id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.204 Rolnummer: A. 125220/IX-3454 Zaak: Arrest 187204 - Accountants en Belastingconsulenten - 20/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.204 van 20 oktober 2008 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.204 van 20 oktober 2008 in de zaak A. 125.220/IX-
- In zake : Guido WILLEMS, wonende te HOUTHALEN, Oudstrijderslaan 41 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido WILLEMS op 7 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 juni 2002 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 4 maart 2002 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belasting-consulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 30 november 2005 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2008; IX-3454-1/13 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de beschikking van 5 september 2008 wordt ingetrokken, en waarbij de zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, en van advocaat M. LEBBE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen -hierna: de wet van 22 april 1999 - strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. Artikel 38 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt : “De functie van belastingconsulent bestaat erin : 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplich- tingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen”. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna het Instituut- op. Dit Instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een IX-3454-2/13 korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen. Het Instituut verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belastingconsulenten, de eed afgelegd hebben. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet en om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden gedurende een periode van maximum drie jaar de titel van belastingconsu- lent mogen dragen, na de inwerkingtreding van deze wet. Tijdens deze periode neemt de Raad van het Instituut de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het Instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning zijn bepaald voor de toegang tot de titel van belastingconsulent. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999- regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2 in uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de wet zijn kandidatuur stelt en die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants dan wel diegene die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden van diploma en beroepservaring voldoet. 1.
- Verzoeker vraagt op grond van die overgangsregeling met een op 18 december 2000 verzonden toetredingsaanvraag zijn aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent die deze functie uitoefent als zelfstandige (inschrijving op de IX-3454-3/13 deellijst van de externen). In deze toetredingsaanvraag en de bijgevoegde stukken vermeldt verzoeker zijn lidmaatschap van de Limburgse Vereniging van Accoun- tants, Bedrijfsrevisoren, Belastingconsulenten, Boekhouders, Fiscalisten en aanverwante economische/juridische beroepen (afgekort: L.V.A.B.) en verklaart hij het beroep van belastingconsulent als zelfstandige uit te oefenen sedert 1 januari
- Voorts verwijst verzoeker naar zijn diploma gegradueerde in boekhouden, economisch hoger onderwijs van het korte type en is een getuigschrift bijgevoegd, afgeleverd door het Vormingscentrum voor Zelfstandigen te Hasselt v.z.w., waaruit blijkt dat hij “gedurende het cursusjaar 1981 tot 1982 regelmatig de lessen ondernemersopleiding volgde voor de cursus Belastingconsulent 1ste jaar” en dat hij met goed gevolg een examen heeft afgelegd voor de leervakken Bedrijfsbeheer en Specifieke Beroepskennis. Als bewijs van 5 jaar beroepservaring als belasting- consulent in de loop van de dienststaat van de laatste 10 jaar, verwijst hij in de toetredingsaanvraag naar zijn functie als hulpboekhouder tot dossierbeheerder bij de n.v. L.B.F.K. van 1976 tot 1988, naar zijn functie als zelfstandig consulent van 1988 tot 1995 en naar zijn functie als gedelegeerd bestuurder en externe medewer- ker bij de n.v. M.B.C. vanaf
- Ondanks de vraag in het model toetredingsaan- vraag om een kort overzicht te geven van de werkzaamheden verricht als belasting- consulent met vermelding van het jaar waarin deze werkzaamheden werden verricht alsook de aard ervan, die moeten aantonen dat de beroepservaring volstaat om de werkzaamheden van belastingconsulent te verrichten zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, wordt zulks niet verder toegelicht. Verzoeker stelt enkel dat zijn loopbaan reeds een aanvang nam in 1976 en de periode van tien jaar bijgevolg ruimschoots is overschreden, dat hij als extern consulent advies verleent in diverse sectoren die variëren van vrije beroepen en eenmanszaken of burgerlijke vennootschappen tot klein- en groothandel, dat hij als extern medewerker van de n.v. M.B.C. diensten verleent aan 52 dossiers waarvan 41 vennootschapsdossiers, dat de n.v. M.B.C., waarvan hij bedrijfsleider en medewerker is, diensten verleent zowel op boekhoudkundig vlak als op fiscaal en vennootschapsrechtelijk vlak en dat hij ook zelfstandig medewerker is van het fiscaal en boekhoudkundig kantoor Smitt & Co. Accountants. Op de vraag welke publicaties inzake fiscaliteit regelmatig worden geraadpleegd is geantwoord met verwijzing naar een lijst van vaktijdschrif- ten en cursussen. Inzake de gevraagde omstandige omschrijving van de samenstel- ling en organisatie van het kantoor van verzoeker en zijn werkmethodes volstaat hij met erop te wijzen dat de personeelsbezetting van de n.v. M.B.C. bestaat uit “een IDAC accountant; een stagiair IDAC accountant en een BIB stagiair”. Voorts zijn enkele referenties vermeld, schrijft verzoeker zijn permanente vorming gedurende IX-3454-4/13 de laatste drie jaren toe aan de Fiscale en BTW club Luc Taillieu, aan de interne vorming via maandelijkse samenwerking met het kantoor Willy Pairoux en met het accountantskantoor Heymans, Zutendaal en aan externe seminaries en cursussen en zijn een getuigschrift van goed zedelijk gedrag en een uittreksel uit het Belgisch Staatsblad met betrekking tot de publicatie van de oprichtingsakte van de n.v. M.B.C. bijgevoegd. 1.
