← België

Arrest 187280 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.280 Rolnummer: Zaak: Arrest 187280 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-21 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.280 van 23 oktober 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.280 van 23 oktober 2008 in de zaken A. 147.987/XII-

  1. (I) A. 150.219/XII-
  2. (II) In zake : Patsy SLABBAERT, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : I. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JOOST-TEN-NODE, dat woonplaats kiest bij advocaten J. Bouckaert en J. Goris, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
  3. II. de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPS- COMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bourtembourg, kantoor houdende te 1060 Brussel, Zwitserlandstraat
  4. tussenkomende partij : II. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JOOST-TEN-NODE, dat woonplaats kiest bij advocaten J. Bouckaert en J. Goris, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patsy Slabbaert op 24 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- het besluit dd. 29 januari 2004 van het O.C.M.W. van SINT-JOOST-TEN- NODE waarbij is beslist om mevrouw SLABBAERT bij wege van tuchtsanctie van ambtswege te ontslaan als ontvanger van het O.C.M.W. van SINT-JOOST- TEN-NODE, met ingang van 29 januari 2004; - en de in dit besluit uitgedrukte beslissing dd. 29 januari 2004 tot weigering van het verzoek van mevrouw SLABBAERT om de vraag om ontslag bij hoogdringendheid te behandelen op de hoorzitting van 22 januari 2004 en het XII-4935-1/50 ontslag te aanvaarden met ingang van 1 oktober 2003, als zijnde een impliciete weigering van het ingediende ontslag” (zaak A.147.987); Gelet op het arrest nr. 132.385 van 14 juni 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien het verzoekschrift dat Patsy Slabbaert op 31 maart 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “het besluit dd. 9 maart 2004 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie houdende de goedkeuring van het besluit dd. 29 januari 2004 van het O.C.M.W. van SINT-JOOST-TEN- NODE waarbij is beslist om mevrouw SLABBAERT bij wege van tuchtsanctie van ambtswege te ontslaan als ontvanger van het O.C.M.W. van SINT-JOOST- TEN-NODE, met ingang van 29 januari 2004” (zaak A.150.219); Gelet op het arrest nr. 135.870 van 11 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst in de zaak A.150.219 van 23 december 2004; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de tussenkomst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-Ten-Node toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien het verslag over de beide zaken, opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; XII-4935-2/50 Gelet op de beschikkingen van 9 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 17 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Eyskens, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Bouckaert, die verschijnt voor het OCMW van Sint-Joost-ten-Node; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaken 1.
  6. Verzoekster is sedert 1 januari 1998 ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Sint-Joost-ten-Node. Zij bekleedt er een voltijdse betrekking en is vast benoemd. 1.
  7. Op 23 augustus 2001 stemt de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node in met de vraag van verzoekster om haar ambt van ontvanger van het OCMW te mogen cumuleren met het ambt van schatbewaarder bij de regie voor stadsvernieuwing van Sint-Joost-ten-Node. Op 19 oktober 2002 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn zijn instemming met deze cumulatie te hernieuwen voor een periode van zes maanden. XII-4935-3/50 1.
  8. Op 15 januari 2003 licht verzoekster de voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn mondeling in over een nakende benoeming als bijzonder rekenplichtige van de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten- Node. Volgens verzoekster heeft zij op dat ogenblik ook mondeling om haar ontslag gevraagd; verwerende partij betwist dit. Vervolgens schrijft verzoekster op 31 januari 2003 aan de voorzitster : “Op datum van 28 januari 2003 heeft de Politieraad van de Politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node me aangesteld als Bijzonder Rekenplichtige met de bedoeling dat ik deze functie voltijds zou uitoefenen (de beslissing volgt zodra ik deze ontvangen heb). Daarom zou ik u willen verzoeken om in mijn vervanging, als ontvanger bij het OCMW Sint-Joost-ten-Node, te voorzien zodat ik deze functie binnen een redelijke termijn kan opnemen. In de tussentijd, en dit vanaf 16 januari 2003, ben ik gevorderd om deze functie naast mijn taak van ontvanger op te nemen”. Met een brief van 10 februari 2003 antwoorden de voorzitster en de secretaris van het OCMW aan verzoekster dat zij de functie van bijzonder rekenplichtige van de voornoemde politiezone kan uitoefenen zodra zij haar ontslag heeft ingediend en de eindrekening heeft afgesloten en haar ontslag door de raad voor maatschappelijk welzijn is aanvaard. Zij voegen hieraan toe dat de raad voor maatschappelijk welzijn haar ontslag zal aanvaarden “in alle logica [...] nadat de noodzakelijke maatregelen genomen zijn om in [haar] vervanging te voorzien”. Zij wijzen verzoekster er voorts op dat zij zonder toestemming van de raad voor maatschappelijk welzijn geen bijkomende functie mag uitoefenen en dat de cumulatie-toestemming die de raad haar het laatst heeft verleend, slechts voor zes maanden geldt en alleen betrekking heeft op haar ambt van schatbewaarder bij de regie voor stadsvernieuwing van Sint-Joost-ten-Node. Op 11 maart 2003 schrijft verzoekster aan de voorzitster : “Aansluitend op mijn schrijven van 31 januari 2003 en in antwoord op uw schrijven van 10.02.2003 wil ik de Raad voor Maatschappelijk Welzijn verzoeken, in toepassing van artikel 13 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief statuut van de secretarissen en ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, mij toe te staan om mijn ambt van OCMW-ontvanger te cumuleren met het ambt van Bijzonder Rekenplichtige bij de Politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node. XII-4935-4/50 Gezien het feit dat ik op termijn deze laatste taak voltijds wens uit te oefenen en dat de Politieraad van 25.02.2003 me in een voltijds ambt aanstelt van zodra ik me kan vrijmaken en gezien het feit dat de voordien aangestelde Bijzonder Rekenplichtige in zowel voor zijn hoofdambt als voor deze taak zijn pensioen heeft aangevraagd, en gekregen, leek het de verantwoordelijken van de Politiezone niet meer dan logisch me tijdelijk voor dit ambt in bijberoep aan te stellen, in toepassing van artikel 30 van de wet van 7 december
  9. Mijn bijkomende functies bij de Regie voor Stadsvernieuwing zijn ondertussen ten einde, enerzijds daar de periode van zes maanden afgelopen is, anderzijds daar ik de Gemeente verzocht heb me van mijn taken te ontheffen. Ik hoop dat er zodoende geen bezwaren meer zijn om mijn overstap naar de Politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node op de meest harmonieus mogelijke manier te laten verlopen”. 1.
  10. Eveneens op 11 maart 2003 zenden de voorzitter en de secretaris van de politieraad van de zone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node naar de voorzitster van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node een afschrift van een besluit van 25 februari 2003 van de politieraad, naar luid waarvan verzoekster wordt aangeworven als financieel verantwoordelijke en dit besluit uitwerking zal hebben zodra verzoekster effectief in dienst treedt. 1.
  11. Op 20 maart 2003 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn “de aanvraag [van verzoekster] voor bijkomende prestaties niet te aanvaarden”, gelet op het raadsbesluit van 19 oktober 2002 waarbij een gelijkaardige aanvraag slechts werd ingewilligd voor zes maanden “om de continuïteit van de dienst ontvangerij te vrijwaren” en gelet op “de achterstand opgelopen bij de recuperatie” en “de afsluitingen van de rekeningen 2001-2002 en het maken van de eindafrekening”. Met een brief van 25 maart 2003 stellen de voorzitster en de secretaris van het OCMW verzoekster in kennis van dit besluit tot afwijzing van haar cumulaanvraag. 1.
  12. Verzoekster schrijft op 31 maart 2003 aan de voorzitster : “Aansluitend bij mijn brieven van 31 januari 2003 en 11 maart 2003 wil ik u verzoeken [mij] mijn ontslag te verlenen uit mijn funktie van ontvanger bij het OCMW, daar ik een voltijds ambt kan opnemen bij de politiezone
  13. Ik kan u verzekeren dat het geenszins mijn bedoeling is op mijn stappen terug te keren. Ik begrijp hierbij heel goed uw voorwaarden -het in orde brengen van de achterstand in de rekeningen, waarbij ik toch een kanttekening wil maken dat deze achterstand niet aan mij gelegen is- en ik geef er me rekenschap van dat u me geen ontslag kunt verlenen zolang niet in mijn vervanging is voorzien. Ik zou het evenwel op prijs stellen indien de gehele procedure zo harmonieus mogelijk, en tegelijkertijd zo snel mogelijk, zou kunnen afgehandeld worden”. XII-4935-5/50 1.
  14. Op 6 juni 2003 stelt verzoekster een verslag op voor de voorzitster in verband met de stand van de terugvorderingen. Tevens rapporteert zij over de werksituatie op de ontvangerij, de werkoverlast en het tekort aan personeel. Met een nota van 30 juni 2003 ontlast de voorzitster verzoekster van een aantal taken “opdat [zij] zich zou kunnen algeheel toeleggen op [haar] wettelijke taken”. Zij stelt voorts dat “de terugvorderingen bij de Belgische staat [...] zo vlug mogelijk [moeten] gebeuren zodat [verzoekster] op [haar] beurt de rekeningen zou kunnen afsluiten in alle transparantie”. Zij vraagt verzoekster haar regelmatig op de hoogte te brengen van “de staat van vooruitgang van de jaarlijkse rekeningen, de genomen maatregelen om de verjaring te stuiten en van al de moeilijkheden die [zij] ondervindt”. Met een nota van 14 augustus 2003 antwoordt verzoekster op een schriftelijke vraag van de voorzitster naar nadere informatie over de verjaring of invorderbaarheid van sommige schuldvorderingen. Op 1 september 2003 deelt de voorzitster aan verzoekster mede dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 21 augustus 2003 heeft beslist haar een verslag te vragen over de maatregelen die zij heeft genomen om de verjaring te stuiten. Op 4 september 2003 vraagt de voorzitster aan verzoekster “alle nodige maatregelen te nemen opdat de rekening 2001 in de kortst mogelijke tijd zou kunnen afgesloten worden”. Met betrekking tot de vastgestelde rechten ouder dan vijf jaar, vraagt zij welke verjaard zijn, welke stappen werden ondernomen om de verjaring te onderbreken en onder welke vorm deze bedragen zullen worden opgenomen in de rekening van het jaar
  15. 1.
  16. Nadat haar door de voorzitter en de secretaris van de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node is gevraagd naar haar intenties wat de te begeven betrekking van financieel verantwoordelijke betreft en haar is gemeld dat het politiecollege heeft besloten dat zij nog tot 30 september 2003 in dienst kan treden, waarna zij zal worden geacht de voormelde betrekking te weigeren, schrijft verzoekster op 13 september 2003 aan de voorzitster van het OCMW : “Eind januari 2003 heb ik u, eerst mondeling en dan schriftelijk, mijn ontslag aangeboden. Ik heb u toen verzocht om binnen een redelijke termijn in XII-4935-6/50 mijn vervanging als ontvanger van het OCMW te voorzien, zodat ik mijn nieuwe functie, bij de Politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-ten-Node, zou kunnen opnemen. Dit verzoek heb ik u moeten herhalen eind maart 2003 waarbij ik u bovendien opnieuw vroeg de procedure van mijn vervanging zo snel mogelijk af te handelen. Ik moet echter heden vaststellen dat nog geen enkele stap is gezet om in mijn vervanging te voorzien. Zodoende heb ik mijn toekomstig werkgever geen enkele betrouwbare datum kunnen opgeven waarop ik mijn nieuwe functie kan bekleden. Deze heeft daarom zelf een ultimatum gesteld [...], ervan uit gaande dat acht maanden (februari - september) een redelijke termijn is. Daar ik zeker deze nieuwe betrekking niet wil mislopen wil ik u dus hierbij melden dat ik mijn functie als ontvanger bij het OCMW niet langer kan uitoefenen dan tot en met 30 september
  17. Ik verzoek u dus de persoon aan te duiden die mij zal vervangen en aan wie ik mijn eindafrekening moet richten. Het spreekt vanzelf dat ik verantwoordelijk blijf voor alle rekeningen tot en met deze datum en ik heb aldus met mijn toekomstig werkgever afgesproken dat ik alle kansen zal krijgen om deze rekeningen op te maken”. De voorzitster antwoordt met een brief van 17 september 2003 dat verzoekster niet naar eigen goeddunken haar functies kan neerleggen, maar daarbij rekening moet houden met de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna “de OCMW-wet” genoemd) en haar uitvoeringsbesluiten. Zij voegt eraan toe dat duidelijk werd afgesproken dat verzoekster om van haar functies bij het OCMW ontheven te kunnen worden, een eindrekening moet opstellen, wat impliceert dat zij ook de rekeningen over de dienstjaren 2001 en 2002 nog moet opstellen. De voorzitster wijst erop dat, tenzij verzoekster zou aanwijzen welke wettelijke regelingen haar het recht verlenen haar functies op 30 september 2003 stop te zetten, haar afwezigheid vanaf 1 oktober 2003 beschouwd zal worden als “een ongeoorloofd verlaten van [haar] functie, met alle disciplinaire gevolgen eraan verbonden”. 1.
  18. Met een aangetekende brief van 30 september 2003 zet de raadsman van verzoekster aan de raad voor maatschappelijk welzijn uiteen dat naar zijn mening de tegenwerking van het OCMW met betrekking tot de uitvoering van de benoeming van zijn cliënte in de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten- Node “volstrekt ongegrond” is. XII-4935-7/50 1.
  19. Vanaf 1 oktober 2003 blijft verzoekster op het OCMW afwezig en vat zij haar werkzaamheden aan als financieel verantwoordelijke van de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node. 1.
  20. Met een aangetekende brief van 10 oktober 2003 delen de voorzitster en de secretaris van het OCMW aan verzoekster mede dat het vast bureau op 16 oktober 2003 bij hoogdringendheid zal samenkomen om zich te beraden over haar eventuele preventieve schorsing; dat haar overeenkomstig het voorschrift van artikel 314, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet de mogelijkheid wordt geboden om op 20 oktober 2003 door het vast bureau te worden gehoord, maar dat zij zich, desgevallend, ook reeds op 16 oktober 2003 voor verhoor door het vast bureau kan aanbieden; dat de schorsing wordt opgelegd om de aanstelling van “een ontvanger ad interim” mogelijk te maken, evenals het nemen van “de noodzakelijke bewarende maatregelen [...] voor de opstelling van de eindrekening”. 1.
