← België

Arrest 187203 - Accountants en Belastingconsulenten - 20/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.203 Rolnummer: A. 124862/IX-3447 Zaak: Arrest 187203 - Accountants en Belastingconsulenten - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.203 van 20 oktober 2008 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.203 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 124.862/IX-

  1. In zake : Karl QUIX, die woonplaats kiest bij advocaat U. CAEYMAN, kantoor houdende te ZAVENTEM, Parklaan 32 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karl QUIX op 3 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 juni 2002 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belasting-consulenten, waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 4 februari 2002 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 30 november 2005 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-3447-1/14 Gelet op de beschikking van 4 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2008, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ARNOUTS die, loco advocaat U. CAEYMAN, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. LEBBE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen -hierna: de wet van 22 april 1999 - strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. Artikel 38 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt : “De functie van belastingconsulent bestaat erin : 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplich- tingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen”. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna het Instituut- op. Dit Instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, IX-3447-2/14 heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen. Het Instituut verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belastingconsulenten, de eed afgelegd hebben. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet en om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden gedurende een periode van maximum drie jaar de titel van belastingconsu- lent mogen dragen, na de inwerkingtreding van deze wet. Tijdens deze periode neemt de Raad van het Instituut de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het Instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning zijn bepaald voor de toegang tot de titel van belastingconsulent. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999- regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2 in uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de wet zijn kandidatuur stelt en die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants dan wel diegene die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van diploma en beroepservaring voldoet. IX-3447-3/14 1.
  4. Verzoeker vraagt op grond van die overgangsregeling met een op 18 december 2000 verzonden toetredingsaanvraag zijn aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent die deze functie uitoefent als zelfstandige (inschrijving op de deellijst van de externen). In deze toetredingsaanvraag vermeldt verzoeker zijn lidmaatschap van de Beroepsvereniging voor Fiscale en Boekhoudkundige Beroepen van Brabant (BAB Brabant), verklaart hij het beroep van hoofdboekhouder/belastingconsulent uit te oefenen, verwijst hij, als bewijs van 5 jaar beroepservaring als belastingconsulent in de loop van de dienststaat van de laatste 10 jaar, naar zijn functie als zelfstandig belastingconsulent sedert 1 maart 1993, naar zijn functie als verantwoordelijke voor de boekhouding en voor het fiscaal dossier bij de NV Cora van 2 november 1993 tot 15 augustus 1997, naar zijn functie als tax & treasury manager, payroll administrator en accounting coördinator bij de NV Master Foods van 16 augustus 1997 tot 18 mei 1999 en naar zijn functie als hoofdboekhouder en verantwoordelijke voor de loonadministratie en voor het fiscaal dossier bij de NV ElectronicPartner Belgium sedert 6 oktober 1999 en vermeldt hij vijf personen als referentie. Op de vraag in het model toetredingsaan- vraag om een kort overzicht te geven van de werkzaamheden verricht als belasting- consulent met vermelding van het jaar waarin deze werkzaamheden werden verricht alsook de aard ervan, die moeten aantonen dat de beroepservaring volstaat om de werkzaamheden van belastingconsulent te verrichten zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, antwoordt verzoeker in een bijlage met een niet- exhaustieve opsomming van periodieke werkzaamheden, met name het opstellen van aangiften in de personen-, rechtspersonen- en vennootschapsbelasting, in de lokale belasting, inzake niet-verblijfhouders, inzake BTW en inzake roerende voorheffing, het vragen om uitstel van aangifte, het