← België

Arrest 187175 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.175 Rolnummer: A. 83182/X-8836 Zaak: Arrest 187175 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:43 Fiche Arrest nr 187.175 van 20 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.175 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 83.182/X-8836. In zake : de n.v. DE JAEGHER, die woonplaats kiest bij advocaat H. LIEVENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Paul Fredericqstraat 72 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DE JAEGHER op 26 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 oktober 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Gent, Laarne, Lochristi, Lovendegem, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nevele, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 januari 1999; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 9 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-8836-1/11 Gelet op de beschikking van 22 februari 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 maart 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. LIEVENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De gegevens van de zaak 1.1. De verzoekende partij is eigenaar van een aantal terreinen in de Gentse Kanaalzone ter hoogte van het kanaal Gent-Terneuzen. Een deel ervan (nijverheidsgebouwen) ligt op het grondgebied van de stad Gent, Terdonkkaai 75, kadastraal bekend sectie X, nrs. 84/m, 84/d2, 84/b2 en 84/c2. Een ander deel (braakliggend terrein) ligt op het grondgebied van de gemeente Evergem-Ertvelde, tussen de Kerreweg en de Callemansputtewegel, kadastraal bekend sectie A, nrs. 478/b en 474/a. Deze gronden waren volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in industriegebied en komen door de bestreden beslissing te liggen in koppelingsgebied type 1. 1.2. Bij besluit van 13 mei 1997 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van het ontwerp-plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone. Als bijlage 40 tot het besluit is een toelichtingsnota opgenomen. Deel C van de toelichtingsnota handelt over de wijzigingen vanuit de opties voor de gebieden voor economische activiteiten. Onder de rubriek “Zeehaven van Gent” wordt het volgende vermeld : X-8836-2/11 “De Gentse Kanaalzone word ruimtelijk gekenmerkt door een verweving van de zeehavenactiviteiten, infrastructuur en bedrijventerreinen met de historisch gegroeide lintvormige woonkernen (zogenaamde straatdorpen). Enerzijds ondergraaft de nabijheid en de hinder van de zeehavenactiviteiten en andere bedrijfsactiviteiten de leefbaarheid in de bestaande woonkernen en anderzijds verhinderen de bestaande woonkernen de ontwikkelingsmogelijkheden en ontsluiting van zeehavenactiviteiten en andere bedrijfsactiviteiten. Aan deze ruimtelijke, economische en milieuhygiënische problematiek wordt in het conceptstreefbeeld voor de Gentse kanaalzone een oplossing geboden door de ontwikkeling en inrichting van zogenaamde koppelings- gebieden tussen woonkernen, natuur- en landbouwgebieden enerzijds en infrastructuur en bedrijventerreinen anderzijds. Koppelingsgebieden schermen de mogelijke hinder tussen beide ruimtelijke systemen af, hebben er een relatie mee en hebben er een betekenis voor. Koppelingsgebieden worden aldus bestemd als volwaardig overgangsgebied tussen de bedrijventerreinen en de woongebieden. Er worden bij voorkeur functies ingeplant die voor deze beide naastgelegen gebieden zinvol zijn. Koppelingsgebieden hebben in hoofdzaak een natuurlijk karakter, maar bebouwing die zich inpast in het landschap ten behoeve van de afscherming of van een koppelende functie, moet mogelijk zijn. In de koppelingsgebieden vindt een actieve landschapsontwikkeling plaats. Daartoe moeten inrichtingsplannen (BPA’

  1. s)opgemaakt worden en moet de realisatie van koppelingsgebieden volledig voor of ten laatste gelijktijdig met deze van het naastgelegen bedrijventerreinen verlopen. (...) C.2. Gent-Evergem-Zelzate, kanaalzone - differentiatie van industriegebied naar zeehavengebied (...) Wijziging van industriegebied, van gebied van ambachtelijke bedrijven en KMO’s, van woongebied en van parkgebied naar gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven (3014,2
