id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.202 Rolnummer: A. 104032/IX-2850 Zaak: Arrest 187202 - Accountants en Belastingconsulenten - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.202 van 20 oktober 2008 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.202 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 104.032/IX-
- In zake : Peter THIJS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter THIJS op 27 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 februari 2001 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 9 oktober 2000 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 30 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2850-1/12 Gelet op de beschikking van 4 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2008, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GEBRUERS die, loco advocaat W. MERTENS, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. LEBBE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen -hierna: de wet van 22 april 1999 - strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. Artikel 38 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt : “De functie van belastingconsulent bestaat erin : 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplich- tingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen”. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna het Instituut- op. Dit Instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, IX-2850-2/12 heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen. Het Instituut verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belastingconsulenten, de eed afgelegd hebben. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet en om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden gedurende een periode van maximum drie jaar de titel van belastingconsu- lent mogen dragen, na de inwerkingtreding van deze wet. Tijdens deze periode neemt de Raad van het Instituut de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het Instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning zijn bepaald voor de toegang tot de titel van belastingconsulent. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999- regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2 in uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de wet zijn kandidatuur stelt en die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants dan wel diegene die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van diploma en beroepservaring voldoet. 1.
- Verzoeker vraagt op grond van die overgangsregeling met een op 20 december 1999 verzonden toetredingsaanvraag zijn aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent die deze functie uitoefent als zelfstandige (inschrijving op de IX-2850-3/12 deellijst van de externen). In deze toetredingsaanvraag vermeldt verzoeker zijn lidmaatschap van het Instituut der Accountants en van de Limburgse Vereniging van Accountants, Bedrijfsrevisoren, Belastingconsulenten, Boekhouders, Fiscalisten en Aanverwante Economische/Juridische Beroepen (LVAB), verklaart hij het beroep van boekhouder uit te oefenen op zelfstandige basis en sedert 1 januari 1995 uitsluitend als zelfstandige het beroep van belastingconsulent te beoefenen, verwijst hij, als bewijs van 5 jaar beroepservaring als belastingconsulent in de loop van de dienststaat van de laatste 10 jaar, naar zijn functie als fiscaal adviseur/boekhoudkundige bij Euraccounts NV van 1991 tot 1994 en als zelfstandi- ge sedert 1995 en vermeldt hij twee personen als referentie. Op de vraag in het model toetredingsaanvraag om een kort overzicht te geven van de werkzaamheden verricht als belastingconsulent met vermelding van het jaar waarin deze werkzaam- heden werden verricht alsook de aard ervan, die moeten aantonen dat de beroepser- varing volstaat om de werkzaamheden van belastingconsulent te verrichten zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, antwoordt verzoeker in een bijlage dat hij adviezen verstrekt inzake fiscale aangelegenheden in de personen- en vennootschapsbelasting, dat hij de personen-, vennootschaps- en rechtspersonenbel- asting invult en berekent alsook de nodige bijlagen, balansen, resultaten- en jaarrekeningen opmaakt en dat hij deze aangiften verdedigt bij gewone controles, bij de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en bij bezwaarproce- dures. Op de vraag welke publicaties inzake fiscaliteit regelmatig worden geraadpleegd, is geantwoord met verwijzing naar zeven publicaties en met het bijvoegen van kopie’s van vijfentwintig facturen. Inzake de gevraagde omstandige omschrijving van de samenstelling en organisatie van het kantoor van verzoeker en zijn werkmethodes stelt hij in een bijlage dat elk dossier met betrekking tot eenmanszaken uit een fiscaal dossier en een BTW-dossier bestaat en elk dossier met betrekking tot vennootschappen uit prognosebalansen en budgetten, proef- en saldibalansen, diversen, briefwisseling, balansen en belastingaangiften, vragenlijsten en antwoorden, afschrijvingstabellen, leningen, oprichtingsakten, aangiften van vennoten, balansen van banken, BTW en statistieken. Als antwoord op de vraag welke permanente vorming hij gedurende de laatste drie jaren heeft genoten, is een lijst met zeventien fiscale seminaries bijgevoegd. Voorts zijn een getuigschrift van goed gedrag en zeden bijgevoegd, kopie’s van twee diploma’s gegradueerde van het economisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, één van de afdeling Fiscale Wetenschappen en één van de afdeling Boekhouden als Boekhoud- kundig Expert, kopie’s van twee diploma’s economisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, één van de afdeling Boekhouden en één van de IX-2850-4/12 afdeling Informatica, een betalingsbewijs van de dossierkosten en een publicatie van verzoeker inzake motorrijden en fiscaliteit. 1.