  21. Eveneens met een aangetekende brief van 10 oktober 2003 roepen de voorzitster en de secretaris verzoekster op om op 30 oktober 2003 door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord met het oog op het opleggen van een tuchtmaatregel, “meer bepaald de afzetting, zoniet het ambtshalve ontslag”. De volgende feiten worden aan verzoekster ten laste gelegd : “1/ het uitoefenen van de deeltijdse functie van bijzonder rekenplichtige in de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-Ten-Node, zonder hiervoor over de vereiste toelating van het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten-Node te beschikken overeenkomstig artikel 13 van het K.B, van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S. 17 augustus 1993) en zonder het O.C.M.W. hierover in te lichten; Niettegenstaande uw aanvraag tot cumul dd. 11 maart 2003 werd geweigerd bij beslissing van de raad dd. 20 maart 2003, heeft u toch de deeltijdse functie van bijzonder rekenplichtige in bijberoep opgenomen en uitgeoefend. Dit is manifest in strijd met artikel 13 van voormeld K.B. dd. 20 juli
  22. Aangezien uw aanvraag tot ontslag slechts dateert van 30 maart 2003 kan immers niet worden betwist dat u ten tijde van de aanvraag tot cumul nog voltijds ontvanger was bij het O.C.M.W. en toelating diende te bekomen van het O.C.M.W. om deze functie in bijberoep te kunnen uitoefenen. 2/ het afleggen van de eed als bijzonder rekenplichtige bij de politiezone Schaarbeek-EvereSint-Joost-ten-Node, zonder toelating van het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten-Node om deze functie effectief uit te oefenen in bijberoep en zonder het O.C.M.W. hierover in te lichten; Het afleggen van de eed als bijzonder rekenplichtige bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-Ten-Node, niettegenstaande de cumul van deze deeltijdse functie werd geweigerd, is onwettig. Tevens hebt u nagelaten het O.C.W.W. hiervan in te lichten. XII-4935-8/50 3/ het uitoefenen van de voltijdse functie van financieel verantwoordelijke bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-Ten-Node, zonder vooraf- gaandelijk uw ontslag te hebben verkregen als ontvanger bij het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten-Node, dan wel toestemming te hebben verkregen tot cumul; Aangezien uw ontslag bij het O.C.M.W. niet werd aanvaard, bent u nog steeds ontvanger bij het O.C.M.W. en dient u toelating tot cumul te vragen aan het O.C.M.W. teneinde de functie van financieel verantwoordelijke bij de politie- zone te kunnen opnemen. 4/ het afleggen van de eed als financieel verantwoordelijke bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-Ten-Node, zonder het O.C.M.W. Sint-Joost-Ten- Node hierover in te lichten, laat staan hiervoor toelating te hebben gevraagd aan en bekomen van het O.C.M.W.; Aangezien u nog steeds voltijds ontvanger bent bij het O.C.M.W., had u toelating moeten vragen aan het O.C.M.W. om deze functie te mogen cumuleren met de betrekking van financieel verantwoordelijke bij de politiezone. Bij ontstentenis van dergelijke toelating was u niet gerechtigd dit ambt te aanvaarden en daarvoor de eed af te leggen. 5/ het neerleggen van het ambt als ontvanger bij het O.C.M.W. Sint-Joost- Ten-Node, zonder dat er een vervanger is geïnstalleerd zoals bepaald door artikel 82, § 1 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (B.S. 5 december 1995); Het aanvaarden van twee benoemingen bij de politiezone Schaarbeek-Evere- Sint-Joost-Ten-Node betekent niet dat u uw functie van ontvanger bij het O.C.M.W. niet langer moet uitoefenen. U dient namelijk uw eerdere benoeming als ontvanger, met alle wettelijke en statutaire verplichtingen die daaraan verbonden zijn, te respecteren”. 1.
  23. Op 16 oktober 2003 besluit het vast bureau verzoekster preventief te schorsen, zonder dat deze zich voor verhoor heeft aangeboden. Dezelfde dag nog bekrachtigt de raad voor maatschappelijk welzijn deze preventieve schorsing en besluit hij aan verzoekster de aanstelling van een deskundige voor te stellen voor het opstellen van de opgave en de eindrekening, overeenkomstig de artikelen 82, § 2, en 83, § 3, van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna “het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College” genoemd). Tevens stelt de raad voor maatschappelijk welzijn een waarnemende ontvanger aan. Na verzoekster en haar raadslieden te hebben gehoord, bevestigt het vast bureau op 20 oktober 2003 deze preventieve schorsing. XII-4935-9/50 Ook op 20 oktober 2003 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dat het OCMW van Sint-Joost-ten-Node een aanwervingsexamen voor de betrekking van ontvanger organiseert. De raad voor maatschappelijk welzijn bekrachtigt op 23 oktober 2003 het besluit van het vast bureau in verband met de preventieve schorsing van verzoekster. Verzoekster stelt tegen de haar bij de besluiten van 16 en 20 oktober 2003 van het vast bureau opgelegde preventieve schorsing en de bekrachtiging daarvan, respectievelijk op 16 en 23 oktober 2003 door de raad voor maatschappelijk welzijn, een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, dat ter griffie is ingeschreven onder het rolnummer A.144.
  24. 1.
  25. Op 30 oktober 2003, 20 november 2003 en 22 januari 2004 wordt verzoekster, telkens bijgestaan door een raadsman, in het kader van de tegen haar ingeleide tuchtprocedure gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn. De vraag van verzoekster om de voorzitster te wraken wordt telkens afgewezen. Ook wordt niet ingegaan op de vraag van verzoekster om de voorzitster als getuige te horen, evenmin als op de vraag van verzoekster om alsnog een beslissing te nemen over het door haar ingediende ontslag. Op 29 januari 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster bij tuchtmaatregel met ingang van die dag van ambtswege te ontslaan. Dit besluit steunt inzonderheid op de volgende overwegingen : “[...] Overwegende dat de in de oproepingsbrief vermelde ten laste gelegde feiten in de hierna volgende mate door de Raad bewezen worden geacht, en aldus na beoordeling van de feiten en bezwaren van mevrouw Slabbaert aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtmaatregel in de hierna volgende mate; Overwegende dat mevrouw Slabbaert en haar raadslieden zich verweren tegen de voorgenomen tuchtmaatregel van afzetting, zo niet ontslag van ambtswege;
  26. OMDAT er geen tuchtsanctie zou kunnen worden uitgesproken ten aanzien van mevrouw Slabbaert, aangezien zij sinds 1 oktober 2003 geen lid meer zou zijn van het statutair personeel van het OCMW, en dit op grond van het feit dat mevrouw Slabbaert vrijwillig ontslag zou hebben genomen, en subsidiair omwille van het feitelijke vertrek van mevrouw Slabbaert als ontvanger van het OCMW per 1 oktober 2003; het OCMW nog steeds geen beslissing zou hebben genomen over het aangeboden ontslag, door het foutief handelen van de voorzitter van het OCMW, die op eigen houtje zou hebben gehandeld, zonder XII-4935-10/50 de bevoegde instanties te informeren, en partij zou zijn bij het geschil zodat de voorzitter niet aan de beraadslagingen zou kunnen deelnemen en met andere woorden gewraakt dient te worden; mevrouw Slabbaert om een eensluidend verklaard afschrift verzoekt van de notulen van de OCMW-Raad en gebeurlijk van het Vast Bureau die over de wraking van de voorzitter beslist; Overwegende echter dat deze bezwaren niet gegrond zijn aangezien : 1/ de ontslagbrief van mevrouw Slabbaert niet dateert van 31 januari 2003 maar van 31 maart 2003; uit de brief van 31 januari 2003 met name niet ondubbelzinnig blijkt of mevrouw Slabbaert de functie van bijzonder rekenplichtige vanaf 16 januari 2003 voltijds dient uit te oefenen, dan wel deeltijds, laat staan welk percentage de deeltijdse opdracht zou beslaan; het overigens nooit de bedoeling was dat mevrouw Slabbaert de functie van bijzonder rekenplichtige op voltijdse basis zou uitoefenen; de brief van 11 maart 2003 enkel een verzoek tot toelating inhoudt om de functie van ontvanger te mogen cumuleren met deze van bijzonder rekenplichtige, met de loutere mededeling dat mevrouw Slabbaert deze functie op termijn voltijds wil uitoefenen, dat zij in de politiezone zal worden aangesteld zodra zij zich kan vrijmaken en dat zij intussen voor dit ambt in bijberoep wordt aangesteld; de uitdrukking van de hoop op een vlotte overstap naar de politiezone niet kan worden aanzien als een aanbieden van ontslag; het niet voor niets was dat de voorzitter van het OCMW mevrouw Slabbaert om een verduidelijking van haar bedoelingen heeft verzocht; het verbod om iemand in dienstbaarheid of slavernij te houden niet belet dat de beëindiging van een betrekking aan bepaalde voorwaarden kan worden onderworpen; dat dit met name geldt voor ambtenaren, waar het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst rechtvaardigt dat een ontslag niet eenzijdig kan worden gegeven, doch onderworpen is aan bepaalde voorwaarden; noch de organieke OCMW-wet, noch het Regentsbesluit van 10 februari 1945 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, noch het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 oktober 1995 houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, noch het koninklijk besluit van 20 januari 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn het een ontslagnemende ontvanger mogelijk maken zijn ambt neer te leggen vóór zijn opvolger is geïnstalleerd, zonder de opgave te hebben opgesteld voorzien in artikel 82 van het besluit van het Verenigd College van 26 oktober 1995 en zonder een eindrekening te hebben opgemaakt, wat, in casu, impliceert voorafgaand de rekeningen van het begrotingsjaar 2001 en het begrotingsjaar 2002 te hebben opgemaakt overeenkomstig artikel 71 tot 76 van hetzelfde besluit van het Verenigd College; het derhalve geen kwestie is van een redelijke termijn die de betrokken ambtenaar bij zijn eenzijdige opzegging zou moeten geven aan de dienst die hij verlaat, maar van het vervullen van bepaalde verplichtingen; dat de ontstentenis van uitdrukkelijke aanvaarding van het ontslag binnen een redelijke termijn dan ook niet kan worden aanzien als een impliciete aanvaarding; alles wat kon worden gedaan door de diverse organen van het OCMW om deze verrichtingen in de kortst mogelijke termijnen tot een goed einde te brengen, werd gedaan en dat de vastgestelde vertragingen niet aan het OCMW kunnen worden toegeschreven; het OCMW zich als dusdanig geenszins verzet tegen het vertrek van mevrouw Slabbaert, doch dat het enkel niet akkoord kan gaan met de modaliteiten ervan, nu de voorwaarden om op wettige wijze een einde te stellen aan de betrekking van ontvanger bij het OCMW niet zijn vervuld; XII-4935-11/50 mevrouw Slabbaert bovendien slechts betwist herhaaldelijk te zijn herinnerd aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden van haar vertrek, eens zij door de politiezone wordt aangemaand om haar functie op te nemen en wel bij schrijven van haar raadslieden van 30 september 2003; mevrouw Slabbaert voordien deze wettelijke en reglementaire verplichtingen niet heeft betwist; het uiteraard niet volstaat ontslagnemend te zijn om zonder meer zijn ambt te kunnen neerleggen; 2/ het feitelijke vertrek van mevrouw Slabbaert per 1 oktober 2003 evenmin kan leiden tot definitieve wettige ambtsneerlegging, nu artikel 82 van het besluit van het Verenigd College van 26 oktober 1995 onder meer bepaalt dat de ontvanger zijn functie slechts kan neerleggen bij de installatie van zijn opvolger; de verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State waar toepassing wordt gemaakt van specifieke wetsbepalingen die in casu niet toepasselijk en zelfs niet meer van kracht zijn, niet relevant is; mevrouw Slabbaert haar benoeming als ontvanger dient te eerbiedigen, zodat haar eenvoudige afwezigheid op het OCMW sinds 1 oktober 2003 een ongeoorloofd verlaten van haar post uitmaakt; het louter indienen van een vraag tot ontslag immers geen geldige reden uitmaakt om een functie te verlaten; mevrouw Slabbaert niet op reglementaire wijze haar post heeft verlaten, zij nog steeds in een statutaire verhouding ten aanzien van het OCMW staat en er op een andere wijze een einde dient te worden gesteld aan haar statutaire betrekking; 3/ het Vast Bureau en de Raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtprocedure hebben opgestart, volledig op de hoogte van het integrale dossier en na de raadslieden van het OCMW te hebben gehoord; er dan ook niet kan worden voorgehouden dat de voorzitter en de secretaris roekeloos en zonder kennis van zaken deze procedure zouden hebben aangevat; 4/ in de veronderstelling dat het OCMW het vereiste belang zou hebben gehad om voor de Raad van State de vernietiging te vorderen van de beraadslaging van de politiezone waarbij mevrouw Slabbaert als (statutair of contractueel?) financieel verantwoordelijke in een voltijdse betrekking wordt aangesteld, dergelijk beroep voorbarig geacht zou worden tot 15 september 2003, aangezien tot op die datum de betrokken beraadslaging werd geacht slechts in werking te treden op de dag waarop mevrouw Slabbaert op wettige wijze in dienst zou kunnen treden, te weten zich van haar verplichtingen ten aanzien van het OCMW kon ontheffen; de benoemingen van mevrouw Slabbaert in de politiezone geenszins de neerlegging van haar functie als ontvanger van het OCMW impliceren, net zomin als een stilzwijgende aanvaarding in hoofde van het OCMW van deze benoemingen dergelijke neerlegging zou inhouden; mevrouw Slabbaert zich immers in een statutaire verhouding bevindt ten aanzien van het OCMW, die niet zonder meer eenzijdig kan worden beëindigd; mevrouw Slabbaert aldus de eerder genoemde verplichtingen dient te vervullen vooraleer zij haar ambt van ontvanger kan neerleggen, zij haar eerdere benoeming tot ontvanger dient te eerbiedigen; zulks des te meer geldt nu - zoals mevrouw Slabbaert en haar raadslieden zelf uitvoerig argumenteren - haar benoemingen in de politiezone niet cumuleerbaar zijn met haar functie van ontvanger van het OCMW; hieruit volgt dat mevrouw Slabbaert zelfs niet gerechtigd was de nieuwe benoemingen te aanvaarden zonder een toelating tot cumul, dan wel haar ontslag aan te vragen en te verkrijgen bij het OCMW, wat ten deze niet is gebeurd; de beslissing van de Raad van 19 oktober 2002 zich overigens duidelijk beperkt tot de toelating om de functie van ontvanger te cumuleren met deze van schatbewaarder bij de Regie voor Stadsvernieuwing van Sint-Joost-ten-Node voor een periode van 6 maanden, met ingang van 1 september 2002; XII-4935-12/50 5/ uit de stukken van het dossier blijkt dat de verschillende organen van het OCMW op de hoogte werden gesteld van het vertrek van mevrouw Slabbaert - en van de dubbelzinnigheid die deze bedoelingen kenmerkt - naargelang van de evolutie ervan, het Vast Bureau, sinds 13 februari 2003 (zie het PV van 13.02.03, punt DIVERSEN; zie ook het PV van 13.03.03, punt 4.c. en punt 6; zie ook het PV van 10.04.03, p. 3; zie ook het PV van 10.07.03, p. l; zie ook het PV. van 14-08.03, p. 3 & 4), de Raad, sinds 20 februari 2003 (zie het PV van 20.02.03, p. 1097, punt. 6 -Mededelingen - 4; zie ook het PV van 20 maart 2003, p. 1103 tot 1005, punt 4.8 - Reglement betreffende de aanwerving en de functie van ontvanger en punt 4.9 - Aanvraag om toelating tot cumul van functies; zie ook het PV van 19 juni 2003, p. 1161, punt 9.2.; zie ook het PV van 17 juli 2003, p. 1163 en 1164, punt 4.
