id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.247 Rolnummer: A. 189960/XII-5580 Zaak: Arrest 187247 - Diploma's - 21/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:44 Fiche Arrest nr 187.247 van 21 oktober 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Verwerping dwangsom Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.247 van 21 oktober 2008 in de zaak A. 189.960/XII-
- In zake : Dieter HERPOL, die woonplaats kiest bij advocaat W. Daem, kantoor houdende te Zellik, Noorderlaan 30 tegen : de VZW REGINA CAELI, die woonplaats kiest bij advocaat J. Hendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Lozanastraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dieter Herpol, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn ouders Geert Herpol en Marina Van Cauwenbergh op 10 oktober 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 oktober 2008 waarbij de over hem delibererende klassenraad van het Regina Caelilyceum te Dilbeek hem een oriënteringsattest C toekent; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Daem, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Chr. Vangeel, die loco advocaat J. Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij; XII-5580-1\22 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling van het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde aan het Regina Caelilyceum te Dilbeek. Bij de kerstexamens heeft verzoeker voor vijf vakken een tekort : Duits, Nederlands, fysica, geschiedenis en wiskunde. De begeleidende klassenraad adviseert verzoeker om over te schakelen naar de richting moderne talen-wetenschappen, wat hij niet doet. Op het einde van het schooljaar heeft verzoeker vier van de tekorten opgehaald en blijft er een tekort voor wiskunde. 1.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om verzoeker een oriënteringsattest C te geven. Na een onderhoud tussen ouders en directie beslist deze laatste om de klassenraad opnieuw samen te roepen. De delibererende klassenraad wijzigt zijn beslissing in een uitgestelde beslissing met een bijkomende proef voor wiskunde, met behoud van de behaalde punten voor het onderdeel goniometrie. 1.
- Op de bijkomende proef, die uit twee gedeelten bestaat, behaalt verzoeker 35/80 resp. 21,5/
- 1.
- Op 28 augustus 2008 beslist de delibererende klassenraad andermaal om aan verzoeker een C-attest te geven. Er volgt opnieuw overleg tussen de ouders en de directie. De raadsman van verzoeker zet in een brief van 12 september 2008 de bezwaren nogmaals schriftelijk uiteen. De bijkomende proef zou volgens door hem gecontacteerde deskundigen als te moeilijk bestempeld zijn XII-5580-2\22 -in de brief volgt meer in detail kritiek- en de ouders van verzoeker vinden het onaanvaardbaar dat alleen op basis van het resultaat voor het vak wiskunde is geoordeeld terwijl hun zoon voor de andere vakken geslaagd is. Hij wijst op de in het schoolreglement neergeschreven eis om bij een deliberatie rekening te houden met alle elementen, zoals ook de resultaten van de overhoringen en de leerhouding. Hij wijst op de positieve evolutie die verzoeker heeft doorgemaakt na de kerstexamens, tegen de resultaten van de klas als geheel in. Op 12 september 2008 laat de directeur aan de ouders van verzoeker weten dat zij de bijkomende proef, die reeds door twee leerkrachten was verbeterd, heeft laten analyseren door de pedagogisch begeleider voor het vak wiskunde van de pedagogische begeleidingsdienst van het aartsbisdom Mechelen- Brussel, dat deze de verhouding uitbreiding/verdieping/verplichte leerstof aanvaard- baar vond en dat zij geen reden ziet om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De ouders van verzoeker tekenen dan bezwaar aan bij de beroepscommissie. Opnieuw zetten zij uiteen dat de klassenraad “duidelijk geen rekening [houdt] met het feit dat Dieter geslaagd is voor alle andere vakken” en zijn beslissing uitsluitend baseert op het feit dat verzoeker niet geslaagd zou zijn voor het vak wiskunde en dat een positieve evolutie heeft plaatsgevonden in de loop van het schooljaar. Voorts gaan zij dieper in op de examens wiskunde en de volgens hen te hoge moeilijkheidsgraad ervan. 1.
- De voorzitster van de beroepscommissie overweegt dat de leden van de commissie niet over de vereiste deskundigheid beschikken om zelf een antwoord te geven op de gestelde vragen over het niveau van de bijkomende proef, de vraagstelling en de quotering en stelt daarom een ad hoc commissie samen. De leden van deze ad hoc commissie zijn de voorzitter van de leerplancommissie wiskunde van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs, de vakbegeleider wiskunde van de Diocesane Begeleidingscommissie van het bisdom Gent en de vakbegeleider wiskunde van de Diocesane Begeleidingscommissie van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. 1.
- Op 26 september 2008 bezorgt deze commissie ad hoc haar verslag : “[...] XII-5580-3\22 Procedure De commissie heeft de examens van het jaar en de bijkomende proef vraag per vraag onderzocht en getoetst aan het leerplan, aan het jaarplan van de leerkracht, aan de jaartoetsing, aan het jaarwerk en aan de leerling-notities. Overwegingen De commissie ad hoc (verderop de commissie) stelt vast dat het dossier door de school aangeleverd, volledig is. Op onze vraag werden onmiddellijk de gevraagde bijkomende gegevens verstrekt. Tot het dossier behoren de notities van een van de leerlingen van de klas. De notities zijn zeer verzorgd. Toevallig wellicht gaat het om de leerling met de hoogste score voor wiskunde en behorend tot het klasdeel Grieks-wiskunde. Jammer dat we de notities van Dieter Herpol niet hebben kunnen vergelijken met dit model. We betreuren het geen inzage te hebben gekregen in de jaartoetsen van Dieter Herpol zelf, die in zijn bezit zijn. Zo kunnen we ons ook niet uitspreken over de begeleiding die de leerling al of niet heeft gekregen tijdens het schooljaar. De commissie wil de interne beroepscommissie er op attent maken dat het leerplan wiskunde voorzien is voor een gemiddeld aantal lesweken van 25, dat voor zes wekelijkse lestijden overeenkomt met 150 effectieve lestijden. - Volgens de gegeven informatie heeft de school 174 effectieve lestijden ingericht, waarvan er 161 besteed werden aan lessen. De andere werden besteed aan toetsen. - Over de graad gespreid zijn de leerinhouden onderverdeeld in verplichte (dus opgelegde) doelstellingen (90%) en uitbreiding of keuzeonderwerpen (10%). Binnen de opgelegde doelstellingen moet 10% van de lestijden besteed worden aan ‘verdieping’. Het staat de leraren vrij de onderdelen te kiezen waarin aan verdieping gewerkt wordt, bijvoorbeeld afhankelijk van het onderwerp, van de klasgroep ... Voor deze verdieping en uitbreiding zijn bij een aantal onderwerpen wel een aantal doelstellingen als voorbeeld gesuggereerd. Verdieping en uitbreiding of keuze samenstellend, betekent dit concreet dat de leraren over 20% van de lestijden beschikken