bepalen van de belastbare grondslag, van verworpen uitgaven, van aftrekbare kosten, van reserves, van de investeringsaftrek, van belastbare meerwaarden, van de voorziening voor risico’s en kosten en van het toe te passen belastingtarief, het opmaken van afschrijvingstabellen, van fiscale fiches, van de jaarlijkse BTW-listing en van de fiscale planning, de berekening van het afschrijvingsexcedent, van de voorafbetalingen en van de belastingen, het toepassen van het verlaagd tarief inzake vennootschapsbelasting en het optimalise- ren van de belastingaangifte, met een opsomming van niet-periodieke handelingen inzake successierechten, bezwaarschriften, taxatie en indiciën, verliezen, stopzet- tingsmeerwaarden, voorbereiding en uitvoering van fiscale controles en verdediging van de belangen van zijn cliënten en met een aantal voorbeelden van adviesverle- ning, zoals het verlenen van ad hoc advies inzake de fiscale aftrekbaarheid van uitgaven van een vennootschap, het afwegen van voor- en nadelen bij de oprichting van een vennootschap of eenmanszaak, het voeren van gevallenstudies inzake BTW, IX-3447-4/14 het verlenen van advies inzake de belastbaarheid van inkomsten en het doorvoeren van belastingsimulaties inzake hypothecaire leningen. Op de vraag welke publicaties inzake fiscaliteit regelmatig worden geraadpleegd, is geantwoord met verwijzing naar vijf vaktijdschriften die gedurende de jaren 1997, 1998 en 1999 werden geraadpleegd en waarvan de kopie’s van de facturen van twee ervan bijgevoegd zijn en de andere drie verkregen werden via het lidmaatschap van de BAB Brabant. Inzake de gevraagde omstandige omschrijving van de samenstelling en organisatie van het kantoor van verzoeker en zijn werkmethodes stelt hij in een bijlage dat hijzelf de fiscale werkzaamheden verricht en zijn echtgenote instaat voor de administratieve kant en voor opzoekingswerk, dat de hoofdopdracht van het kantoor erin bestaat het fiscaal dossier en de fiscale aangifte van zijn cliënten, die natuurlijke personen, rechtspersonen, zelfstandigen en vennootschappen zijn, te verzorgen, dat elk nieuw fiscaal dossier grondig wordt geëvalueerd teneinde na te gaan of het wel past binnen de werkzaamheden van zijn kantoor, dat met betrekking tot de periodieke werkzaamheden zijn voornaamste taken erin bestaan de jaarlijkse belastingaangifte van zijn cliënten op te stellen en de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen na te leven, de belastbare grondslag vast te stellen om een correcte en geoptimaliseerde aangifte te kunnen indienen, diverse fiscale verplichtingen na te leven, de nodige fiscale documenten op te stellen en maandelijks of per kwartaal de BTW-aangiften op te stellen, evenals de intracommunautaire opgaven inzake BTW en de jaarlijkse BTW-listing, dat met betrekking tot de niet-periodieke werkzaamheden zijn taken erin bestaan voor zijn cliënten de fiscale controles inzake directe en indirecte belastingen voor te bereiden en hun belangen te verdedigen en de optimale fiscale planning voor zijn cliënten uit te werken door middel van simulaties en voorafbetalingen, dat naast advies in het kader van hun fiscaal dossier, hij ook ander advies verstrekt aan cliënten, op elk vlak van de fiscale wetgeving, waarbij ook rekening wordt gehouden met boekhoudkundige, financiële en economische implicaties, dat de werkzaamheden van zijn kantoor op een gestructu- reerde wijze verlopen en steeds in overleg met de cliënten, dat zijn cliënten te allen tijde inzagerecht en inspraak hebben in hun fiscaal dossier en dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen en evoluties inzake wetgeving. Als antwoord op de vraag welke permanente vorming hij gedurende de laatste drie jaren heeft genoten, is een lijst met een dertigtal fiscale seminaries bijgevoegd waarvan er vijfentwintig worden gestaafd door een kopie van een attest van deelname. Voorts is een bewijs van goed gedrag en zeden bijgevoegd, een kopie van een diploma gegradueerde in boekhouden van het economisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een kopie van een diploma gegradueerde in de fiscale wetenschappen van het economisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, een IX-3447-5/14 betalingsbewijs van de dossierkosten, twee attesten van aansluiting bij SBB Sociaal Verzekeringsfonds als zelfstandige, sedert 1 januari 1994 in bijberoep, een attest van lidmaatschap bij de BAB Brabant en drie attesten van tewerkstelling bij respectieve- lijk ElektronicPartner Belgium NV, Cora NV en Master Foods NV. 1.
  5. Op 30 oktober 2001 beslist de erkenningscommissie dat verzoeker gehoord moet worden om toelichting te geven met betrekking tot zijn professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 mei
  6. 1.
