id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.197 Rolnummer: A. 73023/X-7202 Zaak: Arrest 187197 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.197 van 20 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.197 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 73.023/X-
- In zake : Luc VERHERSTRAETEN, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. STEVENS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Schuttersstraat 15-
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VERHERSTRAETEN op 27 januari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 november 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 28 maart 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de bouwvergunning wordt verleend voor het uitvoeren van verbeterings- en instandhoudingswerken aan een woning te Geel, Steenbergen 3, kadastraal bekend sectie K, nrs. 680/g/h en f en 677/a/b en d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-7202-1/10 Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BEELEN, die loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat S. STEVENS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar van een sedert 1962 onbewoond hoevegebouw gelegen te Geel, Steenbergen 3, kadastraal bekend sectie K, nrs. 680 g/h en f en 677 a/b en d. 1.
- Voor het betrokken hoevegebouw is een negatief stedenbouwkundig attest afgegeven op grond van volgend advies van 19 juni 1992 van de gemachtigde ambtenaar: “Het eigendom ligt in het agrarisch gebied. Art. 79 van de stedenbouwwet is hier niet van toepassing gelet op de vervallen staat van de constructie, en het oprichten van een residentiële woning in een omgeving waar enkel agrarische bedrijven aanwezig zijn, de goede ruimtelijke ordening van het gebied in het gedrang zou brengen”. 1.
- Op 9 mei 1994 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Geel een bouwaanvraag in tot het “verbeteren en instandhouden” van het pand. De ingediende bouwplannen wijzen uit dat het volledig volume van het hoevegebouw, met een woongedeelte, een stal en een schuur onder één dak, voor bewoning zal worden gebruikt. Van de 6 bestaande binnenmuren worden er twee geheel en één gedeeltelijk behouden. Alle raamopeningen in de zijgevels X-7202-2/10 worden gewijzigd. In de voorgevel worden een venster en de deuropening behouden en wordt de opening van de twee grote stalpoorten dicht gemetst en één venster veel kleiner gemaakt. De achtergevel met drie ramen en drie deuren wijzigt naar een gevel met één deur, twee brede schuiframen tot op de grond, twee ramen tot op de grond en vier andere raamopeningen. Langs de gevels worden volledig nieuwe binnengevels met funderingen opgetrokken. Achteraan worden een aangebouwde kleine varkensstal en een buitentoilet afgebroken, en wordt een “overdekt terras” van 16 m² voorzien. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden geen bezwaarschriften ingediend. 1.
- Op 26 januari 1995 geeft het Bestuur Landinrichting en -beheer van AMINAL een ongunstig advies, omdat “vanuit landbouwkundig oogpunt (...) verbouwingen van vroegere hoeves enkel (kunnen) worden gedoogd voor zover de woonfunctie beperkt blijft tot het vroegere woonhuis (met maximale uitbreiding van 20 %) en niet plaatsvindt in de vroegere bedrijfsgebouwen”. 1.
- Op 10 mei 1995 doen twee ambtenaren in opdracht van de gemachtigde ambtenaar een plaatsbezoek. In hun handgeschreven verslag merken zij op dat de constructie “gans vervallen” is “met grote scheuren in muren, pannen van dak etc.”, en concluderen zij dat het gebouw “niet meer in aanmerking (komt) voor ‘verbouwing’”. Het verslag bevat twee foto’s van de voorzijde van het hoevegebouw. 1.
- Op 19 mei 1995 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies waarin hij verwijst naar zijn advies van 19 juni 1992 over het stedenbouwkundig attest en waarin hij onder meer het volgende stelt: “Overwegende dat de bestaande constructie zich in zo’n slechte staat bevindt (muren vertonen op verscheidene plaatsen grote scheuren) dat een verbouwing onmogelijk is. In de omzendbrief Ruimtelijke Ordening 94/1 dd. 20.6.94 (B.S. 21.10.94) wordt immers duidelijk gesteld: ‘Verbouwen betekent dus niet afbreken en opnieuw bouwen’”. 1.
