id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.297 Rolnummer: A. 185014/VII-37050 Zaak: Arrest 187297 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.297 van 23 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.297 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 185.014/VII-37.050. In zake : de NV INDAVER, die woonplaats kiest bij advocaat D. DEVOS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV INDAVER op 31 augustus 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van artikel 2, punt 1) en 2), van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juni 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 1 maart 2007, houdende het wijzigen van de lozingsvoorwaarden opgelegd bij ministerieel besluit van 22 mei 2006 van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Haven 550, Poldervlietweg 5 te Antwerpen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, artikel 1 van de beroepen beslissing wordt gewijzigd en de beroepen beslissing voor het overige wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-37.050-1/36 Gelet op de beschikking van 13 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENAERTS die, loco advocaat D. DEVOS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies, behoudens wat de kosten betreft, van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Poldervlietweg te Antwerpen. Op 17 juni 1999 krijgt zij vanwege de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een vergunning voor het verder exploiteren van haar bedrijf. De vergunning wordt afhankelijk gemaakt van een reeks voorwaarden die onder meer betrekking hebben op het lozen van afvalwaters. Vanaf één jaar na de datum van het besluit moet voor een hele reeks parameters aan een emissienorm worden voldaan. Tegen uiterlijk 31 december 2002 moet er via een haalbaarheidsstudie worden nagegaan welke emissiegrenswaarden er voor een reeks parameters haalbaar zijn bij toepassing van de Beste Beschikbare Technieken (hierna : BBT) en eventueel met de installatie van een bijkomende zuiveringsstap. In de studie dient men de haalbaarheid van een aantal streefwaarden te onderzoeken voor, onder andere, het biochemisch zuurstofverbruik (hierna : BZV), het chemisch zuurstofverbruik (hierna : CZV), totaal stikstof, moncyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna : MAK's), vrije chloor, kobalt, cadmium, kwik, antimoon, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna : PAK'
- s)en extraheerbare organo halogenen (hierna : EOX). VII-37.050-2/36 1.2. Op 3 maart 2005 vraagt de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) een wijziging van de lozingsvoorwaarden die zijn opgelegd in de voornoemde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 juni 1999. De VMM wenst met betrekking tot een hele reeks parameters een verstrenging van de milieuvoorwaarden. 1.3. Op 25 augustus 2005 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen als gevolg van het verzoek van de VMM om de voorwaarden van de vergunningsbeslissing van 17 juni 1999 aan te passen. Voor een aantal parameters wordt, naast een ogenblikkelijke waarde, ook een strengere lozingsnorm opgelegd vanaf 1 januari 2007. Verder wordt als voorwaarde opgelegd : "De exploitant dient tegen 1 januari 2007 een door een erkend deskundige in de discipline 'water' uitgevoerde haalbaarheidsstudie in te dienen, waarbij een verdere reductie van de lozing van de parameter Sb wordt onderzocht". 1.4 Op 22 september 2005 dient de verzoekende partij beroep in tegen de beslissing van 25 augustus 2005. Het beroep betreft in het bijzonder de nieuw opgelegde parameters BZV, CZV, totaal stikstof, totaal organische koolstof (hierna : TOC), MAK's en EOX. Voor de overige parameters zal de verzoekende partij de nodige maatregelen treffen om aan de nieuwe voorwaarden te voldoen. De verzoekende partij vraagt om het advies van de afdeling Milieuvergunningen maximaal te volgen, met uitzondering voor de parameter MAK's. In het bijzonder dringt de verzoekende partij erop aan om een onafhankelijk erkend deskundige aan te stellen die binnen een redelijke termijn een gemotiveerd voorstel doet betreffende haalbare ogenblikkelijke effluentwaarden voor de parameters BZV, CZV, TOC, totaal stikstof, MAK's en EOX, op basis van bewezen technieken die specifiek voor de site van de verzoekende partij te Antwerpen als de BBT kunnen worden beschouwd. 1.5. Op 22 mei 2006 doet de Vlaamse minister bevoegd voor het Leefmilieu uitspraak over het beroep. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Voor de parameters BZV, CZV, totaal stikstof en EOX worden nieuwe lozingsnormen opgelegd die gelden tot en met 31 december 2006. De TOC-norm wordt geschrapt. Tevens wordt volgende bijzondere voorwaarde toegevoegd : "Tegen uiterlijk 1 november 2006 dient een studie te worden opgemaakt door een erkend deskundige in de discipline water, rekening houdend met de reeds uitgevoerde haalbaarheidsstudie, de resultaten van de pilootinstallatie en de bijkomende reeds uitgevoerde studies, betreffende: VII-37.050-3/36 1. een geschikte BBT-behandelingstechniek voor het percolaatwater van deponie 1, waarbij een TOC-reductie van 80% of meer van het percolaatwater wordt gerealiseerd. Daarbij vermeldt de deskundige: - de timing waarbinnen deze eventuele techniek kan worden geïmplementeerd; - een haalbare ogenblikkelijke effluentwaarde voor de parameters BZV, CZV en totaal stikstof die daardoor kan worden gerespecteerd, met als streefwaarden respectievelijk 25 mg/l, 125 mg/l en 20 mg/l; - een haalbare ogenblikkelijke effluentwaarde voor de parameters BZV, CZV en totaal stikstof in het geval dat het percolaatwater van deponie 1 extern zal worden verwerkt, met als streefwaarden respectievelijk 25 mg/l, 125 mg/l en 20 mg/l; 2. de belangrijkste individuele componenten binnen de groepsparameter EOX en een passende ogenblikkelijke effluentwaarde voor deze stoffen. Deze studie dient te worden overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen en de Vlaamse Milieumaatschappij, met een tussentijdse rapportering, die dient te worden ingediend vóór 1 juli 2006". 1.6. Op 31 oktober 2006 wordt door het studiebureau NV ECOLAS het eindrapport "Studie grenswaarden in effluent" opgemaakt. 1.7. Op 14 november 2006 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot wijziging van de lozingsvoorwaarden die haar ingevolge de verscheidene hierboven genoemde besluiten werden opgelegd. De aanvraag is gesteund op de haalbaarheidsstudie van de NV ECOLAS. 1.8. Op 1 maart 2007 wijzigt de deputatie van de provincie Antwerpen de opgelegde lozingsvoorwaarden. In essentie worden voor de verschillende parameters lozingsnormen opgelegd die gaandeweg verstrengen. 1.9. Op 29 maart 2007 stelt de verzoekende partij beroep in tegen voornoemde beslissing van 1 maart 2007. 1.10. In het kader van de beroepsprocedure worden adviezen uitgebracht : (
- a)de VMM adviseert op 23 april 2007 gunstig voor een aanpassing van de lozingsvoorwaarden zoals opgenomen in de vergunningsbeslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 1 maart 2007, met uitzondering wat de parameters EOX, absorbeerbare organo halogenen (hierna : AOX), haloformen en chloorbenzeen betreft; VII-37.050-4/36 (
- b)de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 11 mei 2007 deels gunstig, zij stelt voor het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en een aantal wijzigingen aan te brengen in de beroepen beslissing van 1 maart 2007; (
- c)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid adviseert op 16 mei 2007 gunstig en stelt dat de gevraagde afwijking een zuiver milieutechnische aangelegenheid betreft. 1.11. Op 27 juni 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen. Het wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de NV Indaver een afvalverwerkend bedrijf is; dat met huidig dossier door het bedrijf een wijziging en aanvulling gevraagd wordt van de lozingsvoorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater en meer bepaald voor de parameters BZV, CZV, totaal stikstof en EOX; dat in eerste aanleg gedeeltelijk ingegaan is op het verzoek tot wijziging, en tevens gedeeltelijk strengere voorwaarden werden opgelegd; Overwegende dat de aanleiding tot het opnieuw indienen van een vraag tot wijziging voorwaarden de studie is die werd opgelegd met het ministerieel besluit van 22 mei 2006, zijnde : 'tegen uiterlijk 1 november 2006 dient een studie te worden opgemaakt door een erkend deskundige in de discipline water, rekening houdend met de reeds uitgevoerde haalbaarheidsstudie, de resultaten van de pilootinstallatie en de bijkomende reeds uitgevoerde studies, betreffende: 1. een geschikte BBT-behandelingstechniek voor het percolaatwater van deponie 1, waarbij een TOC-reductie van 80% of meer van het percolaatwater wordt gerealiseerd. Daarbij vermeldt de deskundige : - de timing waarbinnen deze eventuele techniek kan worden geïmplementeerd; - een haalbare ogenblikkelijke effluentwaarde voor de parameters BZV, CZV, en totaal stikstof die daardoor kan worden gerespecteerd, met als streefwaarden respectievelijk 