id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.284 Rolnummer: A. 87258/XII-2287 Zaak: Arrest 187284 - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.284 van 23 oktober 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.284 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 87.258/XII-
- In zake : de STAD NINOVE, die woonplaats kiest bij advocaat L. De Schrijver, kantoor houdende te Gent, Baarledorpstraat 93 tegen :
- de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST- VLAANDEREN
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Ninove op 12 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 augustus 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenaren- zaken en Sport houdende verwerping van het beroep dat zij heeft ingesteld tegen het besluit van 17 juni 1999 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de begrotingswijzigingen nrs. 1 en 2 aan de begroting dienstjaar 1999 niet worden goedgekeurd, alsook van genoemd besluit van 17 juni 1999 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; Gelet op het arrest nr. 85.661 van 29 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 26 april 2000 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-2287-1/12 Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoekster en tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Laurier, die loco advocaat L. De Schrijver verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Op 29 april 1999 keurt de gemeenteraad van Ninove de begrotingswijzigingen nr. 1 (gewone dienst) en nr. 2 (buitengewone dienst) aan de begroting dienstjaar 1999 goed. Deze wijzigingen moeten het mogelijk maken om bestaande leningen te herzien en op een kortere looptijd met vervaldag in 2000 af te betalen zonder dat hiervoor een wederbeleggingsvergoeding moet worden betaald en om nieuwe leningen tegen een lagere intrestvoet aan te gaan, dit alles binnen een tussen de stad Ninove en het Gemeentekrediet gesloten kaderovereenkomst die geldig is “voor gans de legislatuur”, tot 31 december
- Luidens het gemeenteraadsbesluit zullen de kredieten op de artikelen met de economische natuur 911-01 “periodieke aflossingen van leningen” sterk stijgen, waardoor in eerste instantie op de gewone dienst een algemeen deficit kan ontstaan en een XII-2287-2/12 herfinanciering nodig kan zijn die op de buitengewone dienst zal worden ingeschreven. Daarom wordt “in eerste instantie een groot batig resultaat bekomen [...] op de buitengewone dienst” en wordt “een overboeking voorzien [...] voorzien van de buitengewone dienst naar de gewone dienst, zodat in tweede instantie het mogelijk tekort op de gewone dienst en het overschot op de buitengewone dienst worden weggewerkt”. In het kader van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, in het bijzonder de artikelen 7, 8 en 12, worden deze wijzigingen aan de begroting bij besluit van 17 juni 1999 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen niet goedgekeurd. Dit is het tweede bestreden besluit. Op 24 juni 1999 beslist de gemeenteraad van Ninove overeenkomstig artikel 10 van voormeld decreet van 28 april 1993 tegen voornoemd besluit beroep in te stellen. Bij besluit van 13 augustus 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport wordt het beroep verworpen. De motivering luidt : “Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid artikel 255, 4/; Gelet op het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit, inzonderheid artikel 5; Gelet op het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, inzonderheid op de artikelen 11 en 12; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering; Gelet op het gemeenteraadsbesluit van de stad Ninove van 26 juni 1997 houdende goedkeuring van het ontwerp ‘Kaderovereenkomst kredieten stad Ninove’ tussen het stadsbestuur en het Gemeentekrediet en houdende machtiging aan het college van burgemeester en schepenen om deze te onderschrijven; Gelet op het gemeenteraadsbesluit van de stad Ninove van 29 april 1999 houdende goedkeuring van de begrotingswijzigingen nrs. 1 (gewone dienst) en 2 (buitengewone dienst) van de begroting dienstjaar 1999, waarbij de gewone dienst wordt afgesloten (nr. 1) met een algemeen resultaat van 8.730.603 frank en de buitengewone dienst wordt afgesloten met een algemeen resultaat van 9.276.890 frank; Gelet op het besluit van de bestendige deputatie van Oost-Vlaanderen van 17 juni 1999 houdende niet-goedkeuring van de begrotingswijzigingen 1 en 2 (gewone en buitengewone dienst) van de begroting 1999; Gelet op het besluit van de gemeenteraad van Ninove van 1 juli 1999 houdende