  7. Op 8 januari 2002 wordt verzoeker gehoord door de erkennings- commissie. Die commissie overweegt dat verzoeker niet voldoet aan de door de wet van 22 april 1999 en door het koninklijk besluit van 4 mei 1999 gestelde vereisten inzake vormings- en ervaringsniveau en brengt een negatief advies uit. 1.
  8. Blijkens het voorgelegde uittreksel uit de notulen van 4 februari 2002 bevestigt de raad van het Instituut het negatief advies van de erkenningscom- missie en wijst hij de aanvraag van verzoeker af omdat “de kandidaat (...) niet het bewijs (levert) gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen”. 1.
  9. Op 1 maart 2002 tekent verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan bij de Commissie van Beroep. 1.
  10. Op 28 mei 2002 verschijnt verzoeker voor de Commissie van Beroep. Hij draagt zijn middelen voor en legt geen memorie of nieuw stuk neer. 1.
  11. Op 10 juni 2002 beslist de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep dat het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond is. Dat is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “
  12. Overwegende dat de betrokkene aanspraak maakt op de overgangsrege- ling bedoeld in art. 60, § 1 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; dat hij niet ingeschreven is op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de vermelde Wet; IX-3447-6/14 dat hij, met toepassing van art. 2, tweede item van het K.B. van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het bewijs moet leveren : - houder te zijn van een diploma bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 november 1990 betreffende de diploma’s van de kandidaat-accountants en de kandidaat belastingconsulenten, zoals laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 mei 1999; - en gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet, uit te oefenen;
  13. Overwegende dat de betrokkene : - op 27 juni1986 aan het Stedelijk Technisch Instituut te Mechelen - economisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan - het diploma behaalde van gegradueerde in boekhouden; - op 27 juni 1988 aan de Hogere Leergangen voor Fiscale Wetenschappen te Brussel - economisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie - het diploma behaalde van gegradueerde in de fiscale wetenschappen;
  14. Overwegende dat de functie van belastingconsulent er volgens art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen in bestaat : ‘1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; ‘2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplich- tingen; ‘3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.’ dat de kandidaat belastingconsulent bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen; dat in de besproken wet aan het fiscaal beroep ook een bescherming van de titel wordt toegekend op twee verschillende vormingsniveaus, namelijk dat van belastingconsulent en dat van de erkende boekhouder die tevens een specialisa- tie in fiscaliteit heeft doorgemaakt (...);
  15. Overwegende dat de betrokkene werd opgeroepen voor de Erkenningscom- missie op 8 januari 2002; dat de erkenningscommissie negatief adviseerde omtrent het vereiste vormings- en ervaringsniveau;
  16. Overwegende dat de Commissie van Beroep op 28 mei 2002 een uitgebreid onderhoud heeft gehad met de betrokkene, in het bijzonder omtrent de door hem voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds 1993; Overwegende dat uit dit onderhoud onvoldoende naar voren kwam dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen”. 1.
  17. Met een brief van 12 juni 2002 wordt verzoeker in kennis gesteld van die beslissing en wordt hem meegedeeld dat hij in toepassing van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratief cassatiebe- IX-3447-7/14 roep kan instellen tegen die beslissing bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zestig dagen na deze kennisgeving. Over de kwalificatie van het beroep
  18. In haar brief van 12 juni 2002 kwalificeert de verwerende partij het beroep bij de Raad van State als een administratief cassatieberoep en verwijst zij naar artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Commissie van Beroep van het Instituut treedt echter niet op als een administratief rechtscollege wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, doch als een administratieve overheid. Het onderhavige beroep is dan ook te beschouwen als een gewoon annulatieberoep ingesteld op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Over de gegrondheid van het beroep 3.1.