- Met een brief van 9 juli 2001 vraagt het Instituut aan verzoeker om binnen de maand een aantal ontbrekende stukken mee te delen, met name een getuigschrift van goed zedelijk gedrag niet ouder dan zes maanden, een kopie van zijn diploma van hoger onderwijs, een betalingsbewijs van de dossierkosten, twee recente pasfoto’s en een bewijs van zijn vijf jaar beroepservaring bestaande uit een gedetailleerde omschrijving van zowel zijn fiscale activiteiten als van de organisatie en de werkmethoden van het kantoor, teneinde het dossier te kunnen voorleggen aan de erkenningscommissie. Met een brief van 29 augustus 2001 legt verzoeker de eerste vier stukken voor. Inzake het bewijs van vijf jaar beroepservaring, meent hij dit reeds op voldoende wijze te hebben aangetoond, vermits zijn loopbaan, die hij in 1976 aanving als hulpboekhouder, in 2001 resulteerde in de leiding als gedelegeerd bestuurder van een advieskantoor, met name de n.v. M.B.C., waar twee IDAC-accountants en een secretaresse in vast dienstverband werkzaam zijn en één van die accountants reeds erkend is, waar hijzelf als zelfstandig accountant gelijkaardige prestaties levert en als dossierbeheerder instaat voor een veertigtal dossiers, waar de werkmethodes volledig vergelijkbaar zijn met het dagelijks bestuur van kantoren van confraters, waar de geleverde prestaties zich op fiscaal vlak situeren binnen de sfeer van de normale dienstverlening en meer bepaald betrekking hebben op de afsluiting van boekjaren, op het opstellen van de fiscale aangifte, op de BTW-aangifte, op de verdediging van het dossier “bij controle AOIF”, op het verstrekken van inlichtingen, op de afhandeling van berichten van wijziging en van bezwaarschriften en op advies bij omvorming en investeringen, waar beroep gedaan wordt op een extern fiscaal jurist inzake fiscale bijstand voor belastingen en eventueel op een externe adviseur inzake BTW en waar bijzondere mandaten worden waargenomen door de samenwerking met Smitt & Co. Accountants. 1.
- Op 30 oktober 2001 beslist de erkenningscommissie dat verzoeker gehoord moet worden om toelichtingen te verschaffen met betrekking tot zijn professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 mei
- IX-3454-5/13 1.
- Op 12 februari 2002 wordt verzoeker gehoord door de erkennings- commissie. Die commissie overweegt dat verzoeker niet voldoet aan de door de wet van 22 april 1999 en door het koninklijk besluit van 4 mei 1999 gestelde vereisten inzake vormings- en ervaringsniveau en brengt een negatief advies uit. 1.
- Blijkens het voorgelegde uittreksel uit de notulen van 4 maart 2002 bevestigt de raad van het Instituut het negatief advies van de erkenningscom- missie en wijst hij de aanvraag van verzoeker af omdat “de kandidaat (...) niet het bewijs (levert) gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen”. 1.
- Op 22 maart 2002 tekent verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan bij de Commissie van Beroep. 1.
- Op 28 mei 2002 verschijnt verzoeker voor de Commissie van Beroep, bijgestaan door accountant Willy Pairoux die voor hem pleit. Verzoeker draagt zijn middelen voor en legt een lijst voor van klanten in het boekjaar 2000 met in kolommen de vermelding van geleverde prestaties en hun datum. 1.