25 mg/l, 125 mg/l en 20 mg/l; - een haalbare ogenblikkelijke effluentwaarde voor de parameters BZV, CZV en totaal stikstof in het geval dat het percolaatwater van deponie 1 extern zal worden verwerkt, met als streefwaarden respectievelijk 25 mg/l, 125 mg/l en 20 mg/l; 2. de belangrijkste individuele componenten binnen de groepsparameter EOX en een passende ogenblikkelijke effluentwaarde voor deze stoffen. Deze studie dient te worden overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen en de Vlaamse Milieumaatschappij, met een tussentijdse rapportering, die dient te worden ingediend vóór 1 juli 2006'. Overwegende dat de NV Indaver beperkt beroep heeft aangetekend, namelijk uitsluitend tegen de normstelling die van toepassing wordt met ingang van 1 juli 2007 enerzijds en de normstelling vanaf 1 juli 2008 anderzijds; Overwegende dat onderhavige inrichting verschillende activiteiten uitvoert, namelijk een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen, de verwerking van diverse soorten afvalstoffen (waaronder ook gevaarlijk afval) en cleaningactiviteiten; dat de samenstelling van het effluent hierdoor grote schommelingen kan vertonen en complex samengesteld kan zijn (quasi niet biodegradeerbaar, aanwezigheid van zouten en zware metalen); VII-37.050-5/36 Overwegende dat alle afvalwaters, behalve het afvalwater van de verbrandingsinstallaties (draaitrommelovens en statische oven), samen met het sanitair afvalwater, in de centrale waterzuivering terecht komen; dat er in deze centrale fysico-chemische waterzuivering de volgende zuiveringsstappen worden doorlopen: - de voorbezinking; - de buffertank; - de nabezinktank (dosering chemicaliën voor neutralisatie, coagulatie, flocculatie, precipitatie en uitklaring); dat het effluent van deze centrale waterzuivering samen met het effluent van de verbrandingsinstallaties (draaitrommelovens en statische oven) in een zandfilter behandeld wordt en via 1 lozingspunt geloosd wordt in oppervlaktewater, namelijk het Verlegd Schijn; dat minder dan 100 meter verder het water van de Hoofdgracht onder het kanaaldok door verpompt wordt naar de Schelde; dat de basismilieukwaliteitsnormen van toepassing zijn op deze ontvangende waterloop; Overwegende dat de vertegenwoordiger van de NV Indaver op 10 mei 2007 aangegeven heeft dat voor het huishoudelijk afvalwater de installatie van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie gepland wordt; Overwegende dat de NV Indaver vergund is voor het lozen van 200 m³/u en 4.800 m³/dag gezuiverd bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat; dat volgens de uitgevoerde studie (ECOLAS - 06/11362/bg - 31/10/2006) in 2005 gemiddeld 60 m³/u geloosd werd (514.259 m³/jaar), waarvan 30 m³/u effluent afvalverbranding en 30 m³/u effluent centrale waterzuivering; Overwegende dat volgende lozingsvoorwaarden opgelegd werden met het ministerieel besluit van 22 mei 2006, en de beslissing van de bestendige deputatie van 25 augustus 2005: Parameter eenheid lozingsnorm BZV mg/l 60 (ogenblikkelijke waarde t.e.m. 31/12/06) 30 (gemiddelde jaarwaarde t.e.m. 31/12/06) (*) CZV mg/l 450 (ogenblikkelijke waarde t.e.m. 31/12/06) (gemeten waarde) 200 (gemiddelde jaarwaarde (gemeten waarde) t.e.m. 31/12/06) (**) totaal stikstof mg/l 80 (ogenblikkelijke waarde t.e.m. 31/12/06) 25 (gemiddelde jaarwaarde t.e.m. 31/12/06) (*) MAK mg/l 0,02 als ogenblikkelijke waarde EOX mg/l 0,2 (ogenblikkelijke waarde t.e.m. 31/12/06) 0,05 (gemiddelde jaarwaarde) (*) totaal kobalt mg/l 0,05 als ogenblikkelijke waarde Cadmium mg/l 0,01 als ogenblikkelijke waarde Kwik mg/l 0,02 als ogenblikkelijke waarde 0,005 als gemiddelde jaarwaarde (*) VII-37.050-6/36 Antimoon mg/l 0,850 als ogenblikkelijke waarde 0,25 als gemiddelde jaarwaarde (*) PAKs mg/l totaal PAKs zonder naftaleen : 0,001 als ogenblikkelijke waarde naftaleen : 0,003 als ogenblikkelijke waarde totaal PAKs inclusief naftaleen : 0,001 als gemiddelde jaarwaarde (*) (*) de gemiddelde jaarwaarde wordt maandelijks bepaald op basis van de gemeten gemiddelde maandelijkse lozingsdebieten en de gemiddelde maandelijkse concentraties voor de betreffende parameter gedurende de voorafgaande twaalf maanden; (**) gemeten waarde zonder correctie (cfr. hierna ***); (***) de gecorrigeerde CZV-waarde wordt bepaald na aftrek van de CZV-bijdrage aan chloriden, ammonium en bromiden via een correctieblanco welke samengesteld is met een identieke samenstelling aan de drie bovenvermelde anionen; Overwegende dat in eerste aanleg volgende wijziging werd gevraagd vanaf het ogenblik dat het percolaatwater van deponie 1 kan geaccepteerd worden door de afvalwaterzuiveringsinstallatie Hooge Maey : Parameter eenheid lozingsnorm BZV mg/l 60 (ogenblikkelijke waarde) 25 (95%-percentiel op jaarbasis) TOC mg/l 100 (ogenblikkelijke waarde 50 (95%-percentiel op jaarbasis) totaal stikstof mg/l 80 (ogenblikkelijke waarde 40 (95%-percentiel op jaarbasis) EOX mg/l 0,2 als ogenblikkelijke waarde 0,05 (gemiddelde jaarwaarde) (*) Haloformen mg/l 0,1 (ogenblikkelijke waarde) Chloorben- mg/l 0,15 (ogenblikkelijke waarde) zeen met andere woorden geen wijziging van de ogenblikkelijke waarden, een verstrenging van de BZV op jaarbasis, een versoepeling van de Ntot op jaarbasis, geen CZV-norm en bijkomend een norm voor TOC, haloformen en chloorbenzeen; Overwegende dat de NV Indaver in beroep de 95%-percentielwaarden voor BZV, TOC en totaal stikstof opnieuw vraagt (welke in eerste aanleg opgelegd werden als 24-uurgemiddelden), geen CZV-norm en geen strengere normen vanaf 1 juli 2008; Overwegende dat er een vermindering van de nutriëntenvracht nodig is om de kwaliteitsobjectieven te bereiken en om tegemoet te komen aan de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie waarin werd gesteld dat er een significante reductie moet worden bereikt in de inbreng van milieugevaarlijke stoffen; VII-37.050-7/36 Overwegende dat volgens artikel 2.3.6.1 van titel II van het VLAREM uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn 76/464/EEG betreffende de verontreiniging veroorzaakt door de lozing van gevaarlijke stoffen waarin gesteld wordt dat maatregelen moeten genomen worden om de lozing van gevaarlijke stoffen uit lijst I van bijlage 2C van titel I van het VLAREM te beëindigen (zijnde zwarte lijststoffen) en de lozing van gevaarlijke stoffen uit lijst II van bijlage 2C van titel I van het VLAREM te verminderen (zijnde grijze lijststoffen); Overwegende dat in het reductieprogramma ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG 'betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd' als één van de relevante referentiewaarden de vuistregel 10 x milieukwaliteitsnorm voor gevaarlijke stoffen wordt aangehaald; dat er hierbij wordt vanuit gegaan dat, gelet op de verdunning, de milieukwaliteitsnormen van het ontvangende oppervlaktewater zullen kunnen worden gerespecteerd; dat deze verdunningsverhouding kan worden bijgesteld in functie van beschikbare metingen of de debietsverhouding tussen de lozing en de waterloop maar dat niettemin hierbij nog steeds een brongericht beleid wordt vooropgesteld; Overwegende dat overeenkomstig artikel 4.1.2 van titel II van het VLAREM de exploitant steeds de beste beschikbare technieken moet toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen; Overwegende dat steeds gesteld is geweest dat deponie 1 een belangrijke bron is aan BZV, CZV en totaal stikstof; dat de Ecolas-studie een inschatting heeft gemaakt van de invloed van de externe verwerking van het percolaat van deponie 1 op TOC, BZV en Ntot, en stelt dat de vracht van het organisch materiaal in het effluent jaargemiddeld daalt met ca. 40%; dat omdat het debiet van het percolaat van deponie 1 verwaarloosbaar is in het geheel, ook een daling van de jaargemiddelde concentratie van TOC en BZV met 40% verwacht wordt; dat het percolaat van deponie 1 een relatief constante samenstelling heeft, en dat de beperkte schommelingen en de piekwaarden die thans in het effluent van de NV Indaver vastgesteld worden, veroorzaakt worden door enerzijds schommelingen in de hoeveelheid percolaat van deponie 1 dat verwerkt wordt, en anderzijds schommelingen door de variatie in behandelde externe stromen (in de centrale waterzuivering, de verbrandingsinstallatie, enz); dat deze laatste oorzaak blijft bestaan; Overwegende dat de voorvermelde Ecolas-studie zich heeft moeten baseren op gegevens uit 2002 (1 maand waar geen percolaatwater afkomstig van deponie 1 werd geloosd) en gegevens waarbij wel percolaatwater afkomstig van deponie 1 meegezuiverd werd in de centrale waterzuivering; dat sinds 2002 meerdere extra maatregelen genomen werden voor verdere zuivering van het afvalwater (o.a. zandfilter, actief kooldosering) en de opvolging van het geloosde effluent verder geoptimaliseerd werd in functie van het afvlakken van piekwaarden; dat anderzijds sinds 2005 een thermische DENOX in gebruik werd genomen op de afvalverbranding, wat een bijkomende N-bron met zich meebrengt in het afvalwater (dosering kleine overmaat ureum met vorming van ammoniak - jaargemiddeld 6,2 mg N/l); Overwegende dat