- Nadat verzoeker aan een eerste oproep geen gevolg had gegeven, stelt de erkenningscommissie hem met een brief van 17 juli 2000 ervan in kennis dat hij gehoord moet worden om toelichting te verschaffen met betrekking tot zijn professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 mei
- 1.
- Op 19 september 2000 wordt verzoeker gehoord door de erkenningscommissie. Die commissie overweegt dat verzoeker niet voldoet aan de door de wet van 22 april 1999 en door het koninklijk besluit van 4 mei 1999 gestelde vereisten inzake vormings- en ervaringsniveau en brengt een negatief advies uit. 1.
- Blijkens het voorgelegde uittreksel uit de notulen van 9 oktober 2000 bevestigt de raad van het Instituut het negatief advies van de erkenningscom- missie en wijst hij de aanvraag van verzoeker af omdat “de kandidaat (...) niet het bewijs (levert) gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen”. 1.
- Op 23 november 2000 tekent verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan bij de Commissie van Beroep. Nadat hem telefonisch zou zijn meegedeeld dat hij, teneinde aan te tonen dat hij reeds meer dan vijf jaar actief was als fiscaal raadgever en als belastingconsulent, onder meer attesten van cliënten omtrent gevoerde bezwaarprocedures dient voor te leggen en kopie’s van abonne- menten op vakliteratuur, van diploma’s en van attesten van bijscholing, voegt hij een aantal nieuwe stukken bij. Het betreft een overzicht van een zestigtal bijgewoonde seminaries van 1995 tot 2000, een getuigschrift van de hoofdcontroleur van de directe belastingen van het centraal taxatiekantoor te Hasselt dat verzoeker het beroep van boekhouder als zelfstandige uitoefent sedert 1 juli 1990, een veertigtal kopie’s van facturen van abonnementen op vakliteratuur en vier attesten van cliënten met bijlagen dat hij bezwaarprocedures inzake belastingen voerde, meer bepaald met betrekking tot werkelijke beroepskosten, een forfaitaire afrekening in plaats van dagontvangsten, feitelijke vermoedens en een indiciaire afrekening. IX-2850-5/12 1.
- Op 18 januari 2001 verschijnt verzoeker voor de Commissie van Beroep. Hij draagt zijn middelen voor en legt geen memorie of nieuw stuk neer. 1.
- Op 22 februari 2001 beslist de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep dat het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond is. Dat is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “3.- Overwegende dat de betrokkene aanspraak maakt op de overgangsre- geling bedoeld in art. 60, § 1 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; dat hij als stagiair-accountant (lidnummer 11436 6 N 66) niet ingeschreven is op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de vermelde Wet; dat hij, met toepassing van art. 2, tweede item van het K.B. van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het bewijs moet leveren, naast het bezit van een diploma bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 november 1990 betreffende de diploma’s van de kandidaat-accountants en de kandidaat belastingconsulenten, van de uitoefening gedurende ten minste vijf jaar van professionele werkzaamheden waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet, uit te oefenen; 4.- Overwegende dat de functie van belastingconsulent er volgens art. 38 van de Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen in bestaat : ‘1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplich- tingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.’ dat de kandidaat belastingconsulent bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen; dat in de besproken wet aan het fiscaal beroep ook een bescherming van de titel wordt toegekend op twee verschillende vormingsniveaus, namelijk dat van belastingconsulent en dat van de erkende boekhouder die tevens een specialisa- tie in fiscaliteit heeft doorgemaakt (...); 5.- Overwegende dat de betrokkene werd opgeroepen voor de Erkennings- commissie op 15 juni 2000, waar hij afwezig was en vervolgens opnieuw voor de zitting van 19 september 2000; dat de erkenningscommissie van oordeel was dat hij niet voldeed aan de vereisten inzake vorming- en ervaringsniveau zoals opgelegd door de Wet van 22 april 1999 en het K.B. van 4 mei 1999; Overwegende dat hij thans, in hoger beroep, nog een aantal documenten toevoegt aan degene die reeds zijn aanvraag vergezelden; dat de Commissie van Beroep op 18 januari 2001 een uitgebreid onderhoud heeft gehad met de betrokkene, in het bijzonder omtrent de stukken in verband met door hem gevoerde bezwaarprocedures; Overwegende dat uit dit onderhoud en uit de voorgelegde stukken blijkt dat onvoldoende bewezen werd dat deze kandidaat belastingconsulent gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals deze functie wordt omschreven in art. 38 W. 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen”. IX-2850-6/12 1.
