← België

Arrest 187224 - Plannen van aanleg - 21/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.224 Rolnummer: Zaak: Arrest 187224 - Plannen van aanleg - 21/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.224 van 21 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.224 van 21 oktober 2008 in de zaken A. 148.298/X-11.

  1. (I) A. 154.668/X-12.
  2. (II) A. 164.087/X-12.
  3. (III) I. In zake : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen :
  4. de stad OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  6. II. In zake : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  7. Tussenkomende partij : de stad OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  8. III. In zake : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, die woonplaats kiest bij X-11.794-12.014-12.398-1/32 advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  9. Tussenkomende partij : de stad OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  10. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, op 2 maart 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Coupure” genaamd, van de stad Oudenaarde, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 januari 2004; (zaak I. A.148.298) Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, op 12 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  11. het besluit van 12 mei 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het stadsbestuur van Oudenaarde van de stedenbouw- kundige vergunning voor het “ontbossen met compensatie” op gronden gelegen te Oudenaarde, Minderbroedersstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en 473, en
  12. het besluit van 12 mei 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan de stad Oudenaarde van de stedenbouwkundige vergunning voor “het afgraven zandterrein en opzetten bufferberm” op gronden X-11.794-12.014-12.398-2/32 gelegen te Oudenaarde, Minderbroedersstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en 473; (zaak II. A.154.668) Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, op 9 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 september 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het stadsbestuur van Oudenaarde van de stedenbouwkundige vergunning voor “de aanleg van het bedrijventerrein ‘De Coupure’ - weg- en rioleringswerken” op gronden gelegen te Oudenaarde, Minderbroedersstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d en 476/a; (zaak III. A.164.087) Gelet op het arrest nr. 133.285 van 29 juni 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 12 augustus 2004 ingediend door de verzoekende partij in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 11 oktober 2004 ingediend door de stad OUDENAARDE in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 1 december 2004 die de tussenkomst van de stad OUDENAARDE toelaat in de zaak sub II; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 oktober 2005 ingediend door de stad OUDENAARDE in de zaak sub III; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2005 die de tussenkomst van de stad OUDENAARDE toelaat in de zaak sub III; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de drie zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE in de drie zaken; X-11.794-12.014-12.398-3/32 Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub I; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 9 november 2007 en 27 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in de drie zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de stad OUDENAARDE en die eveneens verschijnt voor het Vlaamse Gewest in de zaak sub II, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor het Vlaamse Gewest in de zaken sub I en III; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE in de drie zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  13. De samenvoeging De beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de zaken samen te voegen.
  14. De relevante gegevens van de zaken 2.1.
  15. Het door het bestreden bijzonder plan van aanleg “Coupure” bestreken gebied is door het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde oorspronkelijk bestemd, deels tot gebied voor gemeen- schapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, en deels tot recreatiegebied. X-11.794-12.014-12.398-4/32 De bestemming van dit gebied wordt bij besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, gewijzigd in “regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter”. De stedenbouwkundige voorschriften voor dit gebied luiden als volgt : “Een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter is bestemd voor de vestiging van bedrijven zoals bedoeld in artikelen 7 en 8, lid 2.1.
  16. en 2.1.
  17. van het koninklijk besluit van 28 december
  18. Het kan evenwel alleen worden gerealiseerd door de overheid. Bij de inrichting van het gebied zal rekening gehouden worden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. De Vlaamse regering kan bepalen dat een bijzonder plan van aanleg voorafgaand aan de ontwikkeling van dat gebied dient goedgekeurd te worden”. 2.1.
  19. De gemeenteraad van de stad Oudenaarde heeft in zitting van 26 mei 2003 het ontwerp van bijzonder plan van aanleg “Coupure” voorlopig vastgesteld. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 27 mei 2003 tot 25 juni 2003, worden twintig bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoekende partij. De gemeenteraad van de stad Oudenaarde heeft in zitting van 7 juli 2003 het bijzonder plan van aanleg “Coupure” definitief vastgesteld. 2.1.
  20. Op 19 augustus 2003 beslist de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening in te stemmen met de weerlegging van de bezwaarschriften door de gemeenteraad van de stad Oudenaarde. In zitting van 29 september 2003 beslist de gemeenteraad voormelde beslissing van 7 juli 2003 tot definitieve vaststelling van het bijzonder plan van aanleg “Coupure” in te trekken “wegens een procedurefout nl. het niet voorleggen van de bezwaarschriften aan de Gecoro”. Op dezelfde datum stelt zij het bijzonder plan van aanleg “Coupure” opnieuw definitief vast. Op 13 november 2003 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een gunstig advies uit. 2.1.
  21. Op 2 december 2003 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie het bijzonder plan van aanleg, “Coupure” genaamd, van de stad Oudenaarde, bestaande X-11.794-12.014-12.398-5/32 uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, goed. Dit is het bestreden besluit in de zaak A.148.
  22. 2.2.
  23. Op 16 april 2004 (datum van ontvangst) dient de tussenkomende partij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in strekkende tot “het ontbossen met compensatie tussen de Minderbroedersstraat-Westerring en de Schelde”. Het kwestieuze terrein is gelegen te Oudenaarde, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en
  24. Het terrein is eigendom van de stad Oudenaarde en maakt deel uit van het beheersingsgebied van het op 2 december 2003 door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie goedgekeurde bijzonder plan van aanleg, “Coupure” genaamd. Uit de beschrijvende nota bij de aanvraag blijkt dat het voorwerp van de aanvraag het volgende is : “Ontbossing Ter voorbereiding van de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein ‘Coupure’ (GW herziening dd. 29/10/1999) dienen de betrokken gronden ontbost te worden” (...)”. Op 12 mei 2004 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning. Dit is het eerste bestreden besluit in de zaak A.154.
  25. 2.2.
  26. Op 22 januari 2004 (datum van ontvangst) dient de tussenkomende partij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor het “afgraven zandterrein en opzetten bufferberm tussen de Minderbroedersstraat- Westerring en de Schelde”. Het kwestieuze terrein is gelegen te Oudenaarde, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en
  27. Het terrein is eigendom van de stad Oudenaarde en maakt deel uit van het beheersingsgebied van het op 2 december 2003 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg, “Coupure” genaamd. Uit de beschrijvende nota bij de aanvraag blijkt dat het voorwerp van de aanvraag het volgende is : X-11.794-12.014-12.398-6/32 “Reliëfwijziging: afgraven en commercialisering van zand. Ter voorbereiding van de realisatie van het regionaal bedrijventerrein Coupure worden de opgespoten zandgronden afgegraven”. Op 12 mei 2004 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning. Dit is het tweede bestreden besluit in de zaak A.154.
  28. 2.3.
  29. Op 11 juni 2004 (datum van ontvangst) dient de tussenkomende partij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in “voor aanleg bedrijventerrein ‘De Coupure’ weg- en rioleringswerken”. Het kwestieuze terrein is gelegen te Oudenaarde, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d en 476/a. Het terrein is eigendom van de stad Oudenaarde en maakt deel uit van het beheersingsgebied van het op 2 december 2003 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Coupure”. Uit de beschrijvende nota bij de aanvraag blijkt dat het voorwerp van de aanvraag het volgende is : “Aanleg bedrijventerrein ‘De Coupure’ - weg- en rioleringswerken en aanleg bufferberm met fietspad”. Op 10 september 2004 verleent de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit in de zaak A.164.
  30. De ontvankelijkheid 3.
  31. De ontvankelijkheid in de zaak A.148.298 3.1.1 De eerste verwerende partij werpt voor het eerst in haar laatste memorie een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan hoedanigheid op. 3.1.
  32. De eerste verwerende partij had deze exceptie reeds kunnen aanvoeren in haar memorie van antwoord. Deze nieuwe exceptie kan door de eerste verwerende partij niet voor het eerst in de laatste memorie worden opgeworpen. Dergelijke handelwijze is immers dilatoir en schendt de rechten van verdediging van de andere partijen en het beginsel van de wapengelijkheid en is derhalve in strijd met de regels van een behoorlijke procesvoering. X-11.794-12.014-12.398-7/32 Het gaat proceseconomisch niet op, op het einde van de procedure, de afhandeling van de zaak uit te stellen en de auditeur-verslaggever op te dragen een aanvullend onderzoek en verslag aan de nieuwe exceptie te wijden, en de partijen toe te laten hier schriftelijk op te reageren, wanneer dit kon vermeden worden. Om de hieronder (randnummers 3.2.1.