- Op 10 juni 2002 beslist de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep dat het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond is. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “
- Overwegende dat de betrokkene aanspraak maakt op de overgangsrege- ling bedoeld in art. 60, § 1 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; dat hij niet ingeschreven is op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de vermelde Wet; dat hij, met toepassing van art. 2, tweede item van het K.B. van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het bewijs moet leveren : - houder te zijn van een diploma bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 november 1990 betreffende de diploma’s van de kandidaat-accountants en de kandidaat belastingconsulenten, zoals laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 mei 1999; - en gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet, uit te oefenen;
- Overwegende dat de betrokkene in 1980 met vrucht zijn opleiding beëindigde aan het PCVO Handel te Hasselt, economisch hoger IX-3454-6/13 onderwijs van het korte type voor sociale promotie, afdeling boekhou- den;
- Overwegende dat de functie van belastingconsulent er volgens art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen in bestaat : ‘1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.’ dat de kandidaat belastingconsulent bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen; dat in de besproken wet aan het fiscaal beroep ook een bescherming van de titel wordt toegekend op twee verschillende vormingsniveaus, namelijk dat van belastingconsulent en dat van de erkende boekhouder die tevens een specialisa- tie in fiscaliteit heeft doorgemaakt (...);
- Overwegende dat de betrokkene werd opgeroepen voor de Erkennings- commissie op 12 februari 2002; dat de erkenningscommissie negatief adviseerde omtrent het vereiste vormings- en ervaringsniveau;
- Overwegende dat de Commissie van Beroep op 28 mei 2002 een uitgebreid onderhoud heeft gehad met de betrokkene, in het bijzonder omtrent de door hem voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds december 1990; Overwegende dat uit dit onderhoud onvoldoende naar voren kwam dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen”. Over de kwalificatie van het beroep
- Verzoeker kwalificeert zijn beroep bij de Raad van State als een administratief cassatieberoep en verwijst naar artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Commissie van Beroep van het Instituut treedt echter niet op als een administratief rechtscollege wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, doch als een administratieve overheid. Het onderhavige beroep is dan ook te beschouwen als een gewoon annulatieberoep ingesteld op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State. Over de gegrondheid van het beroep 3.1.
- In een enig middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, vermits krachtens de artikelen 5, § 5, en 7, § 5, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingcon- IX-3454-7/13 sulenten die beslissing met redenen moet zijn omkleed, terwijl te dezen louter één van de voorwaarden van artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 wordt aangehaald en geenszins rekening wordt gehouden met zijn argumenten en neergelegde stukken, die beantwoord noch weerlegd zijn. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie enkel onderzocht of hij tijdig en op correcte wijze beroep heeft ingesteld, heeft zij haar bevoegdheden overschreden door middels het stellen van twee technische vragen zijn beroepsbekwaamheid na te gaan en heeft zij de voor zijn dossier zeer belangrijke en bijkomende bewijzen van de door hem behartigde belastingdossiers en van zijn permanente beroepsvervolmaking enkel in ontvangst genomen. 3.1.
- De verwerende partij antwoordt, na een voorafgaande algemene uiteenzetting over de draagwijdte van de overgangsregeling, dat de Commissie van Beroep moet oordelen over de vraag of verzoeker aan de hand van het door hem ingediende dossier het bewijs levert van vijf jaar professionele werkzaamheden waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, dat in casu de commissie heeft overwogen dat, na het inzien van de stukken en een uitgebreid onderhoud met verzoeker over die stukken, onvoldoende werd bewezen dat de door verzoeker uitgeoefende werkzaamheden dergelijke voldoende vorming opleverden en dat bovendien de commissie de bepalingen heeft aangehaald waarop die bewijsplicht steunt, zodat de beslissing de juridische en feitelijke redenen vermeldt waarom het beroep van verzoeker ongegrond is en dit voor verzoeker volstaat om hem in staat te stellen één of meer annulatiemiddelen te overwegen, bijvoorbeeld dat zijn stukken op manifest verkeerde wijze werden beoordeeld, wat hij echter niet doet. De verwerende partij merkt hierbij op dat de motiveringsplicht niet de verplichting inhoudt om de motieven van de motieven aan te geven en dat het motief dat het bewijs niet geleverd is op zich volstaat als redengeving van een beslissing, tenzij verzoeker een specifieke reden zou hebben aangevoerd waarom haar middelen wel degelijk het vereiste bewijs leveren, wat te dezen echter niet het geval is. Zelfs indien verzoeker de beoordeling door de commissie van de overgemaakte stukken zou bekritiseren, kan die beoordeling volgens de verwerende partij niet als onredelijk voorkomen, vermits de bestreden beslissing vaststelt dat de functie van een belastingconsulent overeenkomstig artikel 38 van de wet van 22 april 1999 erin bestaat advies te verstrekken in alle belasting- aangelegenheden en belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en te vertegenwoordigen en de commissie hieruit afleidt, rekening houdend met voormelde aan de commissie voorgelegde stukken, “dat