- Met een brief van 27 februari 2001 wordt verzoeker in kennis gesteld van die beslissing. Over de kwalificatie van het beroep
- Verzoeker kwalificeert zijn beroep bij de Raad van State als een cassatieberoep en verwijst naar artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Commissie van Beroep van het Instituut treedt echter niet op als een administratief rechtscollege wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, doch als een administratieve overheid. Het onderhavige beroep is dan ook te beschouwen als een gewoon annulatieberoep ingesteld op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Over de gegrondheid van het beroep 3.1.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, doordat de bestreden beslissing niet op afdoende en pertinente wijze gemotiveerd is. Hij stelt dat de bestreden beslissing, naast de vermelding van de toepasselijke reglementering en van de gevolgde procedure, enkel aangeeft dat hij “meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen” en dat “uit dit onderhoud en uit de voorgelegde stukken blijkt dat onvoldoende bewezen werd dat deze kandidaat belastingconsulent gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals deze functie wordt omschreven in art. 38 W. 22 april 1999”, maar inhoudelijk niets toevoegt en in het bijzonder de door hem gevoerde bezwaarproce- dures en zijn nota inzake zijn werkzaamheden en werkmethode niet in overweging neemt, terwijl uit de door hem neergelegde stukken duidelijk meer blijkt dan enkel de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen, met name dat hij ruim vijf jaar professionele werkzaamheden heeft verricht waarin hij de vereiste vorming heeft genoten. Hij vraagt zich af op welke wijze de commissie kon oordelen dat hij niet voldoende aantoont de vereiste vorming te hebben genoten, nu tijdens de hoorzitting geen enkele vraag is gesteld inzake fiscale reglementering, rechtspraak of rechtsleer. IX-2850-7/12 3.1.