  33. en 3.3.4) uiteengezette redenen, ziet de Raad van State ook geen reden om ambtshalve de bedoelde exceptie op te werpen. De exceptie wordt verworpen. 3.
  34. De ontvankelijkheid in de zaak A.154.668 3.2.1.
  35. De verzoekende partij zet haar belang onder meer als volgt uiteen in haar verzoekschrift : “V. Persoonlijk belang van de VZW Stichting Omer Wattez.
  36. Het belang van de verzoekster vloeit logischerwijze voort uit haar statutaire doelstellingen. Deze doelstellingen zijn omschreven in artikel 4 van haar nieuwe statuten, bekendgemaakt in het B.S. van 2 september ’99.(...) De vereniging heeft tot doel: de bescherming, de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied. De vereniging kan, ook buiten haar werkgebied, alle handelingen verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks haar doelstellingen dienen, onder meer: vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en - bescherming, landschaps- en monumentenbescherming, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie - (deze opsomming is niet limitatief). De vereniging kan om haar doel te dienen ook overgaan tot de aankoop van gronden en objecten met natuurlijke en/of cultuurhistorische waarde in haar werkgebied. De vereniging kan in het kader van haar doel educatieve acties organiseren, studies opstellen of daartoe opdracht geven. De leden geven mandaat aan de vereniging om namens hen, ook in rechte, op te treden wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen. Hier gaat het om feiten die een belangrijke en negatieve weerslag zullen hebben op het Scheldelandschap, doordat de beide vergunningen zullen leiden tot verlies van belangrijke natuurlijke waarden, als gevolg van de ontbossing van minstens 10 ha wilgenbos, struweel en populierenbos, tot wijziging van gans het bestaande groene landschap over een oppervlakte van minstens 30 ha, tot aantasting van de geluidskwaliteit door de bouwwerken gedurende ongeveer een jaar, dit alles in een vrij stil en rustig gebied, op de recreatieve waarde van het gebied, ten koste van de vereniging en haar leden. Recreatieve waarde die divers zal aangetast worden: 1) bv. doordat in het huidige openbaar bos niet meer zal kunnen gewandeld en gefietst worden doordat het bos er niet meer zal zijn; 2) doordat er onvermijdelijk heel wat werfverkeer en werflawaai zal zijn ter hoogte van het recreatief jaagpad langs de Schelde; 3) doordat de X-11.794-12.014-12.398-8/32 aantrekkingskracht van het huidige groene landschap volledig zal verdwijnen door ontbossingen en afgravingen, waardoor een kaal landschap zal ontstaan. Het gaat ook over ecologische nadelen van de bouwwerken op het functioneren van de Rietgracht, en het vogelbestand in de omgeving daarvan (o.a. de rietgors), op het aanpalend natuurreservaat de Langemeersen waar rust en buffering belangrijk zijn; doordat de huidige waardevolle bufferzone zal verdwijnen door rooiing om een nieuwe bufferberm en bufferzone aan te leggen. Dit zal zaken die de vereniging zich statutair mag ter harte nemen. Het belang van de vereniging ligt ook op het vlak van de menselijke leefomgeving, wat ook duidelijk in haar statuten staat. In de omgeving van de Zandbergen/ Coupure liggen nl. woongebieden (Meerspoort, Oudenaarde Centrum, Bevere, ...). De bouwwerken zullen een transport van ong. 300.000 m³ zand met zich meebrengen. Daarvoor zijn volgens het MER BPA Coupure minstens 15.000 vrachtwagentransporten vereist. Doch ook vervoer via de waterwegen wordt geopperd. Door de ontbossing zal een voor de mensen waardevol luchtzuiverend bos verdwijnen, wat ergerlijk is als men weet dat de stad Oudenaarde buitengewoon arm is aan bos. ... Dergelijke inbreuken zijn i.c. aanwezig. De huidige vordering tot vernietiging is er op gericht om minstens de voor de vereniging en haar leden en qua menselijke en recreatieve leefomgeving, bestaande zeer gunstige situatie te behouden, zodat kan gezegd worden dat deze rechtsvordering kadert binnen de context van de statutaire doelstellingen. Aldus maakt verzoekende partij duidelijk dat de vordering tot vernietiging kan ingepast worden ter verdediging van het statutair doel of doeleinden waarvoor zij is opgericht. (...) Indien de vordering tot vernietiging zou worden ingewilligd, zullen de werken immers niet kunnen uitgevoerd worden. Mochten ze toch reeds uitgevoerd zijn, zal er een rechtsherstel moeten plaatsvinden, met voor gevolg: herbebossing, aanplanting van riet, herstel van de waterhuishouding, herstel van de bestaande bufferzone (wilgenbos) ter hoogte van de Langemeersen, enz. Minstens zal daarnaar gestreefd moeten worden.
  37. Het gebied ligt ook binnen het werkingsgebied van VZW S.O.W. zoals deze in de statuten zijn omschreven.
  38. Dat het gebied een zekere waarde heeft voor de natuur, volgt uit onder meer de gegevens vermeld in het milieu-effectenrapport Ecolas opgesteld n.a.v. het BPA Coupure. (...) Ook blijkt één en ander uit het advies van de afdeling Natuur van 22 januari 2004 waar verwezen wordt naar de gegevens van de biologische waarderingskaart: ‘deels biologisch waardevol, deels biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen en deels biologisch zeer waardevol’. Ook de omgeving verdient aandacht, want gelegen ‘grenzend aan VEN-gebied en erkend natuurreservaat ‘Langemeersen’. ‘De vegetatie op het opgespoten terrein bestaat uit vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem (inclusief het verboste rietland), diverse opslag op opgespoten terrein en ruigten. (...)’ (...) De bedreigde natuur(recreatieve) elementen zijn in het bijzonder: * het bosbestand van ong. 10 á 15 ha; * de omgeving van de Rietgracht en het noordoostelijk deel met vochtige ruigtes (zeggen, biezen, moerasspirea, riet,...). Het gaat om één van de zeer weinige waterlopen in het Oudenaardse met een nog goede waterkwaliteit (...). X-11.794-12.014-12.398-9/32 * de kleine broedpopulatie rietgors (1 á 2 koppels) * de kleine broedpopulatie blauwborst ( meerdere koppels) * een belangrijk overwinteringsgebied voor het bokje, een soort snip; * een belangrijke populatie duizendguldenkruid, een duinplantje; * een belangrijke populatie zandloopkevers; * een rust-en jachtplaats voor verscheidene roofvogels, onder meer buizerd, torenvalk, sperwer, smelleken en ransuil; * de natuurrecreatieve waarde van dit alles, gelet het feit dat het bos openbaar is en dus toegankelijk voor derden. (...)”. 3.2.1.
  39. De tussenkomende partij werpt in haar toelichtende memorie de volgende exceptie op : “II. ONONTVANKELIJKHEID
  40. De vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld door de V.Z.W. STICHTING OMER WATTEZ, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9700 Oudenaarde, Kattestraat
  41. Volgens verzoekende partij vloeit het belang van verzoekster voort uit haar statutaire doelstellingen. Het belang van de vereniging zou ook liggen op het vlak van de menselijke leefomgeving. Door de ontbossing zal een voor de mensen waardevolle luchtzuiverend bos verdwijnen, wat ergerlijk is als men weet dat de stad Oudenaarde buitengewoon arm is aan bos. Verzoekende partij benadrukt tevens dat Oudenaarde en specifiek de betrokken terreinen het gebied ook binnen het werkingsgebied van de V.Z.W. S.O.W. liggen, zoals deze in de statuten zijn omschreven. Uit de rechtspraak van uw Raad blijkt dat de procesbekwaamheid van verzoekende partij beperkt wordt door het specialiteitsbeginsel. (...).’ Verzoekende partij zou momenteel 850 leden tellen en omvat 21 gemeenten als werkingsgebied. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat de hoedanigheid van verzoekende partij enerzijds samenvalt met de behartiging van het algemeen belang en anderzijds met het persoonlijk belang van haar leden. Dit stemt niet overeen met de vereiste hoedanigheid. Wat vervolgens het rechtens vereiste persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang betreft, blijkt dat verzoekende partij optreedt ter behartiging van haar vermeende eigen belangen, alsook van ideële collectieve belangen. Wegens het niet beschikken van de nodige hoedanigheid en evenmin over een zeker belang, is de vordering van verzoekende partij niet ontvankelijk”. 3.2.1.