waarin ze vrij kunnen beslissen hoe ze die aanbieden. Het doel daarvan is de leraren de ruimte te geven met hun aanbod in te spelen op de reële mogelijkheden en toekomstperspectieven van de leerlingen binnen hun klasgroep en dat zowel gericht op de wiskundig zwakkere leerling als de wiskundig sterkere (een verschil dat zich ook effectief manifesteert in de relatief sterke groep 6-8 lestijden, al of niet na verkeerde studiekeuze). De commissie heeft duidelijk de indruk dat in deze vakgroep gekozen is voor verdieping en uitbreiding in het onderdeel analyse en in het bijzonder in de rekentechnische onderdelen van het deel precalculus en het deel afgeleiden. Bij het deel matrices werd het begrip determinant tot in zijn verregaande toepassingen aangereikt. Uit de puntenverdeling van de examens blijkt een veel groter aandeel (dan 20%) in de evaluatie voor de verdieping en uitbreiding. Ter informatie van de interne beroepscommissie willen de commissie nog vermelden dat 4% van de lestijden over de graad moet besteed worden aan de realisatie van de doelstellingen over onderzoekscompetenties. Deze kunnen integraal in het tweede leerjaar van de derde graad opgenomen worden, wat in de school het geval blijkt te zijn. De commissie vroeg bijkomend inzage in de brief waarin Dieter Herpol op de hoogte werd gesteld van de leerinhouden van de bijkoende proef. In het examen heeft de leerling inderdaad vermeld dat drie vragen net tot de opgegeven inhouden behoorden. De commissie wenst zich over de gegrondheid van deze opmerkingen niet uit te spreken (er is mogelijk ook nog mondelinge communicatie geweest), zij het dat er alleszins sprake is van dubbelzinnigheid. Enerzijds worden concrete hoofstukken opgesomd. De door de leerling aangegeven hoofdstukken staan niet in dat lijstje. Anderzijds staat er wel telkens de vermelding (= leerstof 1ste trimester en = leerstof 2de en 3de trimester XII-5580-4\22 behalve goniometrie). Daaruit is dan weer te besluiten dat die onderdelen wel tot de te hernemen onderdelen behoren. Globale beoordeling Uit het gepresteerde overzicht van bestede lestijden blijkt een overaandacht aan het onderdeel precalculus en aan het onderdeel limieten, dat in het leerplan veel beperkter wordt uitgewerkt. Ook het deel goniometrie wordt in vergelijking met de gesuggereerde aantallen lestijden overgewaardeerd. Uit de notities blijkt dat deze onderdelen worden ingevuld met veel rekentechnische oefeningen. Een vernieuwende lezing van het leerplan, met meer aandacht voor grafieken en voor interpretatie vanuit gegeven informatie, komt minder aan bod. De wiskunde-examens zijn van een gemiddeld tot hoog niveau, met nog enkele uitschieters naar hoger. Een aantal vragen behoort tot de verdieping. Een aantal vragen is ten aanzien van het leerplan uitbreiding en zelfs extreme gevallen van uitbreiding. Een aantal van deze vragen kunnen als oefening tijdens het jaar zeker aan bod komen, bijvoorbeeld als differentiatieoefeningen voor wiskunde sterkere leerlingen, maar ze behoren vaak niet tot de basiskennis en -vaardigheden verwacht vanuit het leerplan. Ook in de hertoets is dat het geval. Daarbij kan de vraag gesteld worden of een bijkomende proef niet veeleer precies het verworven zijn van de minimale basiskennis en -vaardigheden zou moeten onderzoeken. De examens hebben zoals uit de eerste opmerking te verwachten valt een uitermate hoog rekengehalte. Daarmee worden dus de lagere categorieën van doelstellingen getoetst (niveau rekenvaardigheid). Het niveau van de toetsing is dan te verklaren door de hoge complexiteit van de gebruikte situaties, functies ... of door combinatie van een aantal problemen of (overigens normale) rekendrempels. Hogere doelen zoals het inzichtelijke verklaren en interpreteren komen nauwelijks aan bod. Nu eerder grafisch te beschouwen situaties worden nog algebraïsch aangepakt. De examens komen wel tegemoet aan de vaak nog door een deel van het hoger onderwijs gevraagd voorbereiding in rekentechnische vaardigheden met hoge complexiteit. Het laat zich verstaan dat de leerkracht zich daardoor laat beïnvloeden om haar leerlingen in die aanvangslag in het hoger onderwijs overeind te laten blijven. Dat getuigt op zich van een goede bedoeling! Vraag is of dit voor alle leerlingen in dergelijke mate moet aangepakt worden. Het examen geeft de indruk dat dit inderdaad voor alle leerlingen gelijk loopt, maar het zou zinvol geweest zijn in de vergelijking van notities van Dieter Herpol en een andere leerling vast te stellen welke inspanning tot differentiatie hier door de leerkracht is gedaan. Uit het door de school aangebrachte materiaal blijkt dat de leerlingen kunnen beschikken over een aantal extra oefeningen, die gebruikt worden als remediëringsmateriaal. In de beschikbare leerling-notities zijn sporen van verwerking en verbetering ervan terug te vinden. Dit materiaal bevat in de eerste delen trainingsmateriaal voor het wegwerken van eventuele hiaten bij rekentechnieken. Later weerspiegelen de oefeningen een analoge moeilijkheidsgraad als de examens. De examens bevatten een aantal vragen waarin de complexiteit relatief hoog is. De vragen zijn samenstelling van oplossingsprocedures waarbij meerdere stappen noodzakelijk zijn vooraleer tot een routineopgave herleid te zijn. - Ter verduidelijking van wiskundeleken? Op een opklimmende schaal van drie niveaus (nogal gebruikelijk in de leerboeken wiskunde) zijn er een ruim aantal oefeningen uit niveau drie. - Het examen bevat nauwelijks vragen waarin deelvaardigheden rechtstreeks worden getoetst. Dit heeft tot gevolg dat, als je als leerling niet door de eerste complexiteit geraakt, je vaak ook niet de routinematige elementen kunt tonen. (Oorzaak kan het niet kennen zijn van de rekenregel bijvoorbeeld, maar is ook het opstapelen van rekenfouten. Met name in het examen van Dieter Herpol komen geregeld fouten voor tegen soms zelfs elementaire routinevaardigheden.) De examens bevatten sporadisch XII-5580-5\22 samengestelde vragen waarbij het antwoord van het onderdeel a noodzakelijk is voor het onderdeel b. De commissie wordt gevraagd de correctheid van de quotatie te beoordelen. Ze heeft hiertoe een poging ondernomen. Algemeen wordt aangenomen dat voor wiskundeproeven een grote mate van objectieve beoordeling mogelijk is. De commissie wil wijzen op wetenschappelijk onderzoek in het beoordelen van wiskundeproeven waaruit blijkt dat die correctheid en objectiviteit geen evidentie is. Dat onderzoek wijst op zeer uiteenlopende beoordelingen door verschillende beoordelaars voor eenzelfde antwoord. Deze reserve in acht nemend kan de commissie de wijze van beoordelen door de leerkracht in het algemeen onderschrijven. De leerkracht werkt duidelijk met verbeterschema’s waarbij de te behalen punten over de antwoordonderdelen verdeeld zijn. Die verdeling wordt als zinvol beoordeeld. De commissie kan niet beoordelen in welke mate de quotaties standvastig zijn over de klasgroep (m.a.w. worden gelijkaardige fouten ook gelijkaardig beoordeeld?) Alleen het examen van Dieter Herpol was ter beschikking. Toch meent de commissie te mogen stellen dat ze weinig aanleiding ziet om hieraan te twijfelen. Gezien de beoordeling sterkt overeenkomst met deze van de commissieleden. Het werken met verbeterschema’s werkt die standvastigheid in de hand. De leerling werd ons inziens niet benadeeld bij de correctie. De commissie heeft dus ook de afgelegde examens gecorrigeerd. De quotaties lopen gelijk met deze van de leerkracht. Uitzondering hierop is de door mr. Daem al aangegeven opmerking bij vraag 2b van deel II van de bijkomende proef. Eventuele bijkomende punten brengen geen soelaas. De commissie wil toch aangeven dat sommige gemaakte fouten terug te voeren zijn tot het beheersen van de elementaire basisvaardigheden of tot het elementair inzicht in de gestelde problematiek, waarbij de complexiteit van de vraag geen rol speelt, of waarbij de gestelde problematiek precies ontweken wordt door grove rekenfouten. In die zin zijn een aantal zeer lage scores op antwoorden verantwoord. De leerkracht volgt trouwens steeds de gemaakte redenering verder op ook na de fout (ook als Dieter de opgave verkeerd overschrijft). Daardoor werden nog punten ‘gesprokkeld’ ook als de problematiek soms anders ligt dan initieel de bedoeling. In een zes lestijden zouden een aantal gemaakte rekenfouten zwaarder kunnen gesanctioneerd worden. En hierbij verwijzen we naar het blijkbaar beperkt beschikken over een goede controlevaardigheid waardoor fouten ‘automatisch’ bijgestuurd worden. (Voorbeeld 1 : als controlerend vastgesteld wordt dat 4 vier keer vermenigvuldigd met zichzelf 16 zou opleveren, moet een leerling van dit niveau zelf corrigerend reageren; voorbeeld 2 : in drie opeenvolgende regels worden -36, i² + 36 en i + 6 gelijk genoemd; elementair inzicht in complexe getallen zegt dat dit achtereenvolgens overeenkomt met een punt op de negatieve kant van de x-as, op de positieve kant van de x-as en binnen het eerste kwadrant; ook hier verwacht je dan aan reflex van zelfcorrectie.) De commissie onderzocht cijfermatig het gevolg van de betwisting van de te kennen onderdelen. Dit was al gedeeltelijk in het dossier opgenomen (voor het onderdeel complexe getallen). Ook het weglaten van alle betwiste vragen biedt geen soelaas. Het resultaat blijft een onvoldoende. De commissie stelt zich vragen bij de voorziene tijd om sommige examens op te lossen en de oplossing ook netjes uit te schrijven. De hertoets precalculus is hiervan een voorbeeld. Een rekenmisser wordt dan snel fataal. Narekenen zit er nauwelijks in. Over het algemeen werden de vragen tijdens het jaar voorbereid en geoefend. Dat geldt vooral voor de relatief trucmatige vragen. (Dit zijn vragen waarbij iemand je ooit de kunstgreep heeft moeten voorleren. Let wel deze vragen steunen initieel meestal wel op een wiskundig inzicht. Vraag is hoeveel leerlingen zelfstandig op dergelijke toepassingen van die inzichten komen.) XII-5580-6\22 Trucvragen geven de insiders de indruk eenvoudig te zijn : je herkent de truc en past die rigoureus toe. Daarvoor is echter enige routine en dus training vereist. Uit de gecontroleerde antwoorden blijkt dat Dieter wel eens een fout maakt in de aanloop naar de truc, en dan hopeloos verkeerd loopt. De formulering van sommige vragen vertoont een relatief slordig taalgebruik. De commissie vroeg inzage in de globale klasresultaten om de invloed van de globale sterkte van de klasgroep te onderzoeken op de lesvorderingen en het nagestreefde niveau. Bekeken op de deelgroep van de klas van leerlingen die alleen de zes lestijden volgen (dus de 6+2-leerlingen niet meegerekend; deelresultaten op de proeven 6 lestijden daarvan zijn ons niet bekend) komen we over deze 16 leerlingen uit op een gemiddelde van 52,4 % en een mediaan van 51 %. Deze scores zijn laag. Er zijn 5 scores onder de 50 %. Dietor Herpol zelf behaalt met de score 46,3 % het vierde laagste resultaat, dus net onder het eerste kwartiel. De parallelle klasgroep met 6 lestijden wiskunde -m.n. Latijn-wiskunde- haalt een gemiddelde van 66,2 % en een mediaan van 66,7 % over dezelfde examens. Het opvallend onderscheid tussen beide groepen kan misschien mede verklaard worden door de samenstelling van de eerste klasgroep, waarin volgens de beschikbare informatie 7 leerlingen een tegenadvies voor 6 lestijden wiskunde meekregen bij de oriëntering in de tweede graad. Antwoorden op de gestelde vragen (zie document aanstelling pag. 2) De commissie wil erop wijzen dat de antwoorden op deze vragen moeten gelezen worden geïntegreerd met de voorafgaande algemene opmerkingen. De commissie gaat ervan uit dat van haar verwacht wordt een objectief verslag te bezorgen aan de interne beroepscommissie teneinde haar de mogelijkheid te geven op de technische vragen m.b.t. het vak wiskunde van mr. Daem te antwoorden. Zij meent dit het best te kunnen doen door een globale beoordeling van de situatie te geven. Een wiskundig gedragen en verantwoorde vraag- per-vraag-bespreking zou dit verslag wellicht doen uitgroeien tot een lijvige en moeilijk te verteren bundel, waarvan de lectuur alleen is weggelegd voor wiskunde-insiders. Het motiveren van een beoordeling van het beheersniveau verbonden aan een vraag kan vaak niet zonder de wiskundige achtergrond ervan toe te lichten. De commissie is van oordeel dat de interne beroepscommissie met deze wiskundig-interne informatie niet gebaat zal zijn. Het gevaar is overigens niet denkbeeldig dat dit verzandt in een welles nietes spel. Cf. twee overwegingen : een examen kan zonder probleem een moeilijke vraag of verdiepingsvraag bevatten; de moeilijkheidsgraad van een trucvraag is discutabel : voor kenners eenvoudig, voor niet-kenners vaak moeilijk. In een bijlage wordt een kort overzicht geven van de beoordeling door de commissie. Voor de bijkomende proef is dit in het verslag opgenomen. Worden de leerplandoelstellingen wiskunde op een redelijke wijze getoetst tijdens de bijkomende proef zoals opgesteld voor Dieter Herpol ? Vragen met een normaal basisgehalte EX1/D1 : 1, 2, 3, 5, 6 (punten : 4, 4, 5, 6, 6) EX1/D2 : 9, 10, 12, 14 (punten : 8, 5, 7, 6) EX2/D1 : 1, 2, 3, 4, 5, 8 (punten : 8, 4, 5, 5, 4) Ex2/D2 : 9, 13 (punten : 4, 6) Te aanzien als verdieping of uitbreiding of als vraag niet van een basismoeilijkheidsgraad : Ex1/D1 : 4, 7, 8 (punten : 6, 4, 5) Ex1/D2 : 11,13 (punten : 9, 5) EX2/D1 : 6, 7 (punten : 4, 4) EX2/D2 : 10, 11, 12, 14, 15 (punten : 4, 6, 6, 6, 6, 6) Verhouding puntenverdeling: basis : 89/160 of 55,6 % / V.U.M. : 71/160 of 44,4 %. XII-5580-7\22 Dit wijst volgens de commissie op een scheefgetrokken verhouding in de vraagstelling ten aanzien van het leerplan bestemd voor 6 lestijden. De bijkomende proef reflecteert wel relatief goed het niveau van de jaarexamens (zeg maar een gelijke maat ten aanzien van de andere leerlingen). Een aantal vragen is samengesteld en