← België

Arrest 187185 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.185 Rolnummer: A. 111709/X-10612 Zaak: Arrest 187185 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.185 van 20 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.185 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 111.709/X-10.612. In zake : 1. de v.z.w. DE WIELEWAAL NATUURVERENIGING, 2. Ronny DELRUE, die woonplaats kiezen bij advocaat K. LOONTJENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. DE WIELEWAAL NATUURVERENIGING en Ronny DELRUE op 18 oktober 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van de gemeenten Avelgem, Harelbeke, Kortrijk, Menen, Waregem, Wevelgem en Zwevegem, “en dit voor zover het betreffende besluit betrekking heeft op de aanduiding van het bedrijventerrein Zwevegem-Moen-Trekweg (bijlage 16 (lees: 6), kaartblad 29/6)”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 2001; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 13 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-10.612-1/13 Gelet op de beschikking van 4 augustus 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. LOONTJENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Bij besluit van de Vlaamse regering van 14 december 1994 wordt het gewestplan Kortrijk gedeeltelijk gewijzigd, onder meer voor terreinen gesitueerd aan de Trekweg te Moen-Zwevegem, aan de overzijde van het kanaal Bossuit-Kortrijk ten opzichte van de dorpskern van Moen. De bestemming van de betreffende gronden wordt ten opzichte van het oorspronkelijke gewestplan, gewijzigd van ontginningsgebied, landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter, in “regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter” (aanvullend bestemmings- voorschrift). 1.2. Met het besluit van 28 april 2000 stelt de Vlaamse regering een nieuw ontwerp-plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk voorlopig vast. De voorgenomen wijziging heeft onder meer opnieuw betrekking op de gronden aan de Trekweg te Moen-Zwevegem, die nu tot industriegebied worden bestemd. Dit besluit wordt onder meer als volgt gemotiveerd: “I. Voor wat de herneming van een aantal vroeger doorgevoerde bestemmingswijzigingen betreft: Overwegende dat bij de definitieve vaststelling op 14 december 1994 van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk voor een aantal bestemmingswijzigingen gebruik gemaakt werd van destijds nieuwe X-10.612-2/13 aanvullende stedenbouwkundige voorschriften voor het gewestplan Kortrijk, met name ‘regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter’, ‘transportzone’, ‘regionale gemengde zone voor diensten en handel’ en ‘wetenschapspark’; Overwegende dat bij de realisatie van enkele van de betreffende bedrijventerreinen gebleken is dat een mogelijk vormgebrek bij de definitieve gewestplanvaststelling een hypotheek legt op de onteigeningsmaatregelen en eventueel ook het vergunningenbeleid, in die zin dat bij rechtsgeschillen in verband met de realisatie het niet voorleggen voor advies aan de Raad van State, afdeling wetgeving, van bovenvermelde aanvullende stedenbouwkundige voorschriften, als rechtsmiddel is ingeroepen en door de rechter gegrond is bevonden; Overwegende dat geen efficiënt bestuursoptreden mogelijk is wanneer de toepassing van een verordenend voorschrift in een individueel geval op ieder ogenblik kan betwist worden op grond van mogelijke wettigheidsbezwaren ingeroepen tegen het verordenend voorschrift, dat het om die redenen aangewezen en verantwoord is voor betrokken delen van het gewestplan Kortrijk te komen tot een gewestplanbestemming die niet kan betwist worden op grond van mogelijke wettigheidsbezwaren; dat het mede ook uit dit oogpunt aangewezen is het bestaande bestemmingsvoorschrift industriegebied zoveel als mogelijk (...) toe te passen, Overwegende dat derhalve een rechtsgeldige herneming van de gewestplanwijziging