aangaande de gevraagde 95%-percentielwaarden versus de in het bestreden besluit opgelegde 24-uurgemiddelden voor BZV, TOC en totaal stikstof kan gesteld worden dat uit de grafieken in de studie blijkt dat de gevraagde waarden haalbaar zijn als 24-uurgemiddelden buiten maximaal 2 pieken (voor TOC en BZV); dat de opgelegde ogenblikkelijke waarden reeds met een marge ten opzichte van de gemeten schepstalen opgelegd werden; dat wanneer men de gevraagde lozingswaarden als 95%-percentiel op jaarbasis zou opleggen alle pieklozingen opgevangen worden; dat het niet de bedoeling kan VII-37.050-8/36 zijn om lozingsnormen af te stemmen op uitzonderlijke situaties wanneer normaal betere lozingswaarden haalbaar zijn; dat niet uit het oog mag verloren worden dat de uitgevoerde Ecolas-studie een statistische inschatting is van de haalbare normen; dat bovendien 95%-percentiel-waarden qua controle enkel geschikt zijn voor zelfcontrole, maar in het kader van handhaving niet werkbaar zijn; Overwegende dat de NV Indaver niet akkoord is met het behoud van een CZV-norm naast een TOC-norm; dat de Ecolas-studie voorstelt om de parameter CZV te vervangen door TOC omwille van de minder goede nauwkeurigheid en reproduceerbaarheid van de CZV-meting voor wat betreft het afvalwater van de NV Indaver; Overwegende dat het afvalwater van de NV Indaver erg zoutrijk is, wat de bepaling van de CZV bemoeilijkt; dat de klassieke analytische technieken om hiervoor te compenseren niet volstaan omdat de zouten niet alleen als chloride voorkomen (er bestaan bruikbare analytische technieken om de invloed van chloride te maskeren), maar ook als bromide (waarvoor geen analytische technieken bestaan); dat specifiek in het geval van Indaver de bromidefout nog vergroot wordt door de aanwezigheid van ammonium-N (de omvang van de stoorfactor is 100 - 150 mg/l); dat de Ecolas-studie zich baseert op een eerder uitgevoerde studie voor de NV Indaver door de VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) waarbij 2 analytische aanbevelingen gegeven worden, zijnde: - een CZV-meting met correctie van chloride, bromide en ammonium-N (methode is traag, moeilijk routinematig, bijkomende stappen zijn niet gecertificeerd, meetfout van 40% wat meer is dan de 20% volgens bijlage 4.2.5.2. van titel II van het VLAREM, ...); - CZV-bepaling via correlatiefactor 'gecorrigeerde CZV'/TOC en TOC-meting (TOC-meting niet onderhevig aan bovenvermelde interferenties, meting moet via katalytische verbranding gebeuren, theoretische factor 2,5); Overwegende dat de voormelde VITO-studie stelt dat alvorens gebruik te maken van deze tweede methode er voorafgaandelijk onderzoek dient te gebeuren om de correlatiefactor empirisch vast te leggen, (m.a.w. op een significant aantal monsters gecorrigeerde CVZ en TOC bepalen); dat op basis van een beperkt aantal monsters van het Indaver-afvalwater
(5)een correlatiefactor tussen 3,1 en 5,4 werd vastgesteld; dat het bijgevolg aangewezen is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat deze correlatiefactor dient bepaald te worden op basis van een significant aantal monsters; Overwegende dat de CZV volgens de Vlaamse Milieumaatschappij een kritische parameter is voor de Schelde; dat in afwachting van de resultaten van deze studie met betrekking tot de correlatiefactor en gelet op de analyseresultaten het momenteel aangewezen is dat de CZV-normering behouden blijft; dat gezien de door de Ecolas-studie geopperde 2,5-factor de NV Indaver geen probleem kan hebben met de in eerste aanleg opgelegde CZV-norm tot 30 juni 2008; Overwegende dat de NV Indaver geen verdere verstrenging van de lozingsnormen voor BZV, CZV, TOC, totaal stikstof, EOX, haloformen en chloorbenzeen wenst vanaf 1 juli 2008; dat op basis van theoretische studies blijkt dat er geen verdere zuivering meer mogelijk is van het afvalwater van de NV Indaver; dat evenwel het effectief resultaat van de afvoer van het afvalwater van deponie 1 nog niet gekend is op de afvalwaterstroom, maar steeds ingeschat werd; dat op basis van beschikbare gegevens (waaronder het Duurzaamheidrapport 2005 - jaargemiddelden: BZV 22 mg/l, CZV 144 mg/l, Ntot 15 mg/l +/- 6,2 mg/l door thermische DENOX) geoordeeld wordt dat na de afvoer van het percolaat van deponie 1 misschien toch de steeds vooropgestelde lozingsnormen haalbaar zouden zijn; dat hiermee geen afbreuk wordt gedaan VII-37.050-9/36 aan de Ecolas-studie, maar gezien de nieuwe situatie er een afstemming nagestreefd wordt van het vergunde op het effectief geloosde; dat de NV Indaver ook steeds de betere afvlakking van pieklozingen dient na te streven; Overwegende dat BZV 25 mg/l, CZV 125 mg/l en Ntot 20 mg/l opgelegd in eerste aanleg streefwaarden zijn gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel met andere bedrijven, en op de gegevens van de NV Indaver; dat TOC 30 mg/l gebaseerd is op een correlatiefactor van ca. 4, en de dagvracht van 31 kg TOC uitgerekend werd op basis van gegevens van deelstromen binnen de NV Indaver; Overwegende dat aangaande EOX de Ecolas-studie stelt dat het niet mogelijk is om in alle stalen waarin een relevante EOX wordt aangetroffen, deze volledig terug te reconstrueren aan de hand van de vastgestelde belangrijke individuele componenten of groepen van componenten; dat de bron van de aanwezige EOX niet gekend is; dat eveneens de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 dient bekeken te worden; dat de strengere lozingswaarde van EOX 0,1 mg/l dient te worden behouden (zijnde 20 x milieukwaliteitsnorm) en er dient bekeken te worden of afvlakking van pieklozingen mogelijk is naar 10 x milieukwaliteitsnorm; Overwegende dat de Vlaamse Milieumaatschappij in tegenstelling tot de Ecolas-studie chloorbenzeen aanduidt als een parameter die enkel terug te vinden is onder de groepsparameter AOX; dat dit best uitgeklaard wordt, en daarom ook AOX 0,4 mg/l (zijnde 10 x milieukwaliteitsnorm) dient bekeken te worden; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het aangewezen is om de EOX-bron nader te onderzoeken, AOX te bekijken alsook de correlatiefactor tussen CZV en TOC, gebaseerd op de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007; dat een dergelijk onderzoek dient opgelegd te worden; Overwegende dat in dit kader het vooropstellen van strengere normen binnen een termijn van 1 jaar krap is, aangezien het noodzakelijk is om voldoende meetgegevens te hebben en eventuele bijsturingen te doen voordat er conclusies kunnen getroffen worden; dat een bijkomende overgang van 6 maanden kan toegestaan worden, zijnde tot eind december 2008; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen; BESLUIT: Artikel 1. Het ontvankelijk bevonden beroep van de NV Indaver, Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen, aangetekend tegen de beslissing nr. MLWV/06-60/ES van 1 maart 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het wijzigen van de lozingsvoorwaarden opgelegd bij ministerieel besluit nr. AMV/2347/1024B van 22 mei 2006 van een afvalverwerkend bedrijf gelegen te 2030 Antwerpen, Haven 550, Poldervlietweg 5, als volgt: - in het besluit wordt voor de parameters BZV, CZV, totaal stikstof en EOX in artikel 2, 1) de zinsnede 'tot en met 31 december 2006' vervangen door de zinsnede 'tot en met 30 juni 2007'; - vanaf 1 juli 2007 tot 30 juni 2008 worden de lozingsvoorwaarden voor de lozing van BA aangevuld met de volgende lozingsnormen: Parameter eenheid Lozingsnorm BZV mg/l 60 (ogenblikkelijke waarde) 25 (24u-gemiddelde) CZV mg/l 450 (ogenblikkelijke waarde) 200 (24u-gemiddelde) VII-37.050-10/36 TOC mg/l 100 (ogenblikkelijke waarde) 50 (24u-gemiddelde) totaal mg/l 80 (ogenblikkelijke waarde) stikstof 40 (24u-gemiddelde) EOX mg/l 0,2 (ogenblikkelijke waarde) haloformen mg/l 0,1 (ogenblikkelijke waarde) chloorbenzeen mg/l 0,15 (ogenblikkelijke waarde) - vanaf 1 juli 2008 worden de lozingsvoorwaarden voor de lozing van BA aangevuld met de volgende lozingsnormen: Parameter eenheid Lozingsnorm BZV mg/l 25 (ogenblikkelijke waarde) CZV mg/l 125 (ogenblikkelijke waarde) TOC mg/l 30 (ogenblikkelijke waarde) met een dagvracht van 31 kg totaal mg/l 20 (ogenblikkelijke waarde) stikstof EOX mg/l 0,1 (ogenblikkelijke waarde) haloformen mg/l de som van haloformen en chloorbenzeen chloorbenzeen mag niet groter zijn dan 0,1 mg/l wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Art. 2. De bestreden beslissing nr. MLWV/06-60/ES van 1 maart 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het wijzigen van bovenvermelde lozingsvoorwaarden opgelegd bij ministerieel besluit nr. AMV/2347/1024B van 22 mei 2006 van een afvalverwerkend bedrijf gelegen te 2030 Antwerpen, Haven 550, Poldervlietweg 5, wordt gewijzigd als volgt : 1) in artikel 1, tweede gedachtenstreepje wordt 'tot 30 juni 2008' vervangen door 'tot en met 31 december 2008'; 2) in artikel 1, derde gedachtenstreepje wordt 'vanaf 1 juli 2008' vervangen door 'vanaf 1 januari 2009'; 3) in artikel 1 wordt een vierde gedachtenstreepje toegevoegd, zijnde: '- Op basis van meetgegevens van de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 aangaande het bedrijfsafvalwater dient door een erkend deskundige water het volgende onderzocht te worden, tegen uiterlijk 1 juli 2008 (studie overmaken aan de afdeling Milieuvergunningen, de Vlaamse Milieumaatschappij en de deputatie van de provincie Antwerpen): 1. de correlatiefactor tussen CZV (in situ correctie) /TOC, gebaseerd op een significant aantal monsters, een correcte TOC-lozingsvoorwaarde en een correcte afgeleide CZV-lozingsvoorwaarde; VII-37.050-11/36 2. EOX-bronnen en mogelijke maatregelen om 0,05 mg/l EOX te halen, alsook AOX 0,4 mg/l.". Art. 3. De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd. Art. 4. Dit besluit wordt genoteerd in de rand van het notulenboek van de deputatie tegenover de notulering van de bestreden beslissing"; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 1.1.3 juncto artikel 5.1.4., 3/, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : milieubeleiddecreet) juncto artikel 4.