daardoor complex of met een klein bijkomend addertje onder het gras. De leerling trapt heel gemakkelijk in de te verwachten vallen (bijv. noemers decimeren, dubbelproduct vergeten). Let wel, geen van de vragen is ten aanzien van de jaarexamens exuberant moeilijker. Geen van de vragen gaat over ‘nieuwe’ dingen die tijdens het jaar niet zouden behandeld of voorbereid zijn. Integendeel een aantal oefeningen is bijna letterlijk gemaakt in de lessen of op toetsen en taken. In die zin is het wellicht een goede weergave van wat de leerkracht heeft aangeboden tijdens het schooljaar. Het examen legt een te grote klemtoon op het rekenen. Nogal wat oefeningen vragen behoorlijk wat rekenwerk. waarbij rekenfouten of het over het hoofd zien van een voorwaarde wel onherroepelijk ‘moet’ afgestraft worden. Rekenwerk vraagt voor zwakkere leerlingen veel meer tijd. Rekenfouten leiden vaak tot veel moeilijkere situaties dan de initiële bedoeling (bijv. bij drietermen tweede graad, ‘onmogelijke’ uitdrukkingen als wortels). Het leerplan voorziet meer aandacht voor inzichtelijke interpretatie van informatie (bijv. grafische informatie) dan wel voor de technieken om de informatie via berekening te bekomen. Zeker op een bijkomende proef, maar ook voor de jaarexamens, zou in een gradatie een aantal inzichtelijke vragen moeten gesteld worden. De commissie betwist dus niet dat er meer complexe vragen kunnen voorkomen want dat is in een zes lestijden te verantwoorden. Het aandeel ervan is echter te groot in verhouding tot meer rechtstreeks inzichtelijke vragen, die in het examen nauwelijks voorkomen. De tijd om deel 1 van examen 1 te beantwoorden lijkt krap gemeten. Kunnen bedenkingen geformuleerd worden bij de vraagstelling op de bijkomende proef wiskunde, zoals opgesteld door Dieter Herpol ? Algemeen kan een slordig taalgebruik bij sommige vragen aangegeven worden. Het gebruik van punten en komma’s is aangewezen om de leesbaarheid te verhogen. Ex1/D1 Vraag 4 : het gebruik van het woord ‘elementen’? Vraag 5b : graad i.p.v macht van teller en noemer. Vraag 6 : inverse is in dit verband betwistbaar en moet door de leerling ‘besproken’ worden. Vraag 7 : betekenis van ‘bevestig’ is mogelijk onduidelijk. Ex1/D2 Vraag 12 : notatie ¼ wordt best vermeden. Vraag 13 : de spatie tussen ² en log is storend. Vraag 14 : de opmerking aangebracht door mr. Daem is deels terecht. Het zou inderdaad beter zijn hier de soort functie te vermelden. Zijn opmerking dat dit homografisch kan zijn, klopt ook wel niet echt. EX2/D1 Vraag 2a : erg beknopte probleemstelling. Vraag 8 : wat-weet-je-over-vragen werden best anders gesteld. De commissie is van oordeel dat de formulering van een aantal vragen dus beter kan, maar ook dat de huidige formulering van de vraagstelling geen bepalende invloed heeft op de resultaten behaald op het examen. Daarvoor zijn wellicht verantwoordelijk het voornoemde niveau en de soort fouten die de leerling maakt tegen basiskennis en -vaardigheden. - Is de bijkomende proef wiskunde afgelegd door Dieter Herpol correct gequoteerd? XII-5580-8\22 Zoals al eerder aangegeven is het onderzoeken van de correctheid van scores een niet evidente opdracht. Globaal is de commissie het eens met de quotatie. Bijkomende opmerkingen : ‘goed’ beloonde antwoorden (een lagere zou verantwoord kunnen worden) : EX1/D1 : 1, 5; EX1/D2 : 11; EX2/D1 : 4 Onvoldoend beloonde antwoorden : EX2/D1 : vraag 2b : D/2 is een te sterke sanctie. Maar vermits het over ‘populaties’ gaat, is een afgerond antwoord noodzakelijk De opmerking van mr. Daems dat het antwoord correct is, is dus niet helemaal terecht. Een aantal vragen kan moeilijk hoger gequoteerd worden, omdat zware rekenfouten gemaakt worden (dubbelproducten, noemers weglaten, foutieve producten, onmogelijke notaties (bij wortels) die aangeven dat men niet begrepen heeft waarover het gaat). De commissie is van oordeel dat de toegekende scores niet in het nadeel van de leerling uitvallen. Een aantal gemaakte fouten is op dit niveau ontoelaatbaar. Op de invloed van de betwiste vragen (al dan niet in de opdracht) werd hiervoor al gewezen. - Worden de leerplandoelstellingen op een redelijke wijze getoetst tijdens de examens van Kerstmis en juni? De examens hebben in het algemeen een gemiddeld tot hoog niveau door een vaak gecombineerde vraagstelling (combinatie van moeilijkheden en/of voorwaarden). Dergelijke vragen kunnen perfect op een examen 6 lestijden voorkomen, maar voor een beperkter aandeel van de punten. Ze bevatten weinig rechtstreekse-basis-oefeningen (bijv. tussenresultaat wordt gegeven en alleen interpretatie gevraagd). Het aandeel van vragen over verdieping en uitbreiding is in een aantal examens aanzienlijk, en alleszins hoger dan de verhouding die in het leerplan als suggestie is gegeven voor de verdeling van het aantal lestijden. Nogal wat vragen hebben een uitgebreid algebraïsch rekentechnisch aspect. De hogere doelen omtrent verklaren en interpreteren komen weinig aan bod. Uit vergelijking met de leerling-notities en de jaartoetsen blijkt dat de vragen conform het jaarwerk zijn. Kerstexamen Ex1 : Algebraïsche functies Hoge moeilijkheidsgraad, ruim aandeel uitbreiding, veel algebraïsch rekenwerk. Ex2 : Logaritmische en exponentiële functies Redelijk examen voer 6 lestijden. Een echt moeilijke vraag. Ex Complexe getallen Redelijke proef. Doelscore uitbreiding aanvaardbaar. Juni-examen Ex1 : onderdeel goniometrie : haalbaar, met een voor vele leerlingen moeilijke vraag 3 op een hoog puntenaantal (12/40). onderdeel algebra : hoge moeilijkheidsgraad, nogal wat verdieping en uitbreiding (delerminanten en geen eenvoudige toepassingen ervan), nogal wat algebraïsch rekenwerk Ex2 : Onderdeel analyse; een aanvaardbaar examen, nogal wat algebraïsche rekenmanipulaties. - Kunnen bedenkingen geformuleerd worden bij de vraagstelling op de examens van Kerstmis en juni? De jaarexamens vertonen analoge slordigheden aan de hiervoor vermelde. Sommige formuleringen zijn, zoals wel meer in onderwijs, wellicht vertrouwd voor de leerlingen die er in de klas mee zijn omgegaan. Het is wellicht niet te voorkomen dat elke groep die wiskunde doet een eigen jargonstijl ontwikkelt, als die uiteraard maar niet te ver afwijkt van het normaal gangbare. Uiteraard XII-5580-9\22 is het beter die onnauwkeurige formuleringen te vermijden. De commissie is van oordeel dat deze elementen van geen invloed zijn op de behaalde resultaten. - Zijn de examens van Kerstmis en juni afgelegd door Dieter Herpol correct gequoteerd? De examens worden correct gequoteerd. Zie opmerking hiervoor. De leerkracht gebruikt verbeterschema’s. Ze volgt de redenering verder ook als het bijv. gaat over het verkeerd overschrijven van de opgave. Ook hier vallen de soms fundamentele rekenfouten op (dubbelproducten, negatieve factor bij ongelijkheden, tekenfouten) en aandachtsfouten (verkeerd overschrijven van de opgaven, 0,51.. weken wordt 15 dagen, zelfcontrolerend werken)”. 1.