wenselijk is voor met name de regionale bedrijven- terreinen ‘Waregem-Brabantstraat’ en ‘Kortrijk Deltapark’, het bedrijventerrein ‘Zwevegem-Moen-Trekweg’, (...) en tenslotte de regionale gemengde zone voor handel en diensten ‘Uitbreiding Kennedypark Kortrijk’; Overwegende dat bij de definitieve vaststelling van die hernomen gewestplanwijzigingen de vroegere, betwiste wijzigingen uit de rechtsorde kunnen worden verwijderd; Overwegende dat de zonet vermelde bestemmingswijzigingen inhoudelijk verantwoord blijven vanwege de motieven die ook reeds in het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 1994 aangehaald werden, dat die motieven nog actueel blijken; Overwegende dat de bestemming tot industriegebied van de terreinen ‘Waregem-Brabantstraat’ en ‘Kortrijk-Deltapark’ in overeenstemming is met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen met name de bundeling van economische activiteiten en de locatie van regionale bedrijventerreinen in stedelijke gebieden en andere economische knooppunten; dat de bewuste gronden potentieel deel uitmaken van of aansluiten bij respectievelijk het kleinstedelijk gebied Waregem en het regionaalstedelijk gebied Kortrijk; dat beide terreinen goed ontsloten zijn naar de hoofdweg A14 (E17) en dat het terrein te Waregem aansluit bij een bestaand bedrijventerrein; dat de omvang van de terreinen toelaat ze te ontwikkelen als regionale bedrijventerreinen; (...) Overwegende dat de aanduiding van de terreinen te ‘Zwevegem-Moen-Trekweg’ als regionaal bedrijventerrein gelet op het intussen vastgestelde ruimtelijk structuurplan Vlaanderen moeilijk te verantwoorden is gezien de plek noch ruimtelijk noch functioneel aansluit bij de gebieden die potentieel tot het stedelijk gebied Kortrijk behoren (waaronder wel meer noordelijk gelegen delen van de gemeente Zwevegem); dat echter een aanduiding als industriegebied verdedigbaar is vanuit het principe van gedeconcentreerde bundeling van economische activiteiten en met name de aansluiting bij bestaand industriegebied, evenals het feit dat het terrein op basis van de gewestplanwijziging van 14 december 1994 al in ontwikkeling is; Overwegende dat ook verschillende van de andere bovengenoemde terreinen al in mindere of meerdere mate in ontwikkeling zijn”. X-10.612-3/13 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek worden tegen het ontwerp een aantal bezwaarschriften ingediend, onder meer door de afdeling Zuid-West- Vlaanderen en de afdeling Zwevegem van de eerste verzoekende partij. 1.4. De streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw in West-Vlaanderen adviseert de wijziging op 15 februari 2001 gunstig. 1.5. Op 28 mei 2001 vraagt de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening en Media de afdeling wetgeving van de Raad van State hem binnen een termijn van één maand van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van de gemeenten Avelgem, Harelbeke, Kortrijk, Menen, Waregem, Wevelgem en Zwevegem”. Op 14 juni 2001 verstrekt de afdeling wetgeving advies nr. 31.744/1 over voornoemd ontwerp. 1.6. Met het besluit van 6 juli 2001 stelt de Vlaamse regering de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk definitief vast. Dit is het bestreden besluit. De terreinen aan de Trekweg te Moen-Zwevegem behouden de voorziene bestemming als industriegebied. Met betrekking tot dit gebied bevat het besluit de volgende motivering : “Overwegende dat de bestemmingswijziging naar industrieterrein van het bedrijventerrein Zwevegem-Moen-Trekweg de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein betreft; dat deze bestemmingswijziging een herneming is van een vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging, waarbij gebruik gemaakt werd van het destijds nieuwe aanvullende stedenbouwkundige voorschrift ‘regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter’; dat dit voorschrift om juridisch-technische