- De verwerende partij antwoordt dat de Commissie van Beroep moet oordelen over de vraag of verzoeker aan de hand van het door hem ingediende dossier het bewijs levert van vijf jaar professionele werkzaamheden waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, uit te oefenen en dat in casu de commissie heeft overwogen dat in onvoldoende mate werd bewezen dat de door verzoeker uitgeoefende werkzaamheden een dergelijke voldoende vorming opleverden. Door dit motief te vermelden en expliciet te laten steunen op de vaststelling dat het niet volstaat het bewijs te leveren van de aankoop van computer- programma’s en naslagwerken en van inschrijvingen op colloquia en cursussen en dat een uitgebreid onderhoud met verzoeker inzake de stukken en in het bijzonder inzake de gevoerde bezwaarprocedures niets heeft bijgebracht, heeft de Commissie van Beroep haar beslissing volgens de verwerende partij op afdoende en pertinente wijze gemotiveerd. Voorts betoogt de verwerende partij dat de bestreden beslissing, gelet op het voorgaande, wel degelijk melding maakt van de gevoerde bezwaarproce- dures, dat verzoekers nota inzake zijn werkzaamheden en werkmethode niet van die aard is om het vereiste vormings- en ervaringsniveau te bewijzen en de commissie die nota bijgevolg niet expliciet diende te beantwoorden en dat, wat het testen van de kennis inzake fiscale reglementering, rechtspraak of rechtsleer betreft, de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de Commissie van Beroep, wanneer zij volgens de reglementering op grond van stukken moet oordelen of een voldoende beroepser- varing is verworven, in principe niet mag overgaan tot een ondervraging van de kandidaten teneinde de beroepservaring te bepalen, hoogstens kan zij om toelichting vragen met betrekking tot de overgelegde stukken teneinde de betrokkene alsnog toe te laten aan te tonen dat die stukken wel degelijk de vereiste professionele ervaring bewijzen, wat in casu is gebeurd voor de Commissie van Beroep. 3.1.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de loutere vermelding in de bestreden beslissing dat er een onderhoud heeft plaatsgevonden omtrent de stukken met betrekking tot de gevoerde bezwaarprocedures geen motief is en evenmin aantoont waarom de Commissie van Beroep geen rekening heeft gehouden met die bezwaarprocedures, dat de nota inzake zijn werkzaamheden en werkmethode, naast de weergave van de samenstelling van de dossiers voor vennootschappen en eenmanszaken, ook aantoont dat hij gedurende de vijf jaren in kwestie fiscale adviezen heeft verstrekt, belastingaangiften, berekeningen, balansen, resultaten- en jaarrekeningen heeft opgemaakt, aangiften heeft verdedigd en bezwaarprocedures heeft gevoerd en dat niet is bepaald dat het bewijs van het IX-2850-8/12 vereiste vormings- en ervaringsniveau uitsluitend met stukken moet worden geleverd, maar dit bewijs met alle middelen van recht mag worden geleverd, zoals middels het stellen van vragen om de inhoudelijke bekwaamheid van de kandidaat te testen. 3.1.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de Commissie van Beroep dient te oordelen op grond van de haar voorgelegde stukken en er niet toe gehouden is de motieven van de motieven te vermelden, dat bijgevolg de bestreden beslissing voldoende concreet en specifiek gemotiveerd is en toelaat na te gaan of het wenselijk is om haar te bestrijden en dat aldus verzoeker, indien hij van mening zou zijn dat de commissie ten onrechte geoordeeld heeft dat de door hem voorgelegde stukken niet het bewijs leveren van minstens vijf jaar professionele werkzaamheden die hem toelaten het beroep van belastingconsulent uit te oefenen, dit oordeel kon aanvechten voor de Raad van State. 3.2.
- Verzoeker stelt in essentie de motiveringsplicht aan de orde. Zoals hiervoor is vastgesteld, treedt de Commissie van Beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, op als een administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege. Er moet dan ook worden aangenomen dat te dezen de motiverings- plicht voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 3.2.
- Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de bestreden beslissing niet, zoals wel het geval is voor jurisdictionele uitspraken, alle opgeworpen middelen diende te behandelen en uit haar redengeving niet moet blijken dat de diverse argumenten van partijen zijn beantwoord. Volgens de bewoordingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 volstaat het daarentegen voor een administratieve beslissing dat de motivering draagkrachtig is, wat echter ook betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen zonder dat alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord, met dien verstande echter dat zij de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen, dermate dat hij kan oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. 3.2.
- Te dezen wijst de Commissie van Beroep het beroep af met de overweging dat zij op 18 januari 2001 een uitgebreid onderhoud had met verzoeker, IX-2850-9/12 in het bijzonder omtrent de stukken in verband met de door hem gevoerde bezwaarprocedures, maar uit dit onderhoud en uit de voorgelegde stukken blijkt dat onvoldoende werd bewezen dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april
- Eerder was ook de omschrijving van de functie van belastingconsulent in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 hernomen en overwogen dat een verzoeker bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen en dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel toekent op twee verschillende vormingsniveaus, nl. dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in fiscaliteit heeft doorgemaakt. 3.2.
