id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.225 Rolnummer: A. 164329/X-12410 Zaak: Arrest 187225 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.225 van 21 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.225 van 21 oktober 2008 in de zaak A. 164.329/X-12.410. In zake : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, gevestigd te 9700 OUDENAARDE, Kattestraat 23 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, op 15 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 mei 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende de toekenning aan de provincie OOST-VLAANDEREN van de stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een wachtbekken op twee terreinen aan de Reepstraat te Brakel, en te Geraardsbergen, Brouwierstraat (Zarlardinge) /Torenstraat (Zarlardinge), kadastraal bekend Geraardsbergen, 6de afdeling, sectie A, nr. 735 en sectie B, nr. 113 en Brakel, 7de afdeling, sectie B, nr. 2264; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-12.410-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij de vordering als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van de Stichting Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. In bijlage 4 vindt u de statuten van de vereniging zoals gepubliceerd op 3 december 2004 in het Belgisch Staatsblad. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Brakel en Geraardsbergen. 2. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § I. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; X-12.410-2/17 het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebeid van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding bewarende maatregelen, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 4. De Stichting Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. De Stichting Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na. X-12.410-3/17 Voor de milieuvereniging Stichting Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. In het algemeen aanvaardt Uw Raad trouwens dat milieuverenigingen een annulatievordering kunnen instellen ter verwezenlijking van hun verenigingsdoel en er dus kan ingepast worden. (...) Ook het feit dat de statuten van de vzw, concreet, specifiek en lokaalgericht zijn, verhindert te zeggen dat haar doelstellingen te algemeen zijn. De SOW vzw streeft welomschreven milieudoelstellingen na binnen een beperkt geografisch werkgebied. Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied). Overigens is het belangrijk hierbij vast te stellen dat 1/) geen enkele wet verbiedt dat een milieu-VZW meer dan één specifieke milieudoelstelling (bvb. enkel bescherming van bossen) nastreeft; 2/) de vereniging actief is in een tamelijk beperkt werkgebied (de Vlaamse Ardennen); 3/) zelfs als een vereniging zelden of nooit actief zou zijn op het vlak van een aantal doelstellingen (bvb. landbouw, dierenwelzijn,..), dit niet verbiedt wel actief te zijn op een aantal andere doelstellingen (bvb. bosbehoud, bescherming landschappen). 5. In de statuten is uitdrukkelijk vermeld, hoewel dit niet hoeft, dat de vereniging kan optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen te verwezenlijken. Hierbij kan zij alle nodige vorderingen stellen. Het vorderen van de vernietiging om de openruimte gebieden met specifieke waarden te bewaren en te versterken en dit zowel voor de vereniging en voor haar leden, alsook voor de huidige en toekomende generaties, kan beschouwd worden als een manier om haar doelstellingen te realiseren. 6. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van Uw Raad.(...) Er dient op gewezen te worden dat in de twee cases waar deze twee arresten betrekking op hebben, de mogelijke effecten van de projecten binnen de invloedssfeer komt van een fractie (en niet van de totaliteit) van de leden van beide verenigingen. In de eerste case, betreft de bestreden beslissing de goedkeuring van een BPA dat slechts een deel van de gemeente Malle bestrijkt. In de tweede case is de verzoekende partij een vereniging van leden die in de nabijheid (sic) van een industrieterrein wonen, waarvan één bedrijf een grondwaterwinning aanvraagt. Door het niet nader omschrijven van het begrip ‘nabijheid’ kunnen mensen uit zowel een dichte als uit een verre nabijheid lid zijn. Ook mensen die niet rechtstreeks getroffen worden door de grondwaterwinning kunnen dus lid zijn van de vereniging. (...) 8. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van landschappelijke waardevolle, biologisch (zeer) waardevolle en natuurlijke overstromingsgebieden kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde X-12.410-4/17 rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en een ernstige aantasting van de landschappelijke waardevolle en natuurlijke omgeving en het leefmilieu in het gehele geografische werkgebied van de vereniging voor gevolg hebben. Het is niet louter één enkele stedenbouwkundige vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van gevolgen die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij niet doet blijken van de vereiste hoedanigheid, dan verhindert u Raad dat nog op enige en ernstige wijze de wettigheid van de betrokken besluiten onderzocht kan worden. De specifieke keuze om tot annulatie te verzoeken van deze stedenbouwkundige vergunning, is gebaseerd op een weloverwogen keuze en afweging van de Raad van Bestuur van de vereniging om een voorbeeld te stellen naar toekomstige (gelijkaardige) besluiten. Voorliggende stedenbouwkundige vergunning vormt volgens ons een ernstige schending van tal van rechtsnormen, dit in tegenstelling met bepaalde andere vergunningen waar de schending van zowel het aantal rechtsnormen als van de ernst van de schending geringer wordt geacht zodat de keuze voor het aanvechten van deze vergunning verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de vereniging. 9. De Stichting Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 (B.S. 3 december 1981). Al meer dan 24 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkgebied, o.a. voor haar 700-tal leden. Om haar doelstellingen te realiseren, is het logisch dat zij streeft naar meer in plaats van minder groene ruimtes, naar meer bos, meer natuurgebieden, meer l a n d s c h a p p e l i j k w a a r d e v o l l e g e b i e d e n , me e r n a t u u r l i j ke overstromingsgebieden, ook een betere buffering van wel beschermde natuurgebieden, enz. Dit collectief van mensen kan immers allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van overstromingsproblematiek of problematiek van de schade aan natuurwaarden, actief te zijn: bvb. een vergunningverlenende overheid neemt recent tal van beslissingen die tezamen veel natuur of veel overstromingsruimte doen verloren gaan. De keuzes om al dan niet op te treden kunnen gebaseerd zijn op : rekening houden met menselijke aspecten van een zaak, of een zaak is bij voorbaat kansloos, of er ontbreekt een meerderheid in de Raad van Bestuur om in rechte op te treden, of er zijn te weinig financiële middelen, of er is een nieuwe juridische context die de kansen om in rechte op te treden wijzigen, of er is nieuwe rechtspraak van toepassing, enz. Dit is eerder een samenspel van opportuniteit en actuele toestand waar allerlei feitelijkheden een rol spelen. 10. Stichting Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuureducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde. X-12.410-5/17 Het organiseren van tal van persacties. Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals de SOW werkgroep Leievallei, de SOW werkgroep Maarkedal, de SOW werkgroep Oudenaarde, de SOW werkgroep Zingem, de SOW werkgroep Ranse, enz. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t, natuur, milieu en ruimtelijke ordening Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw. Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw. Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw. Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 11. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de Kalster- en Molenbeekvallei te Zarlardinge en Everbeek gelegen zijn, waarin de gronden gelegen zijn waar de betwiste stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkavelings- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 6 voegt verzoekende partij 14 bezwaarschriften van de laatste twee jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’
- s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van verzoekende partij vanuit haar doelstelling om op te komen voor de bescherming van de waarden van overstromingsgebieden. Het gaat meer bepaald over 5 verkavelingsvergunningsaanvragen om op te hogen plus te bouwen in valleigebied, 5 bouwvergunningsaanvragen voor reliëfwijzigingen (i.c. ophogingen) in valleigebieden, twee milieuvergunningsaanvragen en twee BPA’s in valleigebied. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (in bijlage 5a een nummer met een artikel over de aanleg van wachtbekkens; in bijlage 5b een actueel nummer, met op pagina 4-7 een actueel artikel over het falende waterbeleid en een nummer waarin nadrukkelijk aan bod komt dat verzoekende partij het concreet opneemt voor de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid binnen haar werkgebied). Verder heeft verzoekende partijen diverse zaken ingesteld bij Uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer 159.404/X-12.183 inzake het voorgaande plan voor de hier betwiste dijk met een andere ligging; 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Geraardsbergen; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de X-12.410-6/17 Molenbeekvallei te Geraardsbergen; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende op een van nagenoeg identieke motieven besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid, van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening. 12. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag dat : ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn’. X-12.410-7/17 Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 13. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(.)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden af dreigen te lijden dan wel
- b)en voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c (.)’. Door het verlenen van de vergunning voor dit project worden biologisch (zeer) waardevolle gronden overstroomd met vervuild water waardoor milieuschade optreedt aan de milieucompartimenten bodem, grondwater en flora en fauna. Gelet op de bepalingen van de richtlijn 2004/35/EG heeft verzoekende partij zeker toelating tot Uw Raad om de vernietiging te vorderen van deze betwiste vergunning. Om al hogernoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Stichting Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze stedenbouwkundige vergunning, samengevat een feit is”. 2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op wegens gebrek aan persoonlijk belang bij de vordering. Meer bepaald meent de verwerende partij dat niet voldaan is aan de voorwaarden waaraan een v.z.w. dient te voldoen om in rechte op te treden voor de Raad van State, vermits de doelstelling van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid is, dat zij niet beantwoordt aan het vereiste specialiteitsbeginsel. 3. De verzoekende partij voegt in haar memorie van wederantwoord geen wezenlijk nieuwe argumenten aan het verzoekschrift toe. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog het volgende toe: X-12.410-8/17 “I.2. Betreffende de Europese Richtlijn 2004/35/E6 (...) Antwoord van verzoekende partij Op 21 december 2007 werd het decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade bekrachtigd. Artikel 6 van dit decreet bepaalt dat dit decreet in werking treedt op 30 april 2007. Artikel 12 1 is relevant omdat hier andermaal een verwijzing gemaakt wordt naar het belang dat voor niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming bij de besluitvorming voldoende geacht wordt. Onder artikel 2 van het decreet wordt bepaald : ‘Artikel 15.1.6. (..) § 4. Deze titel is niet van toepassing op : 1/ schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden vóór 30 april 2007; 2/ schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden op of na 30 april 2007, indien de schade het gevolg is van een specifieke activiteit die heeft plaatsgevonden en beëindigd is voor die datum; 3/ schade, indien het meer dan dertig jaar geleden is dat de emissie, de gebeurtenis of het incident die/dat tot schade heeft geleid, heeft plaatsgevonden. (...)’ De gebeurtenissen die in voorliggende zaak aan de orde zijn, zijn enerzijds een geconcentreerde overstroming op 1 plaats (i.c. in het wachtbekken) en anderzijds een gebrek van (natuurlijke) overstroming stroomafwaarts het wachtbekken; m.a.w. een gewijzigd overstromingsregime stroomafwaarts versus stroomopwaarts het wachtbekken. De schade betreft enerzijds het verlies van biologische waarde op de plaats waar het wachtbekken zal functioneren. Die plaats is grotendeels aangeduid als ‘biologische waardevol met zeer waardevolle elementen’ (...) op de biologische waarderingskaart. Het betreft een perceel met als codes ‘hp* + kh’ (...). Conform de lijst van karteringseenheden (...) is hp*: ‘soortenrijkpermanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden’ en kh ‘houtkant of oude heg’. De omgevende percelen die ook deels vallen binnen het wachtbekken zijn biologisch waardevol en hebben als codes : ‘hp* + kt’ en ‘hp* + kbp/ + kbs/’ waarbij kt betekent :‘talud’, kbs ‘bomenrij met dominantie van (al dan niet geknotte) wilg’ en kbp ‘bomenrij met dominantie van populier’. De soortenrijke graslanden behoren tot de zeldzame biotopen in Vlaanderen (...). Tussen de 0.4 en 0.9% van Vlaanderen is ermee bedekt. In de beek komen diverse schadelijke