← België

Arrest 187296 - Milieuvergunningen - 23/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.296 Rolnummer: A. 170187/VII-35477 Zaak: Arrest 187296 - Milieuvergunningen - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.296 van 23 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.296 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 170.187/VII-35.477. In zake : Greta MERTENS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. tussenkomende partij : Jan VAN DEN BRANDE, wonende te LONDERZEEL, Linde 46. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greta MERTENS op 13 februari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 december 2005 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 11 februari 1997, houdende het verlenen aan Jan VAN DEN BRANDE van de vergunning voor het veranderen van een veehouderij, met name het verplaatsen van de runderen en het herschikken van de mestopslag, gelegen aan de Linde 46 te Londerzeel, deels wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 april 2006 ingediend door Jan VAN DEN BRANDE; Gelet op de beschikking van 11 april 2006 die de tussenkomst van Jan VAN DEN BRANDE toelaat; VII-35.477-1/21 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoekster, en van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Jan VAN DEN BRANDE, de tussenkomende partij, exploiteert een landbouwbedrijf, gelegen aan de Linde 46 te Londerzeel. De inrichting bestaat uit verschillende stallen die gedeeltelijk in woongebied en gedeeltelijk in agrarisch gebied gelegen zijn. De exploitant beschikt tot in 2011 over vergunningen voor het houden van in totaal 245 grote inheemse zoogdieren, de opslag van 1.030 m3 mest en 63 m3 stalmest en de opslag van 800 m3 groenvoeders. VII-35.477-2/21 1.2. Op 27 november 1996 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een aanvraag in voor de verandering van de bestaande inrichting door het verplaatsen van runderen en het herschikken en uitbreiden van de mestopslag. In concreto wenst de tussenkomende partij een verouderd stallencomplex te vervangen door een nieuwe stal bestemd voor het houden van 75 runderen. Na het realiseren van de beoogde verandering zouden op de inrichting in totaal nog slechts 195 runderen worden gehouden, waarvan 110 stuks in stallen die gelegen zijn in het woongebied en 85 stuks in stallen die gelegen zijn in agrarisch gebied. Op het ogenblik dat de milieuvergunningsaanvraag wordt ingediend heeft de tussenkomende partij reeds van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een bouwvergunning verkregen voor het "afbreken en heropbouwen van een rundveestal". 1.3. Bij besluit van 11 februari 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel de gevraagde milieuver- gunning. Als bijzondere voorwaarde wordt aan de exploitant opgelegd om bij het oprichten van de nieuwe runderstal een afstand van 3 meter ten opzichte van de perceelsgrens in acht te nemen. De tussenkomende partij wordt tevens verplicht tot de aanleg van een groenscherm. 1.4. Op 25 februari 1997 stelt het echtpaar DE KEYSER-MERTENS, woonachtig te Londerzeel, Linde 40, bij de verwerende partij beroep in tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel waarbij de milieuvergunning tot het veranderen van de bestaande inrichting wordt verleend. Met een brief van 11 maart 1997 wordt door verzoekster beroep ingesteld. 1.5. Met een besluit van 26 juni 1997 wordt het beroep dat verzoek- ster heeft ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 11 februari 1997 niet ingewilligd en wordt de beroepen beslissing integraal bevestigd. 1.6. Tegen voornoemd besluit van 26 juni 1997 dient verzoekster een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder A. 75.475/VII-15.803. VII-35.477-3/21 1.7. Bij arrest nr. 148.824 van de Raad van State van 13 september 2005 wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 juni 1997 vernietigd. De volgende motieven liggen aan de basis van het vernietigingsarrest : "2.2.1. Artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag met redenen omkleed is. Artikel 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning (Vlarem I) bepaalt dat de uitspraak van de bestendige deputatie over het beroep tegen een door het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg genomen beslissing over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een 'gemotiveerde beslissing' dient te omvatten over 'de aanspraken of bezwaren die door de indiener(

  1. s)van het beroep werd(
  2. en)gesteld'. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatiebe- roep te bestrijden. Om aan die verplichting tegemoet te komen, is evenwel niet vereist dat de beslissing een antwoord geeft op alle argumenten die de betrokken bestuurde in de voorafgaande procedure heeft aangevoerd. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd. 2.2.2. Benevens de hoger geciteerde overwegingen waarin de tijdens de beroepsprocedure naar voor gebrachte aanspraken worden geëvalueerd, bevat het bestreden besluit de volgende motieven : 'Overwegende dat waar heden beroepster onmiddellijk naast de bedrijfsgebouwen woont, volgens de geplande verbouwingen of nieuw- bouw deze grens wordt bepaald op een afstand van 3 meter; (...); Overwegende dat op het ogenblik van het plaatsbezoek door de Afdeling Milieuvergunningen weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) kon worden vastgesteld; dat hierbij rekening dient gehouden met het feit dat nagenoeg geen dieren aanwezig waren; dat het echter aannemelijk lijkt dat de overlast voor de aanpalende buur (beroepsindie- ner) in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte); dat lawaai en geurhinder, voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet zijn uit te sluiten; dat de nieuwe toestand zou overeenkomen met het houden van 110 runderen in het woongebied en 85 runderen in het agrarisch gebied; dat het aspect geurhinder echter dient gerelativeerd te worden gezien het runderen betreft en geen varkens of pluimvee; Overwegende dat de vergunning voor het veebedrijf geldig is tot 10.6.2011; dat door de verplaatsing van de dieren en de mest de hinder t.o.v. de buren wordt verminderd; dat een groter aantal dieren en een VII-35.477-4/21 groter volume dierlijk mest in het agrarisch gebied zal worden opgesla- gen; dat de nieuwe stallen op 3 meter van de perceelgrenzen worden opgetrokken en dat een groenscherm moet worden aangeplant; Overwegende dat de VLM en de APSG zich aansluiten bij het unanieme advies van de PMVC; dat de toestand na de verandering van het bedrijf echter minder hinder voor de mens en het milieu zal veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm'. 