redenen onvoldoende rechtszekerheid blijkt te geven voor de realisatie van de bestemming, met name voor de oprichting van bedrijfsgebouwen; dat de aanduiding van dit industriegebied beschouwd wordt als een bundeling van economische activiteiten, aansluitend bij een bestaand industriegebied; dat de bestemmingswijziging noodzakelijk wordt geacht in functie van de uitbreiding van de op dit terrein gevestigde bedrijven; dat bovendien de ontwikkeling van dit terrein reeds een aanvang heeft genomen op basis van de vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging van 14 december 1994; dat voor de nog niet ontwikkelde terreinen overeenkomsten werden afgesloten; dat het bewaren van de openheid van het gebied derhalve in de praktijk niet meer haalbaar wordt geacht”. X-10.612-4/13 2. Ontvankelijkheid 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. Anticipatief stellen de verzoekende partijen in hun beroep tot nietigverklaring onder meer het volgende inzake hun belang: “Eerste verzoekende partij is een natuurvereniging (...). De annulatievordering kan worden ingepast in het doel van de vereniging. Bovendien schaadt de gewestplanwijziging de eigen, persoonlijke belangen van de vereniging doordat het in het bestreden besluit aangeduide bedrijventerrein ZWEVEGEM-MOEN-TREKWEG op Ingevolge de bestreden gewestplanwijziging komt deze groene as, waarvan aan eerste verzoekster het beheer werd toegekend, in gevaar temeer dat de ontsluiting van het betreffende bedrijventerrein deels langs deze groene as dient te gebeuren. Tweede verzoekende partij is een inwoner van de gemeente Moen. Hij is eigenaar en bewoner van de woning aan de Trekweg nr. 22. Het spreekt voor zich dat tweede verzoekende partij als onmiddellijke omwonende beschikt over het rechtens vereiste persoonlijk, actueel en rechtstreeks belang om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen aangezien hij ingevolge de aanduiding van het betreffende gebied als bedrijventerrein diverse vormen van hinder (geur, geluid, zicht, verkeer, ...) zal ondervinden waar hij thans woont in een gebied waar de open ruimte primeert en hij destijds precies ook omwille van deze open ruimte geopteerd heeft voor de aankoop van zijn woning”. 2.1.2. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende excepties van gemis aan belang op: “1. Voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring volstaat het niet dat de bestuurshandeling op zichzelf, objectief gezien, griefhoudend zou zijn wat het voorwerp betreft. Vereist is bovendien dat ze ook effectief nadeel toebrengt aan de verzoekende partijen. Deze hebben slechts een voldoende belang bij de vernietiging indien de bestreden beslissing hen met andere woorden schaadt. Een persoonlijk belang uit hoofde van ‘nabuurschap’, wordt in een constante rechtspraak van Uw Raad slechts geacht te bestaan indien deze nabijheid een ‘onmiddellijke’ nabijheid betreft. Hierbij zou de afstand maximaal ongeveer 100 meter mogen bedragen. Ook stelde Uw Raad dat een eigenaar van een perceel slechts belang heeft (bij) de vernietiging van een gewestplan in zoverre dat plan zijn eigendom betreft. Dit is in casu niet het geval voor verzoekende partijen. 2. Uit de voorgelegde plannen blijkt dat het desbetreffend regionaal bedrijventerrein nergens paalt aan de oevers van het kanaal Kortrijk-Bossuit, X-10.612-5/13 noch aan enig natuurreservaat. Aldus zal dit terrein geen bedreiging vormen voor de ecosystemen die deze ‘Vaarttaluds’ en ‘Poeldries’ (op minstens 600 meter afstand gelegen) uitmaken. Bovendien staat het aan de bevoegde overheden om in het kader van de toe te kennen bouw- en milieuvergunningen voldoende rekening te houden met de aanwezigheid van natuurgebieden en buurtbewoners. Het ingeroepen nadeel is dan ook louter hypothetisch en niet actueel. 3. In hoofde van tweede verzoekende partij dient vooreerst te worden vastgesteld dat zij niet aantoont in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijventerrein te wonen. Bovendien nam zij een bewust risico om zich in de buurt van een bestaand industrieterrein (