  42. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste X-11.794-12.014-12.398-10/32 hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Artikel 4, eerste lid van de statuten van de v.z.w. Stichting Omer Wattez, thans de v.z.w. Milieufront Omer Wattez, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : “De vereniging heeft tot doel : de bescherming, de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied”. Met betrekking tot het werkgebied van de vereniging stelt artikel 3 van de statuten, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, het volgende : “Het werkgebied van de vereniging strekt zich uit over de volgende gemeenten : Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm”. De afdeling Natuur - Oost-Vlaanderen verleende naar aanleiding van de aanvragen tot “ontbossing” en “afgraven zandterrein en opzetten bufferberm” op 22 januari 2004 een advies dat onder meer het volgende stelt : “De vegetatie op het opgespoten terrein bestaat uit vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem (inclusief het verboste rietland), diverse opslag op opgespoten terrein en ruigten. Het open terrein wordt gebruikt als crossterrein en is daardoor doorsneden met diverse paden. In het lager gelegen deel, een strook van enkele tientallen meters langs de (Minder)broederstraat, komt nog een relict van het vroegere meersenlandschap voor. De werken voorzien in een ontbossing van het volledige terrein, in het afgraven tot niveau 12 meter TAW van het terrein gelegen tussen de trekweg langs de Schelde en de Coupure, het aanleggen van een dijklichaam en een ophoging van de spie tussen Coupure en (Minder)broederstraat tot een hoogte van 12 meter TAW. (...) Door het ontbossen van het terrein zal het leefgebied van de blauwborst vernietigd worden. De blauwborst is een soort van de bijlage IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu gewijzigd op 19 juli
  43. X-11.794-12.014-12.398-11/32 Art. 51 van ditzelfde decreet vermeldt dat de Vlaamse regering alle maatregelen neemt inzake de instandhouding van populaties van soorten of ondersoorten van organismen vermeld in de bijlagen III en IV van dit decreet en hun habitats. In het MER werd reeds vermeld dat door een spontane vegetatieontwikkeling er nieuwe potenties voor de Blauwborst zullen ontstaan in de Reytmeersen. Rekening houdend met art. 51 kunnen enkele milderende maatregelen op de terreinen van de Coupure zelf ervoor zorgen dat het habitat van deze soort niet volledig verdwijnt op deze locatie. Eén van de milderende maatregelen is de buffer met wilgenstruweel langs het retentiebekken. Een andere milderende maatregel is, door middel van een aangepast beheer op de oppervlakte van 2000-3000 m² van de spie tussen de (Minder)broeder- straat en de Coupure waar geen ophoging zal plaatsvinden, een wilgenstruweel met riet te laten ontwikkelen. (...)”. De afdeling Natuur wijst er voorts nog op dat het gebied door de biologische waarderingskaart gesitueerd wordt in deels biologisch waardevol gebied, deels biologisch waardevol gebied met zeer waardevolle elementen en deels biologisch zeer waardevol gebied. Gelet op dit advies, de ligging van het gebied volgens de biologische waarderingskaart en de omstandigheid dat luidens het advies van de Afdeling Bos en Groen ingevolge het eerste bestreden besluit 3 ha aanwezig bos zal dienen te worden gerooid, waarvan 2,5 ha dient te worden gecompenseerd, bestaat een voldoende band van evenredigheid tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende vereniging en de draagwijdte van de bestreden stedenbouwkundige vergunningen die ertoe strekken een bedrijventerrein van regionaal niveau te realiseren middels de ontbossing met compensatie en het afgraven van zandterrein en het opzetten van een bufferberm tussen de Minderbroederstraat en de Schelde. Gelet op de voormelde statutaire doelstelling van de verzoekende partij en de door haar bestreden bedreiging voor het leefmilieu, zoals uiteengezet in haar verzoekschrift, kan worden aangenomen dat zij optreedt ter vrijwaring van een collectief belang dat de individuele belangen van haar leden overstijgt. De tussenkomende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat “de hoedanigheid van verzoekende partij (...) samenvalt (...) met het persoonlijk belang van haar leden”. De exceptie is niet gegrond. 3.2.2.
  44. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift het volgende aan m.b.t. de samenhang tussen de door haar bestreden beslissingen : X-11.794-12.014-12.398-12/32 “De vergunningen zijn feitelijk en juridische samenhangend, in die zin dat ze beiden voor gevolg hebben dat de huidige min of meer natuurlijke en beboste toestand van het gebied genoemd de Zandbergen of de Coupure, teniet zal gedaan worden. Eerst door ontbossing, dan eensdeels door afgraving, anderdeels door ophoging (voor een bufferberm). Beide vergunningen gaan over identiek dezelfde percelen. De beide vergunningen hebben normaliter ook tot doel om deze terreinen bouwrijp te maken voor de aanleg van bedrijven, wegenissen, en dergelijke meer. Ze dienen hetzelfde doel. Een gemeenschappelijk punt is ook de bouwheer : de stad Oudenaarde. Ook de betrokken percelen zijn dezelfde: Oudenaarde sectie B nummers 446E, 447D, 472 en
  45. De onwettigheden waarmee de vergunningen behept zijn, zijn ook zeer gelijkaardig. Ingeval de vergunningen afzonderlijk zouden aangevochten worden, is er een mogelijkheid qua tegenstrijdige beslissingen nu er geen procedurevoorschriften zijn waardoor deze verzoekschriften samenhangend zouden behandeld moeten worden”. 3.2.2.
  46. De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord de volgende exceptie aan : “Volgens verzoekende partij zijn beide vergunningen ‘feitelijk en juridisch samenhangend’. Zij gaan over identiek dezelfde percelen, hebben tot doel om de terreinen bouwrijp te maken voor de aanleg van bedrijven, wegenissen en dergelijke meer en hebben dezelfde bouwheer tot voorwerp. Volgens verzoekende partij zijn bovendien ‘de onwettigheden waarmee de vergunningen behept zijn, ook zeer gelijkaardig’. Een goede rechtsbedeling eist dat in beginsel slechts één vordering per verzoekschrift wordt ingediend. Van dat beginsel mag slechts worden afgeweken indien de verschillende vorderingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat, indien er afzonderlijke verzoekschriften ervoor ingediend waren, deze door de Raad van State zouden kunnen worden samengevoegd. De beide in het verzoekschrift bestreden beslissingen hebben duidelijk een verschillend voorwerp. De eerste bestreden vergunning betreft de ontbossing met compensatie, terwijl de tweede stedenbouwkundige vergunning het afgraven zandterrein en opzetten bufferberm tot voorwerp heeft. Beide aanvragen werden afzonderlijk ingediend en maakten het voorwerp uit van een afzonderlijk openbaar onderzoek. Beide vergunningen werden in twee afzonderlijke beslissingen, weze het van een zelfde datum, verleend. Verzoekende partij kan niet voorhouden dat een eventuele beslissing genomen met betrekking tot één vordering meteen een weerslag zal hebben op de uitkomst van de andere. Beide beslissingen dienen dan ook het voorwerp uit te maken van een afzonderlijk annulatieberoep. Het feit dat het gaat om een zelfde bouwheer, om dezelfde percelen en om een zelfde verzoekende partij doet hieraan geen enkele afbreuk. Wanneer verschillende vorderingen niet voldoende samenhangen, dan is enkel de belangrijkste of, bij gelijk te achten belang, de als eerste in het verzoekschrift vernoemde vordering regelmatig ingesteld. X-11.794-12.014-12.398-13/32 Het annulatieberoep tegen het tweede besluit is dan ook niet ontvankelijk”. De tussenkomende partij werpt in haar toelichtende memorie dezelfde exceptie op. 3.2.2.