- Anders dan verzoeker meent, blijkt hieruit niet dat de Commissie van Beroep geen rekening heeft gehouden met de overgelegde stukken, nu zij verwijst naar “de stukken van het door de Raad samengestelde dossier” en naar “de voorgelegde stukken”. Buiten de overweging dat kandidaat-belastingconsulenten meer moeten bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen, blijkt uit de bestreden beslissing echter niet waarom de commissie tot de conclusie kwam dat in onvoldoende mate werd bewezen dat verzoeker gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen. Er kan niet worden uitgemaakt of zij van oordeel was dat de voorgelegde stukken ter zake onvoldoende informatie verschaften of dat er voldoende informatie was, maar de vorming op zich niet volstond, dan wel of de antwoorden op de gestelde vragen niet volstonden, of dat de verzoeker niet voldeed aan de drie functies van belastingconsulent of dat de activiteiten in alle fiscale aangelegenheden en voor alle soorten belastingplichtigen niet volstonden. De Commissie van Beroep heeft evenmin als de erkenningscommissie om bijkomende bewijzen gevraagd. De motivering van de bestreden beslissing was dan ook niet afdoende, nu uit die motivering niet genoegzaam blijkt waarom ter zake en in concreto uit dat alles -dus minstens ook uit het onderhoud dat volgens de bestreden beslissing in het bijzonder betrekking had op de stukken in verband met de door verzoeker gevoerde bezwaarprocedures- afgeleid wordt dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar beroepservaring. Uit het dossier blijkt zelfs niet welke vragen werden gesteld en wat de antwoorden daarop waren. De Raad van State kan dan ook niet nagaan of de conclusie die blijkens de beslissing niet alleen uit het nazicht van de stukken, maar minstens ook uit het onderhoud dat daaromtrent IX-2850-10/12 plaats had en derhalve de conclusie die uit die vragen werd getrokken, niet kennelijk onredelijk is. 3.2.
- Door de verwijzing naar het nazicht van de door verzoeker neergelegde stukken, blijkt weliswaar op voldoende wijze welke stukken werden nagezien, doch wordt niet geconcretiseerd waarom de verstrekte gegevens in de toetredingsaanvraag en in de bijlagen ervan, de voorgelegde attesten, lijsten, getuigschriften, publicaties en kopie’s van diploma’s en van facturen en het onderhoud met betrekking tot die stukken en in het bijzonder met betrekking tot de stukken in verband met de door verzoeker gevoerde bezwaarprocedures een onvoldoende bewijs vormen van de vereiste vorming. Ofschoon de verwerende partij terecht stelt dat de motiveringsplicht niet vereist dat de motieven van de motieven worden gegeven, is wel vereist dat concreet wordt aangegeven waarom de commissie, in casu, oordeelde dat deze stukken, ondanks de inhoud ervan en de uitleg van de verzoeker aan de commissie, dit bewijs niet leveren en kan niet enkel geponeerd worden dat dit zo was. De omstandigheid dat de commissie ter zake over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, kan niet tot een andere conclusie leiden. Integendeel vereisen de ruimere beoordelingsvrijheid en de vaagheid van het toepasselijke criterium een meer specifieke motivering. Ook de verwijzing naar het feit dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel biedt op twee niveaus, dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in de fiscaliteit heeft doorgemaakt, verhelpt dit motiverings- gebrek niet: zelfs indien wordt aangenomen dat hiermee bedoeld wordt dat de commissie van oordeel zou zijn dat verzoeker wel voldoende vorming zou bewijzen om in aanmerking te komen voor de tweede titel maar niet voor de eerste, blijft de vaststelling dat de bestreden beslissing niet concreet en specifiek aangeeft waarop dan dit oordeel, dat trouwens ook niet uitdrukkelijk in de bestreden beslissing zelf is opgenomen, steunt. 3.2.
- Het middel is gegrond. IX-2850-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 22 februari 2001 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsu- lenten, waarbij het beroep van Peter THIJS tegen de beslissing van 9 oktober 2000 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, S. DE TAEYE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-2850-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.