  19. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht en meer bepaald van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), doordat de verwerende partij, door enkel te stellen dat uit het onderhoud op 28 mei 2002 “onvoldoende naar voren kwam dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen”, de bestreden beslissing louter heeft gemotiveerd door de vaststelling dat de wettelijke voorwaarden voor erkenning overeenkomstig artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 niet zijn vervuld. Verzoeker stelt dat deze motivering louter een stijlformule is, dat zij niet toelaat na te gaan of zijn tijdens het onderhoud aangebrachte argumenten in overweging zijn genomen en dat zij evenmin verduidelijkt om welke reden hij niet het bewijs levert van de vereiste professionele ervaring en vorming en zij dus niet toelaat na te gaan of de Commissie van Beroep heeft geoordeeld dat hij niet over de vereiste professionele ervaring gedurende vijf jaar beschikt dan wel of hij wel over die ervaring beschikt maar niet voldoende werd gevormd in die vijf jaar. Voorts betoogt hij dat het advies van de erkenningscommissie en de beslissing van de raad van het Instituut evenmin gemotiveerd zijn en dat uit verschillende door hem voorgelegde stukken op ontegensprekelijke wijze zijn vrij intensieve professionele activiteit blijkt op fiscaal en boekhoudkundig vlak, zijn lidmaatschap van het IX-3447-8/14 Instituut van Belastingconsulenten van België sedert 1996, zijn boekhoudkundige en fiscale functies bij verschillende ondernemingen, zijn aandacht voor de evolutie in deze materies en zijn vorming in deze materies via een aanzienlijk aantal seminaries en opleidingen. 3.1.
  20. De verwerende partij antwoordt, na een voorafgaande algemene uiteenzetting over de draagwijdte van de overgangsregeling, dat de Commissie van Beroep moet oordelen of verzoeker aan de hand van het door hem ingediende dossier het bewijs levert van vijf jaar professionele werkzaamheden waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, dat in casu de commissie heeft overwogen dat, na het inzien van de stukken en een uitgebreid onderhoud met verzoeker over die stukken, in onvoldoende mate werd bewezen dat de door verzoeker uitgeoefende werkzaamheden dergelijke voldoende vorming opleverden en dat bovendien de commissie de bepalingen heeft aangehaald waarop die bewijsplicht steunt, zodat de beslissing de juridische en feitelijke redenen vermeldt waarom het beroep van verzoeker ongegrond is en dit voor verzoeker volstaat om hem in staat te stellen één of meer annulatiemiddelen te overwegen, bijvoorbeeld dat zijn stukken op manifest verkeerde wijze werden beoordeeld, wat hij echter niet doet. De verwerende partij merkt hierbij op dat de motiveringsplicht niet de verplichting inhoudt om de motieven van de motieven aan te geven en dat het motief dat het bewijs niet geleverd is op zich volstaat als redengeving van een beslissing, tenzij de verzoeker een specifieke reden zou hebben aangevoerd waarom zijn middelen wel degelijk het vereiste bewijs leveren, wat te dezen echter niet het geval is. Zelfs indien verzoeker de beoordeling door de commissie van de overgemaakte stukken zou bekritiseren, kan die beoordeling volgens de verwerende partij niet als onredelijk voorkomen, vermits de bestreden beslissing vaststelt dat de functie van een belastingconsulent overeenkomstig artikel 38 van de wet van 22 april 1999 erin bestaat advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden en belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en te vertegenwoordigen en de commissie hieruit afleidt, rekening houdend met voormelde aan de commissie voorgelegde stukken, “dat de kandidaat belastingcon- sulent bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen”, zijnde een redelijk motief dat niet door verzoeker betwist wordt en vermits de bestreden beslissing er bovendien op wijst dat de wet van 22 april 1999 tot doel heeft aan het fiscaal beroep een bescherming van titel toe te kennen op twee verschillende niveaus van opleiding en ervaring, met name het hogere van belastingconsulent en het lagere van IX-3447-9/14 boekhouder en de commissie op die wijze aangeeft dat het beroepsmatig uitoefenen van fiscale activiteiten gedurende een bepaalde periode niet zonder meer betekent dat men over een voldoende vorming beschikt om de functie van belastingconsulent uit te oefenen. Voorts wijst de verwerende partij er op dat verzoeker geen conclusie heeft neergelegd ter zitting van de commissie, waardoor de door hem aangebrachte argumenten voor de commissie onbekend zijn en het dus onmogelijk is om na te gaan of de commissie die argumenten in overweging heeft genomen, zodat zij niet kunnen dienen ter staving van een motiveringsgebrek. 3.1.