  27. Kader en organigram van het personeel - Aanpassingen; zie ook het PV van 21 augustus 2003, p. 1205 en 1206, punt 7, dienst van de Ontvanger); vermits de formele voorwaarden tot ontslag niet vervuld waren, het voorbarig was dit punt voor beslissing name op de agenda van de Raad te plaatsen; de voorzitter het Vast Bureau en de Raad op correcte wijze heeft geïnformeerd; de voorzitter niet kan worden verweten op 20 februari 2003 de Raad niet op de hoogte te hebben gebracht van een ontslag dat pas bij schrijven van 31 maart 2003 formeel werd aangeboden; de voorzitter de mededelingen aan het Vast Bureau betreffende de situatie van mevrouw Slabbaert op 10 april 2003 enkel ten titel van inlichting deed, zodat dit geenszins een punt uitmaakte op de agenda waarover de Raad zich diende uit te spreken en er evenmin valt in te zien waarom de Raad zich zou moeten uitspreken over een mededeling die aan het Vast Bureau werd gedaan; er niet goed valt in te zien waarom het OCMW de beslissing van het politiecollege d.d. 11 september 2003 zou hebben moeten betwisten, nu eerder reeds werd aangetoond dat deze beslissing niet impliceert dat een einde wordt gesteld aan de benoeming van mevrouw Slabbaert als ontvanger bij het OCMW; nu de formele voorwaarden tot ontslag nog steeds niet vervuld zijn, er geen reden is om in te gaan op het verzoek om de vraag om ontslag bij hoogdringendheid te behandelen op de hoorzitting van 22 januari 2004 en het ontslag te aanvaarden met ingang van 1 oktober 2003; 6/ in een OCMW er, overeenkomstig de organieke OCMW-wet, slechts één voorzitter, een secretaris en één ontvanger is; dat luidens artikel 46 van de organieke OCMW-wet, de ontvanger onder het gezag van de voorzitter staat, althans voor die zaken die niet onder zijn eigen verantwoordelijkheid vallen luidens artikel 46, § 1 van de organieke OCMW-wet, en niet van de secretaris, in tegenstelling tot alle andere leden van het personeel; luidens artikel 287, § l,. alinea 2 van de nieuwe gemeentewet, er geen verslag dient te worden opgemaakt door de secretaris voor het opleggen van straffen aan de ontvanger; dat overeenkomstig de artikelen 25, 28 en 38 van de organieke OCMW-wet moeilijk valt in te zien wie anders dan de voorzitter de voorbereidende en uitvoerende maatregelen kon nemen die zijn genomen en de dagelijkse opvolging van het dossier kon verzekeren; dat evenmin valt in te zien wat de voorzitter anders of beter zou hebben moeten en kunnen doen dan wat hij heeft gedaan, namelijk de organen van het OCMW regelmatig informeren, hen in de gelegenheid stellen om de beslissingen te nemen die wettelijk konden worden genomen en dit binnen de daartoe nuttige termijnen, de ontvangster herinneren aan haar wettelijke en deontologische verplichtingen, haar uit te nodigen haar intenties, zowel ten aanzien van het OCMW als de politiezone, te verduidelijken; mevrouw Slabbaert hoe dan ook niet het minste element aanbrengt dat erop zou wijzen dat de voorzitter van het OCMW partijdig zou zijn en een rechtstreeks en persoonlijk belang zou hebben bij alle beslissingen met betrekking tot het XII-4935-13/50 ingediend ontslag; het beginsel ‘justice should not only be done, but also be seen to be done’, als algemeen rechtsbeginsel toepassing vindt op administratieve zaken en tuchtrechtelijke of aanverwante zaken, doch dat dit slechts geldt in zoverre zulks verenigbaar is met de eigen aard en structuur van het actief bestuur (R.v.St., De Volder, nr. 118.574, 24 april 2003; R.v.St Wollaert, nr. 118.575, 24 april 2003); artikel 25, § 3 OCMW-wet stelt dat het ambt van de voorzitter bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter in principe waargenomen wordt door het raadslid dat door de voorzitter schriftelijk wordt aangewezen; dat luidens paragraaf 4 van datzelfde artikel als verhinderd wordt beschouwd, de voorzitter die het ambt van minister, staatssecretaris, lid van een executieve of gewestelijke staatssecretaris uitoefent, zijn actieve militaire dienst of zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde vervult, of ouderschapsverlof neemt; nu in casu geen van de voormelde redenen van verhindering aanwezig zijn, en de voorzitter evenmin tijdelijk afwezig is, er niet in een vervanging van de voorzitter kan worden voorzien in het kader van een tuchtprocedure, zijnde één specifiek dossier; artikel 38 van de organieke OCMW-wet ook slechts de hypothese beoogt van verhindering van de voorzitter van het OCMW en niet de vervanging van de voorzitter in één afzonderlijk dossier; deze situatie, waarbij de voorzitter in één enkel dossier zou moeten worden vervangen, niet is voorzien door de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen; de toepassing van het beginsel 'Justice should not only be done, but also be seen to be done’ niet verenigbaar is met de eigen aard en structuur van het actief bestuur, nu de voorzitter, aan wie partijdigheid wordt verweten, niet vervangbaar is volgens de regels toepasselijk op de OCMW-Raad; dat er dan ook niet kan worden ingegaan op het verzoek tot wraking van de Voorzitter; zoals hiervoor gesteld, de taak van de voorzitter van het OCMW vastligt, en er hoe dan ook geen elementen zijn in het dossier die ertoe nopen dat de voorzitter van het OCMW zich zou moeten terugtrekken uit de beraadslaging van de OCMW-Raad; de voorzitter niet kan worden verweten het ontslag van mevrouw Slabbaert niet ter officiële beslissing te hebben geagendeerd, nu de voorwaarden om het ontslag te verlenen, niet waren vervuld; de voorzitter evenmin verweten kan worden aan het ontslag voorwaarden te verbinden waartoe de Raad nooit zou hebben beslist of kunnen beslissen, vermits deze voorwaarden voortvloeien uit de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen; het niet het gebrek aan beslissing van de Raad omtrent het ontslag is dat de basis zou vormen van onderhavige tuchtprocedure en van het gegeven dat mevrouw Slabbaert geen ontslag heeft bekomen, maar wel het feit dat mevrouw Slabbaert zelf haar post verlaten heeft zonder te voldoen aan de voorwaarden om ontslag te bekomen; aan mevrouw Slabbaert hoe dan ook een voor eensluidend verklaard afschrift van de gevraagde notulen zal worden overgemaakt;
  28. OMDAT de voorzitter van het OCMW opgeroepen zou moeten worden als getuige betreffende de bewering dat zij nagelaten zou hebben om het ontslag van mevrouw Slabbaert aan de OCMW-Raad voor te leggen, de bewering dat zij eigengereid zou hebben opgetreden en de wijze waarop deze procedure met het oog op de preventieve schorsing werd ingesteld; Overwegende echter dat er geen reden is om op dit verzoek in te gaan om de volgende motieven : Dat overeenkomstig artikel 304 nieuwe gemeentewet de betrokkene geen recht heeft om getuigen te laten horen, nu deze beslissing afhangt van de discretionaire appreciatie van het bestuur; het bestuur er enkel toe gehouden is getuigen te horen indien dit verhoor noodzakelijk is om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat, met name op de door mevrouw Slabbaert aangehaalde punten, het OCMW niet kan worden verweten niet te XII-4935-14/50 zijn overgegaan tot deze zorgvuldige feitenvinding; dat mevrouw Slabbaert niet aantoont waarom dit verhoor noodzakelijk zou zijn, noch waarom een ontstentenis van het verhoor van de voorzitter van het OCMW haar zou verhinderen haar rechten te verdedigen; dat, zoals eerder reeds gesteld, mevrouw Slabbaert onder meer verweten wordt dat zij haar functie bij het OCMW niet langer uitoefent zonder daarvoor ontslag te hebben verkregen; dat de reden waarom zij geen ontslag bekomen heeft, niet gelegen is in het niet voorleggen van het ontslag aan de Raad, maar wel in het feit dat mevrouw Slabbaert de voorwaarden tot ontslag niet vervulde, gegevens die aan de Raad bekend waren; dat de beweerde foutieve houding van de voorzitter dan ook niet bepalend is voor onderhavige procedure; dat, tenslotte, de afwezigheid van mevrouw Slabbaert per 1 oktober 2003 in ieder geval voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar is en door mevrouw Slabbaert ook niet wordt betwist; dat er derhalve geen elementen zijn in het verweer die ertoe zouden nopen in te gaan op het verzoek van mevrouw Slabbaert om de voorzitter als getuige te horen;
  29. OMDAT, bij de beoordeling van de tenlasteleggingen rekening zou moeten worden gehouden met de verzachtende omstandigheid dat de Raad nooit een wettige beslissing heeft genomen inzake het aangeboden ontslag; Overwegende dat geen rekening kan worden gehouden met dit element als verzachtende omstandigheid vermits : er niet valt in te zien hoe het feit dat de Raad geen beslissing heeft genomen over het ontslag een verzachtende omstandigheid kan uitmaken in hoofde van mevrouw Slabbaert, nu deze laatste zelf aan de oorsprong ligt van het gegeven dat het ontslag nooit op de agenda van de Raad werd geplaatst; mevrouw Slabbaert immers noch de rekeningen voor 2001 en 2002, noch de eindrekening heeft opgemaakt, laat staan heeft aangeboden om die rekeningen voor 2001 en 2002 alsmede de eindrekening op te maken, terwijl dit noodzakelijke voorwaarden zijn opdat het ontslag zou kunnen worden toegekend;
  30. OMDAT mevrouw Slabbaert en haar raadslieden zich afvragen of de uittreksels van de notulen, die op 24 oktober 2003 werden meegedeeld, deel uitmaken van het tuchtdossier en wat de aard is van de stukken die op de hoorzitting d.d. 30 oktober 2003 werden overhandigd; de franstalige notulen in strijd zouden zijn met de bestuurstaalwet, nu de notulen zelf om wettig te zijn eentalig Nederlands zouden moeten zijn en vertalingen niet kunnen worden gemaakt om nietigheden te dekken; dat de voorzitter de bestuurstaalwet zou trachten te omzeilen door naderhand Nederlandstalige vertalingen ter beschikking te stellen; het integrale tuchtdossier dient te worden vertaald opdat het door alle raadsleden zou kunnen worden begrepen; Overwegende dat op deze bezwaren dient te worden geantwoord dat : 1/ de bij schrijven van 24 oktober 2003 overgemaakte notulen als dusdanig geen deel uitmaken van het tuchtdossier, nu zij in de tuchtprocedure enkel werden aangewend om de stelling van mevrouw Slabbaert en haar raadslieden als zou de voorzitter de bevoegde organen niet naar behoren hebben ingelicht, te weerleggen; de stukken die op de hoorzittingen werden overhandigd vertalingen zijn van de notulen; 2/ de processen-verbaal in kwestie beknopte verslagen zijn van de debatten die steeds achter gesloten deuren worden gehouden; ze zijn niet bestemd om te worden meegedeeld, zelfs niet aan de toezichthoudende overheid, maar enkel om het verloop van de debatten schriftelijk vast te leggen ; in de mate waarin ze de beraadslagingen van de organen bevatten, zijn ze opgesteld in de taal (talen), vereist door de taalwetten zoals dit het geval is, in casu, voor de beraadslagingen van de Raad van Maatschappelijk Welzijn dewelke mevrouw Slabbaert de toelating weigerde om haar functie van ontvanger te cumuleren met deze van speciale rekenplichtige van de politiezone; in de mate waarin de processen-verbaal enkel de debatten bevatten, zijn ze XII-4935-15/50 opgesteld in de taal, gebruikt door de deelnemers, zoals dit het geval is voor de inlichtingen die werden verstrekt aan het Vast Bureau en aan de Raad en die betrekking hadden op de intentie te vertrekken, uitgedrukt door mevrouw Slabbaert op een ogenblik dat ze nog geen beroep tegen de beslissing van deze organen aantekenden; de processen-verbaal zijn enkel vertaald geworden omdat ze aan mevrouw Slabbaert- ten behoeve van de tuchtprocedure zijn meegedeeld; op zichzelf brengen ze geenszins schade toe aan mevrouw Slabbaert noch wijzigen ze haar toestand; ze zijn enkel het bewijs dat, in tegenstelling tot hetgeen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden voorhouden, de beraadslagende organen van het OCMW wel degelijk zijn ingelicht omtrent de intenties van mevrouw Slabbaert en dit ten gepaste tijde; 3/ het integrale tuchtdossier, naar gelang van de noodwendigheid, in het Frans en Nederlands werd vertaald; zulks volstaat in de licht van de rechtspraak van de Raad van State (R.v.St. Hauwelaerts, nr. 50.081, 8 november 1994; R.v.St., Lostermans, nr. 18,258, 4 mei 1977; R.v.St., Pieters, nr. 19.907, 13 november 1979; R v.St., Fagot, nr. 17.409, 3 februari 1976);
  31. OMDAT de tenlasteleggingen ongegrond zouden zijn : Hierna vooreerst ingegaan wordt op de zesde tenlastelegging, vermits deze het hoofdmotief van de tuchtsanctie uitmaakt en volstaat om deze op te leggen; de overige grieven van mevrouw Slabbaert worden voor zoveel als nodig onderzocht en waar mogelijk weerlegd; 6/ Tegen de zesde tenlastelegging, te weten: het ongeoorloofd verlaten van de post van ontvanger bij het OCMW Sint-Joost-ten-Node sinds 1 oktober 2003, door zonder wettige reden afwezig te blijven; brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : mevrouw Slabbaert haar post om een wettige reden heeft verlaten, aangezien zij niet wettig in twee voltijdse betrekkingen actief kan zijn; dat zij luidens artikel 4 EVRM niet in slavernij of dienstbaarheid kan worden gehouden; Overwegende dat deze argumenten niet kunnen worden bijgetreden om de volgende redenen: er eerder reeds uitgebreid op werd gewezen dat mevrouw Slabbaert inderdaad geen twee voltijdse betrekkingen tegelijk kan vervullen, doch zij alsdan haar eerdere benoeming van ontvanger diende te respecteren; het aanvaarden van een andere voltijdse betrekking geen neerlegging van het ene ambt met zich brengt; het indienen van een vraag tot ontslag geen wettige reden tot afwezigheid uitmaakt; dat het ontslag van mevrouw Slabbaert eerst aanvaard moet worden, wat slechts mogelijk is zo de voorwaarden om het ontslag toe te kennen zijn vervuld, zijnde het opmaken van de rekeningen voor 2001 en 2002, evenals van haar eindrekening; zoals eerder reeds werd uiteengezet, de mogelijkheid om een einde te stellen aan een betrekking als ontvanger nu eenmaal onderworpen is aan een aantal voorwaarden; aan een ontslag voor ambtenaren voorwaarden kunnen worden verbonden in het belang van de goede werking en de continuïteit van de openbare dienst, wat niet strijdig is met het principe verwoord in artikel 4 EVRM; dat eenvoudig kan worden vastgesteld dat mevrouw Slabbaert haar post heeft verlaten en dat mevrouw Slabbaert zulks trouwens ook niet betwist en kon betwisten; dat mevrouw Slabbaert aldus haar verantwoordelijkheid ontvlucht bij het opmaken van de rekeningen 2001 en 2002 en de eindafrekening; dat zij evenmin betwist die rekeningen niet te hebben opgemaakt; dat de zesde tenlastelegging als bewezen voorkomt; Nu de zesde tenlastelegging volstaat om de tuchtsanctie