  47. In beginsel kan slechts één rechtshandeling per verzoekschrift worden bestreden. Meerdere rechtshandelingen kunnen slechts ontvankelijk in één verzoekschrift worden bestreden wanneer de bestreden rechtshandelingen samenhangend zijn. Met de verzoekende partij dient vastgesteld te worden dat de beide bestreden beslissingen betrekking hebben op dezelfde percelen, die eigendom zijn van dezelfde rechtspersoon, zijnde de tussenkomende partij, die tevens de aanvrager van de beide vergunningen is. Ze zijn beide, op dezelfde datum, genomen op grond van dezelfde reglementaire besluiten, zijnde het gewestplan Oudenaarde en het bijzonder plan van aanleg ‘Coupure’, en hebben dezelfde finaliteit, zijnde de realisatie van het in het voormelde BPA voorziene regionaal bedrijventerrein. Bovendien heeft de afdeling Natuur - Oost-Vlaanderen een enig advies verstrekt aangaande de beide vergunningsaanvragen. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissingen voldoende samenhang vertonen om samen bestreden te worden. De exceptie wordt verworpen. 3.
  48. De ontvankelijkheid in de zaak A.164.087 3.3.
  49. De verzoekende partij zet haar belang als volgt uiteen in haar verzoekschrift : “De uitvoering van de bestreden vergunning brengt de realisatie van meerdere doelstellingen van de vereniging in het gedrang. ARTIKEL
  50. Doelstellingen en activiteiten §
  51. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generatie in het gedrang komen. §
  52. Deze doelstelling omvat : - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptie- X-11.794-12.014-12.398-14/32 patronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder, ...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat de milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burger en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, he(r)stel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. (...) Uit de statuten blijkt ook dat Oudenaarde tot het werkingsgebied van de vereniging behoort. Dat haar werkingsgebied tamelijk beperkt is.
  53. Aldus is duidelijk dat de vereniging onder meer de bescherming van landschappen, cultureel erfgoed, het stedelijk leefmilieu, de natuur en de biodiversiteit nastreeft. Dat zij ook bescherming van essentiële milieubestanddelen nastreeft zoals water en lucht. Dat zij ook streeft naar inspraak en toegang tot de rechterlijke instanties. Dat zij haar doelstellingen wil realiseren door onder meer het vorderen voor de rechtbank. Dat zij een beleid wil dus ook een vergunningenbeleid waarbij milieu- aantastingen aan de bron worden voorkomen, en er in feite een hoog beschermingsniveau wordt nagestreefd wat het leefmilieu betreft. Ook blijkt duidelijk uit de statutair aanvaarde middelen dat ook bescherming via gerechtelijke weg wordt nagestreefd. In casu gaat het onder meer over het verminken door wegenaanleg van een nog gave open ruimte in de Scheldevallei, weliswaar dicht bij het stedelijk centrum Oudenaarde; om het vernietigen van minstens 2879 m² biologisch zeer waardevol bos met een multifunctionele waarde (schermfunctie, ecologische functies,...). Wegen zijn voor het leefmilieu zeer nefast. Het gaat om de vernietiging van een deel van het bos zijnde de enige afscherming tussen de eerste 200 m. van de toegangsweg enerzijds en de Langemeersen anderzijds. De Langemeersen: een stiltegebied en erkend natuurreservaat. Het gaat om gemiste kansen om de problematiek van de verdroging van de Langemeersen met concrete maatregelen tegen te gaan nu er ook rioleringswerken zijn voorzien voor hemelwater, met een verbinding tot aan het pompstation (dit laatste is zeer bepalend voor de waterstand in de wijde omgeving). Redelijkerwijze kan men bv. regelbare stuwsystemen voorzien of X-11.794-12.014-12.398-15/32 teruggave van het hemelwater aan het grondwater, om de waterhuishouding in de Langemeersen meer ecologisch te laten functioneren. Het feit dat het overstort op niveau 10 TAW is voorzien (dus ong. waterpas met de Langemeersen) bewijst dat men geen oog heeft voor de verdroging van de Langemeersen. Zo zijn de laatste jaren bepaalde planten verdwenen door verdroging (bv. het waterkruiskruid). Het gaat dus om schade aan waardevolle natuur en een landschap, weliswaar gehavend door ontbossing en afgravingen, maar met nog veel mogelijkheden tot natuurherstel. Natuur die dus ook voor de vereniging en haar meer dan 1000 leden zal verdwijnen. Het is evident dat op kilometers aangelegde wegen van beton en asfalt de natuur zich niet meer zal kunnen herstellen. Het gaat ook om de aantasting van de milieukwaliteit in dit gebied zelf alsook dus van de aanpalende Langemeersen, een VEN-gebied en erkend natuurreservaat dit zowel op vlak van geluidsklimaat, waterhuishouding als biodiversiteit. Door de aanleg van een zeer brede weg, de enige toegang tot gans het bedrijventerrein -- wat betekent dat alle personen- en vrachtverkeer langs daar zal voorbijkomen -- zal er van de relatieve stilte in de Langemeersen nog weinig resten. Het lawaai van het verkeer, een rechtstreeks gevolg van de aanleg en dus ook het ingebruiknemen van die weg, zal bovendien ook de sociale (natuur)recreatieve waarde langs de Scheldeoevers (de trekweg) en van de Langemeersen beschadigen. Dit heeft te zien met de doelstelling van de VZW S.O.W. te ijveren voor een goed stedelijk leefmilieu wat uiteraard ook met (passieve) en gezonde recreatie te maken heeft. De ter plaatse nog voorkomende fauna (o.a. kievit, bosrietzanger, blauwe reiger, ...) zal finaal verjaagd worden door deze infrastructuurwerken. Idem voor bepaalde fauna in de aanpalende Langemeersen als gevolg van de bouwwerken en de ingebruikneming ervan: vooral dan de schuwere diersoorten, zoals bv. i.c. de rietgors, de goudplevier, de torenvalk, de pijlstaart, de buizerd, de koekoek,... Voor de amfibieën zal deze wegenaanleg ook zeer nefast zijn (doodrijden van kikkers en padden). Idem voor sommige zoogdieren (egels bv.). Ook de bouwwerken zelf zullen leiden tot een zeer aanzienlijke milieuverstoring in alle compartimenten (lucht, water, ...) dit door op- en afrijden van vrachtwagens, door stofhinder, door graafwerken, doordat de ontbossing plaatsvindt temidden de broedperiode van vogels (die duurt tot ong. 15 juli), door het laden en lossen van zand, grint, enz. Dat dit de realisatie van de natuur- en milieudoelstellingen van de vereniging in het gedrang brengt, hoeft geen betoog. Een belangrijk gegeven hierbij is dus de nabijheid van de Langemeersen. Het MER (...) zegt hierover het volgende: ‘De aanpalende Scheldemeersen zijn biologisch zeer waardevol en kwetsbaar. Dit meersengebied wordt op de ontwerpkaart van het Vlaams Ecologisch Netwerk als VEN-gebied ingekleurd. Het wijzigen van de waterhuishouding (verdroging) en rustverstoring zijn de grootste bedreigingen. De aanleg van het bedrijventerrein mag dan ook op geen enkele manier hypotheek leggen op het noodzakelijke herstel van de hydrologische condities in de ecologisch zeer waardevolle Langemeersen. (...) Volgens de kwetsbaarheidskaart (...) voor rustverstoring is het meersengebied en projectgebied grotendeels ingekleurd als zeer kwetsbaar gebied. Het noordelijk deel van het onderzoeksterrein wordt aangeduid als zijnde kwetsbaar met zeer kwetsbare elementen. De zone waar het X-11.794-12.014-12.398-16/32 retentiebekken wordt aangelegd is zeer weinig kwetsbaar voor geluidsverstoring. De overzijde van de Schelde, waar zich voornamelijk industrie bevindt, is niet kwetsbaar. De Donkvijvers worden als kwetsbaar ingekleurd.’ M.a.w. de Langemeersen dienen strict beschermd, ook naar de omgeving ervan toe qua rustverstoring. Dat deze werken invloed zullen hebben op de Langemeersen volgt uit onder meer het i.c. ingewonnen advies van de afdeling Natuur: ‘Het gebied zal ontsloten worden via de huidige buurtweg gelegen langs de Langemeersen en de Minderbroederstraat om zo via het bestaande knooppunt de Minderbroederstraat te bereiken. Het gebruik van deze weg zal verstoring, zowel visueel als naar geluid. De juiste impact is zoals reeds in het MER gesteld, moeilijk te bepalen vermits er weinig gegevens zijn van het toekomstige bedrijventerrein. In het MER wordt gesteld dat het ‘toenemende transportverkeer een toenemende geluidsbijdrage met zich mee zal brengen naar de omgeving toe.’ De verzoekster heeft ook een persoonlijk belang nu zij als vereniging de kans steeds meer verkeken ziet op herstel van het openbaar bos dat zich hier bevond tot augustus 2004 (toen de aannemer begonnen is met het rooien en verhakselen ervan). Wanneer men nu ook nog verharde autowegen gaat aanleggen over kilometers lengte, vrij kris kras doorheen het gebied, zullen in elk geval zelfs bij heraanplanting van het bos, sommige functies inboeten, zoals de recreatieve functie. De stad Oudenaarde is nl. eigenaar van het gebied”. 3.3.