stoffen terecht: - de vele meststoffen die meespoelen tijdens erosie van de akkers bij hevige regenval; - het huishoudelijk afvalwater van de vele woningen die nog lozen in de Kalsterbeek. Op de kaart bij het ontwerp van bekkenbeheersplan (...) zoals in openbaar onderzoek gegaan wordt een overzicht gegeven (...) van de lozingspunten waarvoor sanering nog niet gepland is. Specifiek voor Kalsterbeek betreft het een 301-400 IE. IE is een inwonersequivalent, d.i. de gemiddelde hoeveelheid afvalwater die één inwoner per dag produceert. Het is niet louter het huishoudelijk afvalwater van die 301 á 400 IE geloosd op de dagen dat het wachtbekken gesloten is dat in het wachtbekken terecht komt. Gedurende heel het jaar als het water in de beek trager stroomt bezinkt heel wat vuil slib uit het geloosde huishoudelijk afvalwater op de bodem van de beek, de zgn. waterbodem; tijdens momenten van hevige regenval stroomt het water met grote kracht en snelheid door de beek, door die kracht wordt een groot deel van X-12.410-9/17 de vervuilde waterbodem omgewoeld en meegesleurd over grote afstand; ook een groot deel van die vervuilde waterbodem zal bezinken en dus terecht komen in het wachtbekken waar het snelstromende water bruusk tot stilstand gebracht wordt. Daarnaast komt ook heel wat modder van akkers via erosie op die momenten van hevige regenval in de beek terecht. Ongeveer heel de Vlaamse Ardennen waar ook de Kalsterbeek gelegen is, ligt in erosiegevoelig gebied (...). Dit betekent dat ten tijde van hevige regenval heel wat modderwater in de beek beland. In het bekken van de Kalsterbeek is er berekend dat er een grondverlies van 2661 ton per jaar kan optreden ten gevolge van erosie (...). Omdat het wachtbekken niet helemaal op het einde (voor de Kalsterbeek in de Molenbeek terecht komt) van de loop van de beek gebouwd wordt, is dit niet de hoeveelheid modder die zou kunnen passeren in de beek t.h.v. het wachtbekken. Op basis van de ligging van het wachtbekken schatten we dat t.h.v. het wachtbekken er tussen de 2/3 en de 3/4 van de totale hoeveelheid modder die in de beek terecht komt, passeert, dit betekent min 1800 ton (landbouw)grond. Het wachtbekken functioneert (lees: houdt het water van de beek
- op)slechts bij piekmomenten. Het is net tijdens die piekmomenten dat de meeste erosie zich voordoet. Op die momenten wordt het beekwater tegen gehouden in het wachtbekken. Door het snel stromende water tegen te houden heeft de modder die mee stroomt in de beek al de tijd om rustig te bezinken in het wachtbekken. Volgens de doctoraatsthesis (...) hebben de bestudeerde wachtbekkens een sedimentvangstefficientie tussen de 10 en 80% (...). We kunnen dus stellen dat tussen de 180 ton en 1440 ton grond gevangen wordt in het wachtbekken. Hier komt nog eens het huishoudelijk afvalwater en slib van de vervuilde waterbodem bij. Dit komt allemaal terecht op de soortenrijke graslanden. Door het vuile water sterven de meest gevoelige planten af. Daarenboven komt er een hele laag modder te liggen op deze graslanden. Het resultaat is dat na een aantal overstromingen er een stinkende (door het ongezuiverde huishoudelijk afvalwater) laag modder overblijft. Anderzijds is er ook nog schade doordat het snelstromende water opgehouden wordt, in en langsheen de beek voorbij wachtbekken. Doordat men het water tot stilstand brengt in het wachtbekken, daalt de stroomsnelheid van het water drastisch en worden overstromingen voorbij het wachtbekken onmogelijk. Het is net door die hoge stroomsnelheid dat er in de beken meanders (kronkels) ontstaan, met holle en bolle oevers. Aan de kant van de holle oever stroomt het water traag, dit zijn de plaatsen waar de vissen hun broed kunnen afleggen. Aan de kant van de bolle oever stroomt het water snel, hierdoor komt er veel zuurstof in het water wat nodig is voor de vissen en planten om gezond te blijven. De overstromingen zijn dan weer nodig om variatie in de vallei te maken. Dicht bij de beek worden eerst zware deeltjes (zand) afgezet. Verder van de beek de lichte deeltjes (klei). In die overstromingsvlakte van de beek blijft het overstromende water doorstromen (i.p.v. in een wachtbekken waar het water tot stilstand wordt gebracht en de vuile deeltjes neerslaan op de bodem) en blijft slecht een beperkt deel van de modder (van erosie) en van het huishoudelijk afvalwater achter. Daarenboven wordt het vuil en de modder dat dan nog neerslaat gespreid over de vallei in een (lage) concentratie waar de gevoelige planten nog tegen kunnen (in tegenstelling tot het wachtbekken waar de vuilvracht