id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.279 Rolnummer: A. 174220/XII-4802 Zaak: Arrest 187279 - Media - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.279 van 23 oktober 2008 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.279 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 174.220/XII-
- In zake :
- Jürgen VERSTREPEN,
- de BVBA BUSINESS CONCEPTS, CREATIONS AND VISUALISATIONS (BCC&V) die woonplaats kiezen bij advocaat D. Dedecker, kantoor houdende te Oostende, Wellingtonstraat 96 tegen : de VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jürgen Verstrepen en de BVBA BCC&V op 22 juni 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing 2006/02 van 21 april 2006 van de Vlaamse Regulator voor de Media; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. Barra; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4802-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. Barra; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Het Vlaams Commissariaat voor de Media (afgekort : VCM) start in de loop van mei 2005 ambtshalve een onderzoek naar aanleiding van een mededeling door het Vlaams Belang in de pers over een uitzending van de digitale radio-omroep VB
- Het VCM stuurt op 29 november 2005 een brief aan verzoekende partijen waarin het een aantal bevindingen formuleert en verzoekende partijen conform artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 houdende vaststelling van de procedure voor het Vlaams Commissariaat voor de Media en houdende aanvullende kwalificatiecriteria en voorwaarden voor de erkenning van particuliere radio-omroepen (hierna : procedurebesluit) uitnodigt binnen twee weken eventuele opmerkingen mede te delen. De mogelijkheid wordt geboden te verschijnen op een hoorzitting op 16 december
- Verzoekende partijen reageren met een brief van 12 december 2005 aan het VCM. Zij maken klaarblijkelijk geen gebruik van de mogelijkheid om gehoord te worden. 1.
- Op 16 december 2005 neemt het VCM de beslissing 2005/113, waarin hij concludeert tot het volgende : “- stelt in hoofde van Jurgen Verstrepen en BCC&V inbreuken vast op de artikelen 31, 35, en 54 § 1, eerste lid, 2/, van het Omroepdecreet; - legt, overeenkomstig artikel 172, §1, van het Omroepdecreet, een administratieve geldboete van 12.500 euro op, waartoe de gesanctioneerden hoofdelijk gehouden zijn; - maant de gesanctioneerden aan om zich te conformeren aan het Omroepdecreet, wat de uitzendingen via het internet betreft”. XII-4802-2/7 Bij de kennisgeving wordt verwezen naar de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen bij het VCM tegen deze beslissing, op grond van artikel 9 van het procedurebesluit. 1.
- Bij brieven van 2 januari 2006 dienen de verzoekende partijen bezwaar in bij het VCM tegen de beslissing van 16 december
- Op 2 maart 2006 schrijft de Vlaamse Regulator voor de Media (afgekort : VRM) aan de verzoekende partijen het volgende : “Op 4 januari 2006 heeft u een bezwaarschrift ingediend tegen beslissing nr. 2005/113 van 16 december 2005 van het Vlaams Commissariaat voor de Media. Ondertussen heeft de Vlaamse Regering op 10 februari 2006 beslist het decreet van 16 december 2005 houdende de oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Regulator voor de Media en houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, in werking te stellen met ingang van 10 februari
- Artikel 17 van bovengenoemd decreet bepaalt dat de Regulator alle rechten en plichten van het Vlaams Commissariaat voor de Media, de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie en de Vlaamse Kijk- en Luisterraad voor radio en televisie overneemt. In afwachting van een nieuw uitvoeringsbesluit en een nieuw reglement van orde zal de Regulator in een overgangsfase zoveel als mogelijk verder toepassing maken van de bestaande regelingen, i.c. het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 houdende de vaststelling van de procedure voor het Vlaams Commissariaat voor de Media en houdende aanvullende kwalificatiecriteria en voorwaarden voor de erkenning van particuliere radio- omroepen en het reglement van orde van het Vlaams Commissariaat voor de Media van 22 april
- In het kader van het ingediende bezwaarschrift wordt u door de Vlaamse Regulator voor de Media uitgenodigd om te worden gehoord. Deze hoorzitting zal doorgaan op vrijdag 17 maart 2006 om 13 uur op de zetel van de Vlaamse Regulator voor de Media. Plaats: Koning Albert II-laan 7, derde verdieping, 1210 Brussel”. De hoorzitting van 17 maart 2006 grijpt plaats waarbij verzoekende partijen ditmaal gebruik maken van de mogelijkheid om gehoord te worden. 1.