instelling van beroep bij de Vlaamse regering tegen het besluit van de bestendige deputatie van Oost-Vlaanderen van 17 juni 1999 houdende niet- goedkeuring van de begrotingswijzigingen 1 en 2; Overwegende dat de door de gemeenteraad in de begroting overgebrachte wijzigingen betrekking hebben om de gevolgen van een voorgenomen XII-2287-3/12 herschikking van gemeentelijke schulden via een ver[sn]elde terugbetaling van leningen, gecombineerd met het opnemen van nieuwe leningen; Overwegende dat de gemeente Ninove door het overboeken van 213 miljoen frank van de buitengewone dienst een fictief batig saldo doet ontstaan op de gewone dienst; hetgeen luidens artikel 252 van de Nieuwe Gemeentewet verboden is; Overwegende dat, in toepassing van het artikel 5 van het Algemeen Reglement op de gemeentelijke Comptabiliteit (ARGC), binnen de begroting een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gewone en de buitengewone dienst en dat, in toepassing van het artikel 6 van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijk Comptabiliteit, de ontvangsten en de uitgaven onherroepelijk op een dienst worden aangerekend; Overwegende dat ingevolge artikel 255, 4/ NGW de gemeenteraad verplicht is elk jaar op de begroting van de uitgaven te brengen alle uitgaven die door de wetten aan de gemeente zijn opgelegd, en inzonderheid de volgende: (...) 4/ de vaststaande en opeisbare schulden van de gemeente, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen; Overwegende dat leningen contracten zijn tussen verschillende partijen en dat het gemeentebestuur van Ninove de looptijd van bestaande contracten drastisch wil verkorten in uitvoering van het kaderakkoord dat de stad met het Gemeentekrediet heeft gesloten; overwegende dat een dergelijk kaderakkoord geen ‘contract’ vervangt, maar dat, in uitvoering van het raamakkoord nieuwe contracten kunnen gesloten worden tussen het stadsbestuur en de kredietinstelling, hetgeen tot op heden niet gebeurd is; Overwegende dat een begroting het verloop van de ontvangsten en uitgaven die de gemeente in het jaar moet doen regelt; overwegende dat de uitgaven, ten gevolge van bestaande contracten verplichte uitgaven zijn en begroot moeten worden; overwegende dat dit tot de conclusie leidt dat er eerst nieuwe (lenings)contracten moeten worden gesloten, vooraleer de kredieten voor intresten en/of aflossingen van bestaande contracten kunnen aangepast worden in de begroting; Overwegende dat de gemeenteraad, die bevoegd is voor het aangaan van leningen, nog geen nieuw besluit heeft genomen waarvan de bestaande leningscontracten worden herschikt en waarin de modaliteiten van de nieuwe leningen zijn opgenomen; overwegende derhalve dat het ingestelde beroep niet kan worden ingewilligd”. Dit is het eerste bestreden besluit. De ontvankelijkheid
- De beslissing van de eerste verwerende partij -zijnde het tweede bestreden besluit- is niet in laatste aanleg genomen. Er stond een georganiseerd administratief beroep tegen open. Ten gevolge van de devolutieve werking van dit beroep is de beslissing van de tweede verwerende partij in de plaats van het tweede bestreden besluit gekomen. Hieruit volgt dat alleen de beslissing van de tweede verwerende partij -zijnde het eerste bestreden besluit- ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden. XII-2287-4/12 Met verwerende partijen wordt dan ook vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen het tweede bestreden besluit. De grond van de zaak Eerste middel
- In een eerste middel doet verzoekster gelden dat de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemene reglement op de gemeentelijke comptabiliteit en de artikelen 252 en 255 van de nieuwe gemeentewet werden geschonden. De voorgestelde wijzigingen hebben enkel tot doel de looptijd van bestaande langlopende en dure leningen te verkorten en dit te financieren met andere, goedkopere leningen zonder hiervoor wederbeleggings- vergoedingen te betalen. Het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 had onder meer tot doel een rationeler beheer mogelijk te maken door het invoeren van bepaalde technieken van de bedrijfsboekhouding, het verruimen van de traditionele budgettaire boekhouding met de principes van het dubbel boekhouden en dit met inachtneming van alle economische concepten en stromen, alsook het richten van de nieuwe gemeenteboekhouding op de begrotingscontrole én op het goed economisch beheer. Een rationeel schuldbeheer met herschikking van een aantal langlopende, dure kredieten naar goedkopere kredieten strookt dan ook volledig met de geest van deze bepalingen en staat