2.2.3. Opdat een beslissing omtrent het verlenen van een milieuvergunning afdoende gemotiveerd zou zijn, is vereist dat uit de opgegeven motieven blijkt dat de vergunningverlenende overheid tot haar beslissing is gekomen op grond van een concrete evaluatie van de specifieke kenmerken van de inrichting en de gevolgen ervan op de onmiddellijke omgeving. Meer bepaald dient uit de motivering van het vergunningsbesluit afdoende te blijken dat de vergunning- verlenende overheid van oordeel is dat de te verwachten hinder van de inrichting tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Dit geldt ook wanneer vergunning wordt verleend voor de verandering van een bestaand, vergund bedrijf. Te dezen dient te worden vastgesteld dat het cruciale motief om de gevraagde vergunning te verlenen bestaat uit de overweging dat de 'toestand na verandering van het bedrijf (...) minder hinder voor de mens en het leefmilieu zal veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm'. Daargelaten de vraag of de concrete omstandigheden van de zaak en de feitelijke gegevens van het aanvraagdossier zulke conclusie effectief kunnen wettigen, impliceert de loutere vaststelling dat de inrichting na verandering minder hinder zal veroorzaken nog niet dat die verminderde hinder ook beperkt blijft tot voor de omgeving aanvaardbare proporties. Het bestreden besluit bevat geen concrete elementen die de in algemene bewoordingen gestelde conclusie staven. Dit klemt des te meer nu in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuver- gunningscommissie, die beide ongunstig zijn, wordt gesteld dat de aan de exploitatie verbonden ongemakken (lawaai- en geurhinder en overlast door insecten en ongedierte) niet uit te sluiten zijn. Met de overweging in het bestreden besluit dat de geurhinder 'gerelativeerd' dient te worden omdat de aanvraag handelt over het houden van runderen en niet van varkens of pluimvee, wordt evenmin voldoende aangetoond dat die hinder binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden. Bovendien had de verzoekster in haar beroepschrift precies aangevoerd dat haar vrees voor overdreven hinder gestoeld was op de concrete omstandighe- den, inzonderheid op de ligging van de inrichting vlak naast haar leefruimte. Het in de laatste memorie van de verwerende partij aangevoerde feit dat de Vlaamse Landmaatschappij op omstandige wijze een gunstig advies heeft uitgebracht is te dezen niet relevant, aangezien dat advies wordt geformuleerd vanuit het oogpunt van de verenigbaarheid van de aanvraag met de geldende meststoffenreglementering. Dat de aanleg van een groenscherm als verplichting aan de exploitant wordt opgelegd is evenmin relevant aangezien de realisatie ervan enkel van invloed kan zijn op de visuele hinder van de stal en in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat een groenscherm tevens dienstig kan zijn om de ongemakken waarvan gewag wordt gemaakt in de ongunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie te bestrijden. Het middel is in de aangegeven mate gegrond". VII-35.477-5/21 1.8. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 11 februari 1997 hernomen. 1.9. In het kader van de herneming van de procedure worden verscheidene adviezen uitgebracht : (
  3. a)de afdeling Milieuvergunningen brengt op 28 oktober 2005 het volgende ongunstig advies uit : "De in rubriek vermelde aanvraag betreft een heropening van de beroepspro- cedure, ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van State (nr. 148.824 van 13 september 2005). Met het verslag nummer VLl-1535 heeft de Afdeling Milieuvergunningen op 17 april 1997 een ongunstig advies gegeven. Het 'verslag onderzoek' luidde als volgt: 'Ligging en beschrijving van de exploitatie Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde is de inrichting gedeeltelijk gelegen in woongebied en gedeeltelijk gelegen in agrarisch gebied. De exploitatie ligt in een matig bebouwde omgeving. In een straal van 50 m rond de bedrijfsgebouwen bevinden zich een 10-tal vreemde woningen. De woning en de tuin van beroepster, Greta Mertens grenzen over een afstand van ongeveer 100 m rechtstreeks aan de bedrijfsgebou- wen van de exploitant. Het kadasterplan in BIJLAGE heeft een duidelijk overzicht van de huidige situatie. Alle gebouwen, genummerd van 1 tot 20, worden vermeld zoals gepland. De huidige toestand verschilt nauwelijks hiervan. Waar heden beroepster (perceel j2) onmiddellijk naast de bedrijfsgebouwen woont, wordt volgens de geplande verbouwingen of nieuwbouw deze grens bepaald op een afstand van 3 meter. Links en rechts van de woning

(1)bevindt zich koterij (2 tot 6). Achter de woning bevindt zich een gebouw dat verschillende oude stallen omvat met jongvee (7 tot 12). Deze gebouwen laten een zeer onverzorgde en vervallen indruk na en zouden verbouwd of herbouwd worden. De loods, met stallen (14 tot 20) omvat eveneens enkele kleinere eenheden. Hoewel het gebouw vrij nieuw lijkt is de toestand hier al even onoverzichtelijk. Materiaal ligt her en der verspreid of gestouwd, overal bevindt zich rommel waarvan de bruikbaarheid ten zeerste in vraag kan worden gesteld. Enkel de nieuwe loopstal