  2. ha)omwille van - het garanderen van ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande (havengebonden) bedrijven die voor wat hun bedrijfsactiviteiten betreft een locatie in de zeehaven vereisen; - het exclusief voorbehouden van goed en multimodaal uitgeruste terreinen voor zeehavengebonden bedrijvigheid. De stedebouwkundige inrichting van het zeehavengebied met ondermeer de bufferzones en de ecologische infrastructuur evenals de ontsluiting voor auto en vrachtwagen, spoor en water moeten door verder onderzoek worden bepaald en vastgelegd worden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de aanleg van de eventueel aangrenzende koppelingsgebieden. Het aanleg van het Kluizendok wordt van algemeen belang verklaard. Deze wijziging treedt in de plaats van delen van de bestemmingswijziging opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 19 september 1995 houdende vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en kanaalzone. C.3. Gent-Evergem-Zelzate, kanaalzone - koppelingsgebieden tussen industrie en de bestaande te handhaven woonkernen (...) Wijziging van industriegebied en van agrarisch gebied naar koppelingsgebied (215,2
  3. ha)omwille van - de noodzaak voor het beperken van de milieuhygiënische impact van de industriële- en zeehavenactiviteiten naar de nabijgelegen woonkernen door een specifieke inrichting van de aangrenzende gebieden (de zogenaamde koppelingsgebieden); X-8836-3/11 - de noodzaak voor het garanderen van leefbaarheid voor het wonen en de andere aanwezige functies (waaronder agrarische functies) in de bestaande woonkernen; - de noodzaak voor het inschakelen van een specifiek bestemmingsvoorschrift en instrumentarium met name het BPA om de koppeling en de buffering effectief te kunnen maken. De vandaag voorgestelde koppelingsgebieden zijn enkel diegene waarvoor, op basis van de resultaten en de beslissingen van de ROM-studie voor het concept-streefbeeld van de Gentse Kanaalzone, voldoende elementen aanwezig zijn om nu reeds tot bestemmingswijziging en effectieve inrichting over te gaan. (...)”. De delen C.2 en C.3 zijn expliciet van toepassing op de kwestieuze percelen. 1.3. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 12 november 1997 tot en met 10 januari 1998. Er worden geen bezwaren ingediend door de verzoekende partij. 1.4. Op 17 februari 1998 brengt de gemeenteraad van de stad Gent ongunstig advies uit. De stad Gent is op 17 december 1997 met betrekking tot punt C.3 akkoord gegaan, mits aanpassing van het bestemmingsvoorschrift K1 in de mate dat voorzien wordt dat de gronden niet kunnen worden opgehoogd met het oog op de industrie en dat de bestendiging van de agrarische activiteiten het meest aangewezen is voor het koppelingsgebied. 1.5. De bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen brengt op 5 maart 1998 gunstig advies uit over de wijziging van punt C.3 mits de aanvulling van het stedenbouwkundig voorschrift “zoals voorgesteld”. 1.6. Op 12 en 19 juni 1998 brengt de Streekcommissie van advies voor de Ruimtelijke Ordening haar advies uit. Zij had op 13 maart 1998 om een termijnverlenging voor de advisering van het dossier gevraagd aan de minister, die deze verlenging met een brief van 14 april 1998 toegestaan heeft. Aldus adviseert zij inzake punt C.3 gunstig voor de bestemmingswijziging, mits een aanpassing van het bestemmingsvoorschrift K. 1.7. Op 23 juli 1998 beslist de Vlaamse regering tot de verlenging met zestig dagen van de termijn waarbinnen het plan moet worden vastgesteld. X-8836-4/11 1.8. Op 14 oktober 1998 gevraagd advies te verstrekken binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State op 19 oktober 1998 advies uit. Inzake de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften wordt als volgt door de afdeling wetgeving overwogen : “Bijlage 19 1. In artikel 5 van deze bijlage luidt de laatste volzin als volgt : ‘Het gebied en de bufferzone die het omvat kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid’. Een dergelijke bepaling is niet duidelijk en kan door haar algemene formulering aanleiding geven tot interpretatieproblemen. Bovendien lijkt een dergelijk voorschrift de handelingsbekwaamheid van de mogelijke private eigenaars te beperken. Dezelfde opmerkingen moeten worden gemaakt bij artikel 11, tweede lid, eerste volzin, van de bijlage waarin wordt bepaald dat ‘het (gebied) alleen (kan) worden gerealiseerd door de overheid’ en bij artikel 17, tweede volzin, luidens welke bepaling de daarin geregelde kleinhandelszone ‘een regionaal bedrijventerrein (