volledig in dienst van de verdere sanering van de stadsfinanciën. Er is ook geen sprake van een fictief batig saldo aangezien door het overboeken een mogelijk tekort op de gewone dienst en een overschot op de buitengewone dienst worden weggewerkt. De begroting geeft een correct en getrouw beeld van een economische transactie die uitsluitend op de verdere sanering van de stadsfinanciën is gericht en die bijgevolg ook het algemeen belang dient. Voorts is het zo dat de bepalingen van de kaderovereenkomst, onder meer de voorwaarden waaronder tot herschikking van bestaande leningen kan worden overgegaan, het Gemeentekrediet onherroepelijk verbinden, zodat het afsluiten van nieuwe leningscontracten slechts een formaliteit is die het opeisbaar en vaststaand karakter van de nieuwe leningen geenszins in het gedrang brengt. In de bedrijfsboekhouding, waarvan de economische concepten voor de gemeentelijke comptabiliteit werden overgenomen, geldt dat een true and fair view van alle lopende verplichtingen moet worden gegeven en dat overeenkomstig het matching-principe alle inkomsten en uitgaven moeten worden gerelateerd aan het jaar waarop zij werkelijk betrekking XII-2287-5/12 hebben, zelfs al worden zij in dat jaar niet effectief gedragen of geïnd. Als verzoekster eerst nieuwe leningen zou afsluiten en haar begroting vervolgens hieraan zou aanpassen, wat door de toezichthoudende overheid kan worden getoetst en verworpen, loopt zij bij een nieuwe verwerping van de aangepaste begroting het risico dat er intussen een realiteit van nieuwe leningen is ontstaan die onomkeerbaar is en toch niet in de begroting zou kunnen worden verwerkt. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoekster bijkomend dat het overboeken van een eventueel batig saldo van de buitengewone naar de gewone dienst geen losstaand gegeven is waarbij een batig saldo op de ene dienst wordt aangewend om een negatief saldo op een andere dienst weg te werken, doch wordt veroorzaakt door een schuldherschikking die zowel gevolgen kan hebben op de buitengewone als op de gewone dienst en waarbij het overboeken er enkel erop gericht is zuiver boekhoudtechnische boekingen beter bij de werkelijkheid te laten aansluiten, hetgeen volledig in de lijn ligt van het koninklijk besluit van 2 augustus
- Zij diende niet nog eens een formele beslissing te nemen inzake een effectieve schuldherschikking. De voorgestelde begrotingswijziging hield minstens impliciet de beslissing tot schuldherschikking in en het Gemeentekrediet kon, gelet op de kaderovereenkomst, geenszins weigeren op de voorgestelde schuldherschikking in te gaan. In de laatste memorie zet verzoekster nog uiteen dat voor een correcte toepassing en interpretatie van de geldende bepalingen niet kan worden voorbijgegaan aan de doelstellingen en de ratio legis van de wetgeving zoals die onder meer in de voorbereidende werken kan worden teruggevonden. De door haar genomen beslissingen zijn volledig conform de geldende bepalingen. Elke boeking werd aan een specifieke post toegewezen. Door het overboeken werd een correct boekhoudkundig beeld gegeven van de werkelijkheid. De wetgeving kan een correcte boekhoudkundige weergave van bepaalde transacties niet in de weg staan. Uit de genomen beslissingen blijkt afdoende dat de schuldherschikking voor haar een vaststaand en onherroepelijk gegeven was. Zij heeft vaststaande transacties correct geïmputeerd op het begrotingsjaar waarin de beslissingen daartoe werden genomen.
- De eerste bestreden beslissing berust op twee motieven. Een eerste motief luidt dat verzoekende partij door het overboeken van de buitengewone naar de gewone dienst een luidens artikel 252 van de nieuwe gemeentewet verboden XII-2287-6/12 fictief batig saldo doet ontstaan, dat met toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 binnen de begroting een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gewone en de buitengewone dienst en dat bij toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 de ontvangsten en uitgaven onherroepelijk op een dienst worden aangerekend. Een tweede motief verwijst enerzijds naar artikel 255, 4/, van de nieuwe gemeentewet, volgens hetwelk de gemeenteraad verplicht is elk jaar de vaststaande en opeisbare schulden van de gemeente op de begroting van de uitgaven te brengen, en stelt anderzijds dat de begrotingswijzigingen voorbarig waren en er eerst nieuwe leningscontracten moeten worden gesloten, waartoe moet worden beslist door de gemeenteraad, vooraleer de kredieten voor intresten en/of aflossingen van bestaande contracten in de begroting kunnen worden aangepast.