(13)laat een iets ordelijker indruk na. Hinder Op het ogenblik van het bezoek kon weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) worden vastgesteld. De quasi volledige afwezigheid van dieren op dit ogenblik moet evenwel in rekening worden genomen. Vanuit de woning van beroepster, Greta Mertens, buur van de exploitant zijn de aangrenzende vervallen gebouwen een bron van ergernis. Er kan inderdaad niet ontkend worden dat hier in zekere mate visuele hinder bestaat. De zeer slechte hygiënische en vervallen toestand van de gebouwen 4 tot 12 verergert dit probleem in niet geringe mate. Het lijkt daarom bovendien aannemelijk dat de overlast in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte). Lawaai en stank zijn, voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet uit te sluiten. VII-35.477-6/21 Indien de verbouwing of nieuwbouw doorgaat zoals gepland is alle omstandigheden in acht genomen, nauwelijks sprake van een verbetering voor beroepster. Veel hangt uiteraard af van de wil van de exploitant om zijn bedrijf in betere omstandigheden uit te baten. Een zekere sturing van overheidswege lijkt zich hier tevens op te dringen. In de huidige toestand van de exploitatie lijkt het niet aangewezen om de exploitatie verder toe te laten in het woongebied voor wat betreft de rubrieken die betrekk(ing) hebben op dieren (stallen) en mestopslag. De huidige stallen en koterij in woongebied kunnen best worden afgebroken. Een degelijke verbouwing is in de praktijk noch bouwtechnisch, noch bedrijfseconomisch een redelijke oplossing. Het is in elk geval uitgesloten dat de huidige onhygiënische toestand van het bedrijf zomaar vergund kan worden. De exploitant dient de nodige maatregelen te nemen om zijn bedrijf op een voldoende hygiënische en ordelijke wijze te exploiteren, zodat de inrichting zowel de algemene en sectorale milieuvoorschriften, maar tevens andere voorschriften die betrekking hebben op ondermeer de elektrische installaties en brandveiligheid, hygiëne, ongedierte, enz. naleeft. De exploitant beschikt niettemin over een ruime vergunning voor zijn bedrijf (zie eerder). Specifieke uitbatingsvoorwaarden worden hierin niet vermeld, evenmin wordt een opsplitsing gemaakt tussen het gedeelte van de vergunning dat betrekking heeft op woongebied en het gedeelte dat betrekking heeft op agrarisch gebied. In het bestreden besluit wordt dit onderscheid wel gemaakt'. Bij een nieuw plaatsbezoek is gebleken dat de stal, die het voorwerp uitmaakt van het beroepen besluit
(1997)geplaatst is, doch niet uitgebaat wordt met dieren. Ingevolge artikel 46 van titel I van het Vlarem is bijgevolg de milieuvergunning voor deze stal van rechtswege vervallen. In deze stal wordt op dit ogenblik onder andere stro opgeslagen. Doordat in de stal geen dieren werden geplaatst, zijn er vanwege de buren geen klachten binnengekomen bij de milieudienst van de gemeente Londerzeel. De wanordelijke toestand, vermeld in het hiervoor genoemd verslag, is gebleven. Bij controle van de lopende vergunningen werd in verband met de einddata het volgende vastgesteld: - met de aktename van 10 juni 1991 werd de vergunning van rechtswege verleend tot 3 april 2020. Deze datum wordt in gevolge artikel 71 van titel I van het Vlarem ingekort tot 1 september 2011; - de Afdeling Milieuvergunningen is van oordeel dat de einddatum van de vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen met het besluit van 11 januari 1993 30 juli 2013 is. Door artikel 3,1/ van het besluit wordt de aanvangsdatum vastgesteld op 30 juli 1993, zijnde 200 kalenderdagen na de datum van het besluit. Aangezien in de aanvang van artikel 3 wordt gesteld dat een termijn van 20 jaar wordt vastgesteld na de hiervoor genoemde aanvangsdatum, wordt de einddatum bijgevolg 30 juli 2013. Hierbij dient eveneens opgemerkt te worden dat in het besluit in verband met de einddatum geen koppeling wordt gemaakt met het in het vorig lid vermelde besluit; - de einddatum voor de vergunning, verleend door het college van burgemees- ter en schepenen met het besluit van 11 februari 1997, is 1 september 2011, gezien hier wel een koppeling wordt gemaakt met de aktename van 10 juni 1991. Op 5 oktober 2005 werd de Afdeling Natuur om subadvies gevraagd. Binnen de termijn van twintig dagen werd geen subadvies uitgebracht. Bijgevolg is overeenkomstig artikel 20, § 3 derde lid van titel I van het Vlarem het subadvies gunstig en mag verondersteld worden dat de beoogde verandering en hernieuwing geen onvermijdbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecolo- VII-35.477-7/21 gisch Netwerk (VEN) en geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke elementen in de Speciale Beschermingszones veroorzaakt. De Afdeling Milieuvergunningen is bijgevolg van oordeel dat het ongunstig advies gehandhaafd blijft"; (
  1. b)op 3 november 2005 verleent de Vlaamse Landmaatschappij gunstig advies over de beoogde verandering; (
  2. c)het advies van 4 november 2005 van de afdeling Ruimtelijke Ordening is gunstig voor de aanvraag; (
  3. d)door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 9 november 2005 voorgesteld om het beroep van verzoekster gedeeltelijk in te willigen. 1.10. Op 8 december 2005 verklaart de verwerende partij het beroep van verzoekster gedeeltelijk gegrond. De beroepen beslissing wordt in die zin gewijzigd dat een verbod wordt opgelegd om in stal 10 runderen te houden. Tevens wordt de tussenkomende partij verplicht om binnen een termijn van een maand een nieuw uitvoeringsplan aan de verwerende partij voor te leggen waarop de stalplaatsen van de 195 vergunde runderen worden aangeduid, rekening houdend met het verbod om stal 10 te exploiteren. Het beroep van verzoekster wordt voor het overige verworpen. Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd : "Op 04.11.2005 bracht de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen (ASV) van de AROHM gunstig advies uit. Op 3.11.2005 bracht de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) gunstig advies uit. Op 28.10.2005 bracht de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de AMINALW ongunstig advies uit (handhaving ongunstig advies van 17 april 1997). Op 09.11.2005 bracht de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) unaniem ongunstig advies uit (beroep inwilligen) om te vermijden dat de stal in kwestie dichtstbij de woning gelegen en waarin nu geen dieren gehuisvest zijn, opnieuw in gebruik zou genomen worden. De stemgerechtigde leden waren de voorzitter en de vertegenwoordigers van de AMV, ASV, VLM en 2 externe deskundigen. De milieuambtenaar was aanwezig met raadgevende stem. Evaluatie van het beroepschrift. 1) Volgens het gewestplan zijn woongebieden bestemd voor wonen en voor ambacht en kleinbedrijf alsook voor agrarische bedrijven op voorwaarde dat de bedrijven verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Hierbij geldt de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, dat zij m.a.w. bestaanbaar moeten zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar moeten zijn met de on- middellijke omgeving. Aangezien de huidige exploitatie nog vergund is tot 2011 en de aanvraag gaat over het afbreken en heropbouwen van stallen op dezelfde site en het VII-35.477-8/21 verplaatsen van dieren, dient de planologische verenigbaarheid van de inrichting voorlopig niet opnieuw ter discussie gesteld te worden. 