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van het motiverings-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij in een eerste onderdeel stelt dat het bestreden besluit in de overwegingen weliswaar opneemt dat "overeenkomstig artikel 4.1.2 van het Vlarem de exploitant steeds de beste beschikbare technieken moet toepassen ter bescherming van de mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingmethodes op het niveau van de emissies als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen", doch vervolgens lozingsnormen oplegt waarvan uit een onafhankelijke studie blijkt dat deze niet haalbaar zijn, terwijl de in het bestreden besluit opgelegde lozingsnormen bij toepassing van de BBT technisch en economisch haalbaar moeten zijn voor de verzoekende partij; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel stelt dat het bestreden besluit blijk geeft van een onzorgvuldige besluitvorming en aldus een gebrekkige, onjuiste en niet-afdoende motivering bevat met betrekking tot het niet-aanvaarden van de gegevens voortvloeiend uit de studie van de NV ECOLAS; dat zij het eerste onderdeel van het eerste middel als volgt toelicht : "Artikel 1.1.3. juncto artikel 51.4., 3/ van het Decreet inzake milieubeleid beogen de definiëring en toepassing van de 'best beschikbare technieken'. Het beginsel van de 'best beschikbare technieken' dient als leidraad telkens er in aangelegenheden waarop het van toepassing is, een afweging gemaakt moet worden tussen ecologische belangen en economische belangen, door voor te schrijven of en hoe men deze afweging moet maken. Meer concreet bepaalt artikel 1.1.3. van het Decreet inzake milieubeleid het volgende: 'Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de 'beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen' en de 'beste beschikbare technieken' als volgt te begrijpen: 1/ 'Technieken' omvat: VII-37.050-12/36
- a)ieder technisch hulpmiddel en iedere technologie, alsook de wijze waarop installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, bediend en ontmanteld;
- b)het inzetten van grond- en hulpstoffen;
- c)het inzetten van gekwalificeerd personeel in een inrichting of activiteit;
- d)de gebouwen waarin een inrichting of activiteit is gevestigd; 2/ 'Beschikbare': op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het nationale grondgebied worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn; 3/ 'Beste': het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel; 4/ 'Overmatig hoge kosten' zijn kosten die:
- a)onredelijk zijn in verhouding tot hun resultaat op het vlak van de bescherming van mens en milieu; of,
- b)die economisch niet haalbaar zijn in de betrokken industriële context'. Aansluitend bepaalt artikel 5.1.4., 3/ van het Decreet inzake milieubeleid dat 'Bij het vaststellen van algemene, sectorale en integrale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse regering minstens rekening met : (..) 3/ de resultaten die kunnen worden bereikt met de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen(...)'. De in het bestreden besluit opgelegde lozingsnormen zijn zowel technisch als economisch niet haalbaar voor verzoekende partij en beantwoorden niet aan het principe van de 'best beschikbare technieken' zoals gedefinieerd in artikel 1.1.3. van het Decreet inzake milieubeleid. In de mate waarin de verzoekende partij niet kan voldoen aan de in de milieuvergunning opgelegde lozingsnormen komt zij bijgevolg voor de keuze te staan om ofwel het bedrijf stil te leggen met alle desastreuze financiële en economische gevolgen vandien ofwel illegaal te exploiteren, met het risico op administratieve en strafrechtelijke sancties (R.v.St., Umicore, 28 november 2002, nr. l13.053). Gelet op het feit dat het beginsel van de 'best beschikbare technieken die geen overmatige kosten meebrengen' zich als beginsel van milieubeleid ook opdringt aan de overheid (Hof van Beroep, Gent, 15 december 2000, T.M.R. 2007, 471-474), schendt verwerende partij artikel 1.1.3. juncto artikel 5.1.4., 3/ van het Decreet inzake milieubeleid vanwege het opleggen van niet haalbare lozingsvoorwaarden. Wat de technische haalbaarheid van de lozingsnormen betreft dient verwezen te worden naar de conclusies van de recentst uitgevoerde haalbaarheidsstudie van ECOLAS dd. 31 oktober 2006. Deze haalbaarheidsstudie werd opgelegd in het kader van het besluit van de Minister van Leefmilieu dd. 22 mei 2006 en vormt de basis voor het door verzoekende partij ingediende verzoek tot wijziging van de lozingsvoorwaarden dd. 14 november 2006. Het is bijgevolg naar aanleiding en op basis van de resultaten van deze ECOLAS studie dat verzoekende partij aan de Bestendige Deputatie een verzoek heeft gericht tot wijziging van de in de milieuvergunning opgenomen lozingsvoorwaarden. Vooreerst kan verwezen worden naar de ECOLAS-studie voor wat betreft de parameter CZV (...): 'Een klassieke CZV - meting is in het geval van INDAVER niet bruikbaar. De combinatie van bromide en ammonium - N in het staal resulteert in een systematische stoorfactor. Deze is typisch 100 - 150 mg/l, met andere woorden vaak een stuk groter dan de 'echte' CZV. (...) De meting als TOC is duidelijk superieur op alle vlakken: nauwkeurigheid, VII-37.050-13/36 beschikbaar als gecertificeerde meting bij erkende labo's, snelheid, kostprijs, enz. Er wordt dus aanbevolen om in de milieuvergunning de grenswaarde voor het gehalte aan organisch materiaal in het effluent in het specifieke geval van Indaver op te leggen als TOC en niet als CZV. Dit lijkt ook juridisch en administratief mogelijk (...)'. Verder wordt in de ECOLAS-studie het volgende gesteld (...): 'De door de milieuoverheid voorgestelde streefwaarden van 50 mg TOC/1 (=125 mg CZV/l), 25 mg BZV/l, 20 mg totaal N/l zijn niet haalbaar ook niet na afvoer van het percolaat van Deponie 1. De streefwaarden van 50 mg TOC/l is haalbaar gedurende > 95 % van de tijd. De streefwaarde van BZV is haalbaar > 95 % van de tijd. In 24- uurs mengstalen zijn volgende waarden in het geloosde afvalwater haalbaar: - TOC - maximum - BZV - maximum - Totaal stikstof - maximum Voor stikstof is de streefwaarde van 20 mg/l dus niet haalbaar. De jaargemiddelde concentratie voor totaal stikstof ligt in de omgeving van 20 mg N/l. De jaargemiddelde grenswaarde van 25 mg N/l zou om die reden in de vergunning kunnen behouden worden ook na 31/12/2006. Voor organisch materiaal zijn de streefwaarden dus voor het overgrote deel van de tijd wel haalbaar'. Uit deze bepalingen van de studie volgt dus onmiskenbaar dat hetgeen door de overheid voorgesteld wordt niet haalbaar is. Dit wordt omstandig gemotiveerd in de studie van Ecolas. Concreet volgt daaruit dat er onevenredige inspanningen zouden moeten gedaan worden om de door de overheid gewenste resultaten te bereiken. Het is duidelijk dat dit geenszins strookt met de best beschikbare techniek gezien het naleven van deze normen zou leiden tot onevenredig hoge kosten. De meerwaarde voor de diverse milieucompartimenten weegt met andere woorden op generlei wijze op tegen de bijkomende inspanningen die door de verzoekende partij zouden moeten geleverd worden. De voormelde Ecolas-studie geeft duidelijk aan wat haalbaar is. Gezien de opeenvolgende studies die door verzoekende partij werden uitgevoerd in opdracht van de milieuvergunningverlenende overheden, is het duidelijk dat een zeer duidelijk beeld bestaat over wat haalbaar is op basis van de beschikbare technieken en wat niet. Dat de vergunningverlenende overheid in het kader van de aanpassing van de milieuvergunning daarbij steeds verder gaat dan wat in de studies wordt vastgesteld, is onrechtmatig. Als de overheid in het kader van de wijziging van de vergunning een studie oplegt dan behoort zij ook de resultaten daarvan na te leven. Indien ze dit had gedaan op basis van de Ecolas-studie dan waren minder strenge normen opgelegd. Deze argumentatie werd door verzoekende partij opgenomen in haar verzoekschrift die ze aan de minister gericht heeft op 29 maart 2007. Daarbij VII-37.050-14/36 werd eveneens expliciet verwezen naar deze bovenvermelde Ecolas-studie. De daarin opgesomde voorwaarden en normen gelden onmiskenbaar als best beschikbare techniek op dat ogenblik. Dat de minister daarmee geen rekening heeft gehouden en strengere normen heeft opgelegd dan wat mogelijk is - zoals uit een wetenschappelijke studie blijkt - heeft voor gevolg dat de toepassing van de best beschikbare techniek werd geschonden. Hogervermelde haalbaarheidsstudie maakte deel uit van het administratief dossier dat bij de minister werd ingediend in het kader van het voormelde beroep dd. 29 maart 2007 en was de verwerende partij dan ook bekend. Volledigheidshalve wordt de haalbaarheidsstudie van ECOLAS toegevoegd als STUK 11"; dat zij het tweede onderdeel van het eerste middel als volgt toelicht : "Iedere administratieve beslissing moet zijn gesteund op deugdelijke in feite aanneembare en in rechte juiste motieven, die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden (R.v.St., Van Bladel, nr. 37.043 van 22 mei 1991). Om dus aan de vereiste van de motiveringsplicht te voldoen is het noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen (R.v.St., 11 januari 2007, nr. 166.541, R.v.St., 26 oktober 2006, nr.164.112., R.v.St., 1 februari 2001, nr. 92.945, R.v.St., 25 september 1997, nr. 68.292). De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen verplicht om niet (