- Overeenkomstig artikel 5, tweede lid, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemene reglement op de gemeentelijke comptabiliteit omvat de begroting de precieze raming van alle ontvangsten en uitgaven die in de loop van het financieel dienstjaar kunnen worden gedaan, met uitzondering van de geldverrichtingen voor rekening van derden of die slechts de thesaurie treffen, wordt binnen de begroting een onderscheid gemaakt tussen de gewone en buitengewone dienst, en worden de ontvangsten en uitgaven, en het resultaat ervan, onherroepelijk op een dienst aangerekend. Met die bepalingen is niet verenigbaar dat een overschot op de buitengewone dienst wordt gebruikt om het tekort op de gewone dienst te financieren. Door toch daartoe over te gaan, wordt een fictief batig saldo op de gewone dienst geschapen, wat in strijd is met artikel 252 van de nieuwe gemeentewet. Dit artikel schrijft onder meer voor dat ten laatste vanaf het begrotingsjaar 1988, de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de gemeenten in geen enkel geval een fictief batig saldo mag vertonen. Dat deze bepalingen zich tegen de begrotingswijzigingen verzetten, is verzoekster bijzonder goed bekend : S Zij kaartte het probleem van de overboeking van de buitengewone dienst naar de gewone dienst bij brief van eind maart 1999 bij de diensten van verwerende partij aan. Het antwoord van 8 april 1999 was klaar en duidelijk, en ongunstig. XII-2287-7/12 S In haar advies van 13 april 1999 over de begrotingswijziging, stelde de begrotingscommissie met zoveel worden vast dat de overboeking “‘in principe’ niet kan” en dat “in de huidige stand van de wetgeving deze operatie onmogelijk [lijkt]”. S In een bijkomend advies van dezelfde datum meende de schepen van financiën dat een overheveling van financiële middelen uit de buitengewone dienst naar de gewone dienst begrotingstechnisch niet kan, en dat de wetgever “hier een zekere logica in[bouwt] omdat in principe voor courante uitgaven geen leningen (lees verschuiving financiële lasten naar de toekomst) kunnen worden aangegaan”. S Op 24 juni 1999 overweegt de gemeenteraad “dat de strikte toepassing van het reglement op de gemeenteboekhouding en de gemeentewet nadelig is voor de financiële situatie van de Stad en belet de schuld nog verder te doen dalen”, reden waarom besloten wordt beroep in te stellen tegen de beslissing van 17 juni 1999 van de deputatie. Het wekt dan ook geen verwondering dat verzoekster in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord niet betwist dat de ministeriële beslissing, door te weigeren de begrotingswijziging goed te keuren, niet de letter - alleen de “filosofie”- van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 en artikel 252 van de nieuwe gemeentewet schendt. Evenmin wordt erin beweerd dat de begrotingswijzigingen met die letter zouden overeenstemmen, maar alleen dat zij doen blijken van een goed en deugdelijk beheer en bestuur van de gemeentefinanciën en daarom volledig stroken met “de geest van deze bepalingen”. Weliswaar betoogt verzoeker in de laatste memorie dat een correcte toepassing en interpretatie van de wettelijke bepalingen niet aan de doelstellingen en ratio legis van de wetgeving voorbij mag gaan, maar daarmee is nog niet de pertinente vraag beantwoord, die in het auditoraatsverslag wordt opgeworpen, “op welke wijze de geest van de wet kan prevaleren op een duidelijke tekst, luidens hetwelk binnen de begroting een onderscheid wordt gemaakt tussen de gewone en buitengewone dienst, en de ontvangsten en uitgaven, alsook het resultaat ervan, onherroepelijk op een dienst worden aangerekend”. XII-2287-8/12
- Artikel 255, 4/, van de nieuwe gemeentewet verplicht de gemeenteraad elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen, alle uitgaven die door de wetten aan de gemeente zijn opgelegd, en inzonderheid de vaststaande en opeisbare schulden van de gemeente, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen. Niet onterecht dan ook overweegt de tweede verwerende partij in de bestreden beslissing dat de uitgaven ten gevolge van bestaande contracten verplichte uitgaven zijn, die begroot moeten worden en dat de betreffende uitgaven in geval van een voorgenomen herschikking slechts kunnen worden aangepast in de begroting indien er eerst nieuwe contracten zijn gesloten. Verzoekster betwist dit niet echt. Wel meent zij dat de goedkeuring op 26 juni 1997 door de gemeenteraad van de “kaderovereenkomst kredieten stad Ninove”, tussen de stad en het Gemeentekrediet, kan gelden als een voldoende vaststaande beslissing tot herschikking, nu dat kaderakkoord “geen vrijblijvend, maar wel degelijk een bindend