  54. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op : “
  55. De verenigingen zonder winstoogmerk waaraan krachtens de wet van 26 juni 1921 rechtspersoonlijkheid wordt verleend, mogen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Verenigingen zonder winstoogmerk zijn gerechtigd om in rechte op te treden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Milieuverenigingen kunnen voor de Raad van State optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, m.n. te doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang, en de vereiste hoedanigheid. De hoedanigheid veronderstelt dat de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dat niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. (...) De vereniging moet bijgevolg getuigen van een specialiteitsbeginsel. Verzoekende partij meent een belang te hebben bij huidige vordering tot vernietiging, door het werkingsgebied van haar statuten. Verzoekende partij is van oordeel dat het normaal is voor een milieuvereniging dat zij bezig is met de diverse facetten van milieubescherming, aangezien dit haar specifieke doel is. Verzoekende partij verwijst naar haar doelstelling (artikel 2, §§ 1 en 2 van de statuten): (...) Verzoekende partij stelt dat huidig verzoekschrift tevens binnen haar werkgebied valt, gelet op artikel 1, §4 van de statuten, die 21 gemeenten, waaronder Oudenaarde vermelden. X-11.794-12.014-12.398-17/32
  56. Verwerende partij meent dat de doelstelling van verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid is, dat niet voldaan is aan de vereisten voor een vzw om in rechte op te treden voor uw Raad.
  57. Uit artikel 2, §2 van de statuten van de verzoekende partij, zoals volledig geciteerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring blijkt dat de doelstelling van verzoekende partij bijzonder breed is geformuleerd. Hetzelfde geldt voor het werkingsgebied van de verzoekende partij. Wegens de absoluut algemene draagwijdte van die doelstelling, zo deze in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, staat het optreden van die vereniging voor de Raad van State gelijk met een actio popularis indien de bestreden beslissing geen algemene draagwijdte heeft - even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept - doch een specifieke strekking heeft. (...) Voormelde rechtspraak is van overeenkomstige toepassing in de voorliggende zaak gelet op de bijzonder ruime definiëring van de doelstelling van verzoekende partij alsook het ruime werkingsgebied verspreid over 21 gemeenten. De stedenbouwkundige vergunning heeft slechts een zeer beperkte weerslag. De realisatie van de wegen- en rioleringswerken is louter bedoeld ter ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein passen in de verdere ontwikkeling van het goedgekeurde BPA ‘de Coupure’. Bovendien meent verzoekende partij een persoonlijk belang te kunnen afleiden ‘nu zij als vereniging de kans steeds meer verkeken ziet op herstel van het openbaar bos dat zich hier bevond tot augustus 2004 (toen de aannemer begonnen is met het rooien en verhakselen ervan). Verzoekende partij beschikt niet over het vereiste persoonlijke belang”. 3.3.
  58. De tussenkomende partij stelt in haar toelichtende memorie onder meer wat volgt : “(...) Uit de rechtspraak van uw Raad blijkt dat de procesbekwaamheid van verzoekende partij beperkt wordt door het specialiteitsbeginsel. (...) Uit de bewoording van het verzoekschrift blijkt dat de hoedanigheid van verzoekende partij enerzijds samenvalt met de behartiging van het algemeen belang en anderzijds met het persoonlijk belang van haar leden. Dit stemt niet overeen met de vereiste hoedanigheid. Wat vervolgens het rechtens vereiste persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang betreft, blijkt dat verzoekende partij optreedt ter behartiging van haar vermeende eigen belangen alsook van ideële collectieve belangen. Wegens het niet beschikken van de nodige hoedanigheid en evenmin over een zeker belang, is de vordering van verzoekende partij niet-ontvankelijk”. 3.3.
  59. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde X-11.794-12.014-12.398-18/32 dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Het statutaire doel van de v.z.w. Stichting Omer Wattez, thans de v.z.w. Milieufront Omer Wattez, is omschreven in artikel 2 van de statuten. Artikel 2, § 1 en § 2, luidt als volgt : “§
  60. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §
  61. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; (...) - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; (...)”. Met betrekking tot het werkgebied van de vereniging stelt artikel 1, § 4 van de statuten het volgende : “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. De afdeling Natuur - Oost-Vlaanderen stelt in haar op 9 april 2004 verleend voorwaardelijk gunstig advies onder meer het volgende : “Het gebied zal ontsloten worden via de huidige buurtweg gelegen langs de Langemeersen en Minderbroederstraat om zo via het bestaande knooppunt de Minderbroederstraat te bereiken. Het gebruik van deze weg zal verstoring (met zich brengen), zowel visueel als naar geluid. De juiste impact is zoals reeds in het MER gesteld, moeilijk te bepalen vermits er weinig gegevens zijn van het X-11.794-12.014-12.398-19/32 toekomstige bedrijventerrein. In het MER wordt gesteld dat ‘het toenemende transportverkeer een toenemende geluidsbijdrage met zich mee zal brengen naar de omgeving toe’”. Gelet op de strekking van het voormelde advies van de afdeling Natuur, voornamelijk de onzekerheid over de precieze impact van het bedrijven- terrein, en mede gelet op het feit dat de vergunde werken kaderen in die aanleg, gepaard gaande met de werken vergund door de in de zaak A. 154.668 bestreden besluiten, in verband waarmee hierboven werd vastgesteld dat de impact ervan evenredig is met het actieterrein van de verzoekende vereniging, kan het beroep, ingesteld tegen een stedenbouwkundige vergunning die ertoe strekt middels de aanleg van weg- en rioleringswerken een bedrijventerrein van regionaal niveau te realiseren, worden ingepast in de maatschappelijke doelstelling van de verzoekende partij, en bestaat ook een band van evenredigheid tussen het actieterrein van de verzoekende vereniging en de draagwijdte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Gelet op de voormelde statutaire doelstelling van de verzoekende partij en de door haar bestreden bedreiging voor het leefmilieu, zoals uiteengezet in haar verzoekschrift, kan worden aangenomen dat zij optreedt ter vrijwaring van een collectief belang dat de individuele belangen van haar leden overstijgt. De tussenkomende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat “de hoedanigheid van verzoekende partij (...) samenvalt (...) met het persoonlijk belang van haar leden”. De exceptie is niet gegrond.
  62. De gegrondheid 4.
  63. De gegrondheid in de zaak A.148.298 4.1.1.
  64. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift in een tweede middel, met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, de onwettigheid aan van het besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, waarop het bestreden besluit is gesteund, wegens, onder meer, de schending van artikel 3, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij zet dit middelonderdeel als volgt uiteen : X-11.794-12.014-12.398-20/32 “C. Het gewestplan is ook onwettig omdat deze is tot stand gekomen zonder dat een tijdig advies werd ingewonnen bij de Raad van State. Derhalve schending van art. 3 par. 1 G.W. R.v.St. C.