op te leggen, worden de overige bezwaren van mevrouw Slabbaert slechts onderzocht voor zoveel als nodig en, waar mogelijk, weerlegd; XII-4935-16/50 1/ Tegen de eerste tenlastelegging, te weten: het uitoefenen van de deeltijdse functie van bijzonder rekenplichtige in de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint- Joost-Ten-Node, zonder hiervoor over de vereiste toelating van het OCMW Sint-Joost-Ten-Node te beschikken overeenkomstig artikel 13 van het KB van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S. 17 augustus 1993) en zonder het OCMW hierover te hebben ingelicht, brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : dit ten laste gelegde feit verjaard en onjuist zou zijn aangezien mevrouw Slabbaert de deeltijdse functie van bijzonder rekenplichtige zou hebben uitgeoefend in het kader van de lopende cumultoelating en de voorzitter van het OCMW op de hoogte zou zijn geweest van het feit -dat mevrouw Slabbaert de betrekking als bijzonder rekenplichtige uitoefende, doch mogelijk abusievelijk nagelaten heeft het Vast Bureau en de Raad hiervan op de hoogte te brengen; de raadsbeslissing d.d. 20 maart 2003, waarbij mevrouw Slabbaert de cumul van haar functie van ontvanger met deze van bijzonder rekenplichtige bij de politiezone geweigerd wordt, niet tegenstelbaar zou zijn aan mevrouw Slabbaert omdat deze onwettig zou zijn; Overwegende dat dit verweer niet kan worden bijgetreden om de volgende redenen : 1/ dat de verjaringstermijn van 6 maanden slechts een aanvang neemt van zodra enig orgaan aan wie de wet de bevoegdheid opgedragen heeft om een tuchtstraf op te leggen, de strafbare feiten vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld; het de Raad is die bevoegd is om mevrouw Slabbaert een tuchtstraf op te leggen, zodat de verjaringstermijn begint te lopen van zodra de Raad de tuchtrechtelijk sanctioneerbare feiten vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld; de voorzitter van het OCMW slechts met zekerheid bij schrijven van 11 maart 2003, ontvangen op 14 maart 2003, in kennis werd gesteld van het feit dat de politieraad mevrouw Slabbaert op 28 januari 2003 heeft aangeduid als bijzonder rekenplichtige en dat het hier slechts gaat om een schrijven met betrekking tot de benoeming van mevrouw Slabbaert in de voltijdse betrekking van financieel verantwoordelijke waarbij de nadruk wordt gelegd op het feit dat de beraadslaging op 25 februari 2003 slechts van kracht werd op de dag waarop mevrouw Slabbaert de functie kon opnemen en daarbij, zonder verdere verduidelijking, melding makend van de vorige benoeming in de hoedanigheid van bijzonder rekenplichtige waarover zij het OCMW nooit heeft ingelicht; dat de kennisname van een benoeming nog niet impliceert dat de betrokken functie ook daadwerkelijk wordt uitgeoefend; zelfs indien de voorzitter op 15 januari 2003 kennis zou hebben gehad van het feit dat mevrouw Slabbaert benoemd zou worden tot bijzonder rekenplichtige, dergelijke kennisname van een nakende benoeming evenmin impliceert dat de voorzitter ook op de hoogte was van de effectieve uitoefening van deze functie door mevrouw Slabbaert; de mededeling dat mevrouw Slabbaert gevorderd is de functie van bijzonder rekenplichtig waar te nemen naast haar taak als ontvanger nog niet impliceert dat zij dit ook effectief doet; het laakbare feit gelegen is in het effectief uitoefenen van de functie zonder toelating tot cumul te hebben gevraagd en zonder het OCMW hierover te hebben ingelicht; niets erop wijst dat de voorzitter hiervan op de hoogte was meer dan zes maanden voor het instellen van huidige tuchtprocedure; bijgevolg de voorzitter niet verweten kan worden de Raad en het Vast Bureau niet op de hoogte te hebben gebracht van een feit waar zij zelf geen kennis van had; zij overigens nooit in kennis werd gesteld van de datum XII-4935-17/50 waarop zij de functie van bijzonder rekenplichtige daadwerkelijk heeft uitgeoefend; niets uit het dossier doet blijken dat de Raad sinds meer dan zes maanden voor de aanvang van de tuchtprocedure wist dat mevrouw Slabbaert de functie van bijzonder rekenplichtige bij de politiezone effectief uitoefende; het ten laste gelegde feit dan ook niet verjaard is; 2/ dat mevrouw Slabbaert geenszins gerechtigd was om de functie van bijzonder rekenplichtige te cumuleren met deze van ontvanger in het kader van de lopende cumulregeling voor de betrekking van schatbewaarder bij de Regie van Stadsvernieuwing van Sint-Joost-Ten-Node; de beslissing van de Raad d.d. 19 oktober 2002 zich immers beperkt tot de toelating de functie van ontvanger te cumuleren met deze van schatbewaarder bij de Regie voor een periode van zes maanden, met ingang van 1 september 2002; mevrouw Slabbaert derhalve hoe dan ook deze functies niet kon cumuleren na 1 maart 2003, laat staan dat zij toelating zou hebben verkregen om de functie van ontvanger te cumuleren met deze van bijzonder rekenplichtige; dat de raadsbeslissing van 20 maart 2003 haar deze cumul zelfs uitdrukkelijk heeft geweigerd; dat deze beslissing tegenstelbaar is aan mevrouw Slabbaert; het immers niet mogelijk is om in het kader van een cumulregeling voor een specifieke betrekking een andere functie te gaan cumuleren; dat de toelating tot cumul anders geen melding zou maken van de betrekking waarmee cumul is toegelaten, doch een algemene toelating zou bevatten tot cumul ten belope van een bepaald percentage; dat dit geenszins het geval is en ook niet kan zijn, gelet op de toepasselijke reglementering en de strikte bepalingen betreffende het verbod tot cumul voor personeelsleden van het OCMW; 3/ niettegenstaande de beraadslaging op 20 maart 2003 waarbij haar de toelating om de functie van ontvanger van het OCMW te cumuleren met deze van bijzonder rekenplichtige van de politiezone formeel werd geweigerd, heeft mevrouw Slabbaert de functie van bijzonder rekenplichtige uitgeoefend en heeft zij dat minstens niet betwist; evenals dat de organen van het OCMW niet vermoedden dat mevrouw Slabbaaert de toelating tot cumul heeft gevraagd nadat zij reeds daadwerkelijk beide functies had gecumuleerd, evenals dat zij niet hebben vermoed dat mevrouw Slabbaert aan de cumul heeft blijven vasthouden ondanks de beraadslaging van 20 maart 2003; dat er slechts ernstige vermoedens zijn gerezen omtrent de effectieve cumul die indruist tegen de bepalingen die inzake cumul zijn voorzien naar aanleiding van het schrijven van 30 september 2003 van de raadsman van mevrouw Slabbaert in antwoord op het schrijven van de voorzitter d.d. 17 september 2003; de eerste tenlastelegging hierbij als bewezen voorkomt en geenszins is verjaard; 2/ Tegen de tweede tenlastelegging, te weten: het afleggen van de eed als bijzonder rekenplichtige bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost-ten- Node, zonder toelating van het OCMW Sint-Joost-Ten-Node om deze functie effectief uit te oefenen in bijberoep en zonder het OCMW hierover in te lichten; brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : dit ten laste gelegde feit verjaard zou, zijn aangezien de eedaflegging zou hebben plaatsgevonden vóór de indiensttreding op 16 januari 2003; mevrouw Slabbaert niet verweten zou kunnen worden deze eed te hebben afgelegd, aangezien zij hiertoe wettelijk verplicht was en de voorzitter van de politieraad deze eedaflegging wettig heeft geacht terwijl hij op de hoogte zou geweest zijn van de betrekking van mevrouw Slabbaert bij het OCMW als ontvanger; Overwegende dat deze argumenten niet kunnen worden bijgetreden om de volgende redenen : 1/ de verjaringstermijn van zes maanden slechts een aanvang neemt van zodra enig orgaan aan wie de wet de bevoegdheid opgedragen heeft. om een XII-4935-18/50 tuchtstraf op te leggen, de strafbare feiten vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld; het de Raad is die bevoegd is om een tuchtstraf op te leggen aan mevrouw Slabbaert, zodat de verjaringstermijn begint te lopen van zodra de Raad de tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld; het feit dat de eedaflegging plaatsvond vóór de indiensttreding van mevrouw Slabbaert als bijzonder rekenplichtigeop 16 januari 2003, nog niet betekent dat de Raad kennis had van de eedaflegging; dat de Raad ook niet verondersteld werd hiervan op de hoogte te zijn, nu gebleken is dat zij evenmin kennis had van de effectieve uitoefening van de functie van bijzonder rekenplichtige bij de politiezone door mevrouw Slabbaert; dat niets uit het dossier doet blijken dat de Raad sinds meer dan 6 maanden voor de aanvang van de tuchtprocedure wist dat mevrouw Slabbaert de eed van bijzonder rekenplichtige bij de politiezone had afgelegd; het OCMW overigens nog steeds niet in kennis is gesteld van de datum van eedaflegging door mevrouw Slabbaert als bijzonder rekenplichtige bij de politiezone, ondanks het daartoe geformuleerde verzoek om, verduidelijking aan mevrouw Slabbaert; er dan ook geen verjaring kan zijn opgetreden; 2/ niet valt in te zien hoe de voorzitter van het OCMW het onwettig karakter zou hebben kunnen opmerken van een eedaflegging waar zij geen kennis van had; het gegeven dat de voorzitter van de politiezone de eedaflegging wettig achtte, niet relevant is, nu niet het al dan niet wettig karakter van de eedaflegging op zich ter discussie staat, maar wel het gegeven dat mevrouw Slabbaert deze eed afgelegd heeft zonder toelating tot cumul vanwege het OCMW en zonder het OCMW op de hoogte te brengen; het OCMW mevrouw Slabbaert geenszins verwijt géén strafrechtelijk gesanctioneerde daden te hebben gesteld; dat het mevrouw Slabbaert nooit verplicht heeft de functie van bijzonder rekenplichtige bij de politiezone effectief uit te oefenen zonder daarvoor eerst de eed af te leggen; zowel de benoeming als de eedaflegging louter op initiatief van mevrouw Slabbaert hebben plaatsgevonden, waardoor zij zelf een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit heeft gepleegd; dat de tweede tenlastelegging als bewezen voorkomt; 3/ Tegen de derde tenlastelegging, te weten: het uitoefenen van de voltijdse functie van financieel verantwoordelijke bij de politiezone Schaarbeek- Evere-Sint-Joost-Ten-Node, zonder voorafgaand uw ontslag te hebben verkregen als ontvanger bij het OCMW Sint-Joost-Ten-Node, dan wel toestemming te hebben verkregen tot cumul, brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : mevrouw Slabbaert sinds 1 oktober 2003 de functie van financieel verantwoordelijke bij de politiezone uitoefent en overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 20 juli 1993 voor deze voltijdse betrekking geen afwijking kan worden toegestaan, vermits een cumul tussen twee voltijdse betrekkingen uitgesloten is, zodat voormeld koninklijk besluit niet relevant is en de beoogde tuchtsanctie niet zou kunnen wettigen; de voorzitter kennelijke fouten zou hebben begaan door de aanvraag tot ontslag niet op de agenda van de Raad te plaatsen; Overwegende dat deze argumenten de tenlastelegging niet kunnen weerleggen om de volgende redenen: dat er eerder reeds werd op gewezen dat, nu de cumul van twee voltijdse betrekkingen onmogelijk is, mevrouw Slabbaert de functie van financieel verantwoordelijke bij de politiezone niet kon opnemen zonder eerst ontslag te hebben bekomen bij het OCMW; door de voltijdse functie van financieel verantwoordelijke uit te oefenen zonder het ontslag bij het OCMW te hebben verkregen, mevrouw Slabbaert zich schuldig maakt aan de derde tenlastelegging; XII-4935-19/50 het dan ook niet artikel 13 van het koninklijk besluit van 20 juli 1993 is dat de tuchtsanctie zou wettigen, maar de bepalingen inzake de ambtsneerlegging door een ontvanger; er eerder werd uiteengezet dat de voorzitter geen kennelijke fouten verweten kunnen worden doordat zij de vraag tot ontslag niet ter beslissing op de agenda van de Raad zou hebben geplaatst; 4/ Tegen de vierde tenlastelegging, te weten: het afleggen van de eed als financieel verantwoordelijke bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint-Joost- Ten-Node, zonder het OCMW Sint-Joost-Ten-Node hierover in te lichten, laat staan hiervoor toelating te hebben gevraagd aan en bekomen van het OCMW; brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : er niet valt in te zien op welke basis mevrouw Slabbaert een verzoek tot cumul van twee voltijdse betrekkingen dient te richten aan de OCMW-Raad, nu het koninklijk besluit van 20 juli 1993 enkel in een mogelijkheid van cumul zou voorzien van een voltijdse betrekking met een deeltijdse van maximum 25%; de tenlastelegging feitelijke grondslag mist daar mevrouw Slabbaert geen eed heeft afgelegd als financieel verantwoordelijke, nu zij hiertoe ook niet verplicht zou zijn geweest; Overwegende dat de bezwaren van mevrouw Slabbaert en haar raadslieden terecht zijn zodat de vierde tenlastelegging verworpen dient te worden. 