contract is” dat het Gemeentekrediet “op onherroepelijk[e] wijze” verplicht om in te gaan op de vraag tot het afsluiten van nieuwe leningen in het kader van een schuldherschikking, zodat er “absoluut geen onzekerheid” over kan bestaan dat “de lopende leningscontracten [konden en zouden] worden aangepast, gewijzigd of vervangen, conform de bepalingen van het kaderakkoord”. Eenvoudige lectuur van de goedgekeurde kaderovereenkomst leert dat zij betrekking heeft op “de actuele omloop van de leningen van de stad Ninove bij het Gemeentekrediet en de nieuwe leningen die de stad zal aangaan”. De overeenkomst voorziet voor de nieuwe leningen in een “systeem van referentiële pricing”; wat de modaliteiten betreft stipuleert de overeenkomst dat de stad het aflossingsschema en de kredietvorm bepaalt “[o]p het ogenblik van effectief aangaan van de lening”. Tot de voordelen voor de stad behoren, aldus de “algemene principes” van de kaderovereenkomst dat de voorwaarden vast bepaald zijn en dat de stad “de kredietaanvragen [kan] indienen op het meest geschikte ogenblik”. Er mag dus met verzoekster worden ingestemd waar zij betoogt dat het kaderakkoord een “bindend contract is waarin ondermeer bepaald wordt onder welke voorwaarden tot herschikking van bestaande leningen kan worden overgegaan”. Hoezeer echter ook het sluiten van nieuwe leningscontracten “slechts XII-2287-9/12 een formaliteit” mag heten, het blijft in elk geval een formaliteit die te vervullen is vóóraleer er sprake kan zijn van enig “ opeisbaar en vaststaand karakter van de (nieuwe) leningen”. Tot dat moment, waarop verzoekster een besluit zou hebben genomen waarbij de bestaande leningscontracten effectief worden herschikt en waarin de modaliteiten van de nieuwe leningen zijn vastgesteld, wordt terecht slechts gewaagd, zoals de tweede verwerende in de bestreden beslissing doet, van “een voorgenomen herschikking van gemeentelijke schulden”. Dat eventueel het gemeenteraadsbesluit van 29 april 1999 tot wijziging van de begroting zelf als een (impliciete) beslissing tot schuldherschikking te aanzien zou zijn, wordt niet bijgevallen. Het besluit bevat niet de modaliteiten van de nieuwe leningen. Het is ook -begrijpelijk- niet onderworpen geworden aan het goedkeuringstoezicht waarin het dan geldende artikel 22 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten voorzag in geval van “besluiten van de gemeenteraad waardoor de financiële lasten van opgenomen leningen worden herschikt”.
- Verzoekster toont niet aan dat de tweede verwerende partij, door zich voor haar niet-goedkeuring van de begrotingswijzigingen van 29 april 1999 te hebben gesteund op de schending van de artikelen 152 en 255 van de nieuwe gemeentewet en de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990, zélf die artikelen heeft geschonden. Het middel is ongegrond. Tweede middel
- In een tweede middel voert verzoekster aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het algemeen belang werden geschonden: “Door aan verzoekende partij de mogelijkheid te ontzeggen om een transactie door te voeren die de verdere sanering van stadsfinanciën zonder enige twijfel ten goede zou komen, schenden de toezichthoudende overheden ook duidelijk het zorgvuldigheids- beginsel en gaan zij in tegen het algemeen belang dat enkel kan gebaat zijn met de afbouw van de bestaande schulden”. Dit is des te meer het geval gezien blijkt dat de toezichthoudende overheid in een aantal adviezen zou hebben gesteld dat verzoekster eerder dient te opteren voor een vervroegde afbetaling met betaling van XII-2287-10/12 een wederbeleggingsvergoeding, wat de voordelen van een schuldherschikking zo goed als volledig teniet zou doen.
- Uit de bespreking van het eerste middel volgt dat de tweede verwerende partij op goede grond van mening is geweest dat de begrotings- wijzigingen strijdig waren met de artikelen 252 en 255, 4/, van de nieuwe gemeentewet en de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit houdende het algemene reglement op de gemeentelijke comptabiliteit. In het tweede middel voert verzoekster in essentie aan dat die bepalingen een adequate behartiging van het algemeen belang in de weg staan en dat er alvast in haar specifieke geval moet kunnen worden van afgeweken. Verzoekster oefent, zo doende, kritiek uit op de opportuniteit van de wet. Dergelijke kritiek kan evenwel niet tot nietigverklaring leiden. Ook het tweede middel wordt afgewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-2287-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2287-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.284 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div