- de)enkel de motieven uitdrukkelijk op te nemen in de beslissing doch evenzeer om juiste motieven te gebruiken. In concreto is verwerende partij verplicht het ingediende beroep op zorgvuldige, deskundige en objectieve wijze te beoordelen en een afdoende motivering van haar beoordeling op te nemen in de beslissing houdende uitspraak over het beroep. Op meerdere plaatsen in het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de motivatie van de beslissing ontbreekt of niet afdoende is. Uit het bestreden besluit blijkt ook dat de opgelegde normering niet in overeenstemming is en zelfs diametraal haaks staat op de conclusies van de ECOLAS-studie, zonder dat het bestreden besluit in rechte op basis van feitelijk en rechtens juiste motieven motiveert waarom de conclusies van de verzoekende partij niet kunnen worden gevolgd. Een eerste schending van het motiveringsbeginsel betreft de technische kwestie betreffende het behoud van een CZV-norm naast een TOC-norm. Verzoekende partij wenst geen behoud van een CZV-norm naast een TOC- norm. In het beroepschrift van de verzoekende partij dat aan de minister werd verzonden op 29 maart 2007 wordt gehamerd op het gebruik van een TOC-norm en evenzeer op het feit dat een CZV-norm om allerlei redenen niet haalbaar is. Met name is het water van de verzoekende partij erg zoutrijk. Dit bemoeilijkt de bepaling van CZV (chemisch zuurstofverbruik, een maat voor het totaal gehalte aan organische stoffen) (zie pag iv Ecolas-studie). Over deze CVZ-meting wordt nog het volgende vermeld in de ECOLAS- studie (...): 'Een klassieke CZV-meting is in het geval van INDAVER niet bruikbaar. De combinatie van bromide en ammonium-N in het staal resulteert in een systematische stoorfactor. Deze is typisch 100 - 150 mg/l, met andere woorden vaak een stuk groter dan de 'echte' CZV. Er zijn twee technieken beschikbaar om aan dit knelpunt te verhelpen (VITO, 2003): VII-37.050-15/36 3. Voor ieder staal een referentiestaal maken met dezelfde bromide-, chloride- en ammonium-N concentratie, hiermee de stoorfactor bepalen, en deze terug aftrekken • Het gehalte aan organisch materiaal in het staal bepalen als TOC (totaal organisch koolstof). De meting als TOC is duidelijk superieur op alle vlakken: nauwkeurigheid; beschikbaar als gecertificeerde meting bij erkende labo's, snelheid, kostprijs, enz. Er wordt dus aanbevolen om in de milieuvergunning de grenswaarde voor het gehalte aan organisch materiaal in het effluent in het specifieke geval van Indaver op te leggen als TOC en niet als CZV. Dit lijkt ook juridisch en administratief mogelijk (...)'. Gezien het feit dat het bepalen van deze CZV-norm, bijzonder moeilijk is, wordt in de studie ook nog vermeld dat een aantal pistes onderzocht werden (...). Zo werd gesteld: • 'Een CZV-norm toekennen die rekening houdt met deze meetfout Nadeel is dat dan twee pistes openstaan om aan deze norm te voldoen: verminderen van het gehalte aan organisch materiaal of verminderen van het gehalte aan bromide; dit laatste is vanuit algemeen milieu-oogpunt van sterk ondergeschikt belang. Het toekennen van een CZV-norm die rekening houdt met deze meetfout wordt dus afgeraden wegens onvoldoende sturend. • Een specifieke meetmethode opleggen die rekening houdt met deze foutenbron. VITO heeft een aangepaste meetmethode uitgewerkt. (...) Knelpunten zijn dat de techniek traag en duur is, nergens gevalideerd of gecertificeerd is en dat de techniek onnauwkeurig is (meetfout van 40%; meetfout door interferentie voor organisch gebonden stikstof wordt hiermee niet aangepakt)'. Het eindrapport besluit dan ook als volgt: 'Geen grenswaarde opleggen voor CZV maar in plaats daarvan een grenswaarde opleggen voor een andere groepsparameter die - net als CZV - het totaal gehalte aan organische stoffen meet. TOC (totaal organisch koolstof) is een dergelijke meettechniek. TOC kan door INDAVER en door alle erkende labo's gemeten worden, is net als CZV een snelle techniek en is in het geval van INDAVER nauwkeuriger dan de CZV-meting met correctie. Om de grenswaarde voor TOC te plaatsen binnen het algemene beleidskader is een omrekeningsfactor TOC - CZV nodig. In het geval van INDAVER kan deze ingeschat worden op 2,5 mg CZV/mg TOC. Er wordt dus aangeraden om : - Geen grenswaarde voor CZV op te leggen - Wel een grenswaarde voor TOC op te leggen - Bij de toetsing aan het algemene milieubeleid (bv. omzendbrief), hierbij gebruik te maken van de drempel TOC = 50 mg/l. Deze drempel is equivalent met de gebruikelijke drempel voor het gehalte aan organisch materiaal van CZV = 125 mg/l (...)'. In het bestreden besluit overweegt verwerende partij het volgende betreffende deze kwestie: 'Overwegende dat de NV Indaver niet akkoord is met het behoud van een CZV-norm naast een TOC-norm; dat de Ecolas-studie voorstelt om de parameter CZV te vervangen door TOC omwille van de minder goede nauwkeurigheid en reproduceerbaarheid van de CZV-meting voor wat betreft het afvalwater van de NV Indaver; (...) Overwegende dat de voormelde VITO-studie stelt dat alvorens gebruik te maken van deze tweede methode er voorafgaandeljk onderzoek dient te gebeuren om de correlatiefactor empirisch vast te leggen (m.a.w. op een VII-37.050-16/36 significant aantal monsters gecorrigeerde CZV en TOC bepalen); dat op basis van een beperkt aantal monsters van het Indaver-afvalwater (...) een correlatiefactor tussen 3,1 en 5,4 werd vastgesteld; dat het bijgevolg aangewezen is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat deze correlatiefactor dient bepaald te worden op basis van een significant aantal monsters; Overwegende dat de CZV volgens de Vlaamse Milieumaatschappij een kritische parameter is voor de Schelde; dat in afwachting van de resultaten van deze studie met betrekking tot de correlatiefactor en gelet op de analyseresultaten het momenteel aangewezen is dat de CZV-normering behouden blijft; dat gezien de door de Ecolas-studie geopperde 2,5-factor de NV Indaver geen probleem kan hebben met de in eerste aanleg opgelegde CZV-norm tot 30 juni 2008'; (...) Uit deze overweging blijkt dat de minister zich in de beslissing niet richt op de Ecolas-studie maar wel op de voorgaande VITO-studie en halsstarrig blijft vasthouden aan de CZV-norm. Wat belangrijk is, is dat evenwel geen enkele motivering opgegeven wordt waarom opnieuw teruggegrepen wordt naar deze CZV-norm en waarom integendeel de voorgestelde TOC-norm niet weerhouden wordt. Ondanks het feit dat de ECOLAS-studie expliciet de toepassing van de parameter CZV afwijst, beslist verwerende partij toch de CZV-norm te behouden. Enige motivering hiervoor is afwezig. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat de CZV volgens de Vlaamse Milieumaatschappij een kritische parameter is voor de Schelde. Tevens wordt vervolgd dat 'in afwachting van de resultaten van deze studie met betrekking tot de correlatiefactor en gelet op de analyseresultaten het momenteel aangewezen is dat de CZV-normering behouden blijft'. Waarom dit evenwel zou moeten zijn, wordt geenszins gemotiveerd zodat er zeer zeker sprake is van een schending van de formele motiveringsplicht. Niet alleen wordt - zonder enige motivatie - het gebruik van de TOC-norm niet weerhouden maar daarenboven keert men zonder enige motivering terug naar een CZV-norm. Dat de CZV-norm een belangrijke parameter zou zijn voor de Schelde is een loutere stelling die verder niet gemotiveerd wordt. Er wordt niet aangegeven wat het belang is van het behoud van deze CZV-parameter. De motiveringsplicht wordt evenzeer geschonden voor wat betreft het gebruik van daggemiddelde emissiegrenswaarden. Met name wenst de verzoekende partij voor wat betreft de daggemiddelde emissiegrenswaarden de in het besluit van de bestendige deputatie dd. 1 maart 2007 opgelegde 24-uur gemiddelden voor BZV, TOC en totaal stikstof te vervangen door het evaluatiecriterium van 95-percentielen. De ECOLAS-studie stelt hierover het volgende: 'De door de milieuoverheid voorgestelde streefwaarden van 50 mg TOC/l (=125 mg CZV/l), 25 mg BZV/l, 20 mg totaal N/l zijn niet haalbaar ook niet na afvoer van het percolaat van Deponie 1. De streefwaarden van 50 mg TOC/l is haalbaar gedurende > 95 % van de tijd. De streefwaarde van BZV is haalbaar > 95 % van de tijd. In 24- uurs mengstalen zijn volgende waarden in het geloosde afvalwater haalbaar: - TOC-maximum - BZV-maximum VII-37.050-17/36 plaats van dat het gemiddelde van de stalen - Totaal stikstof-maximum Hieruit blijkt dat de normen voor BZV (25 mg/l); TOC (50 mg/