  1. te)vestigen. Dat dit gebied wordt uitgebreid, zoals dit reeds is voorzien en gepland sinds 1994, kan op heden bezwaarlijk een nadeel voor haar inhouden. De nabijheid van het reeds bestaande bedrijventerrein impliceert eveneens dat de realisatie van de uitbreiding ervan geen indrukwekkende noch zeer nadelige weerslag zal hebben op de omgeving waarin tweede verzoekende partij woont. Aldus dient vastgesteld dat verzoekende partijen geen afdoende belang aantonen bij het instellen van huidig annulatieberoep. Hun vordering dient als onontvankelijk te worden afgewezen”. 2.1.3. In de memorie van wederantwoord wordt met betrekking tot het belang van de eerste verzoekende partij onder meer het volgende gerepliceerd: “Het spreekt voor zich dat de onmiddellijke nabijheid van twee natuurreservaten hinder zal ondervinden van de uitbouw van een regionaal bedrijventerrein (met o.a. verdwijnen van typische fauna en flora). Het feit dat het uitgebreide bedrijventerrein niet onmiddellijk ‘paalt’ aan deze natuurgebieden impliceert niet dat deze uitbreiding geen schade zal veroorzaken aan de fauna en flora in de voormelde natuurgebieden die gelegen zijn in de onmiddellijke omgeving van het uitgebreide industrieterrein. Industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Zij huisvesten per definitie hinderlijke inrichtingen die schadelijke gevolgen hebben voor mens en milieu en die omwille van deze reden in afzonderlijk(
  2. e)gebieden dienen te worden ondergebracht. Concreet stelt zich hier nog het bijkomend probleem dat de geplande uitbreiding van het reeds bestaande bedrijventerrein - waar tot 1994 slechts twee bedrijven gevestigd waren! - een aanzienlijke toename van het verkeer van en naar deze nieuwe bedrijven met zich zal meebrengen en dit terwijl er voor het bedrijventerrein geen goede ontsluitingswegen zijn. De snelste weg naar de dichtst bijgelegen autosnelweg gaat via de weg gelegen langs het kanaal. Het enig alternatief gaat via twee dorpskernen. Het (vracht)verkeer zal ingevolge de uitbreiding van het industriegebied hoe dan ook sterk toenemen langs het kanaal - en dus ook langs de twee voormelde natuurgebieden - waardoor de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van deze groene as langs het kanaal BOSSUIT-KORTRIJK, en meer in het bijzonder van de twee voormelde natuurgebieden, in het gedrang zal komen. Het dient zelfs opgemerkt dat de gemeente ZWEVEGEM sedert 1994 het verkeer langs het kanaal heeft willen stimuleren door over te gaan tot een verbreding van de langs het kanaal gelegen weg. De gemeente beschikte evenwel niet over de vereiste stedenbouwkundige vergunning zodat de verbredingswerken werden stilgelegd. Concreet resultaat is dat de vaarttaluds op diverse plaatsen verzakkingen X-10.612-6/13 vertonen met alle negatieve gevolgen vandien voor de langs deze kanaalweg gelegen natuurgebieden. Eerste verzoekster die streeft naar het behoud van natuurgebieden wordt aldus gegriefd ingevolge de bestreden beslissing”. In de memorie van wederantwoord wordt met betrekking tot het belang van de tweede verzoekende partij onder meer gerepliceerd dat hij zijn woning reeds in 1984 kocht en dat het industriegebied binnen zijn gezichtsveld zal komen te liggen. 2.2. Beoordeling van de ontvankelijkheid De eerste verzoekende partij maakt aannemelijk dat de bestemming van de gronden tot industriegebied een weerslag kan hebben op de nabijgelegen groene as, waarvan haar het beheer werd toegekend. De tweede verzoeker, die sedert 1984 aan de Trekweg nr. 22 woont, blijkt vanuit zijn woonperceel uit te kijken op het plangebied, wat hem een voldoende belang geeft bij het beroep. De aangevoerde excepties worden verworpen. 