2) De overheid dient 'in gelijke mate' te oordelen of de uitbating planologisch (toetsing gewestplan) en milieutechnisch (toetsing Vlarem II) verenigbaar is met de omgeving. 3) Het College heeft wel degelijk de aanvraag getoetst op haar verenigbaarheid met het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. In onderhavige heroverweging van het dossier dient de aanvraag getoetst te worden aan de thans geldende bepalingen van het Mestdecreet waarvan inzonderheid art. 33ter § 1, 3/. Uit het advies van de VLM blijkt dat de aanvraag aan de ter zake geldende voorwaarden voldoet. De oorspronkelijke aanvraag betrof een vermindering van het aantal vergunde dieren van 245 naar 195. Inmiddels werd door de VLM vastgesteld dat er inderdaad slechts 195 dieren/ stalplaatsen gehouden worden en dat de vergunning voor de overige dieren vervallen is ( vaststelling cf. art. 46 van Vlarem I). 4) Dit is inderdaad het geval hoewel Vlarem II de uitbating van rundveestallen voor minder dan 200 dieren in woongebied niet verbiedt. Vlarem II bevat evenmin afstandsregels tov. hindergevoelige gebieden voor rundveehouderijen. 5) Tegen de laatste vergunning verleend door het College in 1993 werd geen beroep aangetekend. 6) Valt buiten het beoordelingskader van een milieuaanvraag. 7) Klachten kunnen bij proces-verbaal geregistreerd worden. Tegen een Vlaremvergunning kan beroep aangetekend worden. Verslag van het onderzoek De Raad van State heeft de beslissing van de bestendige deputatie vernietigd omdat onvoldoende gemotiveerd was waarom de toestand na verandering van het bedrijf minder hinder voor de mens en het milieu zou veroorzaken dan de exploitatie onder haar 'huidige' vorm, temeer omdat het advies van de PMVC unaniem ongunstig was. De inrichting is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. d.d. 07/03/1977) gedeeltelijk gelegen in woongebied (eerste 50 m langs de straat) en gedeeltelijk in agrarisch gebied. De exploitatie ligt in een matig bebouwde omgeving. In een straal van 50 m rond de bedrijfsgebouwen bevinden zich een 10-tal vreemde woningen. De woning en de tuin van beroepster, Greta Mertens grenzen over een afstand van ca. 100 m rechtstreeks aan de bedrijfsgebouwen van de exploitant. De aanvraag heeft betrekking op de verandering van een vergunde veehouderij waarvoor in 1997 nog rechtsgeldige vergunningen beschikbaar waren voor het houden van 245 runderen (vergunde mestproductie 5646 kg P2O5). Het verplaatsen en verminderen van het aantal runderen tot 195 en het herschikken van de mestopslag komt met de huidige uitscheidingsnormen overeen met een mestproductie van 14.151 kg N en 4.514 kg P2O5. De aanvraag betreft eveneens de afbouw met 18 m³ mengmest, het buiten gebruik stellen van een gierkelder van 150 m³ en het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vaste mest tot 195 m³. De opslagplaats voor dierlijke mest in potstallen is niet afzonderlijk vergunningsplichtig. De gevraagde interne reorganisatie voldoet aan alle criteria van art. 33ter § 1 3/ van het Mestdecreet voor het veranderen van een vergunde inrichting:
  4. a)bestaande veeteeltinrichting: de bouwvergunning werd verleend voor 01.09.1991 en de aangifte van het aanslagjaar 1993 ontvangen voor 29.09.1993,
  5. b)aangifteplicht mestbank: de 3 voorgaande jaren is voldaan aan de aangifteplicht; VII-35.477-9/21
  6. c)mestafzet: de aangegeven mestproductie van de laatste 3 kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag moet voor 100 % conform de bepalingen afgezet worden,
  7. d)geen stijging van de vergunde mestproductie; In de oude situatie woonde beroepindiener Greta Mertens onmiddellijk naast de bedrijfsgebouwen. Na verbouwing/nieuwbouw is deze grens nu bepaald op een afstand van 3 meter. Links en rechts van de woning van beroepindiener bevonden zich koterij. Achter de woning bevond zich een gebouw dat verschillende oude stallen omvat met jongvee. Deze gebouwen lieten een zeer onverzorgde en vervallen indruk na en zouden verbouwd of herbouwd worden. De loods, met stallen omvatte eveneens enkele kleinere eenheden. Hoewel het gebouw vrij nieuw was was de toestand hier al even onoverzichtelijk. Materiaal lag her en der verspreid of gestouwd, overal bevond zich rommel waarvan de bruikbaarheid ten zeerste in vraag kon worden gesteld. Enkel de nieuwe loopstal liet een iets ordelijker indruk na. Het is aannemelijk dat de aanpalende buur (beroepindiener) in de zomer overlast zou ondervinden (w.o. vliegen of ander ongedierte, lawaai en geurhinder), wanneer in de nieuwbouw/verbouwde stal op 3m van de woning dieren zouden gestald worden. Naar verluidt zou de nieuwe toestand overeenkomen met het houden van 110 runderen in het woongebied en 85 runderen in het agrarisch gebied. In bovengenoemde omstandigheden, de te geringe afstand tot bewoning en in een omgeving die nagenoeg alleen gebruikt wordt voor bewoning, was/is het niet aangewezen om de exploitatie toe te laten in bovengenoemde stal. Inmiddels is gebleken (nieuw plaatsbezoek AMV, vaststellingen van de gemeentelijke milieuambtenaar) dat in de stal die dichtst bij de woning van beroeper gelegen is, geen dieren gehouden worden. De 195 stalplaatsen voor dieren zijn in de overige stallen aanwezig. De exploitant heeft tevens aan de milieuambtenaar van de gemeente verklaard dat hij geen dieren zal houden in die stal om alle problemen te vermijden. De stal wordt nu gebruikt als opslagplaats voor materialen. Er zijn trouwens geen klachten meer. Om te vermijden dat de stal in kwestie (op het plan gevoegd bij de aanvraag draagt deze stal het nr. 10) dichtstbij de woning gelegen en waarin, nu geen dieren gehuisvest zijn, opnieuw in gebruik zou genomen worden is het derhalve aangewezen het stallen van dieren (volgens het plan 41 stuks) in stal 10 te weigeren. De 195 dieren/stalplaatsen blijven evenwel onverminderd vergund tot 11.06.2011. Volgens het advies van de VLM komt dit overeen met een vergunde mestproductie van 14.151 kgN en 4.514 kg P2O5 overeenkomstig 48 runderen jonger (dan) 1 jaar, 47 runderen van 1 à 2 jaar, 60 melkkoeien en 40 andere runderen. De exploitant dient voor deze situatie (geen dieren in stal 10) een nieuw uitvoeringsplan over te zenden aan de bestendige deputatie. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep deels in te willigen en de beslissing van het CBS van Londerzeel te wijzigen zodat in stal 10 geen dieren mogen gehouden worden". VII-35.477-10/21 1.11. Na het nemen van het thans bestreden besluit ontstaat er enige onduidelijkheid over het gebruik van stal 10. De tussenkomende partij blijkt aan de dienst Leefmilieu van de provincie Vlaams-Brabant te hebben meegedeeld dat het verbod om stal 10 te exploiteren zijn bedrijf "totaal onleefbaar" maakt en dat hij de betrokken stal ook in de toekomst wenst te gebruiken voor het houden van runderen tijdens de wintermaanden. Na geraadpleegd te zijn over deze aangelegenheid deelt de afdeling Milieuvergunningen met een schrijven van 16 februari 2006 aan Martine BORREMANS, diensthoofd van de dienst Leefmilieu, mee dat in "het advies van 28 oktober 2005 (...) er (...) verkeerdelijk (werd) van uitgegaan dat het stal 10 was, die van rechtswege volgens artikel 46 van titel I van het Vlarem vervallen was, daar er sedert meer dan 2 jaar geen dieren werden gestald". Uiteindelijk wordt aan de tussenkomende partij aangeraden om de toestand recht te zetten door bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een mededeling van een kleine verandering van de vergunde inrichting in te dienen, procedure die is voorzien in artikel 27, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunnings-decreet). Met een besluit van 3 mei 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel wordt bij wege van aktename vergunning verleend voor de verandering van het rundveebedrijf. 1.12. De met de milieuvergunning overeenstemmende bouwvergunning is verleend bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 9 september 1996. Verzoekster heeft ook de vergunning voor de bouw van de nieuwe runderstal aangevochten bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder A. 72.312/X-7.092. Bij arrest van de Raad van State nr. 69.683 van 19 november 1997 is de schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld besluit bevolen. Aangezien het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel vervolgens op 1 december 1997 is overgegaan tot de intrekking van de aangevochten bouwvergunning, bestond er uiteindelijk geen grond meer om uitspraak te doen over het annulatieberoep (arrest van de Raad van State nr. 79.370 van 22 maart 1999). Na de intrekking van het besluit van 9 september 1996 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel op 22 december 1997 een nieuwe beslissing genomen over de ingediende bouwaanvraag en heeft zij aan de tussenkomende partij opnieuw de bouwvergunning verleend voor de afbraak en het heropbouwen van een rundveestal. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die verzoekster bij de Raad van State heeft VII-35.477-11/21 ingesteld tegen voornoemd besluit werd verworpen bij arrest nr. 71.001 van 21 januari 1998. Deze zaak is gekend onder A. 77.113/X-7.928; 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij de vraag opwerpt naar het belang van verzoekster bij de gevorderde nietigverklaring die er toe zou leiden dat de "oude" vergunning terug uitwerking krijgt waardoor verzoekster in een "ongunstiger toestand" zou terechtkomen; 2.1.2. Overwegende dat het ter weerlegging van de "vraag" van de verwerende partij volstaat erop te wijzen dat de Raad van State het belang van verzoekster reeds heeft aanvaard in de zaak A. 75.475/VII-15.803, die haar definitief beslag heeft gekregen met het vernietigingsarrest nr. 148.824 van 13 september 2005; dat derden er bovendien belang bij hebben een annulatieberoep in te stellen tegen de beslissing waarbij de verandering van een bestaande vergunde inrichting wordt vergund, ook al kan de eventuele nietigverklaring er niet toe leiden dat alle ongemakken van de inrichting worden weggenomen; 2.2.1. Overwegende dat met een brief van 21 september 2006 de verwerende partij de Raad van State in kennis heeft gesteld van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 3 mei 2006 waarbij op grond van de procedure "kleine verandering" overeenkomstig artikel 27, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, bij wege van aktename vergunning wordt verleend voor de verandering van het rundveebedrijf van de tussenkomende partij; dat de vergunde verandering verband houdt met de bezetting van stal 10; dat de exploitant die stal verder wenst te gebruiken voor het plaatsen van runderen tijdens de wintermaanden; dat de bij wege van aktename vergunde verandering er op neerkomt dat het aantal runderen dat in woongebied wordt ondergebracht stijgt van 110 naar 113 runderen, terwijl het aantal in agrarisch gebied gehouden runderen afneemt van 85 naar 81; dat de verwerende partij uit het feit dat voormeld besluit niet werd aangevochten, afleidt dat voorliggend annulatieberoep "zonder voorwerp" is geworden, "minstens dat er geen belang meer aanwezig is"; dat de verwerende partij in haar laatste memorie bij haar standpunt blijft; 2.2.2. Overwegende dat de door de verwerende partij gemaakte gevolgtrekking niet opgaat; dat de kleine verandering die bij wege van aktename werd vergund bij besluit van 3 mei 2006 van het college van burgemeester en VII-35.477-12/21 schepenen van de gemeente Londerzeel volledig is geënt op de verandering die met het thans bestreden besluit wordt vergund; dat door de vernietiging van het thans bestreden besluit, het latere besluit van 3 mei 2006 wordt meegesleept waardoor het geen uitwerking meer kan hebben; dat verzoekster derhalve wel degelijk haar belang behoudt bij de vernietiging van het thans bestreden besluit; dat, gelet op wat voorafgaat, het annulatieberoep ontvankelijk is; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat verzoekster in het enig middel de schending aanvoert van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 17, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheids- beginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel en het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag, doordat de verwerende partij op geen enkele wijze rekening houdt met de argumentatie van verzoekster en de ongunstige adviezen van de verschillende instanties, laat staan dat deze op enige wijze zouden worden weerlegd en doordat de verwerende partij zelf in het bestreden besluit bevestigt dat door "de te geringe afstand tot bewoning en in een omgeving die nagenoeg alleen gebruikt wordt voor bewoning, het niet aangewezen was/is om de exploitatie