geconcentreerd wordt op een plek die hoge biologische waarden heeft). Tussen de aanleg van het wachtbekken op basis van de vergunning d.d. 19 mei 2005 en de eerstkomende overstromingen zal wellicht geen dertig jaar verstrijken waardoor o.i. artikel 15.1.6 §4, 3. van toepassing is op dit wachtbekken; Om deze reden is ook de richtlijn 2004/35/EG resp. hogergenoemde decreet van 21 december 2007 van toepassing is op het kwestieuze wachtbekken. (...) X-12.410-10/17 Antwoord van verzoekende partij: het milieu en de natuur bestaan uit verschillende facetten, dit is eigen aan de materie. Het is een maatschappelijk gegeven dat de bescherming van milieu en het natuurbehoud in al zijn facetten door zogenaamde milieu- en natuurverenigingen behartigd worden. Enkel voor de bescherming van vogels bestaan er vogelbeschermingsorganisaties omdat dit een historisch gegeven is, immers de eerste natuurliefhebbers waren vogelkijkers; ook vandaag de dag gebeurt de eerste kennismaking met de natuur vaak nog via het vogelkijken waardoor dergelijke verenigingen belangrijk zijn gebleven. Ook andere verenigingen (bvb. vzw Vlaams Agrarisch Centrum, Algemeen Boerensyndicaat, vzw.’s van diverse radiozenders, vzw.’s van sportclubs, vzw. UN1ZO, dierenrechtenorganisatie, ..) behartigen alle facetten van het domein of de sector die ze verdedigen. Geen van hen verdedigen algemene belangen, maar een voor een specifieke belangen, zo ook met verzoekende partij. Het zou indruisen tegen die maatschappelijke realiteit mocht voor ieder facet een aparte vzw. opgericht zijn)bvb. een vzw. ter verdediging van de belangen die voortvloeien uit het natuurdecreet, een vzw. ter verdediging van de belangen die voortvloeien uit het bodemdecreet, een vzw. die opkomt voor de landbouwers enkel voor de belangen die voortvloeien uit het mestdecreet, enz.). Daarenboven hebben al die facetten van het leefmilieu en de natuur een nauwe onderlinge samenhang: bvb. een bodemverontreiniging veroorzaakt door een inrichting zal ook de fauna en flora in en op de bodem aantasten, het grondwater vervuilen, als vervuild kwelwater terug aan de oppervlakte komen ... Daarom dat verzoekende partij er voor gekozen heeft om in haar doelstellingen op de complexiteit van het leefmilieu en de natuur te wijzen door al die facetten er in op te sommen. In haar verzoekschrift schreef verzoekende partij (zoals aangehaald in het auditeursverslag (...) ‘Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied).’ Hiermee wordt aangehaald dat het voor verzoekende partij onmogelijk is om alle vormen van milieuvervuiling of elke achteruitgang van natuurwaarden te verdedigen. Het is bvb. onmogelijk op te komen voor een ander klimaatbeleid in de Verenigde Staten of Australië omdat een wijzigend klimaat ook de Vlaamse Ardennen negatief kan beïnvloeden. Het is eveneens geen optie (doel) om zwaar vervuilende industrie in Oost-Europa aan te vechten omdat die in geval van oostenwinden het leefmilieu van de mensen die wonen in de Vlaamse Ardennen beïnvloedt door een slechtere luchtkwaliteit. De stelling van de auditeur mist realiteitszin, daar er geen enkel besluit is dat een impact heeft op het gehele werkgebied van verzoekende partij, i.c. de Vlaamse Ardennen alsook geen enkel besluit dat alle onderdelen van de natuur en het milieu waarvoor verzoekende partij opkomt conform haar statuten in een keer kan aantasten of negatief beïnvloeden. In het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord werden reeds vergelijkingen gemaakt met andere arresten waar het belang van verzoekende partij of gelijkaardige niet-gouvernementele organisaties onderzocht werd en waar er objectief gezien weinig verschil is t.o.v. de hier betwiste beslissing. In geen enkel van de zaken kan aangetoond worden dat de impact van de bestreden beslissingen even ruim is als de doelstellingen resp. werkingsgebied van de verenigingen die het aanvechten. In geen enkel van de zaken treffen we overtuigende argumenten die de keuze om de ene maak wel te catalogeren als ‘actio popularis’ en de andere niet, objectiveren. Nergens is duidelijk omschreven hoe ver de impact van ieder besluit gaat en of dit even ruim is als de doelstellingen van de betrokkenen. In ieder geval is de impact van de bestreden beslissingen steeds minder ruim dan de doelstellingen van de verzoekende resp. tussenkomende partijen. X-12.410-11/17 (...) In voorliggende zaak gaat 4.6 ha biologische waardevolle soortenrijke grond rechtstreeks verloren en wordt de landschapsontwikkeling van een veel groter gebied afgeremd (doordat meandering van de beek en