- Met een brief van 24 april 2006 wordt de thans bestreden beslissing nr. 2006/002 van 21 april 2006 aan verzoekende partijen betekend door de VRM. XII-4802-3/7 In deze beslissing vermeldt de VRM dat een bezwaarschrift overeenkomstig artikel 9, § 2, 4/, van het procedurebesluit “de aangevoerde middelen [moet] vermelden, die betrekking moeten hebben op nieuwe elementen of op middelen waarop het Commissariaat (sedert 10 februari 2006 de Regulator) in zijn beslissing niet of onvoldoende heeft geantwoord”. De bezwaren van verzoekende partijen worden dan, voor zover ze ontvankelijk zijn, op één na weerlegd. Uiteindelijk besluit de VRM tot bevestiging van de beslissing nr. 2005/113 van 16 december 2005 van het VCM en tot enkele kleine, hier niet relevante wijzigingen aan deze beslissing ingevolge het ene, wel gegrond bevonden bezwaar. De gegrondheid van het beroep Voorafgaande opmerking
- Tweede verzoekende partij vraagt de Raad van State om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over het decreet van 16 december 2005 waarbij de VRM is opgericht. Die vraag zou inhoudelijk moeten overeenstemmen met het annulatieberoep dat reeds rechtstreeks door eerste verzoeker aanhangig werd gemaakt bij dit Hof. Minstens kan het arrest van het Grondwettelijk Hof worden afgewacht, zo vraagt tweede verzoekende partij. Dat laatste is ondertussen ook het geval : bij arrest nr. 14/2007 van 17 januari 2007 is verzoekers beroep door het Grondwettelijk Hof verworpen. Zoals de verzoekers toegeven in de memorie van wederantwoord, vervalt het belang bij de prejudiciële vraag wanneer over het beroep door het Grondwettelijk Hof uitspraak is gedaan. De Raad begrijpt dat de verzoekende partijen niet meer aandringen op de prejudiciële vraagstelling. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voeren verzoekers aan dat er een schending is van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stellen dat in de mate dat de argumentatie van eerste verzoeker door het Grondwettelijk Hof “niet zou worden XII-4802-4/7 weerhouden”, er dan toch minstens een inbreuk gemaakt wordt op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wanneer de VRM geacht wordt een onpartijdig oordeel te vellen doch tevens rechtstreeks in zijn werkingsmiddelen moet voorzien door de zelf op te leggen administratieve geldboeten. Zelfs indien er geen partijdigheid is, is er een schijn van partijdigheid. Beoordeling
- Een wettelijke regeling primeert op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Welnu, wat verzoeker aanklaagt is rechtstreekse kritiek op wat uitdrukkelijk is vervat in de artikelen 176 en 176quinquies van het decreet van 16 december 2005 houdende de oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Regulator voor de Media en houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart
- In de mate waarin het aangevoerde beginsel van onpartijdigheid ook opgevat moet worden als de uitdrukking van hogere rechtsnormen, moet worden opgemerkt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft over decreten. Ten overvloede mag worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof de door verzoekers gewenste toets wél heeft uitgevoerd in zijn arrest nr. 14/
- Het middel is onontvankelijk. Tweede en derde middel Uiteenzetting van de middelen 6.
- In een tweede middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 17 en 18 van het decreet van 16 december 2005 doordat de bestreden beslissing stelt dat “in afwachting van een nieuw uitvoeringsbesluit en een nieuw reglement van orde in een overgangsfase zoveel als mogelijk verder toepassing wordt gemaakt van de bestaande regelingen” terwijl in het decreet geen overgangsbepalingen zijn opgenomen die stellen dat de VRM in afwachting van een nieuw uitvoeringsbesluit andere bestaande regelingen kan toepassen en het decreet zelfs het bepalen van het procedurereglement uitdrukkelijk voorbehoudt aan de Vlaamse regering. XII-4802-5/7 6.
- In een derde middel voeren verzoekers de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de rechten van verdediging doordat de bestreden beslissing stelt dat “in afwachting van een nieuw uitvoeringsbesluit en een nieuw reglement van orde in een overgangsfase zoveel als mogelijk verder toepassing wordt gemaakt van de bestaande regelingen” terwijl van een rechtsprekend orgaan mag worden verwacht dat het beschikt over een reglement van orde en dat het hieromtrent niet improviseert of regelingen van andere niet- gespecificeerde organen overneemt. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat de bij het VCM bestaande bezwaarregeling bij de inwerkingtreding van de regels betreffende de VRM is afgeschaft, dat immers anders dan voorheen onder vigeur van (het toenmalige artikel 169, § 1, eerste lid, van) de gecoördineerde mediadecreten ingevolge de wijziging bij het decreet van 16 december 2005 in (thans artikel 170, § 5, van) de gecoördineerde mediadecreten geen sprake meer is van een beroepsmogelijkheid, dat de VRM de rechtsopvolger is van het VCM met inbegrip van de hangende procedures, dat niettegenstaande de afschaffing van de beroepsprocedures aan verzoeker toch een tweede kans is gegeven om zijn zaak te bepleiten voor de VRM, dat verzoeker nooit op een verkeerd been is gezet door de VRM maar correct is ingelicht over de werkwijze die de VRM zich voornam te volgen, dat verzoeker inconsequent is omdat zijn grieven impliceren dat hij over géén administratieve beroepsprocedure kon beschikken, dat hij er niettemin gebruik van heeft gemaakt zonder evenwel de wettigheid ervan in vraag te stellen bij de VRM, dat uiteindelijk de opgelegde sanctie niet is verhoogd en verzoeker alvast ook geen nadeel ondervond, dat hij blijkens al deze vaststellingen zonder belang verklaard moet worden bij zijn middelen en dat de middelen bijgevolg onontvankelijk zijn.
- Verzoekers laten na in de laatste memorie ook maar de minste poging te ondernemen om te repliceren op het auditoraatsverslag en om, meer bepaald, aan te tonen dat zij wel degelijk belang zouden hebben bij een nietigverklaring op grond van de besproken middelen. De Raad van State ziet in de gegeven omstandigheden geen reden om niet het auditoraat bij te vallen en stelt vast dat het tweede en het derde middel bij gebrek aan belang onontvankelijk zijn. XII-4802-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4802-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.