- Op 29 mei 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Geel de gevraagde vergunning met verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar. X-7202-3/10 1.9 Op 17 juli 1995 stelt de verzoeker tegen voornoemde weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.
- Op 28 maart 1996 willigt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoeker ingestelde beroep in en wordt de bouwvergunning verleend. 1.
- Op 3 mei 1996 stelt de gemachtigde ambtenaar tegen het vergunningsbesluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen administratief beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening op grond van volgende motieven: “Gelet op de omvang van de werken kan niet gesproken worden van ‘verbeteren en instandhouden’ zoals de bouwaanvraag luidt. Gelet op de erbarmelijke toestand waarin de constructie zich bevindt kan het nog bezwaarlijk als een woning worden omschreven. Dit werd reeds gesteld in mijn advies voor een stedebouwkundig attest op 19.06.
- Naar aanleiding van de bouwaanvraag werd op 10.05.1995 een plaatsbezoek afgelegd. Daarbij werd vastgesteld dat de muren verscheidene grote scheuren vertonen en dat het dak op verscheidene plaatsen dakpannen verloren heeft en verzakkingen vertoont. Ook is het gebouw zeer verkommerd zodat het zeer waarschijnlijk is dat het sedert meerdere jaren niet meer bewoond is. Derhalve kan niet gesteld worden dat het hier om een verbouwing van een bestaande woning gaat. Bovendien is het ten zeerste de vraag of de bestaande muren een ingrijpende verbouwing kunnen doorstaan. Tot slot moet worden opgemerkt dat de bestaande structuur en uitzicht van de hoeve volledig gewijzigd wordt, wat in tegenspraak is met de bepalingen van de omzendbrief R.O. 94/1 nl. ‘Absolute voorwaarde van elke verbouwing is het behoud van de hoofdstructuur van het gebouw...’”. 1.
- Het bestreden besluit willigt het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep in en vernietigt de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleende vergunning op grond van volgende motieven: “Overwegende dat de aanvraag instandhoudingswerken beoogt van een hoevegebouw; dat de achteraan tegengebouwde wc en varkenshok worden afgebroken; dat het hoofdvolume onder tentdak wordt behouden en quasi volledig wordt heringericht; dat dit volume een grondoppervlakte inneemt van 23.36 m bij 7.06 m en een kroonlijsthoogte van circa 3 m en een nokhoogte van circa 5.80 m heeft; dat de schuur, de stal en de zolder worden geïntegreerd in de woonfunctie; dat achteraan een overdekt terras van 2 m bij 8 m wordt aangebouwd; dat aanzienlijke gevelwijzigingen worden doorgevoerd; dat het perceel paalt aan de 5 m bitumineus verharde gemeenteweg, Steenbergen; X-7202-4/10 Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Herentals - Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat artikel 79 van de stedebouwwet, ingevoegd door het decreet van 28 juni 1984, vervangen bij decreten van 23 juni 1993 en 13 juli 1994, stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op ofwel het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen; ofwel op het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op de voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; ofwel op het uitbreiden van een vergunde woning; dat de uitbreiding van een vergunde woning met inbegrip van de bijgebouwen slechts kan leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 % en waarbij het totale bouwvolume na uitbreiding maximaal 700 m³ mag bedragen; dat deze afwijking bovendien slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat de wijziging van gebruik slechts kan worden verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat dergelijke aanvragen in het agrarisch gebied naast een openbaar onderzoek ook onderworpen is aan het advies van het Bestuur Landinrichting van de Administratie Milieu-, Natuur- en Landinrichting; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 17 juni 1994 tot 10 juli 1994 geen bezwaarschrift werd ingediend; dat het college van burgemeester en schepenen in