5/ Tegen de vijfde tenlastelegging, te weten : het neerleggen van het ambt als ontvanger bij het OCMW Sint-Joost-Ten-Node, zonder dat er een vervanger is geïnstalleerd zoals bepaald door artikel 82, § 1 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (B.S. 5 december 1995); brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College geen rechtsgrond zou vormen om te bepalen op welke wijze een ambtenaar de uitoefening van zijn functie kan beëindigen, nu dit genomen is -in uitvoering van artikel 87 OCMW-wet, dat het verenigd college niet zou machtigen statutaire bepalingen vast te stellen en de ambtsneerlegging zou dienen te worden geregeld in het statuut; er te dezen toepassing zou moeten worden gemaakt van artikel 82, § 2 van het besluit van 26 oktober 1995 betreffende de ‘onmogelijkheid’ van de ontvanger om de eindrekening op te stellen voor de installatie van zijn opvolger, waarbij ‘onmogelijkheid’ niet in de zin van ‘overmacht’ moet worden opgevat, te meer daar het OCMW toepassing heeft gemaakt van voormeld artikel 82 bij de aanstelling van deskundige Leheureux; dat mevrouw Slabbaert niet gehouden was de benoeming als financieel verantwoordelijke bij de politiezone te weigeren en haar ter zake niets kan worden verweten, nu zij haar ontslag heeft ingediend en na negen maanden gevolg geeft aan een beslissing van het politiecollege, te meer daar het OCMW de regelmatigheid van het besluit van het politiecollege niet zou hebben betwist; Overwegende dat dit verweer niet kan worden bijgetreden om de volgende redenen : 1/ uit de aanhef van het besluit van 26 oktober 1995 duidelijk blijkt dat dit besluit niet uitsluitend op basis van artikel 87 van de organieke OCMW- wet werd uitgevaardigd, doch op grond van de volledige OCMW-wet; artikel 82 van voormeld besluit hoe dan ook geacht wordt gelijkvormig te zijn met de organieke OCMW-wet zoals deze dient te worden geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 60 en 84 van de speciale wet van 12 januari 1989 betreffende de Brussels instellingen en artikel 5, § 1, II 2/ (zoals gewijzigd door de speciale wet van 16 juli 1993), artikel 83 en XII-4935-20/50 94 van de speciale wet van 8 augustus 1980 houdende de institutionele hervormingen; dat 82, § 1 van voormeld besluit de kwestie wel degelijk op ondubbelzinnige wijze regelt en zich verzet tegen de onmiddellijke ambtsneerlegging door mevrouw Slabbaert; 2/ de lezing van artikel 82, § 2 van het besluit van 26 oktober 1995 in die zin dat onder ‘onmogelijkheid’ een ‘onmogelijkheid’, vreemd aan de wil van de betrokkene, dient te worden verstaan, gerechtvaardigd is door de opsomming van de andere bedoelde situaties : overlijden, afzetting en schorsing van de ontvanger, drie situaties die vreemd zijn aan de wil van de betrokkene; het vierde element van de reeks, de ‘onmogelijkheid’ derhalve in dezelfde zin dient te worden begrepen: een onmogelijkheid, los van de wil van de betrokkene; de aanduiding van de heer Leheureux als deskundige op basis van artikel 82, § 2 van het besluit van 26 oktober 1995, in overeenstemming is met hetgeen voorafgaat; het wel degelijk artikel 82, § 2 van voormeld besluit is dat wordt toegepast, nu de schorsing uitdrukkelijk vermeld staat als één van de situaties die de aanstelling van een deskundige mogelijk maakt; 3/ zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, mevrouw Slabbaert niet op wettige wijze de functies in de politiezone kon opnemen; dat er reeds eerder op werd gewezen dat de oorzaak hiervan niet is dat de OCMW-Raad geen beslissing genomen heeft over het ontslag van mevrouw Slabbaert, doordat dit niet werd voorgelegd door de voorzitter, maar wel dat mevrouw Slabbaert niet aan de vereisten voldeed om ontslag toegekend te krijgen; het OCMW geenszins van mevrouw Slabbaert verlangt dat zij pas een nieuwe betrekking gaat zoeken eens zij werkloos is; zij evenwel dient te wachten met haar effectieve indiensttreding bij de politiezone tot zij haar ontslag bekomen heeft als ontvanger bij het OCMW; tot slot eenvoudig kan worden vastgesteld dat mevrouw Slabbaert haar ambt als ontvanger bij het OCMW Sint-Joost-Ten-Node neerlegde zonder dat er een vervanger is geïnstalleerd zoals bepaald door artikel 82, § 1 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; de vijfde tenlastelegging als bewezen voorkomt; 7/ Tegen de zevende tenlastelegging, te weten: het afwezig blijven van uw post als ontvanger bij het OCMW zonder wettige reden op 31 januari 2003, 28 februari 2003 brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : deze tenlastelegging niet ernstig zou worden genomen door de voorzitter, die er geen melding van zou maken in haar syntheserapport, mevrouw Slabbaert die dagen vakantieverlof genomen heeft en het tuchtdossier niet aantoont wat de ‘werkelijke reden’ van haar afwezigheid zou zijn; Overwegende dat het tuchtdossier geen stukken bevat ter staving van de zevende tenlastelegging, wordt deze tenlastelegging niet weerhouden; 8/ Tegen de achtste tenlastelegging, te weten: de aanslepende achterstand in het opmaken van de rekeningen voor de jaren 2001 en 2002; brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat: het voor de ontvanger niet mogelijk zou zijn een betrouwbare jaarrekening van 2001 op te stellen, wegens de vertraging in de goedkeuringsprocedures van de vorige rekeningen, zodat deze achterstand niet aan de ontvanger kan worden verweten; de voorzitter zelf ten aanzien van de gouverneur het vertrek van de ontvanger aangrijpt om de achterstand in de rekeningen te XII-4935-21/50 verklaren aan de gouverneur; de gecumuleerde achterstand ingehaald wordt; de stelling van het OCMW zou impliceren dat de ontvanger in dienst gehouden kan worden gedurende een termijn van achttien maanden na de indiening van het ontslag, hoewel er geen rechtsgrond zou bestaan voor dergelijke termijn, te meer . daar de gemeenrechtelijke ontslagtermijn in het ambtenarenrecht dertig dagen zou bedragen; het gemakkelijker zou zijn om een nieuwe ontvanger te vinden dan het OCMW laat uitschijnen, gelet op de hypothesen waarin artikel 82, § 2 van het besluit van 26 oktober 1995 toepassing vindt; de benoemingsprocedure niet eens opgestart zou zijn na negen maanden; het OCMW de ontvanger belast zou hebben met bijkomende taken, die slechts zeer laat aan haar werden onttrokken en er een structureel personeelstekort zou zijn dat niet werd geremedieerd; uit niets zou blijken dat de Raad de bedoelde voorwaarden verbonden zou hebben aan het ontslag, voorwaarden die strijdig zouden zijn met artikel 4 EVRM; Overwegende dat dit verweer niet kan worden bijgetreden, om de volgende redenen : 1/ dat er niet valt in te zien waarom mevrouw Slabbaert niet zou weten wanneer zij de rekening voor 2001 zou kunnen opstellen, nu zij niet zou weten wanneer de rekening voor 2000 is goedgekeurd; zij immers op het Overlegcomité van 3 september 2003 heeft verklaard dat zij de rekening voor 2001 zou kunnen voorbrengen op de vergadering van november 2003, zodat zij wist dat zij de rekening voor 2001 kon opmaken; de laattijdige opmaak van de rekeningen 2001 en 2002 niet kan worden afgeschoven op de materiële onmogelijkheid hiertoe over te gaan en de beweerde laattijdige goedkeuring van de rekening van 2000, aangezien uit het dossier blijkt dat mevrouw Slabbaert meermaals werd gewezen op deze achterstand, waarop zij een overbelasting aan werk inriep om deze te verantwoorden; afgezien daarvan werd de rekening 2000 definitief afgesloten door de gemeenteraad van 19 juni 2002 overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet en bleef enkel het risico bestaan dat deze werd geannuleerd door het Verenigd College, handelend uit hoofde van zijn bevoegdheid inzake algemene annulatievoogdij overeenkomstig artikel 111 van de organieke wet; Het is niet omdat de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, voor zover dit risico bleef bestaan, niet volledig bij machte was om de rekening 2001 af te sluiten, dat de ontvanger in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde om deze rekening voor te bereiden met name door de nodige schuldoverdrachten voor te stellen; Het is, tenslotte, niet omdat het vermoedelijke vertrek van de ontvanger in een aan de gouverneur gerichte brief wordt aangevoerd om een verband te maken voor de hypothese waarin van de veronderstelling wordt uitgegaan dat dit vertrek de oorzaak zou zijn van latere moeilijkheden, dat dit schrijven deze moeilijkheden rechtvaardigt en de ontvanger van alle verantwoordelijkheid ontslaat; 2/ dat er niet kan worden gesteld dat het de bedoeling van het OCMW zou zijn om de ontvanger gedurende achttien maanden na haar ontslag in dienst te houden; zoals genoegzaam blijkt uit hetgeen voorafgaat, mevrouw Slabbaert haar ontslag niet heeft bekomen, enkel en alleen doordat zij de voorwaarden voor het ontslag niet heeft vervuld: ondanks herhaalde aanmaningen, zij in gebreke blijft de rekeningen voor 2001 en 2002 en de eindrekening op te stellen; er overigens geen gemeenrechtelijke opzegtermijn van dertig dagen in het ambtenarenrecht is die van toepassing is op de ontvanger van een OCMW, nu artikel 82, § 1 van het besluit van 26 oktober 1995 uitdrukkelijk voorziet dat de ontvanger zijn functie pas neerlegt bij de installatie van zijn opvolger; XII-4935-22/50 3/ dat de aanstelling van een nieuwe ontvanger niet zo eenvoudig is, zelfs in geval van overlijden of tuchtrechtelijke verwijdering van de eerste ontvanger - gevallen gedekt door artikel 82, § 2 van het besluit van 26 oktober 1995, gelet op de vertrouwdheid die potentiële kandidaten dienen te hebben met de boekhoudkundige regels die gelden voor de boekhouding van een OCMW in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - verschillend van deze in het Vlaamse en het Waalse Gewest; het dan ook niet onredelijk is dat de betrekking van ontvanger slechts een zekere tijd later vacant verklaard is, nodig om de rekeningen voor 2001 en 2002 en de eindrekening op te stellen binnen een redelijke termijn zodat de potentiële kandidaten ervoor zouden terugschrikken deel te nemen aan de selectieprocedure, zonder te weten of de rekeningen wel in orde zijn; 4/ de beraadslagingen van de OCMW-Raad van 17 juli 2003 met betrekking tot, enerzijds, het organigram en, anderzijds, het personeelskader foutief zijn geïnterpreteerd; de beraadslaging in verband met het organigram de ontvanger ontslaat in feite van de taken die niet strikt voortvloeien uit haar wettelijke verplichtingen zodat zij zich kan concentreren op de rekeningen 2001 en 2002 en op de eindrekening terwijl deze beslissing met betrekking tot het kader de noodzaak vaststelt om het aantal krachten in verschillende diensten te verhogen, waaronder in de dienst invordering en niet in de dienst van de ontvanger; uit het dossier blijkt dat het OCMW alles heeft gedaan om de taak van mevrouw Slabbaert te verlichten; dat het overigens op vraag van mevrouw Slabbaert zelf is dat zij werd belast met taken op het vlak van informatica; de Raad geenszins de bedoelde voorwaarden voor het ontslag uitdrukkelijk aan dit ontslag diende te verbinden, nu deze voortvloeien uit de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen en, zoals eerder uiteengezet, het verbinden van voorwaarden aan een ontslag voor ambtenaren wegens de continuïteit van de openbare dienst niet kan worden aanzien als strijdig met artikel 4 EVRM; de achtste tenlastelegging als bewezen voorkomt; 9/ Tegen de negende tenlastelegging, te weten: de aanslepende achterstand inzake de terugvorderingen en de onmogelijkheid een aantal bedragen terug te vorderen. brengen mevrouw Slabbaert en haar raadslieden in dat : deze tenlastelegging niet eens zou worden vermeld in het syntheserapport van de voorzitter; de eventuele verjaring van schuldvorderingen van het OCMW te wijten zou zijn aan de desinteresse van de Raad, die de nodige machtigingen dient te verlenen aan de ontvanger luidens artikel 115, § 2, lid 1 OCMW-wet; de snelle reactie van mevrouw Slabbaert op een vraag van de voorzitter aantoont dat er geen sprake zou zijn van nalatigheid; er zou geen ‘aanzienlijke’ achterstand zijn, mevrouw Slabbaert zou de vorderingen onder haar benoeming zonder achterstand hebben behandeld; Overwegende dat deze argumenten niet kunnen worden bijgetreden om de volgende redenen : dat het syntheserapport van de voorzitter melding maakt van deze tenlastelegging, op p. 5; zelfs zo de OCMW-Raad krachtens artikel 115, § 2, lid 1 OCMW-wet de ontvanger dient te machtigen, dit niet belet dat de ontvanger aan de Raad dergelijke machtiging dient te vragen; mevrouw Sabbaert geen stukken naar voor brengt die zouden kunnen aantonen dat zij de terugvordering langs gerechtelijke weg bij de OCMW-Raad heeft benaarstigd; de ontvanger in het algemeen wordt verweten dat zij niet met voldoende benaarstiging de artikels 34, 36, 51, 52 en 54 van het besluit van 26 oktober 1995 heeft toegepast; XII-4935-23/50 het niet is omdat mevrouw Slabbaert snel reageert op een vraag om uitleg van de voorzitter d.d. 4 september 2003, dat haar geen achterstand kan worden verweten in de terugvorderingen te meer nu uit het verslag van mevrouw Slabbaert d.d. 4 september 2003 blijkt dat de terugvorderingen hebben stilgelegen en in vele dossiers geen actie meer werd ondernomen sinds 2002; de negende tenlastelegging dient als bewezen te worden beschouwd; Overwegende dat het omwille van de voorgaande redenen aangewezen is om mevrouw Slabbaert een tuchtmaatregel op te leggen; Overwegende dat de zesde tenlastelegging op zich genomen zwaarwichtig genoeg wordt bevonden om de voorgenomen tuchtmaatregel, te weten afzetting of ontslag van ambtswege, te schragen; dat deze tenlastelegging dan ook voor de Raad de determinerende reden is waarom tot de tuchtmaatregel wordt overgegaan; dat de Raad er niettemin, voor zoveel als nodig, op wijst dat ook de overige gegrond geachte tenlasteleggingen, met uitzondering van de vierde en zevende tenlasteleggingen, afzonderlijk of in combinatie, voldoende zwaarwichtig zijn om tot elk van de overwogen tuchtmaatregelen, te weten afzetting of ontslag van ambtswege, te besluiten; Overwegende dat de afzetting, als tuchtmaatregel, zwaarder doorweegt dan het ontslag van ambtswege aangezien bij de eerste maatregel de pensioenrechten verloren gaan, terwijl zulks niet het geval is bij ontslag van ambtswege; Overwegende dat de Raad, bij de keuze van de tuchtmaatregel, rekening houdt met de zwaarwichtigheid van de zesde tenlastelegging; dat de Raad niettemin begrip opbrengt voor de druk die blijkbaar op mevrouw Slabbaert werd uitgeoefend om haar post te verlaten ten gevolge van de beslissing van het politiecollege van 11 september 2003, zonder dat deze druk nochtans als een rechtvaardigingsgrond kan worden beschouwd; dat het daarom passend is om geen afzetting doch slechts het ontslag van ambtswege te bevelen; er voor zoveel als nodig op te wijzen is dat een zelfde sanctie gepast voorkomt voor de andere weerhouden tenlasteleggingen; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 53, § 1 OCMW-wet, zoals vervangen door artikel 22, 1/ van de ordonnantie van 3 juni 2003, de beslissingen waarbij bij wijze van tuchtmaatregel het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken, ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd aan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; dat, overeenkomstig datzelfde artikel 53, § 1 OCMW-wet, dergelijke tuchtmaatregel desalniettemin in principe voorlopig wordt uitgevoerd, tenzij de Raad anders beslist; dat er derhalve geen redenen dienen te worden gegeven waarom het ontslag van ambtswege onmiddellijk uitwerking heeft, doch daarentegen er bijzondere redenen zouden moeten zijn op grond waarvan de Raad beslist om de opgelegde tuchtsanctie niet met onmiddellijke ingang op te leggen; dat de door mevrouw Slabbaert aangevoerde morele afkeuring niet kleiner zal zijn wanneer het ontslag van ambtswege slechts uitwerking heeft na goedkeuring door het Verenigd College; dat mevrouw Slabbaert inderdaad een beroep uitoefent dat gebaseerd is op een vertrouwensrelatie, wat de zwaarwichtigheid van de zesde tenlastelegging nog onderstreept; dat er geen redenen zijn waarom de Raad de uitvoerbaarheid van de opgelegde tuchtsanctie zou moeten uitstellen tot na de goedkeuring door het Verenigd College”. XII-4935-24/50 Dit op 3 februari 2004 aan verzoekster betekend besluit maakt het eerste voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 147.