  21. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker, samengevat, dat de verwerende partij bezwaarlijk kan volhouden dat de bestreden beslissing de feitelijke redenen bevat waarom zijn beroep ongegrond werd verklaard, nu die beslissing enkel melding maakt van het niet vervuld zijn van de wettelijke voorwaarden, dat de stelling dat de motiveringsplicht geenszins inhoudt dat de motieven van de motieven moeten worden aangegeven niet ter zake doet, nu de vaststelling dat hij niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet geen motief is, maar slechts een conclusie die moet worden gebaseerd op motieven, dat hem nooit is meegedeeld dat hij naar aanleiding van zijn verschijning voor de Commissie van Beroep een conclusie kon indienen, dat uit het principe van de mondelinge procedure ter toelichting van het dossier voor de commissie met zekerheid volgt dat hij alsdan argumenten heeft aangebracht, dat een mondelinge procedure geen afbreuk kan doen aan de motiveringsplicht, dat waar de bestreden beslissing slechts aangeeft dat hij meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen, zij de motiveringsplicht schendt, vermits hij deze informatie op vraag van de verwerende partij zelf heeft verstrekt, wat erop wijst dat zij van belang was bij de beoordeling van zijn toetredingsaanvraag en de Commissie van Beroep bijgevolg expliciet diende aan te geven waarom die informatie niet volstond en vermits de commissie op die wijze geenszins ingaat op de door hem op vraag van de verwerende partij verstrekte informatie inzake zijn eerdere werkzaamheden als belastingconsulent en inzake de samenstelling en organisatie van zijn kantoor en dat een nauwkeurige motivering van de bestreden beslissing zich opdrong, in het bijzonder nu de vraag in het model toetredingsaan- vraag om zijn beroepservaring als belastingconsulent aan te tonen op extreem vage wijze geformuleerd is en nu uit geen enkel stuk blijkt dat hem is meegedeeld dat de voorgelegde aankoop- en inschrijvingsbewijzen niet volstonden, waardoor hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich dienaangaande te verweren. IX-3447-10/14 3.1.
  22. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de Commissie van Beroep dient te oordelen op grond van de haar voorgelegde stukken en er niet toe gehouden is de motieven van de motieven te vermelden, dat bijgevolg de bestreden beslissing voldoende concreet en specifiek gemotiveerd is en toelaat na te gaan of het wenselijk is om haar te bestrijden en dat aldus verzoeker, indien hij van mening zou zijn dat de commissie ten onrechte geoordeeld heeft dat de door hem voorgelegde stukken niet het bewijs leveren van minstens vijf jaar professionele werkzaamheden die hem toelaten het beroep van belastingconsulent uit te oefenen, dit oordeel kon aanvechten voor de Raad van State. 3.2.
  23. Verzoeker stelt in essentie de motiveringsplicht aan de orde. Zoals hiervoor is vastgesteld, treedt de Commissie van Beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, op als een administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege. Artikel 149 van de Grondwet, volgens welk elk vonnis met redenen omkleed is en artikel 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt, is dan ook niet van toepassing op haar. Er moet dan ook worden aangenomen dat te dezen de motiveringsplicht voortvloeit, zo niet uit artikel 51 van het koninklijk besluit van 2 maart 1989 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut der Accountants, dan toch uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, waarnaar niet wordt verwezen, maar die geldt voor alle administratieve overheden, tenzij er dienaangaande een meer specifieke regeling bestaat. 3.2.
  24. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de bestreden beslissing niet, zoals wel het geval is voor jurisdictionele uitspraken, alle opgeworpen middelen diende te behandelen en uit haar redengeving niet moet blijken dat de diverse argumenten van partijen zijn beantwoord. Volgens de bewoordingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 volstaat het daarentegen voor een administratieve beslissing dat de motivering draagkrachtig is, wat echter ook betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen zonder dat alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord, met dien verstande echter dat zij de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen, dermate dat hij kan oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. IX-3447-11/14 3.2.
  25. Te dezen wijst de Commissie van Beroep het beroep af met de overweging dat zij op 28 mei 2002 een uitgebreid onderhoud had met verzoeker, in het bijzonder omtrent de door hem voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds 1993, maar uit dit onderhoud onvoldoende naar voren kwam dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april
  26. Eerder was ook de omschrijving van de functie van belastingconsulent in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 hernomen en overwogen dat een verzoeker bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrij- vingen op colloquia en cursussen en dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel toekent op twee verschillende vormingsniveaus, nl. dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in fiscaliteit heeft doorgemaakt. 3.2.