haar zitting van 14 juli 1994 een gunstig advies verleent; Overwegende dat de functiewijziging, van een hoevegebouw naar een residentiële woning, in se vreemd is aan het agrarisch gebied en dus strijdt met de verordenende bepalingen van art 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat volgens artikel 78 de bestemmingswijziging van dit gebouw vergunningsplichtig is; dat noch vroeger noch in huidig beroep een functiewijziging werd/ wordt aangevraagd; Overwegende dat uit het stedenbouw-technisch onderzoek is gebleken dat de verbouwingen van die aard zijn dat quasi alles, uitgezonderd de bestaande gevels en gedeelten van binnenmuren die blijven staan, wordt afgebroken; dat meerdere nieuwe raam- en deuropeningen worden voorzien (vooral aan de achtergevel); dat tegenaan de achtergevel een overdekt terras wordt voorzien; dat langs de gevels volledig nieuwe binnengevels met funderingen worden voorzien; dat de eigenheid van deze oorspronkelijke langgevelhoeve door deze relatief ingrijpende werken danig in het gedrang komt; dat bovendien de X-7202-5/10 toestand van de gevel met grote scheuren van die aard is dat deze op termijn geheel of gedeeltelijk zal dienen vervangen te worden zodat een quasi totale herbouwing zal plaatsvinden; dat men deze werken nog bezwaarlijk als instandhoudings- of verbouwingswerken kan beschouwen; dat de aanvraag aldus niet voldoet aan de bepalingen van artikel
- Overwegende dat om voormelde redenen de beoogde vergunning de goede ordening van het gebied in gedrang brengt en derhalve niet kan overwogen worden; dat de beslissing van de bestendige deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedebouw; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te worden ingewilligd”.
- Gegrondheid van de vordering 2.
- Het derde middel 2.1.
- Het aangevoerde derde middel In zijn verzoekschrift voert de verzoeker volgend derde middel aan: “* Omschrijving van het middel Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 55 § 3 van de wet van 29.03.1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals gewijzigd. Doordat het bestreden besluit mede steunt op de overweging dat het in casu niet gaat om het verbouwen van een bestaande woning maar wel om een quasi totale herbouwing, zodat deze werken nog bezwaarlijk als instandhoudings- of verbouwingswerken kunnen worden beschouwd. Terwijl deze feitelijke beoordeling niet alleen onjuist is maar daarenboven vooruitloopt op een toekomstige en onzekere gebeurtenis en derhalve niet pertinent is voor het beoordelen van de bouwaanvraag, zoals die werd ingediend. * Toelichting Het bestreden besluit gaat er klaarblijkelijk van uit dat de toestand van het gebouw van die aard is dat de aangevraagde werken niet meer als een verbouwing van dat gebouw kunnen worden beschouwd maar onvermijdelijk zullen gaan neerkomen op een quasi totale herbouwing. De hypothese die aldus onder ogen wordt genomen is de volgende. Mocht deze vergunning worden toegestaan, dan zal snel blijken dat deze niet als zodanig uitvoerbaar is, d.w.z. dat de bestaande constructie zal moeten verdwijnen en door een nieuwe constructie worden vervangen, derwijze dat er sprake zal zijn van herbouwen en niet verbouwen van de bestaande vergunning. Dit oordeel is feitelijk onjuist en bovendien juridisch niet relevant. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het gebouw zich nog in een redelijke staat bevindt; het verbouwen ervan is enkel een kwestie van een technische problematiek die met de juiste middelen zonder al te veel problemen kan worden opgevangen. Het spreekt van zelf dat het verbouwen van een woning meer zal kosten dan het oprichten van een nieuwe woning, maar dit betekent natuurlijk niet op zich dat het verbouwen van een bestaande woning een onmogelijkheid is. Bovendien had verzoekende partij in haar nota ten behoeve van de Minister, in het kader van het beroep, uitdrukkelijk op deze toestand gewezen en gesteld X-7202-6/10 dat, mocht bij de uitvoering inderdaad blijken dat het bestaande gebouw zou instorten of verdwijnen, dit alleen maar zou