overstromingen met afzettingen van enerzijds zand op de oeverwallen en anderzijds klei in de komgronden onmogelijk wordt stroomafwaarts het wachtbekken) t.g.v. de aanleg van het wachtbekken. Ook de groeve uit de zaak van arrest nr. 167889 is volgens de biologische waarderingskaart overwegend biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen. In de groeve zou ongeveer drie keer zoveel grond van die biologische waarde verloren gaan in vergelijking met het wachtbekken dat hier betwist wordt. Dit betekent dat beide verliezen van dezelfde grootteorde zijn. Buiten het feit dat de groeve op zich een bijzonder gegeven betreft, komen alle soorten die er tot heden waargenomen werd ook nog elders in het werkingsgebied van verzoekende partij voor. (...) I.4. Betreffende de impact van het wachtbekken (...) Sommige wachtbekkens krijgen andere namen (i.c. ‘wachtbekken voor rioleringswater’ of ‘industrieel wachtbekken’) maar in wezen is de finaliteit telkens hetzelfde opvang van grote pieken regen- of beekwater waarin vaak ook heel wat afvalwater, slib en/of modder aanwezig is. In het artikel over wachtbekkens in het tijdschrift van verzoekende partij (...) wordt gewezen op de modder die in het wachtbekken op de Pauwelsbeek terecht komt. Ter aanvulling geven we nog enkele voorbeelden van wachtbekkens mee (...). Een foto van een bestaand wachtbekken (...) op een nabijgelegen beek in Opbrakel toont tevens de grote landschappelijke impact die dergelijk bekken heeft, hetgeen van belang is, gelet op de aanleg van het wachtbekken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Onder punt 1.2 hebben we aangetoond dat heel wat vuilvracht terecht zal komen in de het wachtbekken, meer bepaald zal ongeveer tussen de 180 ton en 1440 ton terecht komen op de 4.6 ha biologisch waardevolle grond met zeer waardevolle elementen. Daar bovenop komt ook de vuilvracht van ca. 301 á 400 I.E. huishoudelijk afvalwater gedurende de dagen dat de schuif van het wachtbekken gesloten wordt. De conclusies van de doctoraatsthesis van de heer Gert Verstraeten (...) zijn van toepassing op diverse onderzochte wachtbekkens in heel Midden-België waar ook de Vlaamse Ardennen toe behoort. Ook in de wachtbekkens die als voorbeeld meegegeven werden in de memorie van wederantwoord is het geenszins de bedoeling de wachtbekkens continu gesloten te houden, zo niet creëert men een meer met overstromingen tot ver buiten de grenzen van die wachtbekkens. Het is altijd tijdens de piekmomenten dat wachtbekkens tijdelijk gesloten worden en waarbij de vuilvracht die het kolkende water meesleurt tijdens die piekmomenten de kans heeft om neer te slaan in het wachtbekken omdat de stroming van het water bruusk gestopt wordt. Gelet op het voorgaande is het beroep van verzoekende partij derhalve ontvankelijk”. 4.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde X-12.410-12/17 dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Artikel 1, §4 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt het volgende over haar werkingsgebied: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; X-12.410-13/17 -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. 4.2. Terzake is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een wachtbekken op twee terreinen te Brakel en te Geraardsbergen. Aldus betreft die beslissing welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats. Ook al heeft de bestreden vergunning wellicht een aantal gevolgen voor omliggende percelen, toch bestaat er geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de vereniging enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 4.3. De verzoekende partij beroept zich tevens op het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst de verzoekende partij naar artikel 9.2 van dit verdrag, dat luidt als volgt: “2. Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit X-12.410-14/17 Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. Artikel 2.5 van het Verdrag bepaalt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het Verdrag. 4.4. Ten slotte beroept de verzoekende partij zich op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke X-12.410-15/17 organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedure 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn, noch met deze ingeroepen in de laatste memorie. De exceptie van de verwerende partij is gegrond. Het beroep is om deze redenen niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-12.410-16/17 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.410-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div