- Op 30 september 2008 worden de voorzitter van de delibererende klassenraad, de ouders van verzoeker en zijn raadsman gehoord door de beroepscommissie. Nog dezelfde dag adviseert de beroepscommissie aan het schoolbestuur om de delibererende klassenraad terug samen te roepen omdat de beslissing van 28 augustus 2008 onvoldoende gemotiveerd is, uit het verslag van de ad hoc commissie blijkt dat er vragen gesteld kunnen worden bij de moeilijkheidsgraad van de examens voor het vak wiskunde en er anderzijds ook bedenkingen geformuleerd kunnen worden bij het verwerven van de basiskennis door verzoeker. Samenvattend is de commissie van mening dat er nieuwe doorslaggevende argumenten zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De raad van bestuur volgt het advies en beslist op 30 september 2008, met overname van de motieven van de beroepscommissie, om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Zij beslist dat het verslag van de ad hoc commissie en van de beroepscommissie aan de klassenraad voorgelegd moeten worden alvorens een nieuwe beslissing te nemen. 1.
- Op 2 oktober 2008 beslist de delibererende klassenraad om het C-attest te handhaven. Hij notuleert over deze beslissing het volgende : “Na stemming (resultaat : 6 leden stemmen voor een oriënteringsattest A en 7 leden stemmen voor een oriënteringsattest C) beslist de delibererende klassenraadraad van het 1ste lj 3de graad Wiskunde-Wetenschappen aso om aan Dieter Herpol een oriënteringsattest C uit te reiken. De delibererende klassenraad neemt de volgende elementen in overweging. 1 Dieter Herpol koos de richting Wetenschappen-Wiskunde tegen het advies van de klassenraad op het einde van het 2de leerjaar van de 2de graad Wetenschappen (schooljaar 2006-2007) : ‘we raden je voor volgend jaar XII-5580-10\22 een richting met 4 u. wiskunde aan. Een extra inspanning voor talen en een dagelijkse inzet zijn nodig. Waarschuwing voor godsdienst.’ (cf. notulen van de delibererende klassenraad van juni 2007). Het advies werd gegeven op basis van 51,7 % voor het vak wiskunde. Aan Dieter werd wel een oriënteringsattest A uitgereikt (schoolresultaat 59,77 % met een tekort voor godsienst (47,5 %). 2 Na het eerste trimester van het schooljaar 2007-2008 had Dieter Herpol op het Kerstexamen 5 tekorten op een totaal van 13 vakken (Duits (47,6 %), fysica (49 %), Nederlands (49,7 %), geschiedenis (43,8 %) en wiskunde (42,1 %) en een totaal resultaat voor het eerste semester van 56,7 %. Op basis van dit resultaat werd in het gesprek op het oudercontact geadviseerd om nog van richting te veranderen, nl. van wiskunde- wetenschappen naar moderne talen-wetenschappen (overstappen zijn dan nog mogelijk tot 15 januari 2008). Het pakket wiskunde weegt in deze studierichting minder zwaar waardoor de begeleidende klassenraad van oordeel was dat de slaagkansen van Dieter in deze studierichting veel hoger zouden zijn. 3 Op de vraag of de leerplandoelstellingen wiskunde op een redelijke wijze getoetst werden op de bijkomende proef, volgt de delibererende klassenraad de visie van de leerkracht wiskunde die van mening is dat 78,75 % basisleerstof en 21,25 % verdiepinguitbreiding ondervraagd werd op de bijkomende proef. Daarenboven verwijst de delibererende klassenraad naar het rapport van de ad hoc commissie die bevestigt dat geen van de vragen ten aanzien van de jaarexamens exuberant moeilijker is. Geen van de vragen gaat over nieuwe dingen die tijdens het jaar niet zouden behandeld of voorbereid zijn. Integendeel, een aantal oefeningen is bijna letterlijk gemaakt in de lessen of op de toetsen en taken. In die zin is het een goede weergave van wat de leerkracht heeft aangeboden. 4 Op de vraag of bedenkingen kunnen geformuleerd worden bij de vraagstelling op de bijkomende proef verwijst de delibererende klassenraad naar het verslag van de ad hoc commissie die van oordeel is dat de formulering van de vraagstelling geen bepalende invloed had op de resultaten die Dieter Herpol behaalde op de bijkomende proef. 6 Op de vraag of de bijkomende proef wiskunde afgelegd door Dieter Herpol correct gecorrigeerd werd, volgt de delibererende klassenraad de visie van de ad hoc commissie die van oordeel is dat de toegekende scores niet in het nadeel van de leerling uitvallen en zij het eens is met de correctie van de leerkracht. 7 Op de vraag of de leerplandoelstellingen op een redelijke wijze getoetst werden tijdens de examens van Kerstmis en juni volgt de delibererende klassenraad de visie van de vakgroep wiskunde. De examens worden opgesteld rekening houdend met de wijze waarop de stof behandeld werd in de lessen. Bovendien geeft de ad hoc commissie aan dat uit vergelijking met de leerling-notities en de jaartoetsen blijkt dat de vragen conform het jaarwerk zijn. 8 Op de vraag of bedenkingen kunnen geformuleerd worden bij de vraagstelling op de examens van Kerstmis en juni sluit de klassenraad zich bij het oordeel van de commissie aan die stelt dat mogelijke onnauwkeurige formuleringen van geen invloed zijn op de behaalde resultaten. 9 Op de vraag of de examens van Kerstmis en juni correct gecorrigeerd werden is de klassenraad van mening dat dit het geval was. Ook de ad hoc commissie stelt dat deze examens correct gecorrigeerd werden. 10 De delibererende klassenraad wil ook de remediëring die wordt aangeboden voor de richting wiskunde-wetenschappen in het eerste jaar van de derde graad in herinnering brengen. Dit zijn afspraken die de XII-5580-11\22 leerkrachten wiskunde maken in het begin van het schooljaar, zo ook in september 2007; Wekelijkse huistaak met richtlijnen van de leerkracht ter remediëring, herhalingsoefeningen op het einde van elk hoofdstuk, verwijzingen naar websites (zoals www.wiskundeinteractief.be, met extra oefeningen en verbetersleutel), de kans om extra oefeningen te maken uit het schoolboek. Leerlingen kunnen ook steeds naar het trefpunt (= leerlingenbegeleiding) komen om extra begeleiding te vragen. De klassenleraar maakt ook steeds de werking van het trefpunt duidelijk aan het begin van het schooljaar. Ook al werd er geen officiële inhaalles wiskunde voor het vijfde jaar georganiseerd op onze school, de leerkracht wiskunde stond elke vrijdag ter beschikking na het einde van de lessen en de leerlingen werden