3. Ten gronde 3.1. Standpunt van de partijen 3.1.1. In het verzoekschrift voeren de verzoekende partijen volgende middelen aan: “1. Schending van de bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) Het bedrijventerrein ZWEVEGEM-MOEN-TREKWEG dient qua aard en kenmerken te worden beschouwd als een regionaal bedrijventerrein. Het is ongeveer 25ha groot en is bestemd voor de vestiging van be- en verwerkende bedrijven die een verzorgend karakter hebben en die de schaal van hun omgeving overschrijden (RSV p. 448). Het RSV stelt in haar indicatief gedeelte - richtinggevend gedeelte van RSV waarvan de overheid enkel kan afwijken mits behoorlijk gemotiveerde beslissing - dat het locatiebeleid voorop moet staan bij differentiatie van bedrijventerreinen. Voor regionale bedrijventerreinen geldt voor hun lokalisatie dat zij uitsluitend gelokaliseerd kunnen worden in stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten: a contrario regionale bedrijven terreinen kunnen niet gelokaliseerd worden in het buitengebied (RSV p. 452). In casu behoort het gebied aan de Trekweg te MOEN (Zuid-Zwevegem) tot het buitengebied. Het betreffende gebied sluit noch ruimtelijk, noch functioneel X-10.612-7/13 aan bij de gebieden die potentieel tot het stedelijk gebied KORTRIJK behoren; hetgeen ook werd bevestigd door de destijds bevoegde Minister in zijn nota aan de leden van de Vlaamse Regering: ‘.. een aanduiding van de terreinen te ‘Zwevegem-Moen-Trekweg’ als regionaal bedrijven terrein is gezien het ondertussen van kracht geworden ruimtelijk structuurplan Vlaanderen moeilijk te verantwoorden. De plek sluit noch ruimtelijk noch functioneel aan bij de gebieden die potentieel tot het stedelijk gebied Kortrijk behoren (waaronder wel meer noordelijk gelegen delen van de gemeente Zwevegem)’ Het is in dit verband ook opmerkenswaardig dat de Directeur-Generaal van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting. en Monumenten en Landschappen op 1 maart 2000 aan de bevoegde Minister schreef: ‘het terrein te Zwevegem-Moen werd niet langer aangemerkt als RO-terrein maar als klassiek industriegebied. De bestemmingswijziging naar een regionaal bedrijventerrein zoals bedoeld in het ondertussen vastgestelde RSV is, niettegenstaande de selectie van Zwevegem als economisch knooppunt, op de bewuste lokatie niet evident’ MOEN, en in het bijzonder de omgeving van het reeds vóór 1994 bestaande industriegebied, behoort onbetwistbaar tot een gebied waarin de open onbebouwde ruimte overweegt. Ook volgens het ontwerp Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan is MOEN een herlokalisatiehoofddorp waar zich enkel lokale industrie op een terrein van max. 5ha kan vestigen. Bovendien geldt voor regionale bedrijventerreinen dat hun ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire of secundaire wegen dient te gebeuren (RSV p, 452), terwijl in casu het betreffende gebied op 12 km ligt van de dichtstbijzijnde autosnelweg en waarbij men twee dorpskernen dient te doorkruisen om deze autosnelweg te kunnen bereiken. De ontsluiting dient in casu ook deels te gebeuren via lokale gemeentelijke wegen en ook deels via een weg gelegen langs het kanaal ‘KORTRIJK-BOSSUIT’ en waarvan een gedeelte van de oevers onlangs werden erkend als natuurreservaat ‘DE VAARTTALUDS’, De bestreden gewestplanwijziging is derhalve strijdig met de gewenste Ruimtelijke Structuur, richtinggevend gedeelte van het RSV. De overheid kan van dit toetsingskader enkel afwijken mits een behoorlijk gemotiveerde beslissing (RSV p, 13). Zoals hierna zal blijken is huidige afwijking geenszins behoorlijk gemotiveerd. (...) 