  4. is)(dat) evenwel alleen (kan) worden gerealiseerd door de overheid’. 2. Uit artikel 8 van de bijlage lijkt te moeten worden afgeleid dat de bij die bepaling vastgestelde bestemming slechts kan worden gerealiseerd voor zover een bijzonder plan van aanleg tot stand komt. In dat verband moet worden opgemerkt dat een in een gewestplan vastgestelde bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft. Zulks blijkt onder meer uit artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober l996, naar luid waarvan een vergunningsaanvraag, bij gebreke van een bijzonder plan van aanleg, rechtstreeks getoetst wordt aan de voorschriften van een streek- of gewestplan. In zoverre uit artikel 8 van de bijlage voortvloeit dat de uitvoerbaarheid van de nieuwe bestemming afhankelijk gemaakt wordt van een nog te nemen gemeentelijk initiatief, miskent het de rechten die de betrokken eigenaars aan de bepalingen van een gewestplan ontlenen. Bovendien lijkt dit artikel dan aan de gemeenten de verplichting op te leggen om de in het gewestplan vastgestelde bestemming zonder meer te bevestigen in een plan van aanleg. Aldus sluit deze bepaling elke mogelijke afwijking van die bestemming uit, hetgeen in strijd is met wat bepaald is in artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. Gelijkaardige opmerkingen dienen te worden gemaakt bij artikel 9, tweede lid; artikel 11, derde lid; artikel 12.1., laatste lid; artikel 12.2., laatste lid; artikel 13, laatste volzin; artikel 14, laatste lid; artikel 17, laatste lid. 3. In artikel 9 van de bijlage dient het vage begrip ‘grootschalige activiteiten’ te worden verduidelijkt. 4. Overeenkomstig de tweede volzin van de artikelen 12.1. en 12.2. van de bijlage kunnen ‘de bestaande woningen en de bestaande activiteiten (inclusief landbouwactiviteiten) blijven ontwikkelen’. Het zou de rechtszekerheid dienen mocht het begrip ‘ontwikkelen’ verduidelijkt worden. 5. Uit artikel 16, tweede volzin, van de bijlage zou kunnen worden afgeleid dat een bijzonder advies van de in die bepaling bedoelde overheid is vereist, enkel dienstig voor de toepassing van de ontworpen bepaling. Aangezien dit volgens de gemachtigde van de regering niet het geval is, vervange men de woorden ‘het advies van de voor monumenten- en landschapszorg bevoegde overheid’ door ‘het advies van de bevoegde overheid, gegeven met toepassing van de regelgeving inzake monumenten- en landschapszorg’. 6. In artikel 18 van de bijlage dient wellicht te worden gespecifieerd welke van de bestemmingen, hetzij natuurgebied, hetzij natuurgebied met X-8836-5/11 wetenschappelijke waarde, wordt bedoeld. Die beide begrippen zijn immers vervat in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december l972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen”. 1.9. Op 28 oktober 1998 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Gent, Laarne, Lochristi, Lovendegem, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nevele, Sint- Martens-Latem, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate. Dit is het bestreden besluit. Inzake punt C.3 overweegt het bestreden besluit het volgende : “Overwegende dat aan het punt C.3. Gent-Evergem-Zelzate, kanaalzone - koppelingsgebieden tussen industrie en de bestaande te handhaven woonkernen waarbij in de wijziging wordt voorzien van industriegebied en van agrarisch gebied naar koppelingsgebied door de streekcommissie een gunstig advies werd voorbehouden mits het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift werd aangevuld; dat bij nader onderzoek van de in het advies van de streekcommissie opgenomen elementen blijkt dat niet zonder meer gevolg kan worden gegeven voor de voorgestelde tekstaanpassingen; dat immers wordt vastgesteld dat niet alle koppelingsgebieden die op het ontwerp-gewestplan werden aangeduid onder een zelfde noemer kunnen worden geplaatst; dat blijkt dat het advies van de streekcommissie werd ingegeven door het advies van de ROM-stuurgroep dat feitelijk werd opgemaakt in functie van het koppelingsgebied gelegen langs de Doornzelestraat te Evergem; dat het voorstel kan worden bijgetreden, doch dat dit voorschrift niet kan veralgemeend voor alle koppelingsgebieden; dat het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift derhalve wordt ontdubbeld in twee types koppelingsgebieden; dat verder blijkt dat het advies van de gemeente Evergem kan worden gevolgd waarbij de begrenzing van het koppelingsgebied langs de Doornzelestraat wordt aangepast aan de begrenzing van het in opmaak zijnde bijzonder plan van aanleg en de aan de projectontwikkelaar op 23.10.1997 afgeleverde kapvergunning; dat tenslotte, na het vermelde nader onderzoek, blijkt dat wordt getwijfeld aan de zin van het koppelingsgebied te Desteldonk; dat de situatie te Desteldonk bij nader toezien niet vergelijkbaar is met de overige plaatsen waar koppelingsgebieden zinvol kunnen worden toegepast, vermits de woningen te Desteldonk werden bestemd tot landelijk woongebied; dat derhalve het behoud van de bestemming agrarisch gebied vanuit planologisch oogpunt een betere oplossing biedt; dat daartoe dit planonderdeel uit de begrenzing van