hiervan mondeling op de hoogte gebracht. Van een leerling van het vijfde jaar van het secundair onderwijs mag men verwachten dat hij zelf initiatieven neemt om op al die remediëringsmogelijkheden in te gaan. Dieter Herpol heeft in de loop van het schooljaar nooit persoonlijk contact opgenomen noch met de klassenleraar, noch met de leerkracht wiskunde, noch met een andere vakleerkracht, noch met het trefpunt om problemen te melden en/of hulp te zoeken, terwijl zijn resultaten voor het vak wiskunde toch onvoldoende waren. De delibererende klassenraad is van oordeel dat van een leerling van het 1ste lj de graad Wiskunde-Wetenschappen aso kan verwacht worden dat hij zelf de nodige initiatieven neemt om gebruik te maken van de remediëringsmogelijkheden die de leraar aanbiedt. De delibererende klassenraad blijft bij zijn beslissing om Dieter Herpol een C-attest toe te kennen gezien de tekorten op het richtingsvak wiskunde. Wiskunde vormt tenslotte 20 % van zijn studiepakket en hij haalde onvoldoendes op elk examen wiskunde (december 42,1 %, juni 48,3 %, bijkomende proef : 44 %), met inbegrip van de bijkomende proef. De delibererende klassenraad stelt, op basis van het verslag van de commissie ad hoc, ook vast dat in de bijkomende proef van Dieter Herpol geregeld fouten voorkomen tegen zelfs elementaire routinevaardigheden. Bovendien wil de commissie toch aangeven dat sommige gemaakte fouten terug te voeren zijn tot het beheersen van de elementaire basisvaardigheden en tot het elementair inzicht in de gestelde problematiek, waarbij de complexiteit van de vaag geen rol speelt of waarbij de gestelde problematiek precies ontweken wordt door grove rekenfouten. Ook het dagelijks werkresultaat op jaarbasis was een onvoldoende : 47,5 %. Ondanks de positieve evolutie van zijn resultaten meent de delibererende klassenraad op basis van al de hierboven aangehaalde elementen dat Dieter Herpol de leerplandoelstelling van het 1 s t e lj 3 d e graad Wiskunde-Wetenschappen in onvoldoende mate heeft bereikt en onbekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een hoger leerjaar”. Deze beslissing wordt met een op 3 oktober 2008 aangetekend schrijven aan de ouders van verzoeker meegedeeld. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst XII-5580-12\22 dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 3.
- Verzoeker doet gelden dat hij enkel door de schorsing van de bestreden beslissing mogelijk nog de studies in het tweede jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde kan aanvatten zonder een schooljaar te verliezen. Hij wijst op de vaste rechtspraak van de Raad van State, die in het dreigend verlies van een schooljaar en het maximaal inperken van de dreigende leerachterstand de besproken schorsingsvoorwaarden vervuld ziet. Hij brengt ook nog een schrijven bij van een andere school, die zich bereid verklaart verzoeker alsnog in het hogere leerjaar in te schrijven indien hij op korte termijn een A-attest kan voorleggen. Verwerende partij werpt tegen dat verzoeker niet de vereiste spoed heeft getoond om zich nog nuttig op de uiterst dringende noodzakelijkheid te mogen beroepen. Het nadeel is volgens haar ook niet gerealiseerd, want verzoeker volgt blijkbaar reeds het tweede leerjaar van de derde graad. 3.
- De bestreden beslissing is op vrijdag 3 oktober 2008 aangetekend verstuurd. Aangenomen dat verzoeker deze heeft ontvangen op maandag 6 oktober 2008, kan hem moeilijk een gebrek aan spoed en diligentie worden verweten, nu hij het voorliggend verzoekschrift reeds op 10 oktober 2008 per faxbericht heeft ingediend bij de Raad van State. Het verweer als zou verzoeker al de lessen volgen in het tweede jaar van de derde graad berust op een verkeerde lezing van het verzoekschrift, en wordt alleszins niet aangetoond. Verzoeker mag zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen : aan de besproken voorwaarden is voldaan. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Uiteenzetting van de partijen XII-5580-13\22
- Verzoeker put een enig middel uit de schending van de materiële en de formele motiveringsplicht, van artikel 5, §§ 5, 6, en 8 en artikel 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : het organisatiebesluit), van artikel 6.
- en 6.4.
- van het schoolreglement, van het redelijkheidsbeginsel en van de zorgvuldigheidsplicht, “Doordat, de motivering van de bestreden beslissing enkel is gesteund op de resultaten voor wiskunde. En doordat de bestreden beslissing zich bij de evaluatie van de resultaten voor wiskunde op een volstrekt eenzijdige lezing baseert op het verslag van 18 september 2008 van de door de Interne Beroepscommissie aangestelde Commissie ad hoc. Doordat deze Commissie immers geen eenduidig verslag heeft afgeleverd van de afgenomen examens. Doordat de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing van 2 oktober 2008, op basis van dezelfde argumenten weliswaar thans met een nipte meerderheid (7 stemmen voor een oriënteringsattest C, 6 stemmen voor en oriënteringsattest A) tot dezelfde conclusie is gekomen. Terwijl, de beslissing van de delibererende klassenraad beperkt is door de materiële motiveringsplicht. Terwijl volgens de artikelen 5 § 5 van dit Organisatiebesluit de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissing moet laten leiden door de concrete gegevens uit het dossier van de leerling en dat dit dossier de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen dient te bevatten. En terwijl artikel 5 §6 en 8 van het Organisatiebesluit de verplichting oplegt aan de delibererende klassenraad om een synthese te geven van de elementen die tot de beslissing hebben geleid en de beslissing afdoende te motiveren. Terwijl artikel 57 van het Organisatiebesluit het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden acht aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of geheel van de vorming. Terwijl, bovendien de delibererende klassenraad is gebonden door de bepalingen vervat in het schoolreglement en dat artikel 6.
- onder het hoofdstuk ‘evaluatie’ vermeldt dat de oefeningen, het persoonlijk werk, de resultaten van de overhoringen de leerhouding -zoals de inzet in de les, de medewerking aan opdrachten- en de inzet bij groepswerk nauwgezet worden gevolg en beoordeeld. Terwijl artikel 6.4.