2. Schending van de motiveringsplicht als zijnde een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en als zijnde een verplichting opgenomen in RSV om te kunnen afwijken van het richtinggevend gedeelte van het RSV De motiveringsplicht houdt ondermeer in dat een administratief besluit steeds moet worden gedragen door een motivering die aanvaardbaar is zowel met het oog op de feiten als met het oog op het recht. De motieven dienen zowel in feite als in rechte de beslissing te dragen. Dit is hier niet het geval. In casu motiveert de Vlaamse regering haar beslissing om het betreffende gebied toch als industrieterrein aan te duiden als volgt: ‘overwegende dat de bestemmingswijziging naar industrieterrein van het bedrijventerrein Zwevegem-Moen- Trekweg de uitbreiding van een bestaand bedrijven terrein betreft; Dat deze bestemmingswijziging een herneming is van een vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging, waarbij gebruik gemaakt werd van het destijds nieuwe aanvullende stedenbouwkundige voorschrift ‘regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter’; dat dit voorschrift om juridische-technische redenen onvoldoende rechtszekerheid blijkt te geven voor de realisatie van de bestemming, met name voor de oprichting van bedrijfsgebouwen; dat de X-10.612-8/13 aanduiding van dit industriegebied beschouwd wordt als een bundeling van economische activiteiten, aansluitend bij een bestaand industrie- gebied; dat de bestemmingswijziging noodzakelijk wordt geacht in functie van de uitbreiding van de op dit terrein gevestigde bedrijven; dat bovendien de ontwikkeling van dit terrein reeds een aanvang heeft genomen op basis van de vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging van 14 december 1994; dat voor de nog niet ontwikkelde terreinen overeenkomsten werden afgesloten; dat het bewaren van de openheid van het gebied derhalve in de praktijk niet meer haalbaar wordt geacht’ Waar de Vlaamse regering overweegt: ‘dat de bestemmingswijziging noodzakelijk wordt geacht in functie van de uitbreiding van de op dit terrein gevestigde bedrijven’ is haar motivering de facto niet correct. Geen van de bestaande bedrijven - gevestigd op het reeds vóór 1994 bestaande industrieterrein - heeft de facto behoefte aan uitbreiding. Bovendien is gebleken naar aanleiding van de reeds opgestarte ontwikkeling van het bedrijventerrein, op basis van de vroeger doorgevoerde - maar onwettige (cfr. infra) bestemmingswijziging van 14 december 1994, dat uitsluitend nieuwe bedrijven geïnteresseerd waren en de reeds gevestigde bedrijven geen gebruik hebben gemaakt van het supplementair aanbod aan industriegronden voor de uitbreiding van hun bestaande bedrijven. Het bestreden besluit is derhalve gesteund op onjuiste feiten. Nochtans moeten de feiten waarop de overheid zich baseert om haar beslissing te verantwoorden bestaan en juist zijn (...). Bovendien wordt het bestreden besluit niet gedragen door rechtens aanvaardbare motieven waar de Vlaamse regering overweegt: ‘dat bovendien de ontwikkeling van dit terrein reeds een aanvang heeft genomen op basis van de vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging van 14 december 1994; dat voor de nog niet ontwikkelde terreinen overeenkomsten werden afgesloten’. De aanduiding van het betreffende gebied als bedrijventerrein ZWEVEGEM-MOEN-TREKWEG betreft inderdaad een herneming van een wijziging die reeds in 1994 werd doorgevoerd. Deze wijziging van 1994 was evenwel aangetast met een wettigheidsbezwaar: de bijzondere voorschriften die onder andere het bedrijventerrein ZWEVEGEM-MOEN-TREKWEG beheersten werden niet voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State zodat deze gewestplanherziening dreigde om telkens cfr. art. 159 Gec. Grondwet buiten toepassing te worden gesteld wegens strijdigheid met het hogere recht. Precies omwille van de juridische aanvechtbaarheid van deze gewestplanwijziging van 1994 werd de bestemmingswijziging in 2001 hernomen. Ondertussen was evenwel het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen uitgevaardigd en is een industrieterrein dat zowel qua aard als qua kenmerken moet worden beschouwd als een regionaal bedrijventerrein principieel