  32. Verzoekster meent in dit besluit naast de tuchtmaatregel tevens de weigering te onderkennen om haar ontslagaanvraag bij hoogdringendheid op de hoorzitting van 22 januari 2004 te behandelen en haar ontslag met ingang van 1 oktober 2003 te aanvaarden, “als zijnde een impliciete weigering van het [door haar] ingediende ontslag”, die zij als het tweede voorwerp van haar beroep vermeldt. 1.
  33. Op 9 maart 2004 verleent het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn goedkeuring aan dit tuchtbesluit. Het goedkeuringsbesluit, dat het voorwerp uitmaakt van het beroep in de zaak A.150.219, is als volgt gemotiveerd : “Gelet op de beraadslaging van 29 januari 2004, toegekomen op het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 03 februari 2004, waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-ten-Node beslist Mevrouw P. SLABBAERT bij wege van tuchtsanctie van ambtswege te ontslaan als ontvanger van het O.C.M.W. van Sint-Joost-ten-Node met ingang op 29 januari 2004; Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 5 § 1, II, 2/, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993; Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op de artikels 60, lid 4 en 63, lid 1, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli en 5 mei 1993; Gelet op de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zoals gewijzigd bij ordonnantie dd. 3 juni 2003 betreffende het administratief toezicht en de financiële, budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van de organieke wet, inzonderheid op de artikels 42, 43, 46, 46quater, 51, 52, 53 en 110; Overwegende dat de ontvangster naar behoren werd opgeroepen om haar bezwaren te laten horen; Dat de rechten van de verdediging alsook de voorgeschreven procedures werden geëerbiedigd; Overwegende dat het onverantwoord verlaten van haar betrekking bewezen is en op zichzelf opgelegde tuchtmaatregel rechtvaardigt; dat het derhalve overbodig is de overige ten laste gelegde feiten in acht te nemen en ze nader te onderzoeken; Overwegende derhalve dat zich niets verzet tegen de goedkeuring van bovengenoemde beslissing; Op voordracht van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen”. De procedure
  34. Het beroep tot nietigverklaring van het tuchtbesluit van 29 januari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn en het beroep tot nietigverklaring XII-4935-25/50 van de goedkeuring van dat tuchtbesluit door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn juridisch verknocht, in die zin dat wanneer het eerstgenoemde besluit door de Raad van State wordt vernietigd omdat één van de door verzoekster aangevoerde annulatiemiddelen gegrond is bevonden, die vernietiging noodzakelijk ook leidt tot de nietigverklaring van het laatstgenoemde besluit dat alsdan geacht moet worden door dezelfde onwettigheid te zijn aangetast als het tuchtbesluit. Er is dan ook reden om de beide zaken samen te voegen en er in één arrest uitspraak over te doen.
  35. In haar memorie van wederantwoord in de zaak A. 147.987 vraagt verzoekster tevens de samenvoeging met de zaak A. 144.806, waarin zij de nietig- verklaring vraagt van de beslissingen van 16, 20 en 23 oktober 2003 van het vast bureau en de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Joost-ten- Node betreffende haar preventieve schorsing. Nadat in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het twee van elkaar te onderscheiden administratieve rechtshandelingen betreft en dat “de voormelde zaken niet dermate juridisch verknocht [zijn] dat de goede rechtsbedeling zou vergen dat ze worden samen- gevoegd”, beperkt verzoekster zich in de laatste memorie er toe te verklaren zich naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. Aldus stelt de Raad vast dat zij de beoordeling van het auditoraat niet weerlegt en ook niet langer op de samenvoeging aandringt. De ontvankelijkheid van de beroepen 4.
  36. De verwerende partij in de zaak A. 147.987 werpt excepties op met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep. Vooreerst voert zij aan dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing beschikt, omdat die nietigverklaring verzoekster geen persoonlijk voordeel kan verschaffen. Verzoekster zou zich ingevolge die nietigverklaring immers terug in statutair dienstverband met het OCMW bevinden, terwijl zij ervoor gekozen heeft een andere betrekking bij de politiezone te bekleden. Volgens de verwerende partij heeft verzoekster bovendien geen geoorloofd belang bij de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing, wijl de opgelegde tuchtmaatregel ertoe strekt een einde te stellen aan een onregelmatige toestand die door verzoekster zelf in het leven is geroepen. XII-4935-26/50 XII-4935-27/50 Voorts laat de verwerende partij gelden dat verzoekster geen voordeel haalt uit de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing, omdat de raad voor maatschappelijk welzijn zich dan opnieuw zou moeten uitspreken over de vraag van verzoekster om haar ontslagaanvraag te behandelen, maar over een discretionaire bevoegdheid beschikt om daar al dan niet op in te gaan, en omdat een nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing niet tot gevolg zou hebben dat het door verzoekster ingediende ontslag wordt ingewilligd. 4.
  37. De eerste bestreden beslissing legt aan verzoekster de tuchtmaatregel op van het ontslag van ambtswege. Verzoekster heeft onbetwistbaar een moreel belang bij de nietigverklaring van deze maatregel, ook al is het niet haar intentie om terug in dienst van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node te komen. Door de nietigverklaring zou zij immers ontlast worden van het odium dat onvermijdelijk en onlosmakelijk aan een dergelijke tuchtmaatregel kleeft. De verwerende partij verwart de vraag naar het belang met de grond van de zaak. De excepties opgeworpen door de verwerende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep voorzover het gericht is tegen het tuchtbesluit van 29 januari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn, zijn derhalve niet gegrond. 5.
  38. Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep tegen de tweede bestreden beslissing, sluit verwerende partij zich in de laatste memorie aan bij de vaststelling van het auditoraat dat de weigering van de raad voor maatschappelijk welzijn om in te gaan op de vraag van verzoekster haar ontslagaanvraag bij hoogdringendheid te behandelen op de hoorzitting van 22 januari 2004 en haar ontslag te aanvaarden met ingang van 1 oktober 2003 “als zijnde een impliciete weigering van het ingediende ontslag”, niet geacht kan worden te zijn vervat in het tuchtbesluit van 29 januari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn. Verzoekster zet daartegenover uiteen dat zij reeds op 15 januari 2003 mondeling haar ontslag heeft ingediend, doch nooit geweten heeft dat geen van haar opeenvolgende ontslagaanvragen zijn voorgelegd aan het bevoegde orgaan, dat dit haar eerst duidelijk werd na het opstarten van de tuchtprocedure en dat zij dan tijdens de hoorzittingen op 30 oktober 2003 en 22 januari 2004 andermaal haar ontslagaanvraag indient en de raadsleden verzocht het punt bij hoogdringendheid te agenderen nu de voorzitter dit niet wilde doen. Zij meent dan ook dat de tweede XII-4935-28/50 bestreden beslissing wel degelijk vervat zit in de eerste bestreden beslissing en dat minstens moet worden vastgesteld dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 29 januari 2004 bij het opleggen van de tuchtsanctie impliciet maar zeker geen gunstig gevolg heeft gegeven aan de ontslagaanvraag zoals zij ze ondertussen zowat voor de tiende keer heeft geformuleerd. Verzoekster meent dat, nu zij ontslag heeft gevraagd, daar uitdrukkelijk of impliciet over moet worden beslist en dat het niet kan dat het bestuur geen beslissing neemt. Zodoende kan de niet-behandeling van de uitdrukkelijk geformuleerde ontslagaanvraag niet anders worden begrepen dan de niet-aanvaarding ervan. 5.
  39. Vooreerst valt het niet in te zien hoe het tuchtbesluit zelf de weigering zou kunnen inhouden om verzoeksters ontslagaanvraag bij hoogdringendheid te behandelen tijdens een hoorzitting die reeds een week eerder heeft plaatsgehad. Een dergelijke weigering is een eenmalig uitvoerbare beslissing die alleen tijdens de voormelde hoorzitting zelf kan zijn genomen. De ontslagaanvraag van verzoekster staat voorts los van de tegen haar gevoerde tuchtprocedure, die heeft geleid tot haar ontslag van ambtswege op grond van het decisieve feit dat zij met ingang van 1 oktober 2003 de post van ontvanger van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node zonder wettige reden zou hebben verlaten. Deze tuchtmaatregel werd opgelegd, zonder dat de raad voor maatschappelijk welzijn zich expliciet of impliciet over de ontslagaanvraag van verzoekster diende uit te spreken. Uit het feitenrelaas blijkt immers dat verzoekster er genoegzaam van op de hoogte was dat haar ontslag -al dan niet terecht, dat is de grond van de zaak- maar aan de orde zou zijn nadat alle gepaste maatregelen waren genomen om in haar vervanging te voorzien wat, in haar eigen woorden voor haarzelf “het in orde brengen van de achterstand in de rekeningen” omvat. Aangezien de “impliciete weigering van het ingediende ontslag” aldus niet geacht kan worden in het bestreden tuchtbesluit te zijn vervat, kan ze niet ontvankelijk mede het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring uitmaken. De daartoe desnoods ambtshalve op te werpen exceptie is gegrond. 6.
  40. Ook in de zaak A.150.219 werpen de verwerende partij en de tussenkomende partij excepties op met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep. XII-4935-29/50 Verwerende partij argumenteert dat verzoekster geen wettig belang heeft bij haar beroep in de mate dat dit ertoe strekt de mogelijkheid te verkrijgen haar functies bij de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node te cumuleren met de betrekking van ontvanger van het OCMW van Sint-Joost-ten- Node. Dit geldt volgens verwerende partij des te meer, nu verzoekster de benoeming van haar vervanger bij het OCMW niet heeft aangevochten. Tussenkomende partij doet gelden dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang bij haar beroep beschikt, omdat een nietigverklaring van het bestreden besluit niet tot gevolg kan hebben dat de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel zijn uitwerking verliest, doch enkel dat het Verenigd College een nieuwe discretionaire beslissing tot goedkeuring of niet-goedkeuring dient te nemen. Zelfs indien wordt aangenomen dat een nietigverklaring van het bestreden goedkeuringsbesluit ook de goedgekeurde tuchtmaatregel teniet doet, dan nog kan deze nietigverklaring verzoekster geen voordeel opleveren, vermits zij dan weer in dienst zou zijn van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node, terwijl zij dat precies niet wenst, gezien haar dienstverlating bij het OCMW en indiensttreding bij de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node. Voorts voert de tussenkomende partij aan dat verzoekster zelf een onregelmatige toestand in het leven heeft geroepen, doordat zij in dienst is getreden van de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node zonder eerst haar ontslag te krijgen bij het OCMW van Sint-Joost-ten-Node, dat het voorliggende beroep slechts beoogt die onregelmatige toestand te bestendigen en dat verzoekster derhalve geen “geoorloofd” belang bij haar beroep heeft. 6.
  41. Nergens blijkt uit dat verzoekster met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de cumulatie nastreeft van haar functies bij de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node met de betrekking van ontvanger van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node. De omstandigheid dat verzoekster de benoeming van haar vervanger bij het OCMW niet heeft aangevochten, is niet ter zake dienend. Verzoekster beoogt immers met het voorliggende beroep tot nietigverklaring niet haar ambt van ontvanger bij het OCMW terug op te nemen, doch wel de haar opgelegde tuchtmaatregel van ontslag van ambtswege ongedaan te maken. XII-4935-30/50 Een eventuele nietigverklaring van de goedkeuring door het Verenigd College van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, zou met zich brengen dat dit college zich opnieuw over de goedkeuring of de niet- goedkeuring van het tuchtbesluit dient uit te spreken, met inachtneming van de vernietigingsgrond die dan uit het vernietigingsarrest van de Raad van State zou blijken. Een nietigverklaring van het goedkeuringsbesluit, ook al blijft het tucht- besluit als zodanig erdoor onaangetast, doet voor verzoekster derhalve opnieuw de mogelijkheid ontstaan van een niet-goedkeuring van het tuchtbesluit, waardoor de haar opgelegde tuchtmaatregel geen definitief uitvoerbare kracht zou verkrijgen. Verzoekster heeft te dezen dan ook het rechtens vereiste belang bij het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Hiervoor is reeds vastgesteld dat verzoeksters belang geoorloofd is, ook als de haar opgelegde tuchtmaatregel gebaseerd zou zijn op een onregelmatige toestand die zij zelf in het leven heeft geroepen. De door verwerende partij en tussenkomende partij opgeworpen excepties zijn niet gegrond. De gegrondheid van het beroep in de zaak A.147.987 Eerste middel Uiteenzetting van het middel 7.