  27. Anders dan verzoeker meent, blijkt hieruit niet dat de Commissie van Beroep geen rekening heeft gehouden met de overgelegde stukken, nu zij verwijst naar “de stukken van het door de Raad samengestelde dossier” en naar “de door hem voorgelegde stukken”. Buiten de overweging dat kandidaat-belastingcon- sulenten meer moeten bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen, blijkt uit de bestreden beslissing echter niet waarom de commissie tot de conclusie kwam dat onvoldoende werd aangetoond dat verzoeker gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen. Er kan niet worden uitgemaakt of zij van oordeel was dat de voorgelegde stukken ter zake onvoldoende informatie verschaften of dat er voldoende informatie was, maar de vorming op zich niet volstond, dan wel of de antwoorden op de gestelde vragen niet volstonden, of dat de verzoeker niet voldeed aan de drie functies van belastingconsulent of dat de activiteiten in alle fiscale aangelegenheden en voor alle soorten belastingplichtigen niet volstonden. De Commissie van Beroep heeft evenmin als de erkenningscommis- sie om bijkomende bewijzen gevraagd. De motivering van de bestreden beslissing was dan ook niet afdoende, nu uit die motivering niet genoegzaam blijkt waarom ter zake en in concreto uit dat alles -dus minstens ook uit het onderhoud dat volgens de bestreden beslissing in het bijzonder betrekking had op de door verzoeker voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds 1993- afgeleid wordt dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar beroepservaring. Uit het dossier blijkt IX-3447-12/14 zelfs niet welke vragen werden gesteld en wat de antwoorden daarop waren. De Raad van State kan dan ook niet nagaan of de conclusie die blijkens de beslissing niet alleen uit het nazicht van de stukken, maar minstens ook uit het onderhoud dat daaromtrent plaats had en derhalve de conclusie die uit die vragen werd getrokken, niet kennelijk onredelijk is. 3.2.
  28. Door de verwijzing naar het nazicht van de door verzoeker neergelegde stukken, blijkt weliswaar op voldoende wijze welke stukken werden nagezien, doch wordt niet geconcretiseerd waarom de verstrekte gegevens in de toetredingsaanvraag en in de bijlagen ervan, de voorgelegde attesten, lijsten en kopie’s van attesten, van diploma’s en van facturen en het onderhoud met betrekking tot die stukken en tot zijn activiteiten sinds 1993, een onvoldoende bewijs vormen van de vereiste vorming. Ofschoon de verwerende partij terecht stelt dat de motiveringsplicht niet vereist dat de motieven van de motieven worden gegeven, is wel vereist dat concreet wordt aangegeven waarom de commissie, in casu, oordeelde dat deze stukken, ondanks de inhoud ervan en de uitleg van de verzoeker aan de commissie, dit bewijs niet leveren en kan niet enkel geponeerd worden dat dit zo was. De omstandigheid dat de commissie ter zake over een zekere beoordelingsvrij- heid beschikt, kan niet tot een andere conclusie leiden. Integendeel vereisen de ruimere beoordelingsvrijheid en de vaagheid van het toepasselijke criterium een meer specifieke motivering. Ook de verwijzing naar het feit dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel biedt op twee niveaus, dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in de fiscaliteit heeft doorgemaakt, verhelpt dit motiveringsgebrek niet : zelfs indien wordt aangenomen dat hiermee bedoeld wordt dat de commissie van oordeel zou zijn dat verzoeker wel voldoende vorming zou bewijzen om in aanmerking te komen voor de tweede titel maar niet voor de eerste, blijft de vaststelling dat de bestreden beslissing niet concreet en specifiek aangeeft waarop dan dit oordeel, dat trouwens ook niet uitdrukkelijk in de bestreden beslissing zelf is opgenomen, steunt. 3.2.
  29. Het middel is gegrond. IX-3447-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. Vernietigd wordt de beslissing van 10 juni 2002 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsu- lenten, waarbij het beroep van Karl QUIX tegen de beslissing van 4 februari 2002 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. Artikel
  31. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, S. DE TAEYE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-3447-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.