de kandidaat IX-3454-8/13 belastingconsulent bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computer- programma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen”, zijnde een redelijk motief dat niet door verzoeker betwist wordt en vermits de bestreden beslissing er bovendien op wijst dat de wet van 22 april 1999 tot doel heeft aan het fiscaal beroep een bescherming van titel toe te kennen op twee verschillende niveaus van opleiding en ervaring, met name het hogere van belastingconsulent en het lagere van boekhouder en de commissie op die wijze aangeeft dat het beroepsmatig uitoefenen van fiscale activiteiten gedurende een bepaalde periode niet zonder meer betekent dat men over een voldoende vorming beschikt om de functie van belastingconsulent uit te oefenen. Voorts wijst de verwerende partij er op dat de commissie ook de diplomavereiste heeft aangehaald, dat uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat verzoeker bepaalde argumenten heeft aangevoerd voor de commissie en dat evenmin uit het dossier noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissie verzoekers beroepsbekwaamheid heeft getest aan de hand van twee technische vragen, maar integendeel de commissie er zich ter dege van bewust is dat zij de kandidaten niet mag onderwerpen aan een examen. 3.1.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker, samengevat, dat hij wel degelijk voldoet aan de voorwaarde van ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden waarin voldoende vorming werd verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, uit te oefenen, vermits hij reeds meer dan drieëntwintig jaar advies verstrekt in belastingaangelegenheden en reeds jarenlang bijstand verleent aan belastingplichti- gen en hen vertegenwoordigt, dat uit de stukken van het dossier dat aan de Commissie van Beroep is overgemaakt en uit de stukken die ter zitting van die commissie zijn neergelegd op duidelijke en afdoende wijze het bewijs blijkt van die prestaties en van de vereiste beroepservaring, dat de commissie hem tijdens de zitting wel degelijk twee technische vragen heeft gesteld, wat wordt bevestigd door de verklaring op eer van Willy Pairoux, die hem ter zitting bijstond, dat volgens de verwerende partij de commissie er zich van bewust is dat zij een kandidaat niet mag onderwerpen aan een examen, dat de commissie bijgevolg bewust een procedurefout heeft begaan teneinde zijn kans op erkenning op kunstmatige wijze te beperken en dat in elk geval, gelet op het voorgaande, de commissie bewust of onbewust met het door hem geleverde bewijs van zijn werkzaamheden geen rekening heeft gehouden of dit minstens, bewust of onbewust, op een manifest verkeerde en onredelijke wijze heeft beoordeeld. IX-3454-9/13 3.1.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de Commissie van Beroep dient te oordelen op grond van de haar voorgelegde stukken en er niet toe gehouden is de motieven van de motieven te vermelden, dat bijgevolg de bestreden beslissing voldoende concreet en specifiek gemotiveerd is en toelaat na te gaan of het wenselijk is om haar te bestrijden en dat aldus verzoeker, indien hij van mening zou zijn dat de commissie ten onrechte geoordeeld heeft dat de door hem voorgelegde stukken niet het bewijs leveren van minstens vijf jaar professionele werkzaamheden die hem toelaten het beroep van belastingconsulent uit te oefenen, deze beslissing kon aanvechten voor de Raad van State. 3.2.
- Verzoeker stelt onder meer de motiveringsplicht aan de orde. Zoals hiervoor is vastgesteld, treedt de Commissie van Beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belastingconsulent, op als een administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege. Er moet dan ook worden aangenomen dat in dezen de motiverings- plicht voortvloeit, zo niet uit artikel 51 van het koninklijk besluit van 2 maart 1989 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut der Accountants, dan toch uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, waarnaar niet wordt verwezen, maar die geldt voor alle administratieve overheden, tenzij er dienaangaande een meer specifieke regeling bestaat. 3.2.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de bestreden beslissing niet, zoals wel het geval is voor jurisdictionele uitspraken, alle opgeworpen middelen diende te behandelen en uit haar redengeving niet moet blijken dat de diverse argumenten van partijen zijn beantwoord. Volgens de bewoordingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 volstaat het daarentegen voor een administratieve beslissing dat de motivering draagkrachtig is, wat echter ook betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen zonder dat alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord, met dien verstande echter dat zij de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen, dermate dat hij kan oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. IX-3454-10/13 3.2.
- Te dezen wijst de Commissie van Beroep het beroep af met de overweging dat zij op 28 mei 2002 een uitgebreid onderhoud had met verzoeker, in het bijzonder omtrent de door hem voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds december 1990, maar dat uit dit onderhoud onvoldoende naar voren kwam dat hij gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april
- Eerder was ook de omschrijving van de functie van belastingconsulent in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 hernomen en overwogen dat een verzoeker bijgevolg meer moet bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrij- vingen op colloquia en cursussen en dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel toekent op twee verschillende vormingsniveaus, nl. dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in fiscaliteit heeft doorgemaakt. 3.2.