betekenen dat op dat ogenblik een nieuwe bouwvergunning noodzakelijk zal zijn die dan - al dan niet - kan worden verleend. Dit betekent echter geenszins dat nu reeds de bouwvergunning, zoals die aangevraagd wordt, kan worden geweigerd. Dit is ook logisch. De Minister heeft de aanvraag te beoordelen zoals die aan hem is voorgelegd. Wanneer de vergunning wordt verleend en achteraf blijkt dat deze niet uitgevoerd kan worden of niet uitvoerbaar is, is dit niet van aard de geldigheid van de vergunning aan te tasten maar enkel een nieuwe toestand te creëren waarbij mogelijk een nieuwe vergunning zal moeten worden aangevraagd die dan vooralsnog kan worden geweigerd, wanneer zou blijken dat het dan gaat om het herbouwen van de woning en niet meer om het verbouwen ervan. Anders gezegd, hoe de vergunning moet worden uitgevoerd en zelfs of de vergunning kan worden uitgevoerd is op de eerste plaats het probleem van de vergunninghouder die er maar voor moet zorgen dat hij zich aan de perken van zijn vergunning houdt. Als dat niet lukt, wordt hij voor de noodzaak geplaatst om een nieuwe vergunning aan te vragen. Alleszins is dit niet een gegeven waar in het kader van de lopende vergunningsaanvraag rekening mee kan worden gehouden, zeker niet in de mate waarin de Minister dat doet. Op die wijze kan immers elke vergunningsaanvra(a)g voor verbouwen worden geweigerd omdat altijd wel beweerd kan worden dat de verbouwing, gelet op de staat van het gebouw, onvermijdelijk zal neerkomen op een herbouw of nieuwbouw, hetgeen dan de perken van artikel 79 van de stedebouwwet te buiten gaat. De logica van het vergunningssysteem impliceert nu éénmaal dat men de vergunning dient te beoordelen zoals die is aangevraagd en dat men stap voor stap te werk gaat en niet vooruit loopt op mogelijke vergunningsaanvragen die later nog zullen moeten of kunnen worden ingediend. Door het tegendeel aan te nemen heeft het bestreden besluit blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook dit middel dient derhalve als gegrond te worden beschouwd”. 2.1.
- Beoordeling van het derde middel 2.1.2.
- In het derde middel wordt het volgende determinerende motief van het bestreden besluit bekritiseerd: “Overwegende dat uit het stedenbouw-technisch onderzoek is gebleken dat de verbouwingen van die aard zijn dat quasi alles, uitgezonderd de bestaande gevels en gedeelten van binnenmuren die blijven staan, wordt afgebroken; dat meerdere nieuwe raam- en deuropeningen worden voorzien (vooral aan de achtergevel); dat tegenaan de achtergevel een overdekt terras wordt voorzien; dat langs de gevels volledig nieuwe binnengevels met funderingen worden voorzien; dat de eigenheid van deze oorspronkelijke langgevelhoeve door deze relatief ingrijpende werken danig in het gedrang komt; dat bovendien de toestand van de gevel met grote scheuren van die aard is dat deze op termijn geheel of gedeeltelijk zal dienen vervangen te worden zodat een quasi totale herbouwing zal plaatsvinden; dat men deze werken nog bezwaarlijk als instandhoudings- of verbouwingswerken kan beschouwen; dat de aanvraag aldus niet voldoet aan de bepalingen van artikel 79”. X-7202-7/10 2.1.2.
- Uit deze overweging blijkt dat volgens de verwerende partij geen afwijking van de voorschriften van het gewestplan op grond van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet) mogelijk is omdat het niet gaat om verbouwingswerken gelet op de omvang van de aangevraagde afbraakwerken en op de bouwfysische toestand van de gevel. 2.1.2.
- Wanneer de overheid nagaat of een vergunning kan worden afgegeven voor het “verbouwen van een bestaand vergund gebouw” kan zij bij haar oordeel de bouwfysische toestand van het bestaande gebouw betrekken. Anders dan de verzoeker beweert is de overheid niet gebonden door hetgeen de aanvrager opgeeft in de aanvraag, zoals bijvoorbeeld de aanduiding op een plan dat een bestaande gevel zal worden behouden, maar kan zij oordelen dat de bouwfysische toestand van het bestaande dermate slecht is dat hetgeen de aanvrager zich voorneemt, onuitvoerbaar is. 2.1.2.