  65. De motivering in het gewestplanbesluit is nl. de volgende: ‘Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat voor definitieve vaststelling van de gewestplan- wijzigingen krachtens art. 11 par. 7 van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een vervaltermijn geldt; dat in het huidige geval het openbaar onderzoek is gestart 4 januari 1999 en de adviestermijn van de regionale commissie krachtens art. 11 par. 5 van voornoemd decreet met 60 dagen werd verlengd, zodat de termijn voor definitieve vaststelling van de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 30 oktober 1999.’ Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 26 oktober 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het advies werd dus ingewonnen op 26 oktober 1999 en wordt dus gemotiveerd door te verwijzen naar de ‘dringende noodzakelijkheid’. C.
  66. De opgegeven motieven mogen door Uw Raad getoetst worden. De dringende noodzakelijkheid slaat i.c. op de verlenging van de termijn overeenkomstig art. 11 par. 5 DRO. Dit is kennelijk geen reden die de dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt. Immers, een verlenging is juist een reden die de tegenpartij toelaat om zich wat meer tijd te geven. In plaats van 180 dagen had zij nu 240 dagen. Overigens bracht de Regionale Commissie voor Advies reeds haar standpunt uit in de vergadering van 13 augustus
  67. Dus er waren dan 78 dagen tot aan de beslissing van de Vlaamse Regering. Bovendien werd het besluit van de Vlaamse Regering slechts in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 29 maart
  68. Aldus is de ingeroepen hoogdringendheid niet afdoende onderbouwd, en blijkt niet waarom geen advies werd ingeroepen op grond van art. 3 par. 1 van de gecoördineerde wetten, maar wel slechts op grond van art.
  69. Bijgevolg werd dit reglementair besluit genomen met schending van art. 3 par. 1 van de gecoördineerde wetten. Minstens zijn dus de opgegeven redenen qua dringende noodzakelijkheid niet als redelijkerwijze aanvaardbare motieven te beschouwen”. 4.1.1.
  70. De eerste verwerende partij repliceert daarop het volgende in haar memorie van antwoord : “Met verwijzing naar artikel 11 § 5 en § 7 van het Coördinatiedecreet lijkt verzoekende partij te bedoelen dat de dringende noodzakelijkheid niet bewezen is aangezien de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt of niet aangetoond heeft waarom geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn. Overeenkomstig artikel 11 § 5 van het Coördinatiedecreet werd op 28 mei 1999 door de Gouverneur van Oost-Vlaanderen, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de Regionale Commissie van Advies, om een termijnverlenging gevraagd van 60 dagen. Met een op 18 juni 1999 gedagtekend schrijven is de Minister op dit verzoek ingegaan en werd de termijn verlengd. Vervolgens werd door de Regionale Commissie van Advies op 25 juni 1999 een advies uitgebracht. Bij schrijven van 6 september 1999 werden de stukken betreffende het openbaar onderzoek, de getuigschriften van vervulling van de formaliteiten, de X-11.794-12.014-12.398-21/32 adviezen van de gemeente, de Bestendige Deputatie en Streekcommissie overgemaakt aan de Afdeling Ruimtelijke planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De verdere besprekingen en afhandeling van de procedure konden slechts vanaf dat ogenblik effectief opgestart worden. Op dat ogenblik was zelfs een verlenging bedoeld in artikel 11 § 7 van het decreet van 22 oktober 1996 niet eens meer mogelijk. Een advies ‘bij hoogdringendheid binnen de 3 dagen’ was op dat ogenblik derhalve de enige mogelijkheid om te voldoen aan de bepaling van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Trouwens de regel mag niet met de uitzondering worden verward. Volgens artikel 11, § 7 van het Coördinatiedecreet stelt de Vlaamse Regering het plan vast binnen een termijn van 180 dagen. Dit is de regel. Bij wijze van uitzondering en op gemotiveerd verzoek van de Minister kan de Vlaamse Regering beslissen deze termijn te verlengen met 60 dagen. Het gaat uiteraard niet op om de Vlaamse Regering in het kader van de adviesaanvraag bij de Afdeling Wetgeving van de Raad van State te laten motiveren waarom geen gebruik werd gemaakt van deze uitzonderingsbepaling. Dit is de wereld op zijn kop plaatsen. Volgens artikel 11 § 7 in fine is het nu net de uitzondering (te weten de termijnverlenging) die gemotiveerd dient te worden. Niet de vaststelling dat geen gebruik werd gemaakt van deze uitzonderingsbepaling. Onmiddellijk na ontvangst van het volledig dossier en het advies van de Regionale Commissie van Advies hebben de administraties en de Vlaamse Regering gehandeld zoals voorgeschreven. In het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State van 26 oktober 1999 wordt trouwens de ingeroepen hoogdringendheid niet betwist of afgewezen. ‘Overwegende dat de Afdeling Wetgeving die eerst de beoordelaar is van de rechtmatigheid van de - term van artikel 84 van de R. v. S. - wetten - ‘bijzondere redenen’ die in een haar overgelegde advies aanvraag worden uiteengezet de verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er als dan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op de rechtmatigheid bezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten;’ (...). Mede gelet op de datum van overmaking van het dossier en advies van de Regionale Commissie van Advies en van de voorgeschreven werken, onderzoek dossier en voorbereiding van een eindbeslissing, en gelet op de vaststelling dat op dat ogenblik een verlenging van de termijn voor het nemen van een definitieve beslissing niet eens meer kon worden aangevraagd, kan evenmin worden voorgehouden dat de overheid de afdeling Wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de ‘bijzondere redenen’ die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf - na de adviesaanvraag - aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die ‘bijzondere redenen’ in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden;’ (...). Ook de kritiek op de ingeroepen dringende noodzakelijkheid kan derhalve niet leiden tot de onwettigheid van de gewestplanwijziging”. 4.1.1.
  71. De tweede verwerende partij antwoordt als volgt in haar memorie van antwoord : X-11.794-12.014-12.398-22/32 “Overeenkomstig art. 11 § 5 van het Coördinatiedecreet werd op 28 mei 1999 door de Gouverneur van Oost-Vlaanderen, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Regionale Commissie van Advies, om een termijnverlenging gevraagd van 60 dagen. Met een op 18 juni 1999 gedagtekend schrijven is de Minister op dit verzoek ingegaan en werd de termijn verlengd. Vervolgens werd door de Regionale Commissie van Advies op 25 juni 1999 een advies uitgebracht. De ervaring leert dat het in de praktijk soms vrij lang duurt eer het volledig dossier met bezwaren en opmerkingen en het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt bezorgd aan de diensten van de Vlaamse Regering. Zo werden in dit dossier de stukken betreffende het openbaar onderzoek, de getuigschriften van vervulling van de formaliteiten, de adviezen van de gemeenten, Bestendige Deputatie en Streekcommissie pas bij schrijven van 6 september 1999 overgemaakt aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Ruimtelijke Planning. Na het ontvangst van deze zending behoort het aan de afdeling Ruimtelijke Planning het dossier en de voorgelegde adviezen grondig te onderzoeken en aan de Vlaamse Regering voor te leggen. Vervolgens werd in dit dossier met een aantal interkabinettenwerkgroepen gewerkt, waardoor het dossier niet vroeger kon voorbereid worden door de Vlaamse Regering. Pas na het voorstellen van een eindbeslissing kon het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State worden aangevraagd. Gelet op de wettelijk voorziene termijn diende het advies bij hoogdringendheid aangevraagd te worden. Onmiddellijk na ontvangst van het volledig dossier en het advies van de Regionale Commissie van Advies, hebben de administraties en de Vlaamse Regering gehandeld zoals voorgeschreven. In het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State van 26 oktober 1999 wordt trouwens de ingeroepen hoogdringendheid niet betwist of afgewezen. ‘Overwegende dat de afdeling Wetgeving de eerste beoordelaar is van de rechtmatigheid van de - termen van art. 84 van de R.v.S.-wetten - ‘bijzondere redenen’ die in een haar overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er alsdan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten;’ (...). Mede gelet op de datum van overmaking van het dossier en advies van de Regionale Commissie van Advies en van de voorgeschreven verwerking, onderzoek dossier en voorbereiding van een eindbeslissing kan evenmin worden voorgehouden dat de overheid ‘de afdeling Wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de ‘bijzondere redenen’ die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf - na de advies- aanvraag - aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die ‘bijzondere redenen’ in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden;’ (...) Dit geldt in casu des te bijzonder aangezien het advies door alle voorgaanden slechts kon gevraagd worden na 234 dagen rekenend vanaf het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek (het openbaar onderzoek). Op dat ogenblik was zelfs een verlenging bedoeld in art. 11 § 7 van het decreet van 22 oktober 1996 niet eens meer mogelijk”. X-11.794-12.014-12.398-23/32 4.1.1.