  42. Verzoekster formuleert het eerste middel in haar verzoekschrift als volgt : “Eerste middel, genomen uit de schending van art. 28, 51 en 52 van de O.C.M.W.-wet. art. 4 en 14 E.V.R.M., art. 1 van de Conventie van de I.A.O. nr. 105 betreffende de afschaffing van de gedwongen arbeid en art. 10 en 11 van de Grondwet, art. 3 van de wet dd. 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen [hierna : de ‘Formele Motiveringswet’], en het motiveringsbeginsel, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, Doordat, eerste onderdeel, met de eerste bestreden beslissing verzoekende partij in haar hoedanigheid van statutair personeelslid van het O.C.M.W. tuchtrechtelijk wordt ontslagen, Terwijl, een tuchtsanctie niet kan worden opgelegd aan een persoon die niet meer in dienst is, zoals verzoekende partij die moet geacht worden van rechtswege te zijn ontslagen uit die betrekking, zonder dat een overheid dit kan XII-4935-31/50 tegengaan door zich niet uit te spreken over de aanvaarding binnen een redelijke termijn van een door een personeelslid ingediend ontslag; En doordat, tweede onderdeel, met de tweede bestreden beslissing de O.C.M.W.-raad na een onredelijke lange termijn weigert het ingediende ontslag te agenderen, en derhalve niet besluit tot aanvaarding van het ingediende ontslag, Terwijl, het O.C.M.W. slechts bevoegd is om zich over een ingediend ontslag uit te spreken voor zover het deze bevoegdheid binnen een redelijke termijn aanwendt; En doordat, derde onderdeel, de bestreden beslissingen beogen de verzoekende partij juridisch in dienst te houden tot nà 1 oktober 2003, Terwijl, niemand kan gedwongen worden om in dienst van een werkgever [t]e blijven; En doordat, vierde onderdeel, de tuchtsanctie wordt opgelegd op grond van het hoofdmotief van het ongeoorloofd verlaten van de post zonder wettige reden, Terwijl, dit motief de tuchtsanctie niet kan verantwoorden, nu de ‘postverlating’ onbestaande was, en bovendien, voor zover ze reëel was, niet foutief was”. Verzoekster licht toe, samengevat, dat zij op 15 januari 2003 mondeling haar ontslag heeft ingediend en dat zij op 31 januari 2003, 11 en 31 maart 2003 en 13 september 2003 dit ook schriftelijk heeft gedaan. De voorzitster heeft dit ontslag niet binnen een redelijke termijn op de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht en heeft het voorafgaand onderzoek, dat haar is opgedragen door artikel 28 van de OCMW-wet, op een onwettige wijze gevoerd doordat zij de raad voor maatschappelijk welzijn slecht heeft geïnformeerd en aan het ontslag voorwaarden heeft verbonden. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft aldus geen beslissing over het vrijwillige ontslag van verzoekster kunnen nemen. Het gevolg daarvan is dat dit ontslag van rechtswege uitwerking heeft en dat verzoekster vanaf 1 oktober 2003 geen statutair dienstverband meer heeft met de verwerende partij. Doordat laatstgenoemde partij ervan uitgaat dat verzoekster meer dan één jaar na het indienen van haar ontslag nog steeds in dienst is, schendt zij artikel 4, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna EVRM), naar luid waarvan niemand mag worden gedwongen dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten, alsook artikel 1, c, van het Verdrag nr. 105 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de afschaffing van de gedwongen arbeid, naar luid waarvan elk lid van de Internationale Arbeidsorganisatie zich verplicht tot het afschaffen en niet meer gebruik maken van enigerlei vorm van gedwongen of verplichte arbeid “als een middel tot arbeidsdiscipline”. Het continuïteitsbeginsel vermag deze internationaalrechtelijke normen niet buiten werking te stellen. Het standpunt van de verwerende partij dat het voorschrift van artikel 82, § 1, van het besluit van XII-4935-32/50 26 oktober 1995 van het Verenigd College zich verzet tegen de indiening van een ontslag, houdt bovendien een schending in van artikel 4, lid 2, van het EVRM juncto het niet-discriminatiebeginsel: ten eerste maakt geen enkele regel de indiening van het ontslag van de ontvanger afhankelijk van een opgave zoals bedoeld in artikel 82, § 1, van het voormelde besluit; ten tweede kan er geen sprake van zijn dat verzoeksters ontslag niet kan worden uitgevoerd zolang haar opvolger niet is geïnstalleerd, vermits er hoe dan ook “geen beslissing over het ontslag in het rechtsverkeer is”; ten derde is het onjuist dat het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College zich ertegen zou verzetten dat het ontslag van een ontvanger wordt uitgevoerd vooraleer een opvolger is geïnstalleerd; het voormelde besluit is immers genomen in uitvoering van artikel 87 van de OCMW-wet dat geheel vreemd is aan de organisatie van de ambtsneerlegging en het voorziet niet in een sanctie in het geval van niet-naleving ervan; ten vierde en “ondergeschikt” bestaat geen redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling tussen, eensdeels, statutaire ontvangers wier statuut wordt bepaald door het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College en, anderdeels, de Vlaamse en Waalse statutaire ontvangers wier statuut niet door dat besluit wordt bepaald en de contractuele ontvangers. Krachtens artikel 51 van de OCMW-wet kunnen alleen aan statutaire personeelsleden de tuchtstraffen bedoeld in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet worden opgelegd, zodat de afwezigheid van statutair verband tussen verzoekster en de verwerende partij tot gevolg heeft dat “[de] tuchtsanctie niet wettig kán worden opgelegd”. 7.
  43. In haar verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging na het arrest nr. 132.385 van 14 juni 2004 over de vordering tot schorsing betoogt verzoekster met betrekking tot de bepaling van artikel 82, § 1, van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College dat deze wetsconform dient te worden gelezen. Zij wijst erop dat volgens de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 27 april 1995 van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende wijziging van de ordonnantie van 27 oktober 1994 tot wijziging van de OCMW-wet, de verantwoordelijkheden van de ontvanger niet in een algemeen boekhoudbesluit konden worden geregeld en dat uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 3 juni 2003 van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende het administratief toezicht en de financiële, budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van de OCMW-wet blijkt dat het boekhoudbesluit enkel betrekking mag hebben op XII-4935-33/50 financiële regels waaraan een restrictieve interpretatie moet worden gegeven. Verzoekster concludeert daaruit dat een besluit van het Verenigd College genomen op grond van artikel 87 van de OCMW-wet niet kan worden geïnterpreteerd “als bevattende uitvoeringsbepalingen die de rechten en de plichten van de ontvanger bepalen”. Voorts laat verzoekster nog gelden dat de opvatting dat artikel 82, § 1, van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College een statutaire bepaling is, in strijd komt met de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen in de publieke sector, vermits het niet voorafgaandelijk aan onderhandeling of overleg werd onderworpen, dat een vergelijking van artikel 87 van de OCMW-wet met artikel 239 van de nieuwe gemeentewet niet dienstig is, wijl uit de parlementaire voorbereiding van de laatstgenoemde bepaling niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was een rechtsgrond te bieden voor een boekhoudbesluit waarin onder meer aspecten van de minimale rechten van de ontvanger worden geregeld, dat uit de omstandigheid dat het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College nagenoeg ongewijzigd de bepalingen overneemt van het boekhoudbesluit van de provincie Henegouwen, behalve het voorschrift dat binnen een termijn van vijftien dagen een beslissing moet worden genomen over het ingediende ontslag van een ontvanger, slechts kan worden afgeleid dat een dergelijke bepaling niets te maken heeft met de boekhouding, maar alles met het statuut, dat de wijze waarop verzoekster zelf haar rol van in dienst tredende ontvanger bij het OCMW van Sint-Joost-ten-Node heeft vervuld, perfect beantwoordt aan de wetsconforme interpretatie die aan artikel 82, § 1, van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College moet worden gegeven. 7.
  44. In haar memorie van wederantwoord houdt verzoekster staande dat zij reeds op 15 januari 2003 haar ontslag mondeling heeft ingediend en dat zij dat op 31 januari 2003 en 11 maart 2003 schriftelijk heeft gedaan. Zij betwist dat de voorzitster over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken om een ontslag al dan niet op de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn te plaatsen. Zij laat gelden dat ook de aanwending van een discretionaire bevoegdheid onderworpen is aan het vereiste van een redelijke termijn. In casu kan deze termijn niet langer zijn dan de termijn waarover de verwerende partij beschikte om de benoeming van verzoekster bij de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node bij de Raad van State aan te vechten. Een toepassing van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zou niet zinvol zijn geweest, omdat dit te veel tijd zou hebben gevergd en een vernietiging van de stilzwijgende afwijzing van verzoeksters ontslagaanvraag nog geen effectieve inwilliging van het ontslag met zich zou XII-4935-34/50 hebben gebracht. Het standpunt van verwerende partij dat het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst rechtvaardigt dat een ontslag onderworpen is aan bepaalde voorwaarden, strijdt met de internationaalrechtelijke bescherming van het ontslagrecht. Wat haar argumentatie betreft dat de artikelen 82 en 83 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College in een wetsconforme lezing geen ontslagvoorwaarden kunnen bepalen, wijst verzoekster er op dat zij reeds in haar verzoekschrift tot nietigverklaring heeft gesteld dat het boekhoudbesluit vreemd is aan de organisatie van de ambtsneerlegging en aan de wijze waarop beslist wordt over een ingediend ontslag. Hoe dan ook is het gebrek aan rechtsgrond, aldus verzoekster, een middel dat ambtshalve kan worden aangevoerd. Ten slotte stelt verzoekster dat wie artikel 87 van de OCMW-wet wil vergelijken met artikel 239 van de nieuwe gemeentewet, best artikel 138bis van de nieuwe gemeentewet bij die vergelijking betrekt. De laatstgenoemde wetsbepaling, die onder meer stelt dat een eindrekening wordt gemaakt wanneer de ontvanger of de bijzondere agent, bedoeld in artikel 138, § 1, zijn ambt neerlegt, verwoordt volgens verzoekster het principe dat “het opmaken van een eindrekening het noodzakelijk (nakomend) gevolg is van een (daaraan voorafgaande) stopzetting van de functie als ontvanger, maar geen (voorafgaande) voorwaarde voor een stopzetting van de functie”. Deze wettelijke bepaling moet in verband worden gebracht met een advies van 12 maart 1990 van de afdeling wetgeving van de Raad van State over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het besluit van 10 februari 1945 van de Regent houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit (hierna “het besluit van de Regent van 10 februari 1945” genoemd), waarin wordt gewezen op de noodzaak om een dergelijke aangelegenheid bij wet en in de wet te regelen. 7.
  45. In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat het besluit van het Verenigd College geen statutaire bepalingen kan bevatten omdat het bepalen van het administratief statuut van een ontvanger een zaak is van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn; het besluit van 26 oktober 1995 is goedgekeurd zonder voorafgaande syndicale onderhandelingen of overleg en kan dan ook geen rechten en plichten van de ontvanger bepalen. Verzoekster blijft er ook bij dat het bestuur ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan haar ontslagaanvraag, dat de voorzitster het ingediende ontslag ten onrechte niet heeft voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn en dat deze raad in het andere geval zou hebben XII-4935-35/50 geoordeeld dat de postverlating niet foutief was en dus de opgelegde tuchtsanctie niet wettigt. Beoordeling
  46. Alleen het eerste, derde en vierde onderdeel van het middel hebben betrekking op het eerste bestreden besluit. Het tweede onderdeel betreft de tweede bestreden beslissing, waarvan hiervoor is geoordeeld dat ze met voorliggend beroep niet ontvankelijk bij de Raad van State is aangevochten. 9.
  47. Luidens artikel 82 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College legt de ontvanger zijn functie pas neer bij de installatie van zijn opvolger. Volgens verzoekster is deze bepaling echter onwettig en mag ze niet worden toegepast. Dit is, zoals hierna zal blijken, zonder relevantie. 9.
  48. Verzoekster is tot ontvanger benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Sint-Joost-ten-Node en zoals over haar benoeming moet ook over haar ontslag worden beslist bij een eenzijdige administratieve rechtshandeling van diezelfde raad voor maatschappelijk welzijn. Verzoekster betwist dit niet in beginsel, aangezien zij de voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn net verwijt haar ontslagaanvraag niet te hebben geagendeerd. Het staat dan ook buiten betwisting dat, aangezien door de raad voor maatschappelijk welzijn aan verzoekster geen formeel ontslag was verleend, zij dus nog steeds in statutair dienstverband was met het OCMW op 1 oktober 2003 en haar dienstverplichtingen diende te vervullen. De raad voor maatschappelijk welzijn vermocht dan ook, wanneer hij vaststelde dat verzoekster vanaf 1 oktober 2003 haar dienst wederrechtelijk had verlaten, op grond van de artikelen 51 en 52 van de OCMW-wet zijn tuchtbevoegdheid tegenover haar uit te oefenen, ongeacht of de voorzitster van het OCMW al dan niet haar ontslag reeds aan de raad voor maatschappelijk welzijn had voorgelegd. 9.
  49. Wél betoogt verzoekster dat de voorzitster in de fout ging door haar aanvraag niet te agenderen, dat dit des te erger is door er zelfs een jaar mee te wachten, dat dit onredelijk lang is en dat mede ook gelet op de aangevoerde XII-4935-36/50 verdragsbepalingen luidens wie niemand gedwongen kan worden om in dienst van een werkgever te blijven, een en ander niet anders begrepen kan worden dan dat zij spijts het ontbreken van enige formele beslissing toch “moet geacht worden van rechtswege te zijn ontslagen”. 9.