- l)en totaal N (20 mg/
- l)niet haalbaar zijn. Maar uit deze conclusie blijkt eveneens dat deze zeer strenge normen wel haalbaar zijn gedurende 95% van het jaar. Dit werd evenzeer uitdrukkelijk vermeld in het beroep dat verzoekende partij heeft ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie dd. 1 maart 2007. Het bestreden besluit overweegt hierover het volgende: 'Overwegende dat aangaande de gevraagde 95%-percentielwaarden versus de in het bestreden besluit opgelegde 24-uur gemiddelden voor BZV, TOC en totaal stikstof kan gesteld worden dat uit de grafieken in de studie blijkt dat de gevraagde waarden haalbaar zijn als 24-uur gemiddelden buiten maximaal 2 pieken (voor TOC en BZV); dat de opgelegde ogenblikkelijke waarden reeds met een marge ten opzichte van de gemeten schepstalen opgelegd werden; dat wanneer men de gevraagde lozingswaarden als 95%-percentiel op jaarbasis zou opleggen alle pieklozingen opgevangen worden; dat het niet de bedoeling kan zijn om lozingsnormen af te stemmen op uitzonderlijke situaties wanneer normaal betere lozingswaarden haalbaar zijn; dat niet uit het oog mag verloren worden dat de uitgevoerde Ecolas-studie een statistische inschatting is van de haalbare normen; dat bovendien 95%-percentiel-waarden qua controle enkel geschikt zijn voor zelfcontrole, maar in het kader van handhaving niet werkbaar zijn'; Uit deze overweging blijkt dat verwerende partij de toepassing van de 95-percentielen als evaluatiecriterium afwijst, ondanks het feit dat uit de ECOLAS-studie blijkt dat op dit ogenblik de normen BZV (25 mg/l), TOC (50mg/
- l)en totaal N (20 mg/
- l)niet haalbaar zijn en deze zeer strenge normen wel haalbaar zijn gedurende 95% van het jaar. Volgens het bestreden besluit is de toepassing van de 95-percentielen als evaluatiecriterium in het kader van de handhaving niet werkbaar. Nochtans dient verwezen te worden naar artikel 5.2.3.bis. 1.27 § 2 van Vlarem II met betrekking tot luchtemissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties, waar het gebruik van percentielen (95%/97%) voor alle gereglementeerde parameters van toepassing is. Dit argument wordt ook ingeroepen in het beroepschrift van verzoekende partij. Evenwel weigert verwerende partij hierop in te gaan in het bestreden besluit met als gevolg dat verzoekende partij niet begrijpt waarom een analoge toepassing van de 95-percentielen als evaluatiecriterium niet mogelijk zou zijn voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater. Tevens moet worden opgemerkt dat de verwerende partij zelf aangeeft dat de opgelegde normen niet haalbaar zijn. Immers wordt gesteld dat men ook voor alle pieklozingen binnen de opgelegde vergunningsvoorwaarden zou blijven indien de normen opgelegd worden als 95-percentiel. Dat is nu net precies waar een vergunning rekening moet mee houden. Met name dat een exploitant in alle omstandigheden en in alle gevallen erop kan vertrouwen dat zijn exploitatie voldoet aan de hem toegekende vergunning. Door dergelijke motivering dwingt de vergunningverlenende overheid de verzoekende partij minstens op het moment van een pieklozing in de illegaliteit. De in het bestreden besluit weergegeven motivering om geen gebruik te maken van deze 95-percentiel norm is geenszins draagkrachtig. Daarenboven strijdt dit met de werkelijkheid gezien de vergunningverlenende overheid VII-37.050-18/36 daarmee expliciet weet dat de verzoekende partij daaraan niet kan voldoen in geval van pieklozingen. Daarbij moet gewezen worden op de specifieke activiteit van de verzoekende partij die ertoe leidt dat de samenstelling van hetgeen bij haar wordt afgeleverd op diverse momenten variabel is en bijgevolg een invloed kan hebben op het te lozen afvalwater en evenzeer op de concentraties daarvan. Ook voor wat de parameter EOX betreft, moet gewezen worden op een schending van de motiveringsplicht. In het bestreden besluit wordt het volgende bepaald (...): 'Overwegende dat aangaande EOX de Ecolas-studie stelt dat het niet mogelijk is om in alle stalen waarin een relevante EOX wordt aangetroffen, deze volledig terug te reconstrueren aan de hand van de vastgestelde belangrijke individuele componenten of groepen van componenten; dat de bron van de aanwezige EOX niet gekend is; dat eveneens de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 dient bekeken te worden; dat de strengere lozingswaarde van EOX 0,1 mg/l dient te worden behouden (zijnde 20 x milieukwaliteitsnorm), en er dient bekeken te worden of afvlakking van pieklozingen mogelijk is naar 10 x milieukwaliteitsnorm'; (...) Uit deze alinea betreffende de parameter EOX blijkt dat verwerende partij afwijkt van de ECOLAS-studie. Evenwel is er geen motivering van verwerende partij terug te vinden waaruit blijkt waarom er moet worden afgeweken van de ECOLAS- studie en de strengere lozingswaarde van EOX, namelijk 0,1 mg/l, dient te worden behouden. Dit is een loutere bewering en kan bijgevolg geenszins dienen als afdoende motivering voor het behoud van deze strenge EOX-norm. Tevens wordt verder in de bestreden beslissing vermeld dat het 'uit het voorgaande blijkt dat het aangewezen is om de EOX-bron nader te onderzoeken'. Evenwel kan verzoekende partij(
- en)niet opmaken waaruit blijkt dat het noodzakelijk is om de EOX-bron te onderzoeken. Er wordt geen enkele motivering daarvoor gegeven. Met betrekking tot chloorbenzeen stelt het bestreden besluit hetgeen volgt: 'Overwegende dat de Vlaamse Milieumaatschappij in tegenstelling tot de Ecolas- studie chloorbenzeen aanduidt als een parameter die enkel terug te vinden is onder de groepsparameter AOX; dat dit best uitgeklaard wordt, en daarom ook AOX 0,4 mg/l (zijnde 10 x milieukwaliteitsnorm) dient bekeken te worden'; (...) Volgens de ECOLAS-studie valt chloorbenzeen niet onder AOX, maar onder EOX (...). EOX is geen stof, maar een groepsparameter waaronder zowel extreem toxische stoffen vallen als weinig toxische stoffen. Verwerende partij daarentegen verwijst naar de Vlaamse Milieumaatschappij die daarentegen stelt dat chloorbenzeen onder AOX valt. Uit het bestreden besluit kan evenwel niet afgeleid worden waarom verwerende partij beslist om de visie van de Vlaamse Milieumaatschappij te volgen en afwijkt van de ECOLAS-studie. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de verwerende partij zich niet de moeite heeft getroost om de plaatselijke situatie voldoende te onderzoeken en de concrete impact van de activiteiten en de redenen waarom verzoekende partij een wijziging van de vergunning conform artikel 45 van het Vlarem I heeft aangevraagd niet op een zorgvuldige wijze heeft ingeschat. Tenslotte ontbreekt in de bestreden beslissing elke motivering om met ingang van 1 januari 2009 een nog strengere normering in te voeren. In het beroepschrift van verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie wordt nochtans duidelijk benadrukt dat in het besluit van de Bestendige Deputatie elke motivering ontbreekt waarom deze strenge VII-37.050-19/36 normering wordt opgelegd. Toch laat ook verwerende partij na te argumenteren waarom de invoering van deze normen vanaf 1januari 2009 gerechtvaardigd is. Er is daarenboven geen billijke afweging van de in het geding zijnde belangen: de argumenten van verzoekende partij om aan de hand van objectieve studies (verwezen kan worden naar de hoger vermelde Ecolas-studie) aan te tonen dat de opgelegde normen onhaalbaar zijn worden op kennelijk onredelijke wijze van (