toe te laten", doch deze bevindingen enkel en alleen beperkt tot de dichtst bij de woning van verzoekster gelegen stal; dat verzoekster stelt dat te dezen niet kan worden betwist dat haar woning zich niet alleen op slechts enkele meters van de dichtstbijgelegen stal bevindt, maar ook in het geheel zeer dicht bij de andere stallen en bedrijfsgebouwen van de exploitatie is gelegen, dat duidelijk aan de configuratie van de gebouwen is te zien dat ook de achtergelegen stal, waar volgens het na de afgifte van het bestreden besluit ingediende "uitvoeringsplan" 61 stuks rundvee zullen worden ondergebracht, zich op slechts een 60-tal meter van haar woning bevindt, en zich daarenboven ook slechts op enkele meters van haar tuin, dat de verwerende partij zich bij de aflevering van de vergunning niet moet beperken tot de beoordeling van de dichtstbijgelegen stal, maar zich evenzeer moet bekommeren over de potentiële hinder die het bedrijf in haar geheel aan verzoekster kan veroorzaken, dat de verwerende partij bij haar beoordeling van de aanvraag zich moet uitspreken over de vergunbaarheid van de inrichting, en zich niet kan beperken tot de beoordeling van één enkel onderdeel van de aanvraag, dat opdat een beslissing VII-35.477-13/21 omtrent het verlenen van een milieuvergunning afdoende zou zijn gemotiveerd, het vereist is dat uit de opgegeven motieven blijkt dat de vergunningverlenende overheid tot haar beslissing is gekomen op grond van een concrete evaluatie van de specifieke kenmerken van de inrichting en de gevolgen ervan op de onmiddellijke omgeving, dat uit de motivering van het vergunningsbesluit afdoende moet blijken dat de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de te verwachten hinder van de inrichting tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, dat dit evenzeer geldt wanneer de vergunning wordt gevraagd voor de verandering van een bestaand, vergund bedrijf, dat de verwerende partij geen enkele motivatie besteedt aan het weerleggen van de ongunstige adviezen en de bezwaren van verzoekster, maar zich integendeel enkel en alleen beperkt tot een beoordeling van de dichtstbijgelegen stal; dat verzoekster voorts stelt dat moet worden vastgesteld dat, ondanks de negatieve adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, die beide op de potentiële hinder van de exploitatie voor de naastgelegen bebouwing in het woongebied hebben gewezen, alsook naar de concrete argumentatie die verzoekster dienaangaande had ontwikkeld, deze adviezen en argumentatie nergens worden besproken, dat nochtans uit de motieven van het bestreden besluit moet kunnen worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd, dat het bestreden besluit daarenboven totaal geen rekening houdt met de opmerkingen die werden geformuleerd in het vernietigingsarrest nr. 148.824 van de Raad van State van 13 september 2005 waarbij er werd op gewezen dat slechts tot een conclusie van verenigbaarheid met de naastgelegen bewoning kan worden gekomen op basis van de concrete omstandigheden van de zaak en de feitelijke gegevens van het aanvraagdossier, dat de Raad van State in voornoemd vernietigingsarrest heeft overwogen dat geen concrete elementen worden aangevoerd die de ongunstige adviezen, die stellen dat de aan de exploitatie verbonden ongemakken, zoals lawaai-, geurhinder en overlast door insecten en ongedierte niet uit te sluiten zijn, weerleggen, dat verzoekster thans moet vaststellen dat de motivering van het bestreden besluit, buiten de bijzondere voorwaarde van verbod van exploitatie in stal 10, even nietszeggend is als de motivering van het eerder vernietigde vergunningsbesluit, dat een dergelijke houding in hoofde van de vergunningverlenende overheid dan ook moet worden beschouwd als een zware tekortkoming op het vlak van behoorlijk bestuur, temeer daar de verwerende partij zich zelfs de moeite niet heeft getroost om enige motivering in het besluit in te lassen die het verlenen van de vergunning probeert te verantwoorden; VII-35.477-14/21 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster nog steeds voorbijgaat aan het feit dat er een geldige vergunning bestaat tot 11 januari 2013 voor het houden van 245 runderen, dat bij het beoordelen van de verandering de overheid zich niet opnieuw moet uitspreken over de vergunbaarheid van de inrichting op zichzelf, doch wel over de potentiële hinder die de gevraagde verandering aan verzoekster kan veroorzaken, dat dit niet het geval is, dat verzoekster blijkbaar reeds impliciet vooruitloopt op de nog te nemen beslissing in verband met het gebruik van stal 10, dat de kritiek dan ook niet zozeer de bestreden beslissing zelf betreft, doch wel de omstandigheid dat stal 10 blijkbaar wel zal worden gebruikt, dat ook dan de kritiek onterecht is nu thans in deze stal 41 dieren zijn ondergebracht, dat in het voorstel tot wijziging dit wordt beperkt tot 31 dieren, wat ongetwijfeld de situatie ten opzichte van de buurvrouw ten goede komt, dat de verbetering van de nieuwe toestand en alzo, impliciet doch ondubbelzinnig, de afwezigheid van bijkomende hinder in verband met de betwiste uitbating wordt weergegeven in het bestreden besluit, dat verzoekster terecht aanhaalt dat de beslissing inhoudt dat geen dieren mogen worden geplaatst in "de stal die het dichtst bij de woning van beroeper gelegen is", wat echter niet stal 10 is, doch wel stallen 4, 5 en 6; dat de verwerende partij voorts stelt dat de rundveehouderij van de tussenkomende partij deels gelegen is in woongebied en deels in agrarisch gebied, dat de stal die verzoekster het meeste "stoort" deze is die gelegen is naast haar woning in woongebied, dat het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) geen verbodsbepalingen voorziet voor uitbating van rundveebedrijven, dat zij ook in woongebied kunnen worden uitgebaat, dat door haar vernietigingsverzoek verzoekster in feite de terugkeer naar een minder gunstige toestand wenst, dat de inrichting dan voor 245 runderen vergund zou blijven tot 11 januari 2013, terwijl er na de verandering nog slechts 195 dieren vergund zijn, dat het dus om 50 dieren gaat, wat op vlak van mestproductie en mogelijke hinder een groot verschil geeft, dat de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergunningcommissie inderdaad ongunstig waren maar met de uitdrukkelijke bedoeling om in de stal die dichtst bij de woning van