  50. Die stelling van verzoekster kan niet worden aangenomen. Vooreerst kan verzoekster niet worden bijgevallen waar zij haar ontslagaanvraag al in januari 2003 situeert. Daargelaten nog dat over de inhoud van het gesprek tussen verzoekster en de voorzitster op 15 januari 2003 geen bewijzen voorliggen, is er hoe dan ook pas voor het eerst sprake van een formele en concrete ontslagaanvraag op 31 maart
  51. Voorheen wou verzoekster enkel een toelating krijgen voor een cumulatie tussen haar ambt van ontvanger bij het OCMW en haar nieuwe ambt bij de politiezone, weliswaar met het oog op een latere voltijdse overstap naar dat nieuwe ambt. Uit het feitenrelaas blijkt immers genoegzaam dat verzoekster wel degelijk van plan was uiteindelijk haar ambt neer te leggen om over te stappen naar de politiezone, maar evenzeer dat zij nooit gepreciseerd heeft op welke datum dat zou moeten gebeuren. De weigering door de raad voor maatschappelijk welzijn om de gevraagde cumulatie toe te staan toont dan weer aan dat de raad voor maatschappelijk welzijn zeer goed op de hoogte was van haar ultieme wens om bij het OCMW ontslag te nemen. De voorgenomen overstap naar de politiezone (“het feit dat ik op termijn deze laatste taak voltijds wens uit te oefenen”, schrijft verzoekster) was immers precies de motivatie van verzoekster om op 11 maart 2003 voorlopig een cumulatie aan te vragen en de weigering wordt onder meer gemotiveerd met het oog op “het maken van de eindafrekening”. Aan de voorzitster kan dan ook niet worden verweten vóór 31 maart 2003 artikel 28 van de OCMW-wet niet te hebben nageleefd. De Raad van State herhaalt zijn vaststelling dat in de cumulatie-aanvraag noch in enig ander stuk dat aan de brief van 31 maart 2003 voorafgaat uitdrukkelijk, concreet en specifiek door verzoekster een ontslag is gevraagd, maar dat verzoekster tot dan minstens impliciet er van uit gaat dat zij beide ambten zou cumuleren en op een later, niet gepreciseerd ogenblik -“van zodra ik me kan vrijmaken” heet het nog in de brief van 11 maart 2003- zou overstappen. Verzoekster heeft ook nadien nooit enig bezwaar geformuleerd tegen de vraag om eerst de rekeningen af te werken, integendeel. In haar brief van 31 maart 2003 verklaart ze “heel goed” die voorwaarde te begrijpen en zij vraagt XII-4935-37/50 enkel dat die procedure zo snel mogelijk afgehandeld zou kunnen worden. Verzoekster geeft echter geen plausibele uitleg waarom het haar niet mogelijk zou zijn geweest om deze opdracht, die ze zelf acceptabel vond, tijdens de zes daarop volgende maanden af te werken. Tegenover de bewering, in haar brief van 13 september 2003, dat “nog geen stap is gezet” door het OCMW staan dan weer de vaststellingen dat de voorzitster op 30 juni 2003 verzoekster heeft ontlast van een aantal taken om haar in staat te stellen voort te maken met de rekeningen en dat de voorzitster op 4 september 2003 er bij verzoekster op aandrong dat de rekening 2001 in de kortst mogelijke tijd zou kunnen worden afgesloten. In die omstandigheden kan ook niet worden besloten tot een schending van artikel 28 van de OCMW-wet, in samenhang met de redelijke termijn-eis, bij het (niet) agenderen van de ontslagaanvraag na 31 maart 2003, noch van het verbod om gedwongen arbeid te verrichten. Immers mag het ontslag van een ontvanger aan redelijke voorwaarden en beperkingen worden onderworpen. De prestaties die verzoekster nog diende te verrichten en die zij toch “heel goed” begreep, strekken tot het waarborgen van de continuïteit van de financiële dienst van het OCMW en hebben derhalve het algemeen belang als doelstelling. Ze kunnen bezwaarlijk onevenredig worden bevonden, vermits ze van tijdelijke aard en in beginsel van korte duur zijn. Bovendien stond niets eraan in de weg dat verzoekster na haar ontslag te hebben ingediend, onverwijld de eindrekening van haar beheer opstelde, zodat zij van haar functie kon worden ontheven. Dat het dienstverband van verzoekster met het OCMW in de gegeven omstandigheden “van rechtswege” beëindigd zou zijn, wordt bijgevolg niet bijgevallen. De conclusie sub 9.
  52. blijft overeind. 9.
  53. Ten slotte kan evenmin een schending worden onderkend van “art. 4 E.V.R.M. juncto het non-discriminatiebeginsel”. Er kan slechts sprake zijn van een discriminatie wanneer verschillende categorieën die zich in eenzelfde situatie bevinden, verschillend worden behandeld of wanneer verschillende categorieën die zich in een verschillende situatie bevinden, op een gelijke wijze worden behandeld. Verzoekster vergelijkt zich ten onrechte met Vlaamse en Waalse ontvangers, van wie een eventueel verschillende rechtspositieregeling eigen is aan het feit dat zij ingevolge de federale staatsstructuur onder andere regelgevers ressorteren, terwijl de vergelijking met de contractuele ontvangers evenmin opgaat XII-4935-38/50 nu deze uit de aard zelf van hun contractueel dienstverband niet aan het tuchtstatuut van de statutairen zijn onderworpen. 9.
  54. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel moet worden verworpen, zonder dat het nodig is een antwoord te geven op de vraag of artikel 82 van het besluit van 26 oktober 1995 van het Verenigd College wettig is. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  55. Verzoekster formuleert het tweede middel als volgt : “Tweede middel, genomen uit art. 37, lid 1 van de O.C.M.W. -wet, de beginselen ‘justice should not only be done, but also be seen to be done’ en ‘nemo iudex in sua causa’, het onpartijdigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, Doordat, eerste onderdeel, de Voorzitter alle voorafgaande voorbereidingen heeft doorgevoerd, alle vergaderingen van het Vast Bureau en de Raad heeft geleid, heeft deelgenomen aan alle beraadslagingen en telkens heeft gestemd, en zo de leden van de beraadslagende organen feitelijk en op een beslissende wijze heeft beïnvloed tot het nemen van bepaalde beslissingen die deze organen naderhand nog moeilijk kunnen ontkrachten, En doordat, tweede onderdeel, over elk verzoek tot wraking resp. van het getuigenverhoor van de Voorzitter is beraadslaagd in aanwezigheid van de gewraakte persoon die eveneens deelneemt aan de beraadslaging waarbij omstandig de redenen worden uiteengezet waarom hij geen rechtstreeks en persoonlijk belang zou hebben bij de uitkomst van de beraadslaging, Terwijl, over beide onderdelen samen, een tuchtbesluit moet worden genomen op grond van zorgvuldig en objectief verzamelde gegevens teneinde de schuld of de onschuld van de tuchtvervolgde persoon aan te tonen, wat een volstrekte onpartijdigheid veronderstelt in hoofde van de persoon die het tuchtdossier samenstelt en de tuchtsanctie voorstelt, en waarbij de vrije beoordelingsmarge van het tuchtrechtelijk bevoegd orgaan maximum moet verzekerd blijven”. Beoordeling
  56. In haar memorie van wederantwoord besluit verzoekster met reden dat de gegrondheid van het middel afhankelijk is van de vraag of de voorzitster op goede gronden heeft nagelaten het ontslag te agenderen. Zij meent eerder te hebben aangetoond dat dit niet het geval is geweest. De verwerping van het eerste middel leidt evenwel tot de tegenovergestelde conclusie. XII-4935-39/50 Verzoekster wordt door het bestreden tuchtbesluit van ambtswege ontslagen, omdat zij vanaf 1 oktober 2003 haar werkzaamheden op het OCMW van Sint-Joost-ten-Node heeft stopgezet om bij de politiezone Schaarbeek-Evere-Sint- Joost-ten-Node de voltijdse betrekking van financieel verantwoordelijke uit te oefenen. Het valt niet in te zien dat de voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Joost-ten-Node een persoonlijk en rechtstreeks belang zou hebben bij deze tuchtzaak, waardoor het haar krachtens artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet niet toegelaten zou zijn aan de beraadslaging en de stemming over deze zaak deel te nemen. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de voorzitster het door verzoekster ingediende ontslag niet op de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft gebracht omdat verzoekster vooralsnog niet de eindrekening van haar beheer had opgesteld. Deze houding van de voorzitster rechtvaardigt op zich geenszins de conclusie dat zij bij de behandeling van verzoeksters tuchtzaak partijdig zou zijn geweest. Evenmin kan er een schijn van partijdigheid uit worden afgeleid. Voorts maakt verzoekster niet concreet aannemelijk dat de voorzitster bij de behandeling van haar tuchtzaak ingevolge eerder ingenomen standpunten niet meer in staat zou geweest zijn op een onbevooroordeelde wijze over de tuchtvordering ten laste van verzoekster te oordelen of op enigerlei wijze blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid waardoor de raad voor maatschappelijk welzijn ertoe zou kunnen gebracht zijn verzoekster bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. Wijl geen overtuigende reden blijkt die een wraking van de voorzitster bij de beraadslaging en de stemming over verzoeksters tuchtzaak zou kunnen rechtvaardigen, kan verzoekster niet dienstig aanvoeren dat de voorzitster niet aanwezig had mogen zijn bij de behandeling door de raad voor maatschappelijk welzijn van haar verzoek tot wraking van de voorzitster. Verzoekster maakt ten slotte ook niet aannemelijk dat een zorgvuldige feitenvinding vereist dat de voorzitster als getuige wordt gehoord. Het tuchtfeit dat het determinerende motief uitmaakt van de bestreden tuchtmaatregel betreft de onrechtmatige afwezigheid van verzoekster op de dienst vanaf 1 oktober XII-4935-40/50
  57. De constatering van dit tuchtfeit noopt geenszins tot een verhoor van de voorzitster als getuige. Het tweede middel is ongegrond. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  58. Verzoekster formuleert het derde middel als volgt : “Derde middel, genomen uit art. 17, § 1, B en art. 58, lid 1, van de gecoördineerde wetten dd. 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken [hierna de ‘bestuurstaalwet’], art. 3 van de Formele Motiveringswet, en het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, Doordat, de bestreden beslissingen steunen op in het tuchtdossier opgenomen ‘uittreksels van notulen’ Waarvan er geen enkel uitsluitend in het Nederlands is opgesteld, Terwijl, een beslissing, minstens zijn motivering, enkel wettig is voor zover gegrond op voorafgaande besluiten die conform de Bestuurstaalwet zijn opgesteld”. Zij licht toe dat zij op 24 oktober 2003 vanwege de verwerende partij uittreksels uit de notulen heeft ontvangen van de vergaderingen van 13 februari 2003, 13 maart 2003, 10 april 2003, 10 juli 2003 en 14 augustus 2003 van het vast bureau en van de vergaderingen van 20 februari 2003, 20 maart 2003, 19 juni 2003, 17 juli 2003 en 21 augustus 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn, die alle eentalig in het Frans waren opgesteld, met uitzondering van het uittreksel van de notulen van de vergadering van 20 maart 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn, en dat zij ter gelegenheid van de hoorzitting van 30 oktober 2003 een Nederlandse vertaling van deze uittreksels heeft ontvangen, doch dat krachtens artikel 17, §1, B, van de bestuurstaalwet over haar ontslag niet wettig in het Frans kon worden beslist en dat het niet volstond naderhand een Nederlandse vertaling van de desbetreffende uittreksels te bezorgen. Krachtens artikel 58, eerste lid, van de bestuurstaalwet zijn die administratieve handelingen dan ook nietig. De verwerende partij kan haar besluit niet wettig motiveren door een verwijzing naar stukken die in strijd met de openbare orde zijn opgesteld. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster hier aan toe dat de naleving van de bestuurstaalwetgeving niet ondergeschikt is aan de wetgeving die verkiesbaarheidsvoorwaarden bepaalt. Zij beklemtoont voorts dat de XII-4935-41/50 kwestieuze notulen deel uitmaakten van het tuchtdossier. Volgens verzoekster gaat het niet op aan te nemen dat alle door haar aangevoerde middelen teruggaan op (het antwoord op) de vraag inzake de mogelijkheid van ontslag zonder aanvaarding en tegelijk te stellen dat dit niet zo is voor het derde middel. Beoordeling
  59. De bedoelde notulen en bijbehorende vertalingen betreffen de stukken die zijn opgenomen onder de nummers 3 en 4 van het tuchtdossier. Geen enkel van deze stukken heeft als zodanig betrekking op de ten laste van verzoekster gevoerde tuchtprocedure. In het bestreden tuchtbesluit wordt er weliswaar naar verwezen, doch enkel ter weerlegging van het standpunt van verzoekster dat de voorzitster de bevoegde organen niet zou hebben geïnformeerd over het ontslag van verzoekster, waardoor over dat ontslag nog geen uitspraak werd gedaan. Deze verwijzing betreft een geheel overtollig motief, wijl uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de omstandigheid dat de voorzitster het ontslag van verzoekster niet op de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft geplaatst en dit orgaan zich daarover dus niet heeft kunnen uitspreken, als zodanig niets vandoen heeft met de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel, geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid ervan en niet tot de nietigverklaring ervan kan leiden. De eventuele strijdigheid van de voormelde notulen met het voorschrift van artikel 17, §1, B, van de bestuurstaalwet en hun nietigheid die daaruit zou voortvloeien, kunnen derhalve evenmin de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel vitiëren, zodat verzoekster die nietigheid niet dienstig kan inroepen. De omstandigheid dat de bestuurstaalwetgeving de openbare orde aanbelangt kan daaraan niets veranderen. Het blijft zo dat de aangevoerde schending van de bestuurstaalwetgeving niet kan leiden tot een nietigverklaring van het bestreden tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, omdat de kwestieuze notulen geenszins aan de grondslag liggen van de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel, noch de behandeling van verzoeksters tuchtzaak betreffen. Reeds bij de bespreking van het eerste middel is er op gewezen dat de problematiek betreffende het al dan niet voorleggen van de ontslagaanvraag van verzoekster aan de raad voor maatschappelijk welzijn, los staat van de uitoefening van de tuchtbevoegdheid door de raad voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van verzoekster omwille van haar ongewettigd afwezig blijven op de dienst vanaf 1 oktober
  60. XII-4935-42/50 Het derde middel is ongegrond. XII-4935-43/50 Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  61. Verzoekster formuleert het vierde middel als volgt : “Vierde middel, genomen uit art. 317 NGW, art. 3 van de Formele Motiveringswet, het redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de rechten van verdediging als beginselen van behoorlijk bestuur, en het beginsel non bis in idem, Doordat, eerste onderdeel, de eerste bestreden beslissing gemotiveerd wordt door tenlasteleggingen die verjaard zijn, die steunen op onwettige besluiten, die het bestuur zelf niet ernstig neemt, die zonder meer voortvloeien uit andere feiten zonder evenwel als autonoom tuchtfeit te kunnen worden gekwalificeerd, die op onjuiste feitelijke of juridische argumenten zijn g

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.