- De geciteerde beoordeling van de bouwfysische toestand van het bestaande gebouw vindt steun in het verslag van het plaatsbezoek van 10 mei
- Het komt niet aan de Raad van State toe zich uit te spreken over dit feitelijk gegeven. De Raad van State beschikt enkel over een marginaal toetsingsrecht met betrekking tot de beoordeling van de feitelijke gegevens van een vergunningsaanvraag door de bevoegde administratieve overheid. Met de blote bewering dat het gebouw zich nog in een redelijke staat bevindt, toont de verzoeker de kennelijke onredelijkheid van het oordeel van de verwerende partij niet aan. 2.1.2.
- Het derde middel is niet gegrond. 2.
- Het tweede middel 2.2.
- Het aangevoerde tweede middel In zijn verzoekschrift voert de verzoeker volgend tweede middel aan: “* Omschrijving van het middel Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 55 §3 en artikel 79 van de wet van 29.03.1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals gewijzigd. X-7202-8/10 Doordat het bestreden besluit klaarblijkelijk nagelaten heeft te onderzoeken of de aanvraag, ook al had die betrekking op een gebouw gelegen in het agrarisch gebied en ook al strekte de aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning met het oog op een residentiële woning, in aanmerking kwam voor vergunning met toepassing van artikel 79 van dezelfde wet, zoals ingevoerd bij decreet van 13.07.
- * Toelichting De beslissing dient te worden gemotiveerd aan de hand van de relevante juridisch(e) en feitelijke gegevens. Als juridisch relevant bij het beoordelen van de vergunningsaanvraag geldt ongetwijfeld artikel 79 van de stedebouwwet, dat van het gewestplan afwijkende bouwaanvragen toch voor vergunning vatbaar maakt m.n. wanneer de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. D.w.z. dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, en dat de voorziening de aanwezige bestemmingen of het realiseren van bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt. Dit geldt zowel voor de eigenlijke bouwaanvraag als voor, in voorkomend geval, de aanvraag tot wijziging van bestemming, beiden bedoeld in artikel
- Verzoekende partij had in haar nota ten behoeve van de Minister uitdrukkelijk gewag gemaakt van de toepassing van deze bepaling. Zij had een aantal feitelijke gegevens aangevoerd waaruit bleek dat in casu aan deze bijzondere voorwaarden was voldaan en dat m.n. de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet werd overschreden. In het bestreden besluit wordt over dit aspect van de zaak met geen woord gehandeld, terwijl dit nochtans relevant was voor het beoordelen van de aanvraag. Doordat het bestreden besluit op dit punt geen enkele uitleg heeft gegeven, moet worden vastgesteld dat aan de in het middel aangehaalde bepaling niet is voldaan, zodat ook dit middel als gegrond dient te worden beschouwd”. 2.2.
- Beoordeling van het tweede middel 2.2.2.
- Het middel mist feitelijke grondslag. Zoals bij de beoordeling van het derde middel is gebleken toetst het bestreden besluit de aanvraag aan artikel 79 van de stedenbouwwet, zoals ingevoegd door het decreet van 13 juli
- 2.2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. 2.
- Het eerste middel 2.3.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 44, § 1 en artikel 79 van de stedenbouwwet, zoals gewijzigd, en van artikel 14bis van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning, zoals gewijzigd. 2.3.
- Dit middel is uitsluitend gericht tegen de overweging in het bestreden besluit waarin gesteld wordt dat de vergunningsplichtige functiewijziging van hoevegebouw naar residentiële woning niet wordt aangevraagd. Genoemde X-7202-9/10 overweging is een overtollig motief waarvan de eventuele onwettigheid niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. 2.3.
- Het eerste middel is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7202-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div