- Anders dan verzoeker meent, blijkt hieruit niet dat de Commissie van Beroep geen rekening heeft gehouden met de overgelegde stukken, nu zij verwijst naar “de stukken van het door de Raad samengestelde dossier” en naar “de door hem neergelegde stukken”. Buiten de in casu door verzoeker inhoudelijk niet betwiste overweging dat kandidaat-belastingconsulenten meer moeten bewijzen dan de aankoop van computerprogramma’s en naslagwerken en inschrijvingen op colloquia en cursussen, blijkt uit de bestreden beslissing echter niet waarom de commissie tot de conclusie kwam dat onvoldoende werd aangetoond dat verzoeker gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming verwierf om de functie van belastingconsulent uit te oefenen. Er kan niet worden uitgemaakt of zij van oordeel was dat de voorgelegde stukken ter zake onvoldoende informatie verschaften of dat er voldoende informatie was, maar de vorming op zich niet volstond, dan wel of de antwoorden op de gestelde vragen niet volstonden, of dat de verzoeker niet voldeed aan de drie functies van belastingconsulent of dat de activiteiten in alle fiscale aangelegenheden en voor alle soorten belastingplichtigen niet volstonden. De Commissie van Beroep heeft evenmin als de erkenningscommissie om bijkomende bewijzen gevraagd. De motivering van de bestreden beslissing was dan ook niet afdoende, nu uit die motivering niet genoegzaam blijkt waarom ter zake en in concreto uit dat alles -dus minstens ook uit het onderhoud dat volgens de bestreden beslissing in het bijzonder betrekking had op de door verzoeker voorgelegde stukken en zijn activiteiten sinds IX-3454-11/13 december 1990- afgeleid wordt dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar beroepservaring. Uit het dossier blijkt zelfs niet welke vragen werden gesteld en wat de antwoorden daarop waren. De Raad van State kan dan ook niet nagaan of de conclusie die blijkens de beslissing niet alleen uit het nazicht van de stukken, maar minstens ook uit het onderhoud dat daaromtrent plaats had en derhalve de conclusie die uit die vragen werd getrokken, niet kennelijk onredelijk is. 3.2.
- Door de verwijzing naar het nazicht van de door verzoeker neergelegde stukken, blijkt weliswaar op voldoende wijze welke stukken werden nagezien, doch wordt niet geconcretiseerd waarom de voorgelegde lijst inzake geleverde prestaties, de voorgelegde getuigschriften en de verstrekte gegevens in de toetredingsaanvraag, in de bijlagen ervan en in de brief van 29 augustus 2001, en het onderhoud met betrekking tot die stukken en tot zijn activiteiten sinds december 1990 een onvoldoende bewijs vormen van de vereiste vorming. Ofschoon de verwerende partij terecht stelt dat de motiveringsplicht niet vereist dat de motieven van de motieven worden gegeven, is wel vereist dat concreet wordt aangegeven waarom de commissie, in casu, oordeelde dat deze stukken, ondanks de inhoud ervan en de uitleg van de verzoeker aan de commissie, dit bewijs niet leveren en kan niet enkel geponeerd worden dat dit zo was. De omstandigheid dat de commissie ter zake over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, kan niet tot een andere conclusie leiden. Integendeel vereisen de ruimere beoordelingsvrijheid en de vaagheid van het toepasselijke criterium een meer specifieke motivering. Ook de verwijzing naar het feit dat de wet van 22 april 1999 aan het fiscaal beroep een bescherming van de titel biedt op twee niveaus, dat van belastingconsulent en dat van erkende boekhouder die tevens een specialisatie in de fiscaliteit heeft doorgemaakt, maakt dit motiveringsgebrek niet goed : zelfs indien wordt aangeno- men dat hiermee bedoeld wordt dat de commissie van oordeel zou zijn dat verzoeker wel voldoende vorming zou bewijzen om in aanmerking te komen voor de tweede titel maar niet voor de eerste, blijft de vaststelling dat de bestreden beslissing niet concreet en specifiek aangeeft waarop dan dit oordeel, dat trouwens ook niet uitdrukkelijk in de bestreden beslissing zelf is opgenomen, steunt. 3.2.
- Het middel is gegrond. IX-3454-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 10 juni 2002 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsu- lenten, waarbij het beroep van Guido WILLEMS tegen de beslissing van 4 maart 2002 van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, S. DE TAEYE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-3454-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.