het wijzigingsvoorstel wordt gesloten”. De definitie van het bestemmingsgebied K1 luidt als volgt : “Art. 12.1. Koppelingsgebied type 1 Dit gebied is uitsluitend bestemd voor activiteiten die een buffering en/of koppeling teweegbrengen ten opzichte van het omgevende gebied. In dit gebied kunnen de bestaande woningen en de bestaande activiteiten (inclusief landbouwactiviteiten) behouden blijven. Nieuwe inplantingen van woningen zijn niet toegelaten; vervanging, verbouwing en uitbreiding van bestaande woningen kan worden toegelaten. Aanleg of inrichting van bestaande infrastructuur voor de ontsluiting van het omgevende gebied zijn niet toegelaten. X-8836-6/11 Toegelaten zijn nieuwe inplantingen van recreatieve activiteiten, gemeen- schapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen en dienstwoningen behorend bij deze functies voor zover deze functies complementair zijn met activiteiten in de omliggende gebieden, niet meer dan 50 % van de totale terreinoppervlakte bezetten en geen afbreuk doen aan de bufferende functie of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteit van het omgevende gebied. In het koppelingsgebied dient een actieve landschapsontwikkeling plaats te vinden; bestaande landbouwfuncties kunnen hierin worden geïntegreerd. De Vlaamse regering kan bepalen dat vooraleer in het gebied werken en handelingen kunnen worden uitgevoerd een bijzonder plan van aanleg dient goedgekeurd te worden waarin de stedenbouwkundige aanleg van het gebied en de bijhorende voorschriften betreffende de aard en inplanting van gebouwen en nutsvoorzieningen en de terreinbezetting worden vastgesteld. In dat geval kan ook het wijzigen van de functie van bestaande gebouwen, het inplanten van nieuwe functies en het vervangen van bestaande woningen pas na goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg”. 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord het volgende : “A. Wat betreft de proces-bekwaamheid 1. De verzoekende partij dient het bewijs voor te leggen dat zij rechtspersoonlijkheid heeft verworven. 2. Bij gebreke van bewijs van neerlegging van de uittreksels uit de oprichtingsakte ter Griffie van de Rechtbank van Koophandel, dient te worden aangenomen dat de vordering tot nietigverklaring niet rechtsgeldig werd ingeleid”. 2.1.2. Een exceptie moet zonder voorbehoud geformuleerd worden en moet gestaafd worden met concrete feitelijke en juridische bewijzen. Het louter poneren dat het niet voldoen aan een wettelijk opgelegde formaliteit leidt tot niet- ontvankelijkheid van het beroep kan evenmin als een exceptie worden beschouwd. 2.2.1. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende exceptie op : “B. Wat betreft de proces-bevoegdheid 1. Verzoekster legt een beslissing neer van de Raad van Bestuur betreffende de aanduiding van Mr. Brewaeys om een vernietigingsberoep bij de Raad van State in te stellen tegen het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone. Deze beslissing is ondertekend door de heer Luc Versele, gedelegeerd Bestuurder van de NV GRELUTAK. Verwerende partij kan uit geen enkel stuk afleiden of dit inderdaad de gedelegeerd Bestuurder is. Verder bepaalt artikel 10 van de gecoördineerde statuten dat de vennootschap bestuurd wordt door een Raad van Bestuur van minstens drie leden die benoemd worden voor ten hoogste zes jaar. X-8836-7/11 Deze stukken laten niet toe te vernemen hoe groot het ledenaantal is van deze Raad van Bestuur, wie als bestuurder werd benoemd door de Algemene Vergadering van de verzoekende partij, of degenen die de Vergadering van deze Raad van Bestuur van 26 maart 1999 hebben bijgewoond als bestuurder werden benoemd, en in voorkomend geval, of hun mandaat met een duurtijd van zes jaar met automatisch verval, al dan niet verstreken is. Aldus ligt het bewijs niet voor van een rechtsgeldige en tijdige beslissing van de verzoekende partij om in rechte te treden. Het annulatieberoep is om deze redenen onontvankelijk. 2. Bovendien wordt aan Mr. Brewaeys slechts gevraagd een annulatieberoep in te stellen tegen het ontwerpplan. Aangezien de beslissing om in rechte te treden uitdrukkelijk en ondubbelzinning dient te zijn, kan deze beslissing niet dienen ter ondersteuning van een annulatieberoep tegen het definitief vastgestelde gewestplan. Ook en vooral om deze redenen is het annulatieberoep onontvankelijk”. 