- de)kaart geveegd. Derhalve zijn ook het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden. De verwerende partij kon niet in redelijkheid tot dergelijk besluit komen. Immers blijkt uit de feitelijke gegevens dat de verzoekende partij reeds diverse studies heeft moeten laten uitvoeren met het oog op het telkens opnieuw bepalen van de lozingsnormen. Daarbij moet worden vastgesteld dat de vergunningverlenende overheid steeds strengere normen oplegt en altijd zelfs verder gaat dan wat op basis van wetenschappelijke onderzoeken haalbaar blijkt. Dergelijke handelwijze is evenwel niet redelijk"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de overheid te dezen over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt die door de Raad van State slechts marginaal kan worden getoetst, dat dit gegeven van belang is, omdat de voorliggende discussie zeer technisch is, en er rekening moet worden gehouden met het feit dat de inrichting verschillende activiteiten uitoefent, waardoor de samenstelling van het effluent grote schommelingen kan vertonen en complex samengesteld kan zijn, dat zoals uit de feiten blijkt, de mogelijkheid voor de verzoekende partij om het percolaat van deponie 1 vanaf juni 2007 te laten behandelen door de afvalwaterzuiveringsinstallatie van de "Hooge Maey", een essentieel element betrof bij haar aanvraag tot wijziging en aanvulling van de lozingsnormen voor de parameters BZV, CZV, totaal stikstof, TOC en EOX in de met betrekking tot haar inrichting bestaande milieuvergunningsbesluiten, dat dit ook blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit; dat de verwerende partij deze overwegingen citeert; dat zij voorts stelt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij argumenteert, door de vergunningverlenende overheid wel degelijk rekening wordt gehouden met de voorwaarden en normen in de studie van de NV ECOLAS, dat dit duidelijk blijkt uit de vaststelling dat een groot deel van de aanvraag van de verzoekende partij, overeenkomstig artikel 45 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), op basis van deze studie werd ingewilligd, dat bovendien in het bestreden besluit telkens wordt gemotiveerd waarom de vergunningverlenende overheid een bepaald resultaat uit de betreffende studie niet zonder meer volgt, hetgeen overigens in de lijn ligt van de uitgebrachte adviezen van onder meer de VMM, dat los van de resultaten van de betreffende studie, in het bestreden besluit vooreerst wordt gewezen op het belang van de lozingsnormen voor de inrichting van de verzoekende partij; dat de verwerende VII-37.050-20/36 partij de desbetreffende overwegingen en vervolgens de overweging met betrekking tot de representativiteit van de studie van de NV ECOLAS citeert; dat zij voorts de overwegingen met betrekking tot de argumenten in het beroepschrift inzake de normstelling in de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008, en met name enerzijds wat betreft de parameter CZV en anderzijds met betrekking tot de daggemiddelde emissiegrenswaarden, citeert; dat de verwerende partij stelt dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd, waarbij er telkens eerst wordt verwezen naar de studie van de NV ECOLAS, en vervolgens wordt uiteengezet waarom bepaalde resultaten uit deze studie niet zonder meer worden gevolgd, dat de technische motivering niet kennelijk onredelijk is, dat dit ook niet door de verzoekende partij wordt aangetoond, dat de studie gebaseerd is op oude gegevens en niet noodzakelijk actueel is; dat de verwerende partij ten slotte aanvoert dat de verstrenging van de lozingsnormen wel degelijk wordt gemotiveerd, dat deze motivering niet kennelijk onredelijk is, dat het gegeven dat het bestreden besluit de opmaak van een nieuwe studie oplegt waarin rekening wordt gehouden met de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 aangaande het bedrijfsafvalwater, en met name met de externe verwerking van het percolaatwater van deponie 1, evenmin tot een schending van de motiveringsplicht leidt, gezien het bestreden besluit afdoende motiveert waarom de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 1 maart 2007 en de daarin opgenomen normstelling grotendeels wordt bevestigd, terwijl de bijkomende studie hoogstens en eventueel tot bijsturingen kan leiden; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij "makkelijkheidshalve" de twee onderdelen van het middel samen behandelt, dat de beide onderdelen van het middel worden weerlegd met, enerzijds, een verwijzing naar de ruime discretionaire bevoegdheid van de overheid en, anderzijds, een letterlijke weergave van uitgebreide passages van het bestreden besluit, dat haar standpunt omtrent de BBT op geen enkele wijze wordt weerlegd, dat de geciteerde stukken uit de motivering van het bestreden besluit niet verhelderen op welke wijze de overheid de geldende juridische regels heeft toegepast op het concrete dossier; dat de verzoekende partij een passage uit het bestreden besluit citeert die ook de verwerende partij citeert, en waarin wordt overwogen dat op basis van de beschikbare gegevens wordt geoordeeld dat na de afvoer van het percolaat van deponie 1 "misschien" toch de steeds vooropgestelde lozingsnormen haalbaar zouden zijn en dat hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan de studie van de NV ECOLAS; dat de verzoekende partij stelt dat daaruit blijkt dat het bestreden besluit geen duidelijke, weloverwogen motivering bevat, dat het aan de verwerende partij is om de redelijkheid van de motivering aan te tonen, dat de VII-37.050-21/36 motivering absoluut niet evenredig is met het belang van de beslissing, en ook niet pertinent is, dat een discretionaire bevoegdheid geen vrijbrief is voor ongemotiveerde beslissingen, dat het bestreden besluit technisch en economisch niet haalbaar is, dat dit een gevolg is van de houding van de verwerende partij om de studie naast zich neer te leggen, dat de onredelijkheid van het besluit erin ligt dat zij het onmogelijk kan uitvoeren, dat hoe groter de discretionaire bevoegdheid is, hoe strenger de motiveringsplicht is, dat de eigenschappen van voorliggende zaak maken dat het bestreden besluit juist sterker gemotiveerd moest zijn; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie van oordeel is dat als artikel 5.1.4, 3/, van het milieubeleiddecreet uitdrukkelijk van toepassing is bij het vaststellen van algemene, sectorale en integrale milieuvoor- waarden, dit artikel "a fortiori" ook van toepassing moet zijn bij het vaststellen van bijzondere exploitatievoorwaarden die aan een welbepaalde vergunning zijn gekoppeld, dat de exploitant enkel in staat zal zijn om overeenkomstig artikel 4.1.2.1 van Vlarem II de BBT toe te passen indien de overheid lozingsvoorwaarden oplegt die haalbaar zijn, dat het dus van uitermate belang is dat de overheid rekening houdt met de inhoud en de draagwijdte van deze bepaling, dat indien de overheid lozingsvoorwaarden oplegt die absoluut niet haalbaar zijn, de verzoekende partij wordt verplicht maatregelen te nemen, technieken en andere toepassingen te gebruiken, waarvan op dat ogenblik moet worden aangenomen dat deze niet kunnen worden beschouwd als de BBT die geen overmatige hoge kost met zich meebrengen, dat de techniek die de verzoekende partij in dergelijk geval verplicht wordt toe te passen, onevenredig duur zal zijn in verhouding tot het resultaat ervan, dat gezien de verwerende partij bij machte is voorwaarden op te leggen aan de verzoekende partij die niet als BBT kunnen worden beschouwd, ook de verwerende partij moet worden geacht verplicht te zijn deze decretale bepaling na te leven; dat de verzoekende partij voorts stelt dat de eigenlijke motivering in het bestreden besluit voor het voorlopig behouden van de CZV-norm naast de TOC-norm, en waarom die CZV-norm haalbaar is, in het argument bestaat dat het CZV een kritische parameter is voor de Schelde, dat vervolgens wordt geopperd dat "in afwachting van de resultaten van deze studie met betrekking tot correlatiefactor en gelet op de analyseresultaten het momenteel aangewezen is dat de CZV-normering behouden blijft; dat gezien de door de Ecolas-studie geopperde 2,5 - factor de NV Indaver geen probleem kan hebben met de in eerste aanleg opgelegde CZV-norm tot 30 juni 2008", dat het voor de verzoekende partij nog steeds onduidelijk is waarom die CZV-norm haalbaar is, dat het feit dat het CZV een kritische parameter voor de Schelde is, een loutere stelling is en verder niet wordt gemotiveerd, dat zij niet begrijpt waarom de TOC-norm niet wordt weerhouden; dat de verzoekende partij VII-37.050-22/36 voorts meent dat het motief "Verweerster overweegt ook dat de CZV volgens de VMM een kritische parameter is voor de Schelde" op zich niet aantoont dat de CZV- norm daarom behouden moet blijven, dat de argumentatie van de verwerende partij om strenge normen op te leggen vanaf 1 januari 2009 niet afdoende is en dit mede in het licht van het feit dat de resultaten van de studie aantonen dat de strengere lozingsnormen niet haalbaar zijn; 2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat er in het kader van de beoordeling van de motieven van het bestreden besluit inzake de EOX-norm, in het algemeen, rekening moet worden gehouden met de vaststelling dat de verzoekende partij in haar beroepschrift zelf zonder meer stelt dat de opgenomen normering haaks staat op de studie van de NV ECOLAS, zonder daaromtrent nadere toelichting te verschaffen en zonder duidelijk per parameter uiteen te zetten waarom zij daarmee niet akkoord is, dat uit het bestreden besluit vooreerst blijkt dat de verstrengde EOX-norm daarin pas wordt opgelegd vanaf 1 januari 2009, in plaats van initieel vanaf 1 juli 2008, dat er bovendien, in navolging van de werkwijze in eerdere niet betwiste vergunningsbesluiten omtrent de exploitatie van de verzoekende partij, wordt opgelegd dat er in tussentijd, door een erkend deskundige "water", en op basis van de meetgegevens van de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 aangaande het