  72. De verzoekende partij stelt daarop in haar memorie van wederantwoord wat volgt : “C.
  73. Volgens verwerende partijen moet niet zozeer de aandacht gezet op de mogelijkheid en de motivering van de reden waarom van de termijnverlenging art. 11 par. 7 DRO geen gebruik wordt gemaakt, doch wel op de redenen waarom in voorkomend geval van de termijnverlenging wel gebruik van gemaakt wordt. Het gaat immers om een uitzondering op de regel. Repliek. C.
  74. De termijnverlenging is geen uitzondering op de regel. Het is een mogelijkheid die door de decreetgever geenszins als een uitzondering is bedoeld. Het is dagelijkse kost dat een overheid die de termijn kan verlengen, ook nagaat of zij daar wel of niet gebruik van maakt. Vglk. met bv. de termijnverlenging inzake afhandeling beroepen milieuvergunningen. Het getuigt ook van zorgvuldig bestuur om over dergelijke gewestplan- besluiten zich zo deskundig mogelijk te laten voorlichten, wat i.c. had gekund door gebruik te maken van de termijnverlenging en daardoor ook zich ook niet te moeten beperken tot het minimale advies bij de Raad van State. De Vlaamse regering diende i.c. dan ook wel degelijk de redenen te laten kennen waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van de termijnverlenging. Vglk. arrest nr. 120.810 van 24 juni 2003 inzake Apers tegen Vlaams Gewest, blz. 19/20: ‘dat bovendien de Vlaamse regering- de allereerste beoordelaar van de spoed- ertoe gehouden is, wanneer zij zoals ten deze expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden, in haar advies mededeling te doen van die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik gemaakt werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn; dat de adviesaanvraag op dat stuk helemaal niets vermeldt; dat het middel gegrond is.’ (...). (...). C.
  75. De stad Oudenaarde roept echter ook in dat de Minister zelfs niet meer tot termijnverlenging kon overgaan gezien de datum van overmaking van het dossier en advies van de RCA. Repliek. Art. 11 par. 7 bepaalt niet dat de minister moet wachten tot hij het dossier van de RCA heeft bekomen, om een gemotiveerd verzoek tot termijnverlenging in te dienen. De enige voorwaarde is er één qua tijd, nl. ‘ten laatste 30 dagen voor het verstrijken van de termijn van 180 dagen’”. 4.1.1.
  76. De tweede verwerende partij stelt in haar laatste memorie onder meer nog wat volgt : “
  77. De auditeur vat in zijn verslag de rechtspraak van de Raad van State samen met betrekking tot het inroepen van de hoogdringendheid bij het inwinnen van het advies van de Raad van State, Afdeling Wetgeving: (...)
  78. Uit deze rechtspraak volgt dan ook het uitgangspunt dat: — de tweede verwerende partij én elke rechtsonderhorige er sinds 26 oktober 1999 mag van uitgaan dat de Raad van State, Afdeling Wetgeving meent dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; X-11.794-12.014-12.398-24/32 — de tweede verwerende partij én elke rechtsonderhorige er sinds 26 oktober 1999 in principe op mag vertrouwen dat aan de voorgelegde tekst voorrang mag worden verleend zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; — het vertrouwen van de tweede verwerende partij én elke rechtsonder- horige niet zonder meer en al te lichtzinnig a posteriori kan worden beschaamd.
  79. De tweede verwerende partij stelt met betrekking tot dit laatste punt nogmaals vast dat de verzoekende partij heeft nagelaten de wijziging van de gewestplanbestemmingen aan te vechten. Artikel 159 G.W. vormt geen mogelijkheid om zomaar het niet tijdig indienen van een rechtstreeks annulatieberoep bij de Raad van State goed te maken. Afgezien van de beoordeling van het belang van de verzoekende partij bij dit middel, volgt uit de uitgangspunten van de rechtspraak van de Raad van State dat dit element een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van het tweede middel. In die zin moet de verwijzing naar de arresten (...), nr. (...), 24 juni 2003 en (...), nr. (...), 10 juli 2002 worden genuanceerd. In beide arresten werd immers geen beroep gedaan op de exceptie van onwettigheid om te komen tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, maar vormde de opgeworpen schending van artikel 84, R.v.St.-Wet een rechtstreeks middel ten aanzien van de besluiten van de Vlaamse Regering tot (gedeeltelijke) wijziging van gewestplannen. Het is pas op 2 maart 2004 dat de verzoekende partij het principieel rechtmatig vertrouwen van de tweede verwerende partij én elke rechtsonderhorige dat bestaat sinds 26 oktober 1999, in twijfel trekt. Met andere woorden nadat de verzoekende partij 4,5 jaar nalatig is geweest. Rekening houdend met de uitgangspunten van de rechtspraak van de Raad van State kan een dergelijke handelswijze niet worden aanvaard.
  80. Bovendien kan de overheid niet worden verweten de Raad van State, Afdeling Wetgeving, onvolledig te hebben ingelicht omtrent de ‘bijzondere redenen’ die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, teneinde alsnog aan te nemen dat overheid niet kan staande houden dat haar principieel rechtmatig vertrouwen werd beschaamd. De Raad van State, Afdeling Wetgeving is wel degelijk volledig ingelicht. De opgegeven motivering is juist, pertinent, duidelijk, concreet en afdoende. De Raad van State, Afdeling Wetgeving heeft dienaangaande ook geen enkele opmerking gemaakt. De mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn op de dag van de adviesaanvraag was in casu onbestaande. Het valt niet in te zien om welke reden motieven moeten worden aangereikt op grond waarvan wordt verantwoord waarom de Vlaamse Regering niet eerder over de termijnverlenging zou kunnen hebben beslissen. Het komt aan de Raad van State ten andere niet toe om in de plaats van de overheid te treden en in de plaats van de overheid te beslissen over de opportuniteit van deze of gene beslissing. De Raad van State kan de overheid niet verplichten tot een verlenging overeenkomstig artikel 11, §7, Coördinatiedecreet. De beslissing van de overheid om al dan niet gebruik te maken van deze mogelijkheid behoort tot de discretionaire beoordelings- vrijheid. De Raad van State heeft louter als opdracht de wettigheid te onderzoeken van de ‘bijzondere redenen’ die de overheid hebben gebracht tot haar verzoek om spoedbehandeling. De verantwoording moet niet uiteenzetten waarom geen gebruik is of kan worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn. X-11.794-12.014-12.398-25/32 De vereiste ‘bijzondere redenen’ veronderstellen geenszins een negatieve verantwoording in de zin dat wordt uitgelegd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging, of om welke redenen daarvan geen gebruik meer kan worden gemaakt.
  81. Het tweede middel is ongegrond”. 4.1.2.
  82. Het feit dat de verzoekende partij destijds de betrokken gewest- planwijziging niet met een annulatieberoep heeft bestreden, ontneemt haar niet het belang om thans de exceptie ex-artikel 159 van de Grondwet tegen die wijziging aan te voeren. 4.1.2.