onverzoenbaar met het buitengebied (cfr. supra). De Vlaamse regering heeft zich dan ook in allerlei bochten moeten keren om op de betreffende lokatie toch een regionaal bedrijventerrein te kunnen aanduiden, meer bepaald overweegt zij ‘dat de ontwikkeling reeds een aanvang heeft genomen op basis van de vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging van 14 december 1994 en dat voor de niet ontwikkelde gebieden reeds overeenkomsten werden gesloten’. Uiteraard kan de Vlaamse regering zich niet naar recht beroepen op een ontwikkeling en op overeenkomsten die zijn ontstaan op basis van een onwettige gewestplanwijziging van 14 december 1994. Ook Uw Raad zal cfr. art. 159 Gec. Grondwet deze onwettige gewestplanwijziging niet toepasselijk X-10.612-9/13 moeten verklaren, evenals de op deze onwettige gewestplanwijziging gebaseerde ontwikkeling van het industrieterrein én de op basis van deze onwettige gewestplanwijziging afgesloten overeenkomsten. De motieven van de Vlaamse regering zijn dan ook op zijn minst gesteld onlogisch en niet-consistent: enerzijds herneemt zij een reeds vroeger doorgevoerde bestemmingswijziging omwille van de onwettigheid ervan en anderzijds baseert zij zich op deze onwettige bestemmingswijziging om haar herneming te motiver(en). Dit kan uiteraard niet. Wanneer de Vlaamse regering de gewestplanwijziging van 1994 in 2001 wenst te hernemen, dan dient zij zich te houden aan de voorschriften en richtlijnen van het ondertussen uitgevaardigd Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en kan zij zich niet baseren op een wederrechtelijke toestand om haar besluit te verantwoorden. Verzoekers merken tenslotte op dat het bewaren van de openheid van het betreffende gebied op heden zeker wél nog haalbaar is. Vaststellingen ter plaatse zouden aantonen dat er de facto nog maar een eerste begin van uitvoering werd gegeven aan de ontwikkeling van het betreffende industriegebied, zodat ook deze overweging niet in aanmerking kan worden genomen om af te wijken van het RSV”. 3.1.2. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord voornamelijk dat de bepalingen in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen betreffende de gewenste ruimtelijke structuur ook toestaan om regionale bedrijventerreinen te lokaliseren “aansluitend bij de bestaande bedrijventerreinen”, hetgeen in casu het geval is, dat met het bestreden besluit voor het gebied het principe van de “gedeconcentreerde bundeling” in toepassing wordt gebracht, dat de site planologisch wel degelijk te beschouwen is als een “economisch knooppunt”, en dat de uitbreiding van het gebied wel gebeurt in functie van de noden van de reeds op het aanpalende industriegebied gevestigde bedrijven. 3.1.3. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat de verwerende partij niet betwist dat het aangeduide gebied in de termen van het R.S.V. moet gekwalificeerd worden als een “regionaal bedrijventerrein”, dat de bestemming tot industriegebied grote verkeersoverlast met zich zal meebrengen die de ruimtelijke draagkracht van het gebied zal overstijgen, dat uit de geschonden geachte richtinggevende bepalingen van het R.S.V. wel degelijk blijkt dat nieuwe dergelijke terreinen enkel kunnen voorzien worden in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten, en dat de verwerende partij wel beweert, doch niet bewijst dat de terreinen voor de uitbreiding van ter plaatse bestaande bedrijven zullen aangewend worden. X-10.612-10/13 3.2. Beoordeling van de middelen 3.2.1. Artikel 19, § 3, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt: “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. De bestreden beslissing tot vaststelling van een gewestplan op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, is onderworpen aan de hiervoor geciteerde bepaling. Uit de gegevens van de zaak blijkt - wat niet door de verwerende partij wordt tegengesproken - dat het betrokken bestemmingsgebied in de terminologie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: R.S.V.) beschouwd moet worden als een regionaal bedrijventerrein. In punt 3.2.5 van onderverdeling III.3 “Gebieden voor economische activiteiten” van deel 2 “Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte” van het R.S.V. wordt onder meer het volgende gesteld: “Regionaal bedrijventerrein Volgende principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen: - lokalisatie uitsluitend in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten; - lokalisatie bij voorkeur aansluitend bij de bestaande bedrijventerreinen; - verantwoording vanuit een globale ruimtelijke visie op het economisch knooppunt en de positie van het economisch knooppunt in Vlaanderen en in de provincie; in het bijzonder wordt in ieder economisch knooppunt een gewenste ruimtelijk-economische structuur uitgewerkt; - afstemming van de oppervlakte van het regionaal bedrijventerrein op de reikwijdte en het belang van het economisch knooppunt en de spreiding van bedrijventerreinen in de overige economisch knooppunten in de provincie; - afstemming van het bereikbaarheidsprofiel van de locatie op het mobiliteitsprofiel van de voorziene bedrijven (= locatiebeleid); naast de uitwerking van het locatiebeleid dienen ook de in te zetten instrumenten (waaronder ook niet ruimtelijke instrumenten zoals het organiseren van openbaar en collectief vervoer) te worden aangegeven; - geen kleinhandelsbedrijven op regionale bedrijventerreinen, tenzij op deze die gedeeltelijk als kleinhandelszone zijn afgebakend: X-10.612-11/13 - ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen; - maximale algemene uitrusting (telecommunicatie, water, gas en electriciteitsvoorziening, waterzuivering en riolering) en maximale specifieke uitrusting voor de respectievelijke specifieke regionale bedrijventerreinen”. 3.2.2. In hun middelen voeren de verzoekende partijen aan dat niet op wettige wijze werd afgeweken van de volgende richtinggevende bepalingen uit het R.S.V.:

(1)lokalisatie uitsluitend in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten;
(2)ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen. Uit het geciteerde artikel 19, § 3, eerste lid volgt dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing de voorgenomen bestemming van het gebied “Zwevegem-Moen-Trekweg” diende te toetsten aan beide voornoemde richtinggevende bepalingen. 3.2.3. In de overwegingen van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 tot voorlopige vaststelling van het betrokken ontwerp-plan worden de voorgenomen industriegebieden “Waregem-Brabantstraat” en “Kortrijk-Deltapark” getoetst aan
(1)het criterium van de lokalisatie in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten en
(2)het criterium van de ontsluiting via primaire wegen of secundaire wegen. In die overwegingen wordt het industriegebied “Zwevegem-Moen-Trekweg” evenwel enkel getoetst aan het criterium van de lokalisatie in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten. In de overwegingen van het bestreden besluit wordt het industriegebied “Zwevegem-Moen-Trekweg” eveneens enkel getoetst aan laatstgenoemd lokalisatiecriterium. Het blijkt niet - en de verwerende partij beweert ook niet - dat het industriegebied “Zwevegem-Moen-Trekweg” werd getoetst aan het criterium van de ontsluiting. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. X-10.612-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van de gemeenten Avelgem, Harelbeke, Kortrijk, Menen, Waregem, Wevelgem en Zwevegem, voor zover het betrekking heeft op de aanduiding van het industriegebied Zwevegem-Moen-Trekweg te Zwevegem (bijlage 6, kaartblad 29/6), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus
  2. Artikel
  3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.612-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.