← België

Arrest 187285 - Wapens - 23/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.285 Rolnummer: A. 172796/XII-4763 Zaak: Arrest 187285 - Wapens - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.285 van 23 oktober 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.285 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 172.796/XII-

  1. In zake : Marc DEMEULENAERE, die woonplaats kiest bij advocaat I. Kleinermann, kantoor houdende te 1180 Brussel, De Frélaan 269, bus 4 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de provinciegouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Demeulenaere op 8 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 maart 2006 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens worden geschorst; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Vandenput, die verschijnt voor de verzoekende partij; XII-4763-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  2. Met een brief van 7 maart 2006 wijst de korpschef van de politiezone Rode de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant op het wapenbezit van verzoeker van vijf verweervuurwapens. Volgens de korpschef vormt dit wapenbezit, gezien de in zijn brief uiteengezette omstandigheden, een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Op 10 maart 2006 besluit de gouverneur de vijf vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens te schorsen. Dit besluit steunt op de volgende “Motivering” : “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur van de provincie waar de verzoeker zijn woonplaats heeft, met toepassing van artikel 6 § 1 laatste lid van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen bij een met redenen omklede beslissing schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings. Rekening houdend met de voormelde, door de lokale politie van de politiezone Rode verstrekte gegevens, is het, in afwachting van het advies van de procureur des Konings, met het oog op het handhaven van de openbare orde en het verzekeren van de veiligheid van personen, aangewezen om de vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens op naam van de heer Marc Demeulenaere te schorsen. Een definitieve beslissing zal worden genomen na ontvangst van het advies van de procureur des Konings te Brussel”. In rechte Stelling van de partijen
  3. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van onder meer artikel 6, § 1, derde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging XII-4763-2/5 van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verwerende partij heeft de bestreden beslissing genomen zonder het in dit artikel voorgeschreven advies in te winnen van de procureur des Konings. Bovendien wordt in de bestreden beslissing niet formeel gemotiveerd waarom dit advies niet werd gevraagd.
  4. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat het niet opportuun was te wachten op het advies van de bevoegde procureur des Konings. Het voorafgaandelijk inwinnen van dit advies zou tot gevolg hebben gehad dat de betrokkene nog geruime tijd verder in het bezit van zijn wapens zou zijn gebleven, waardoor een potentiële gevaarssituatie niet kon worden uitgeschakeld. Bovendien is de schorsing slechts een voorlopige maatregel, zonder blijvende rechtsgevolgen voor de verzoeker. Het onmiddellijk schorsen van vergunningen in geval van een potentiële gevaarssituatie is dan ook een daad van goed bestuur die erop gericht is te voorkomen dat de wapens in kwestie zouden worden gebruikt met dramatische gevolgen voor derden of de vergunninghouder zelf, en dat in afwachting van een definitieve beslissing (intrekking of ongedaan maken van de schorsing).
  5. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de wapenwet in geen enkele procedure van dringendheid voorziet die de verwerende partij zou toelaten zich te onttrekken aan de wettelijke verplichting het voorafgaand advies van de procureur des Konings in te winnen. De wet creëert bovendien, ook al gaat hier om een voorlopige maatregel, op geen enkele manier een uitzonderingsregime voor de schorsing van vergunningen door de gouverneur; bijgevolg geldt de verplichting het voorafgaand advies in te winnen van de procureur de Konings voor beide procedures.
  6. Verwerende partij herhaalt in de laatste memorie dat het niet opportuun was te wachten op het advies van de bevoegde procureur des Konings. Zij betoogt dat haar handelwijze “gebaseerd was op een algemeen beginsel van goed bestuur”, en verwijst naar artikel 128, eerste lid, van de provinciewet. XII-4763-3/5 Beoordeling
  7. Inzake de schorsing en intrekking van vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens, bepaalde het op het ogenblik van de bestreden beslissing toepasselijke artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet : “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur van de provincie waar de verzoeker zijn woonplaats heeft de vergunning bij een met redenen omklede beslissing schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de verzoeker zijn woonplaats heeft”. Het staat vast dat het bestreden besluit tot schorsing van de vijf wapenvergunningen van verzoeker genomen werd zonder dat het voorafgaand advies van de procureur des Konings werd ingewonnen. De bestreden beslissing zegt het zelf met zoveel woorden: “Een definitieve beslissing zal worden genomen na ontvangst van het advies van de procureur des Konings te Brussel”.
  8. Ofschoon dus het artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet voorschrijft dat bij gevaar voor de openbare orde een schorsing mogelijk is na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, gaat de verwerende partij te dezen aan die verplichting voorbij om reden van -net- het belang van de openbare orde. Naar verwerende partij in haar procedurestukken toelicht, betreft het een kwestie van opportuniteit en goed bestuur. Echter doet verwerende partij geen enkele wettelijke bepaling kennen -ook het artikel 128, eerste lid, van de provinciewet van 30 april 1836 is geen zo een bepaling- die de gouverneur machtigde om bij de uitoefening van de bevoegdheid van bijzondere administratieve politie waarin de wapenwet voorziet, op grond van opportuniteitsoverwegingen af te wijken van het voorschrift van artikel 6, § 1, derde lid, van die wet.
  9. Het middel is in die mate gegrond. XII-4763-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. Vernietigd wordt het besluit van 10 maart 2006 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant om de vergunning van Marc Demeulenaere tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens te schorsen. Artikel
  11. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4763-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.