- uit het Schoolreglement een Oriënteringsattest definieert als een ‘schriftelijke verklaring over je al dan niet geslaagd zijn voor het geheel van je vorming’. Zodat, de bestreden beslissing door enerzijds te verwijzen naar het verslag van de Commissie ad hoc waarin zowel positieve als negatieve elementen naar voor worden gebracht en door anderzijds enkel te verwijzen naar de resultaten voor wiskunde zonder dat uit de bestreden beslissing kan blijken dat er rekening is gehouden met het globale studieresultaat van verzoeker voor het voorbije schooljaar, de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht de artikelen 5 §§5,6, 8 en 57 van het Organisatiebesluit en de artikelen 6.
- en 6.4.
- van het Schoolregelement schendt”. In de uitgebreide toelichting bij het middel overloopt verzoeker de motieven van de delibererende klassenraad, aangevend waarom hij ze niet XII-5580-14\22 draagkrachtig vindt. Onder meer betoogt hij dat geen rekening wordt gehouden met de positieve evolutie en het feit dat van de vijf oorspronkelijke tekorten er op het einde van het schooljaar slechts één overbleef, dat in de motivering “een zeer selectieve en derhalve vooringenomen selectie” is gemaakt uit het verslag van de commissie ad hoc, dat niet kan worden achterhaald waarom de klassenraad afwijkt van het advies waarnaar hij verwijst en bijvoorbeeld de visie van de leerkracht volgt, dat aan werkelijke vaststellingen van de commissie ad hoc voorbijgegaan wordt, dat enkel met de component wiskunde rekening is gehouden en andere concrete gegevens uit het dossier bij de evaluatie ontbreken, dat bijgevolg in strijd met het organisatiebesluit de andere vakken en het geheel van de vorming niet in overweging zijn genomen door de bestreden beslissing.
- Verwerende partij antwoordt dat de ouders zelf over nauwelijks iets anders hebben geschreven in de beroepsprocedure dan over het vak wiskunde, dat dan ook evident de focus in het dossier sterk is komen te liggen op dit vak, dat de klassenraad vooral met betrekking tot deze kwestie de beslissing heeft willen motiveren maar dat de motivering toch ruimer is dan verzoeker doet uitschijnen. De klassenraad houdt rekening met de gehele schoolloopbaan van verzoeker, waar hij verwijst naar het voorgaande jaar en de tekorten aldaar, en naar het verstrekte advies. Hij stelt ook een prospectieve benadering voorop en maakt een actuele stand van zaken waarin hij over de gehele opleiding spreekt. Verzoeker kent de basisvaardigheden van een hoofdvak onvoldoende om het volgend jaar aan te vatten. Duidelijk is in casu de motivering voor het toekennen van een C-attest voornamelijk gelegen in de bijzonder slechte resultaten voor het vak wiskunde. Dit geeft aan dat de leerling moeilijkheden heeft met de essentie van de richting en dus de nodige basisvaardigheden en kennis mist om met een kans op slagen een volgend jaar binnen dezelfde richting aan te vatten. Nu verzoeker gedurende het hele jaar meerdere tekorten liet optekenen en er ook op het einde van het jaar een tekort was en er voor verschillende vakken zwak werd gescoord, kan in deze feitelijke vaststelling reeds de motivering worden gevonden voor het toegekende attest. Beoordeling
- In tegenstelling tot wat verwerende partij betoogt, hebben de ouders van verzoeker wel degelijk in alle stadia van de administratieve beroepsprocedure ook als grief doen gelden dat de delibererende klassenraad enkel XII-5580-15\22 acht slaat op het vak wiskunde, niet kijkt naar het geheel van het dossier, geen rekening houdt met de opgehaalde tekorten in het bijzonder en de positieve evolutie in het algemeen. Dit is te lezen in de brief van 12 september 2008 aan de directie, in het bezwaarschrift van 18 september 2008 bij de beroepscommissie én in het proces-verbaal van de hoorzitting van 30 september 2008 voor de beroeps- commissie. Daarnaast formuleren zij omstandig kritiek op de beoordeling en evaluatie van het vak wiskunde. De beroepscommissie adviseert en later beslist de raad van bestuur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen omdat, eensdeels, de beslissing van 28 augustus 2008 onvoldoende gemotiveerd is en, anderdeels, vragen rijzen bij de moeilijkheidsgraad van het examen wiskunde. Verzoeker lijkt dan ook terecht te vragen dat de delibererende klassenraad in zijn eindbeslissing passend antwoord geeft op zowel zijn grief met betrekking tot specifiek het vak wiskunde als op zijn grief met betrekking tot de globale evaluatie. Zoals de Raad van State reeds bij herhaling heeft uiteengezet, is de door het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure maar zinvol als de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling worden betrokken en als er minstens een antwoord wordt gegeven op die bezwaren welke van aard zijn, mochten ze gegrond zijn, aan de leerling een kans te geven op een gunstiger resultaat. Even terecht herinnert verzoeker er aan dat hij uiteindelijk slechts voor één vak een jaartekort heeft en dat luidens artikel 57 van het organisatiebesluit, “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”. Die bepaling leert de Raad van State op het eerste gezicht dat de delibererende klassenraad wel zeer specifieke redenen moet hebben om een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet een C-attest te geven. Het is met name voor een dergelijke situatie geplaatst, dat de “delibererende” klassenraad de in zijn naam besloten opdracht in zijn volle omvang en met de grootste zorgvuldigheid moet uitoefenen. Die deliberatie -of beraadslaging- van de klassenraad vereist dat hij nagaat of, niettegenstaande dit mathematisch tekort, de andere in artikel 5 van het organisatiebesluit bedoelde XII-5580-16\22 gegevens van de betrokken leerling die voor één vak niet voldoet aan de gestelde normen, er van doen blijken of die leerling niettemin voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar.