verzoekster ligt, geen dieren te huisvesten, dat dit uitdrukkelijk in het advies van de Provinciale Milieuvergunningcommissie staat, dat dit door de verwerende partij in het beschikkend gedeelte van het besluit werd vertaald in een verbod op uitbating van dieren in stal 10, dat er alleszins geen gebrek is in de motivering, nu de andere adviezen wel degelijk gunstig waren, en de verwerende partij het negatief advies van de Provinciale Milieuvergunningcommissie is gevolgd en het beroep gedeeltelijk heeft ingewilligd; VII-35.477-15/21 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij nog steeds betwist dat de vergunningverlenende overheid, ook wanneer vergunning wordt verleend voor de verandering van een bestaand vergund bedrijf, moet motiveren op basis van een concrete evaluatie van de specifieke kenmerken van de inrichting en de gevolgen ervan op de onmiddellijke omgeving, dat zij zich hiervoor op het bestaan van de vergunning van 11 januari 1993 steunt, dat de verwerende partij nochtans onterecht voorbijgaat aan het feit dat ook bij de verandering van een bestaand vergund bedrijf, uit de motivering van het vergunningsbesluit afdoende moet blijken dat de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de te verwachten hinder van de inrichting tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, dat zulks uitdrukkelijk wordt bevestigd in het vernietigingsarrest nr. 148.824 van de Raad van State van 13 september 2005, dat verzoekster dan ook terecht kritiek heeft uitgeoefend op het bestreden besluit, nu de motivering ervan enkel en alleen handelt over de dichtstbijgelegen stal, dat over de andere 195 stalplaatsen die over het bedrijf worden verdeeld, en die zich eveneens slechts op enkele tientallen meters van haar woning bevinden, met geen woord wordt gerept, dat er dan ook hoegenaamd niet duidelijk wordt gemaakt of de totale toestand na verandering van het bedrijf minder hinder zal veroorzaken voor verzoekster of niet en of de hinder beperkt blijft tot voor de omgeving aanvaardbare proporties, dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, de motivering van het bestreden besluit niet als "uitvoerig" kan worden bestempeld, nu deze enkel handelt over de dichtstbijzijnde stal, dat de kritiek dan ook wel degelijk betrekking heeft op de gehele beslissing, aangezien door het exploitatieverbod in de dichtstbijzijnde stal alleen, de door de exploitatie veroorzaakte onaanvaardbare hinder, gekoppeld aan de zeer onverzorgde uitbating van de inrichting, niet kan worden verholpen, dat de bewering van de verwerende partij in verband met stallen 4, 5 en 6 nergens op slaat, nu deze gebouwen ook reeds bij de afgifte van de eerste vergunning bij besluit van 26 juni 1997 niet als stallen in gebruik waren, maar als bergplaatsen werden gebruikt, dat het bewijs hiervoor is dat in deze stallen de mazouttank is ondergebracht, dat de stal die op het door de tussenkomende partij ingediende plan "toestand in 2006" als stal 10 wordt aangeduid wel degelijk de dichtst bij de woning van verzoekster gelegen stal is en dit ook altijd is geweest; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst betoogt dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen stelt dat in de woongebieden wel degelijk agrarische bedrijven VII-35.477-16/21 kunnen worden toegelaten voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving, dat vanaf de Linde, de eerste 50 meter in woongebied liggen, terwijl de verder gelegen gronden in agrarisch gebied liggen, en zulks tevens op de grens van woongebied met landelijk karakter, dat niet kan worden betwist dat een landbouwbedrijf dat ter plaatse reeds sinds lang voor "de wet op de stedenbouw en voor de gewestplannen" is gevestigd, en waarvan de gebouwen zich deels in woongebied en deels in agrarisch gebied bevinden, wel degelijk verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, gelet op de specifieke plaatselijke configuratie, dat het bedrijf wel degelijk over vergunningen beschikte, alleszins tot 2011, met inbegrip van een bestaande stal in woongebied, dat het immers gaat om het verbeteren van een bestaande vergunde toestand, niet om het creëren van een nieuwe toestand, dat er derhalve geen schending is van het gewestplan door het verlenen van de milieuvergunning, dat verzoekster uit het oog verliest dat het ter zake niet gaat om het verlenen van een milieuvergunning aan een nieuw bedrijf, doch wel om de aanpassing van een milieuvergunning van een bestaand bedrijf, welke aanpassing voor haar enkel voordelen meebrengt ten opzichte van de voorheen bestaande en eveneens vergunde toestand, dat verzoekster nooit heeft bewezen dat de af te breken en te vervangen stal reeds drie jaar niet werd gebruikt, dat de aangiften van de tussenkomende partij bij de Mestbank werden onderzocht, dat door de afdeling Milieuvergunningen een bezoek ter plaatse is gebracht, dat uit geen enkel gegeven evenwel kon worden afgeleid dat de bewering van verzoekster omtrent het in onbruik zijn van de stal gedurende reeds drie jaar, ook met de werkelijkheid overeenstemt; dat de tussenkomende partij voorts verwijst naar de motivering van het arrest van "19.2.1998" waarbij de vordering tot schorsing van verzoekster werd verworpen; dat de tussenkomende partij ten slotte stelt dat verzoekster uit het oog verliest dat zij zich zelf is komen vestigen naast een sinds meer dan 100 jaar bestaand landbouwbedrijf, weliswaar in de woonzone, doch net tegen de grens van agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter, dat dergelijke ligging uiteraard steeds enige hinder of ongemakken kan meebrengen, dat de redenering van verzoekster erop neerkomt dat ingevolge haar vestiging al het voorafbestaande maar moet verdwijnen, zelfs indien door de herinrichting de toestand er voor haar op verbetert; 3.