2.2.2. Wat de beslissing tot het in rechte treden betreft, legt de verzoekende partij de bewijzen voor waaruit blijkt dat diegenen die beslisten tot het in rechte treden effectief gemandateerd waren. De verzoekende partij voegt bij haar memorie van wederantwoord tevens een bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 16 december 1998 waaruit blijkt dat Luc Versele werd benoemd tot gedelegeerd bestuurder van de n.v. GRELUTAK. Uit de volledige tekst van de notulen van de raad van bestuur van 26 maart 1999, gevoegd bij de memorie van wederantwoord, blijkt dat beslist werd “een beroepsprocedure in te stellen voor de Raad van State tegen dit Besluit van de Vlaamse Regering dd 28.10.98”, zijnde het definitief vastgestelde gewestplan. Met de verzoekende partij dient vastgesteld te worden dat het initiële, samen met het verzoekschrift tot nietigverklaring, voorgelegde uittreksel uit de beslissing van de raad van bestuur een louter materiële vergissing bevat. Het voorwerp van de beslissing van de raad van bestuur is wel degelijk het annulatieberoep tegen het besluit van 28 oktober 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone. De exceptie is niet gegrond. 2.3. De verzoekende partij vraagt in haar verzoekschrift de nietigverklaring van “het Gewestplan Gentse en Kanaalzone, definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1998”. Zij stelt dat haar gronden volgens het oorspronkelijke gewestplan de bestemming industriegebied hadden en dat zij door de bestreden beslissing worden bestemd tot koppelingsgebied type 1. Zij beperkt het voorwerp van haar beroep formeel niet tot een bepaald gebied. De verzoekende partij is, zoals blijkt uit de feitenuiteenzetting, eigenaar van een aantal terreinen in de Gentse Kanaalzone. Een deel ervan ligt op het grondgebied van de stad Gent, Terdonkkaai 75, kadastraal bekend sectie X, X-8836-8/11 nrs. 84/m, 84/d2, 84/b2 en 84/c2. Een ander deel ligt op het grondgebied van de gemeente Evergem-Ertvelde, tussen de Kerreweg en de Callemansputtewegel, kadastraal bekend sectie A, nrs. 478/b en 474/a. De verzoekende partij heeft slechts belang bij de vernietiging van het bestreden besluit in de mate dat dit betrekking heeft op haar percelen. 3. Ambtshalve middel 3.1. Aangezien het bestreden besluit aanvullende stedenbouwkundige voorschriften bevat, moest het voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Die adviesverplichting heeft betrekking op elke reglementaire bepaling van elk afzonderlijk besluit. Een inhoudelijke wijziging van of toevoeging aan het ontwerpbesluit nadat de afdeling wetgeving haar advies heeft gegeven, noopt tot een nieuwe adviesaanvraag, tenzij de wijziging of toevoeging zou tegemoetkomen aan een opmerking die in het advies werd gemaakt. In het andere geval houdt een wijziging of toevoeging die substantieel is ten aanzien van de betrokken regeling, een schending in van de adviesverplichting, bedoeld in de voormelde wetsbepaling. 3.2. Uit het nazicht door het bevoegde lid van het auditoraat van het dossier met betrekking tot het advies 28.363/1 dat de afdeling wetgeving op 19 oktober 1998 heeft gegeven over het ontwerp dat heeft geleid tot het bestreden besluit, bleek dat een aantal bepalingen van bijlage 19 bij het bestreden besluit, die aanvullende bestemmingsvoorschriften bevat, verschillen van de bepalingen die aanvankelijk voor advies waren voorgelegd aan de afdeling wetgeving, hetgeen door de verwerende partij overigens niet wordt betwist. Eén van die bepalingen is artikel 12, dat de aanvullende bestemmingsvoorschriften bevat voor een koppelings- gebied, en dat aan het ontwerpbesluit blijkt te zijn toegevoegd na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. 3.3. Nu het bestreden besluit voor de betrokken percelen een aanvullend bestemmingsvoorschrift heeft vastgesteld, waarvan vaststaat dat het niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, moet het worden vernietigd in de mate dat het op de percelen van de verzoekende partij betrekking heeft. X-8836-9/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 28 oktober 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Gentse en Kanaalzone op het grondgebied van de gemeenten Assenede, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Gent, Laarne, Lochristi, Lovendegem, Melle, Merelbeke, Moerbeke, Nevele, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke, Wetteren en Zelzate, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 januari 1999 in zoverre het de percelen gelegen te Gent, Terdonkkaai, kadastraal bekend sectie X, nrs. 84/m, 84/d2, 84/b2 en 84/c2 en te Evergem-Ertvelde, tussen de Kerreweg en de Callemansputtewegel, kadastraal bekend sectie A, nrs. 478/b en 474/a, betreft. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-8836-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-8836-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.175 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.