidsrechtbank en Arbeidshof) nodig hebben om een beslissing te nemen inzake de betwistingen die hun zijn voorgelegd, zijn niet verenigbaar met de noodzaak om snel te kunnen uitmaken welk centrum desgevallend de gevraagde hulp dient te verlenen. Daarom wordt artikel 15 van de wet van 2 april 1965 aangevuld teneinde de minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie in de mogelijkheid te stellen deze conflicten dringend te beslechten door de aanwijzing van het OCMW dat de hulpaanvraag ten voorlopige titel dient te behandelen. Deze voorlopige aanduiding geschiedt ongeacht latere administratieve en rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s. Deze voorlopige aanwijzing door de bevoegde minister betreft zowel de aanvragen inzake maatschappelijke hulp als de verzoeken met betrekking tot het recht op maatschappelijke integratie”. XII-5457-3/6
  7. Zowel uit de bepaling van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965 als uit de aangehaalde toelichting ervan blijkt dat de minister slechts een voorlopige beslissing neemt over de vraag welk OCMW bevoegd is om de steunaanvraag te behandelen, ‘[o]nverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening’. De wetgever beoogt aldus, op het vlak van de maatschappelijke dienstverlening, klaarblijkelijk geen afbreuk te doen aan het bestaande systeem van rechtsbescherming geboden door de justitiële rechter en de administratieve rechtscolleges. Krachtens artikel 580, 8/, c en d, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de toepassing van de wet van 26 mei 2002 en de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake betwistingen over de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke integratie en de maatschappelijke dienstverlening. Met betrekking tot de tenlasteneming van de steun verleend door de OCMW’s bepalen artikel 15, tweede en derde lid, van de wet van 2 april 1965 dat andere geschillen dan die betreffende de vaststelling van de verblijfplaats van de steunaanvrager, waartoe de toepassing van de voorgaande artikelen van de wet aanleiding geeft, tussen OCMW’s van eenzelfde provincie, worden beslist door de bestendige deputatie, met mogelijkheid van hoger beroep bij de Raad van State, en dat wanneer het geschil is gerezen tussen OCMW’s van verscheidene provincies of wanneer de Staat partij is, het wordt beslecht door de Raad van State, na advies van de bestendige deputatie van de provincies waartoe de betrokken OCMW’s behoren. Luidens artikel 16, 3/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de beroepen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 van de wet van 2 april
  8. Het betreft een bevoegdheid van de Raad van State om met volle rechtsmacht uitspraak te doen. Dit wil zeggen dat de Raad van State het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als beroepsrechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van de zaak, waarbij hij de bevoegdheid heeft de in eerste aanleg genomen beslissing te hervormen. XII-5457-4/6
  9. Artikel 7 van het uitvoeringsbesluit van 20 maart 2003 preciseert nog : “Het centrum dat bij een rechterlijke beslissing die in laatste aanleg is gewezen of een administratieve beslissing waartegen geen beroep meer openstaat, definitief bevoegd wordt verklaard voor de steunverlening, moet in voorkomend geval de steun die is verleend door het voorlopig bevoegd verklaard centrum zonder mogelijkheid tot betwisting terugbetalen”.
  10. De bestreden beslissing is bijgevolg wel degelijk een voorlopige administratieve handeling in afwachting van de definitieve beslechting van het geschil over de toekenning van maatschappelijke steun en de tenlasteneming daarvan. Ambtshalve wordt vastgesteld dat een dergelijke handeling niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden bestreden. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet immers niet in de mogelijkheid van nietigverklaring van voorlopige beslissingen ter zake van geschillen waarover hetzij de justitiële rechter hetzij de deputatie of, in hoger beroep, de Raad van State zelf met volle rechtsmacht, definitief uitspraak moet doen. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
  11. De auditeur heeft terecht vastgesteld dat de zaak kan worden afgedaan met korte debatten. Geen van de partijen heeft zich daar overigens tegen verzet. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-5457-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5457-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.