  83. Artikel 3, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt onder meer het volgende : “Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, (...) ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)”. Artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals dit van toepassing was op het ogenblik van de vraag om advies aan de afdeling wetgeving met betrekking tot het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, luidt als volgt : “Het onderzoek van de zaken vindt plaats in de volgorde van de inschrijving ervan op de rol, uitgezonderd : (...) 2/ wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, §
  84. In dit geval wordt de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, overgenomen in de aanhef van de verordening”. Het komt in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toe om te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de “bijzondere redenen” die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan. Het kan worden aangenomen dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling X-11.794-12.014-12.398-26/32 wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert. De overheid die het advies heeft aangevraagd met toepassing van voormeld artikel 84, eerste lid, 2/ mag er in principe op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voorrang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten. Dit principe is evenwel niet absoluut. De overheid kan zich met name niet er op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. In dat geval kan de overheid immers niet staande houden dat haar vertrouwen werd beschaamd. De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, werd in casu op 25 oktober 1999 door de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm”. De Vlaamse regering heeft, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan gemotiveerd als volgt : “door het feit dat voor definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen krachtens art. 11, § 7 van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een vervaltermijn geldt; dat in het huidige geval het openbaar onderzoek is gestart op 4 januari 1999 en de adviestermijn van de regionale commissie krachtens art. 11, § 5 van voornoemd decreet met 60 dagen werd verlengd, zodat de termijn voor definitieve vaststelling van de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 30 oktober 1999”. De afdeling wetgeving heeft op 26 oktober 1999 advies uitgebracht, dat het volgende vermeldt : “Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot ‘het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan’”. Naar luid van artikel 11, § 7 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : X-11.794-12.014-12.398-27/32 Coördinatiedecreet) moet de Vlaamse regering, op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek. Zij kan deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend, 240 dagen - met 60 dagen verlengen. In casu is de verantwoording van het spoedeisend karakter, gelet op het voorgaande, gelegen in het verstrijken van de termijn van 180, - of, anders berekend, 240 - dagen op 30 oktober
  85. De verantwoording gewaagt evenwel niet van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden. In een geval als het voorliggende, met name dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, valt niet in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen. Het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht beperkt er zich trouwens toe akte te nemen van de redenen van de spoed. Aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen, en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, hoeft zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet na te gaan of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd. De Vlaamse regering -de allereerste beoordelaar van de spoed- is er bovendien toe gehouden, wanneer zij zoals te dezen expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden, in haar adviesaanvraag mededeling te doen van die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervaltermijn. De adviesaanvraag vermeldt in dat verband helemaal niets. De omstandigheid dat “de stukken betreffende het openbaar onderzoek, de getuigschriften van vervulling van de formaliteiten, de adviezen van de gemeente, de Bestendige Deputatie en Streekcommissie” eerst bij schrijven van 6 september 1999 aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Ruimtelijke Planning, werden overgemaakt, datum waarna het dossier volgens de verwerende partijen nog diende onderzocht en voorbereid te worden met het oog op een beslissing tot goedkeuring vanwege de Vlaamse regering, toont overigens de X-11.794-12.014-12.398-28/32 onmogelijkheid niet aan in hoofde van de Vlaamse regering om tot een verlenging van de termijn op grond van artikel 11, § 7, laatste lid van het Coördinatiedecreet, met het oog op advisering door de afdeling wetgeving van de Raad van State, te beslissen. Dit klemt des te meer nu volgens de tweede verwerende partij “de ervaring leert dat het in de praktijk soms vrij lang duurt eer het volledig dossier met bezwaren en opmerkingen en het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt bezorgd aan de diensten van de Vlaamse Regering”. Het betoog van de verwerende partijen, luidens hetwelk op de dag van de adviesvraag een verlenging overeenkomstig voormelde bepaling “niet eens meer mogelijk (was)”, vermag daar niets aan te veranderen. Er wordt geen enkel aannemelijk motief aangereikt waarom de Vlaamse regering niet eerder over de termijnverlenging zou hebben kunnen beslissen. Het bestreden besluit vindt zijn grondslag in het hierboven onwettig bevonden besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober
  86. De onrechtmatigheid van het besluit van 29 oktober 1999 heeft dus tevens de onrecht- matigheid van het bestreden besluit tot gevolg. Het middel is gegrond. 4.1.2.
  87. De verwerende partijen verzoeken de Raad van State om in deze zaak artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Dit verzoek werd echter slechts tot de Raad van State gericht na het wisselen van de memories, ook de laatste memories, en dit zelfs pas nadat de zittingsdag reeds was bepaald. Artikel 14ter R.v.St.-wet bepaalt : “Zo de afdeling bestuursrechtspraak dit nodig oordeelt, wijst zij, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde verordeningsbepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die zij vaststelt”. Daar het handhaven van bepaalde gevolgen van de vernietigde akte de verzoekende partij kan grieven, moet deze de gelegenheid hebben zich tegen dit verzoek te verdedigen. Ook het auditoraat moet dit verzoek behoorlijk kunnen onderzoeken, bijvoorbeeld wat betreft de vraag welke gevolgen moeten worden gehandhaafd en gebeurlijk voor welke termijn. Vermits in casu het auditoraatsverslag tot de vernietiging besloot hadden de verwerende partijen hun verzoek uiterlijk in hun laatste memories moeten formuleren. Om proceseconomische redenen kan niet worden aanvaard dat, na de vaststelling van de zittingsdag, de zaak zou moeten worden verdaagd om de X-11.794-12.014-12.398-29/32 verzoekende partij en het auditoraat de nodige tijd te geven om -gezien de aard van de procedure voor de Raad van State- schriftelijk op het verzoek te reageren. Bovendien laten de verwerende partijen ook na te argumenteren waarom en welke gevolgen zouden moeten worden gehandhaafd, en of dit al dan niet voorlopig zou moeten gebeuren. Op het desbetreffende verzoek van de verwerende partijen kan dan ook niet worden ingegaan. 4.
  88. De gegrondheid in de zaak A.154.668 In het vierde middel roept de verzoekende partij onder meer de onwettigheid in van het besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, en van het BPA ‘Coupure’ van 2 december 2003, en verzoekt zij om toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. Hierboven werden dit gewestplanbesluit en dit BPA onwettig bevonden. Derhalve zijn de bestreden besluiten, die dit gewestplanbesluit en dit BPA als noodzakelijke grondslag hebben, eveneens onwettig. 4.
  89. De gegrondheid in de zaak A.164.087 In het zevende middel roept de verzoekende partij onder meer de onwettigheid in van het besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, en van het BPA ‘Coupure’ van 2 december 2003, en verzoekt zij om toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. Hierboven werden dit gewestplanbesluit en dit BPA onwettig bevonden. Derhalve is het bestreden besluit, dat dit gewestplanbesluit en dit BPA luidens zijn duidelijke inhoud als noodzakelijke grondslag heeft, eveneens onwettig. X-11.794-12.014-12.398-30/32 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  90. De zaken A. 148.298/X-11.794, A. 154.668/X-12.014 en A. 164.087/X-12.398 worden gevoegd. Artikel
  91. Vernietigd worden :
  92. het besluit van 2 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Coupure” genaamd, van de stad Oudenaarde, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften,
  93. het besluit van 12 mei 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het stadsbestuur van Oudenaarde van de stedenbouw- kundige vergunning voor het “ontbossen met compensatie” op gronden gelegen te Oudenaaerde, Minderbroederstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en 473,
  94. het besluit van 12 mei 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan de stad Oudenaarde van de stedenbouwkundige vergunning voor “het afgraven zandterrein en opzetten bufferberm” op gronden gelegen te Oudenaarde, Minderbroederstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d, 472 en 473, en
  95. het besluit van 10 september 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het stadsbestuur van Oudenaarde van de stedenbouwkundige vergunning voor de “aanleg van het bedrijventerrein ‘De Coupure’ weg- en rioleringswerken” op gronden gelegen te Oudenaarde, Minderbroederstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 446/e, 447/d en 476/a. Artikel
  96. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. X-11.794-12.014-12.398-31/32 Artikel
  97. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 148.298, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de beroepen in de zaken A. 154.668 en A. 164.087, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.794-12.014-12.398-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.