- Luidens de notulering van de beslissing neemt de delibererende klassenraad tien elementen in overweging. Op het eerste gezicht hebben de nummers 3 tot 10 enkel betrekking op het vak wiskunde. De eerste twee elementen die in overweging zijn genomen door de klassenraad zijn de studiekeuze van verzoeker na het vierde jaar, tegen het advies in van de klassenraad, en de resultaten van verzoeker op de kerstexamens gepaard met het hernieuwde advies om van richting te veranderen. Daarna volgen zoals opgemerkt acht elementen louter met betrekking tot het examen wiskunde, om ten slotte tot het C-attest te besluiten “ondanks de positieve evolutie van zijn resultaten”. Die laatste vermelding volstaat niet, zo lijkt, om er van te doen blijken dat de delibererende klassenraad in zijn beoordeling ter dege de negatieve resultaten voor wiskunde heeft afgewogen tegenover de overige behaalde resultaten en tegenover de positieve evolutie waarbij verzoeker vier van de vijf tekorten heeft kunnen ophalen, rekening houdende ook met de niet tegengesproken vaststelling dat hij aldus beter deed dan de meeste klasgenoten aangezien de mediaan gedaald was. De uiteindelijke vooruitgang in de prestaties van verzoeker lijkt ook het belang van de hem eerder gegeven waarschuwingen -en dus van de eerste twee motieven- te relativeren. Bovendien lijkt de delibererende klassenraad in een situatie als de voorliggende, waar door de leerling slechts voor één vak niet is voldaan, specifiek te moeten verantwoorden waarom die ene onvoldoende doorslaggevend is, geplaatst tegenover de andere gegevens van het dossier, om toch een leerling te beschouwen als niet geslaagd voor het geheel van de vorming. Verwerende partij rekent in de nota voor de Raad van State wel uit hoeveel uur per week dit vak weegt, maar een dergelijke -of andere- redengeving lijkt in de motieven van de klassenraad zelf prima facie niet terug te vinden te zijn. De Raad van State verliest ook niet de evidentie uit het oog dat verzoeker de richting wetenschappen-wiskunde volgt, maar kan er ook niet omheen dat de klassenraad nalaat de eventuele gevolgtrekkingen in de beslissing te formuleren en af te wegen. XII-5580-17\22 XII-5580-18\22
- Wat dan specifiek de kritiek betreft over de moeilijkheidsgraad van het examen wiskunde, herinnert de Raad van State er aan dat hij geen beroepsinstantie is om over het al dan niet slagen van een leerling te oordelen. De Raad mag zich dan ook niet over die kritiek ten gronde uitspreken. Wel wordt vastgesteld dat verwerende partij een opmerkelijke en voorbeeldige inspanning heeft geleverd om deze klacht van verzoeker ernstig te onderzoeken, door de oprichting van een commissie van deskundigen. De Raad stelt vast dat deze commissie, met de woorden van verzoeker, grondig en evenwichtig is te werk gegaan en, met de woorden van verwerende partij, een indrukwekkend verslag heeft neergeschreven. Verzoeker heeft evenwel terecht kritiek bij de volgens hem te eenzijdige benadering vervolgens, door de klassenraad, van de in dit verslag opgenomen bevindingen. Zo is de commissie ad hoc van mening dat uit de puntenverdeling van de examens “een veel groter aandeel (dan 20%) in de evaluatie voor de verdieping en uitbreiding” blijkt. De klassenraad deelt die mening niet en “volgt [...] de visie van de leerkracht wiskunde die van mening is dat 78,75 % basisleerstof en 21,25 % verdieping-uitbreiding ondervraagd werd”. Waarom de klassenraad, die voor het overige verklaart het verslag van de commissie ad hoc te volgen, op dit element van het commissieverslag meent te kunnen afwijken en de leerkracht bijvalt is geenszins duidelijk. Ook lijkt hij voorbij te gaan aan de bedenking van de commissie ad hoc dat de bijkomende proef eerder naar het verworven zijn van basiskennis en -vaardigheden moet peilen, en dat dit te dezen niet het geval zou zijn geweest. Voor de andere elementen lijkt het commissieverslag ook genuanceerder dan de loutere lectuur van de bestreden beslissing van de delibererende klassenraad laat uitschijnen. De examens bevatten volgens de commissie vragen “waarin de complexiteit relatief hoog is”, de leerling is door de wijze van vraagstelling ook niet in staat de kennis van de routinematige elementen te tonen, de examens hebben een uitermate hoog rekengehalte wat vragen doet rijzen bij de voorziene tijd om ze op te lossen, de formulering van sommige vragen vertoont een relatief slordig taalgebruik, in de klas zijn er vijf scores onder de 50% en verzoeker behaalt het vierde laagste resultaat, er is een scheefgetrokken XII-5580-19\22 verhouding in de vraagstelling ten aanzien van het leerplan bestemd voor zes lestijden (55,6 % basis en 44,4 % verdieping, uitbreiding of vraag niet van een basismoeilijkheidsgraad), voor een bijkomende proef maar ook voor de jaarexamens zou in een gradatie een aantal inzichtelijke vragen gesteld moeten worden en het aantal complexe vragen is te groot in verhouding tot de meer rechtstreeks inzichtelijke vragen, die in het examen nauwelijks voorkomen. De Raad van State heeft met het voorgaande eenzijdig geplukt uit het verslag van de commissie ad hoc. Het ligt geenszins in zijn bedoeling hiermee de indruk te willen wekken dat deze bedenkingen van de commissie een groter, laat staan een doorslaggevend belang moeten hebben bij de finale afweging die immers aan de autonoom oordelende delibererende klassenraad toevalt. De Raad heeft enkel deze opmerkingen van de commissie vermeld, om aan te duiden dat ze te belangrijk lijken om er zonder meer aan voorbij te gaan. De klassenraad lijkt in zijn bespreking nochtans wel voorbij gegaan te zijn aan de gedeelten van het verslag over de moeilijkheidsgraad en over de verdieping en de uitbreiding. Het volstaat niet dat de delibererende klassenraad uit het verslag enkel puurt wat dienstig is om de moeilijkheidsgraad en de quotering van het examen te verantwoorden. Uit de motivering moet blijken dat de klassenraad het volledige verslag -en dus ook de ontegensprekelijk aanwezige punten van kritiek- in zijn beoordeling heeft betrokken én dat hij verantwoordt waarom hij dan bij zijn oordeel blijft dat de kritiek op het examen onterecht is. Dit lijkt de Raad van State van des te groter belang, nu het te dezen immers een geval betreft waar de leerling slechts één onvoldoende heeft behaald, met een totaalcijfer (46,3%) dat weliswaar duidelijk onvoldoende, maar ook weer niet zo vanzelfsprekend laag is dat er geen verdere woorden aan vuil gemaakt moeten worden en waarbij de leerling zelf uitdrukkelijk en terecht vraagt om deze onvoldoende af te wegen tegen zijn overige resultaten.
- Van een zorgvuldig delibererende klassenraad mocht verwacht worden dat hij om recht te doen aan de gerezen betwisting nagaat, het geheel van de vakken en de positieve evolutie van verzoekers prestaties overschouwend, of het ene tekort voor wiskunde -een vak dat inderdaad als belangrijk beschouwd mag worden in de door verzoeker gevolgde richting- gelet op de aard van het tekort mede in het licht van de bevindingen van de deskundigencommissie over de moeilijkheidsgraad, al dan niet te delibereren viel. Uit wat voorafgaat besluit de Raad van State dat dit op het eerste gezicht niet deugdelijk is gedaan, minstens dat die afweging niet deugdelijk in de motivering is veruitwendigd. XII-5580-20\22 Het middel is ernstig.
- Er is dan ook voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom
- Verzoeker vordert nog dat de Raad van State verwerende partij zou “bevelen tot het samenroepen van de delibererende klassenraad en tot het nemen van een beslissing binnen [...] drie dagen na het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 500 [euro] per dag voor iedere dag die de termijn van drie dagen overschrijdt”. De Raad van State heeft evenwel geen reden om aan te nemen dat verwerende partij in gebreke zou blijven om op korte termijn de bestreden beslissing te heroverwegen. De vordering wordt op dit punt afgewezen. Overigens ontbreekt in het verzoekschrift de bij artikel 25, tweede lid, 4/, van het procedurereglement kort geding voorgeschreven uiteenzetting van de feiten welke aantonen dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van verzoeker veilig te stellen, wat op zich reeds een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 oktober 2008 waarbij de over hem delibererende klassenraad van het Regina Caelilyceum te Dilbeek aan Dieter Herpol een oriënteringsattest C toekent. XII-5580-21\22 Artikel
- De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig oktober 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5580-22\22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.247 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.502 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.