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat er een materiële vergissing staat in het bestreden besluit, met name dat het bestreden besluit stal 10 opgeeft als de stal waar geen runderen mogen staan, terwijl uit de motivering volgt dat enkel de stal werd bedoeld die "het dichtst bij de woning van beroeper gelegen is ... en alwaar zoals tijdens nieuw plaatsbezoek is gebleken VII-35.477-17/21 geen dieren gehouden worden", dat het besluit vervolgt dat "om te vermijden dat in deze stal (...) dichtst bij de woning gelegen is ... opnieuw in gebruik zou worden genomen" er een verbod volgt om in deze stal runderen te plaatsen, dat er inhoudelijk niet de minste twijfel kan over bestaan dat in feite de stal met nummers 4, 5 en 6 werd bedoeld, dat dit ook blijkt uit de bouwvergunning, dat in deze bouwvergunning wordt verduidelijkt dat de nieuwe stal zal worden geplaatst op drie meter van de perceelsgrens en langsheen de tuin van verzoekster, met als bijkomende voorwaarde het aanbrengen van een groenscherm, dat behalve de vergissing bij het verwijzen naar een nummer voor de betrokken stal, die werd rechtgezet door de navolgende "kleine verandering", zij bij het nemen van het bestreden besluit de hinder die gepaard gaat met de beoogde veranderingen wel degelijk adequaat heeft kunnen beoordelen, dat het advies van de afdeling Milieuvergunningen ook verwees naar een nieuw plaatsbezoek waarnaar eveneens in het bestreden besluit wordt verwezen, dat ook het unaniem advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 9 november 2005 het enkel heeft over "de stal die dichtst bij de woning gevestigd is en waarin nu geen dieren gehuisvest zijn"; 3.6. Overwegende dat de milieuvergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, niet los gezien kan worden van de bouwvergunningsaanvraag die de tussenkomende partij heeft ingediend voor het afbreken en het herbouwen van een rundveestal op perceel nr. 461 k; dat, zoals in het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 28 oktober 2005 wordt aangegeven, de heropbouw betrekking heeft op de stallen 7 tot 12; dat volgens het bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegde uitvoeringsplan, stal 10 deels wordt gebruikt als opslagplaats voor materialen, alsook voor het houden van 41 runderen; dat de door de tussenkomende partij beoogde verandering met betrekking tot voornoemde stal er concreet in bestaat dat 21 runderen worden verplaatst naar stal 19, waardoor het aantal runderen in stal 10 weliswaar afneemt; dat het niettemin de bedoeling blijft om in de betrokken stal runderen te houden; dat de betrokken stal volledig in woongebied met landelijk karakter is gelegen, op nauwelijks drie meter van de grens met het perceel dat door verzoekster wordt bewoond; dat verzoekster er wel degelijk belang bij heeft zich te verzetten tegen de heropbouw en het verder blijven gebruiken van stal 10, ook al strekt de verandering er toe het aantal runderen in bedoelde stal met 21 te verminderen; dat het bestreden besluit het verbod oplegt om stal 10 te gebruiken als rundveestal; dat het totaal aantal vergunde runderen echter ongewijzigd blijft; dat dit tot gevolg heeft dat de 41 runderen die de tussenkomende partij in de bedoelde stal wenste te houden, moeten worden VII-35.477-18/21 verplaatst naar andere stallen; dat in dat verband de tussenkomende partij door het bestreden besluit wordt verplicht een nieuw uitvoeringsplan voor te leggen; dat op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, niet vaststond hoe de exploitant de runderen van stal 10 zou herverdelen over de andere stallen; dat bovendien geenszins vaststond hoe de herverdeling van de runderen zou gebeuren tussen de stallen die in woongebied met landelijk karakter gelegen zijn en deze die zich in agrarisch gebied situeren; dat dit nochtans niet zonder belang is, aangezien uit het beroepschrift van verzoekster blijkt dat zij zich inzonderheid beklaagt over de exploitatie van de stallen die in woongebied zijn gelegen; dat de afdeling Milieuvergunningen daarenboven op 28 oktober 2005 het ongunstig advies heeft gehandhaafd dat op 17 april 1997 werd uitgebracht; dat in het advies van 17 april 1997, dat integraal deel uitmaakt van het andermaal ongunstig advies dat in het kader van de herneming van de beroepsprocedure ingevolge het vernietigingsarrest wordt geformuleerd, de afdeling Milieuvergunningen heeft gesteld dat het "in de huidige toestand van de exploitatie (...) niet aangewezen (lijkt) om de exploitatie verder toe te laten in het woongebied voor wat betreft de rubrieken die betrekk(ing) hebben op dieren (stallen) en mestopslag" en verder dat "de huidige stallen en koterij in woongebied (...) best (kunnen) worden afgebroken"; dat, gelet op wat voorafgaat, vaststaat dat de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit de hinder die gepaard gaat met de beoogde veranderingen niet adequaat heeft kunnen beoordelen omdat de essentiële gegevens daartoe volledig ontbraken; dat verzoekster derhalve, terecht, doet gelden dat de verwerende partij slechts aandacht heeft gehad voor een onderdeel van de aanvraag en niet van de volledige exploitatie is uitgegaan; dat bij de beoordeling van de hinder daarentegen moet worden uitgegaan van de ganse inrichting; dat uit het door de tussenkomende partij voorgelegde grondplan "toestand in 2006" blijkt dat de zaken zo zijn geëvolueerd dat in de nieuwbouwstal 10 toch 33 runderen zouden worden ondergebracht tijdens de maanden november tot mei; dat het door het bestreden besluit opgelegde exploitatieverbod is "rechtgezet" middels de procedure van aktename van een kleine verandering; dat deze vaststelling er toe leidt dat de gedeeltelijke inwilliging van het administratief beroep van verzoekster door het bestreden besluit een puur fictief karakter heeft verkregen; dat dit noopt tot de conclusie dat de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid te dezen niet correct heeft uitgeoefend en dat de motieven die de verwerende partij er toe hebben gebracht de vergunning voor de verandering van de inrichting te verlenen, op voorwaarde dat stal 10 niet langer zou worden gebruikt als rundveestal, ondeugdelijk zijn; dat het gegeven dat het landbouwbedrijf van de tussenkomende partij reeds meer dan 100 jaar bestaat en verzoekster zich VII-35.477-19/21 nadien naast het bedrijf is komen vestigen, niets afdoet aan bovenstaande conclusies; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 december 2005 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 11 februari 1997, houdende het verlenen aan Jan VAN DEN BRANDE van de vergunning voor het veranderen van een veehouderij, met name het verplaatsen van de runderen en het herschikken van de mestopslag, gelegen aan de Linde 46 te Londerzeel, deels wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-35.477-20/21 E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.477-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.