bedrijfsafvalwater, onderzoek moet worden gevoerd naar de EOX-bronnen en de mogelijke maatregelen om 0,05 mg/l EOX te halen, dat zij te dezen derhalve oordeelde dat er, in afwachting van nieuwe metingen en onderzoek op basis van de concrete lozingssituatie na 1 juli 2007, geen noodzaak bestond om de opgelegde EOX-norm te versoepelen, op basis van een studie waarin louter wordt aanbevolen om de huidige EOX-grenswaarde te verlengen en waarin nog geen rekening wordt gehouden met de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007, met dien verstande dat het tijdstip waarop de volgens de verzoekende partij te strenge norm ingang vindt, wordt uitgesteld met zes maanden, dat het standpunt van de verwerende partij om de eerder opgelegde EOX-norm te behouden, in afwachting van bijkomend onderzoek op basis van een gewijzigde lozingssituatie, niet onredelijk is, te meer daar in dit kader tegelijkertijd wordt geoordeeld dat het tijdstip vanaf wanneer deze norm moet worden nageleefd, wordt verzet van 1 juli 2008 naar 1 januari 2009, teneinde de exploitant en de bevoegde overheden ondertussen voldoende tijd te geven om nader onderzoek uit te voeren, dat deze beslissing berust op het voorzorgsbeginsel en op de vaststelling dat de studie van de NV ECOLAS niet accuraat genoeg is; VII-37.050-23/36 2.1.6. Overwegende dat de verzoekende partij in dit middel onder meer de schending aanvoert van artikel 1.1.3 en artikel 5.1.4, 3/, van het milieubeleidde- creet; dat die bepalingen in voornoemd decreet werden ingevoegd door respectieve- lijk artikel 3 en artikel 10 van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden; dat luidens artikel 13 van voornoemd wijzigingsdecreet deze wijzigingen in werking treden op de datum die wordt bepaald door de Vlaamse regering; dat op het ogenblik van het bestreden besluit, artikel 1.1.3 en artikel 5.1.4, 3/, van het milieubeleiddecreet nog niet in werking waren getreden; dat de verzoekende partij zich dan ook niet op de schending ervan kan beroepen; Overwegende dat artikel 4.1.2.1 van Vlarem II als volgt luidt : "§ 1. De exploitant moet als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste produktietechnie- ken en -methoden, grondstoffenbeheersing en dergelijke meer). Deze verplichting geldt eveneens voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn. § 2. De naleving van de voorwaarden in dit besluit en/of de milieuvergunning wordt geacht overeen te stemmen met de verplichting uit §1"; dat de exploitant de geadresseerde van deze bepaling is, zodat de overheid deze bepaling niet kan schenden; dat bijgevolg de schending van artikel 4.1.2.1 van Vlarem II niet wordt aangenomen; Overwegende dat de beoordeling over de al dan niet haalbaarheid van de normen behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde overheid; dat de Raad van State, wat die beoordeling betreft, zich niet in de plaats van de bevoegde overheid mag stellen en dat alleen een kennelijk onredelijke beslissing van die overheid kan worden gesanctioneerd; dat hiervoor evenwel geen aanwijzingen zijn; dat uit de adviezen blijkt dat het bestreden besluit zorgvuldig werd voorbereid; dat de verwerende partij ook acht heeft geslagen op de studie van de NV ECOLAS; dat het loutere feit dat de verwerende partij deze studie niet heeft gevolgd, op zich niet wijst op een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit; dat de verwerende partij derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden; dat indien de verwerende partij er een andere zienswijze dan de studie van de NV ECOLAS op nahoudt, zij in elk geval duidelijk en afdoende moet motiveren hoe zij tot die andere zienswijze en, bijgevolg, tot de door haar opgelegde VII-37.050-24/36 normen is gekomen; dat de verwerende partij in het bestreden besluit onder meer overweegt dat de verzoekende partij verschillende activiteiten uitvoert, waardoor de samenstelling van het effluent grote schommelingen kan vertonen en complex samengesteld kan zijn, dat het water terechtkomt in de Schelde, dat het gezuiverd bedrijfsafvalwater gevaarlijke stoffen bevat, dat een vermindering van de nutriënten- vracht nodig is om de kwaliteitsobjectieven te bereiken en om tegemoet te komen aan de afspraken van de "Derde en Vierde Noordzeeconferentie" waarin is gesteld dat er een significante reductie moet worden bereikt in de inbreng van milieugevaar- lijke stoffen, dat op basis van artikel 2.3.6.1 van Vlarem II de lozing van gevaarlijke stoffen moet worden beëindigd of gereduceerd, dat in het reductieprogramma ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (hierna : richtlijn 76/464/EEG) als een van de relevante referentiewaarden de vuistregel "10 x milieukwaliteitsnorm voor gevaarlijke stoffen" wordt aang- ehaald, en dat op basis van artikel 4.1.2 van Vlarem II de exploitant steeds de BBT moet toepassen ter bescherming van mens en milieu; dat de verwerende partij met die overwegingen aannemelijk maakt dat zij strenge normen kon en zelfs moest opleggen; dat de verzoekende partij niet aantoont dat die overwegingen onjuist of kennelijk onredelijk zijn; Overwegende dat de verwerende partij er ook op wijst dat de studie van de NV ECOLAS steunt op gegevens uit 2002, dat er sinds 2002 meerdere extra maatregelen werden genomen voor verdere zuivering van het afvalwater, en dat de opvolging van het geloosde effluent verder werd geoptimaliseerd; dat dit door de verzoekende partij als zodanig niet wordt betwist; dat de verwerende partij hieruit redelijkerwijze mocht afleiden dat de bevindingen van de studie van de NV ECOLAS niet zonder meer moesten worden bijgetreden; Overwegende dat met betrekking tot de gevraagde "95%-percentielwaarden" wordt aangegeven dat de opgelegde 24-uurgemiddelden voor BZV, TOC en totaal stikstof haalbaar zijn "buiten maximaal 2 pieken (voor TOC en BZV)"; dat de verwerende partij er evenwel aan toevoegt "dat de opgelegde ogenblikkelijke waarden reeds met een marge ten opzichte van de gemeten schepstalen opgelegd werden"; dat zij ook nog stelt dat het niet de bedoeling kan zijn om lozingsnormen af te stemmen op uitzonderlijke situaties wanneer normaal betere lozingswaarden haalbaar zijn; dat zij er eveneens op wijst dat de uitgevoerde studie slechts een statistische inschatting is van de haalbare normen, en dat de VII-37.050-25/36 "95%-percentielwaarden "qua controle enkel geschikt zijn voor zelfcontrole, maar in het kader van de handhaving niet werkbaar zijn; dat zij aldus motiveert waarom zij op de vraag om "95%-percentielwaarden" op te leggen niet wil ingaan; dat deze motivering niet onjuist of kennelijk onredelijk is; dat het feit dat er voor luchtemis- siegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties ook met percentielwaarden wordt gewerkt, niet betekent dat de verwerende partij ook bij de lozingsvergunning van de verzoekende partij percentielwaarden moet hanteren; Overwegende dat met betrekking tot het behoud van een CZV-norm naast een TOC-norm, de verwerende partij stelt dat de NV ECOLAS gebruik maakte van een eerder uitgevoerde studie door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek; dat in voornoemde studie twee aanbevelingen worden gegeven; dat een van die aanbevelingen is dat de CZV-bepaling kan gebeuren via een correlatiefactor "gecorrigeerde CZV"/TOC en TOC-meting; dat de voornoemde studie stelt dat vooraleer van deze tweede methode gebruik kan worden gemaakt, er voorafgaandelijk onderzoek moet gebeuren om de correlatiefactor empirisch vast te stellen; dat de verwerende partij als voorwaarde oplegt dat op basis van meetgege- vens van de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 aangaande het bedrijfsafvalwater door een erkend deskundige "water" een studie moet worden gemaakt waarin tegen uiterlijk 1 juli 2008 wordt onderzocht welke de correlatiefactor is tussen CZV en TOC, gebaseerd op een significant aantal monsters, een correcte TOC-lozingsvoorwaarde en een correcte afgeleide CZV-lozingsvoorwaarde; dat met betrekking tot de parameter CZV de lozingsnormen voor de verzoekende partij ingevolge het bestreden besluit op het volgende neerkomen : - van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2008 geldt als lozingsnorm 450 mg/l (ogenblikkelijke waarde) en 200 mg/l (24-u gemiddelde); - vanaf 1 januari 2009 125 mg/l (ogenblikkelijke waarde); - tegen uiterlijk 1 juli 2008 moet een studie worden opgemaakt die onder meer betrekking heeft op de correlatiefactor tussen CZV en TOC; dat de verwerende partij in het bestreden besluit overweegt "dat in afwachting van de resultaten van deze studie met betrekking tot de correlatiefactor en gelet op de analyseresultaten het momenteel aangewezen is dat de CZV-normering behouden blijft"; dat zij ook overweegt dat het CZV volgens de VMM een kritische parameter is voor de Schelde, en dat gezien de door de studie geopperde 2,5-factor, de verzoekende partij geen probleem kan hebben met de in eerste aanleg opgelegde CZV-norm tot 30 juni 2008; dat de verwerende partij aldus duidelijk aangeeft waarom zij voorlopig de CZV-norm naast de TOC-norm wil behouden, en waarom die CZV-norm haalbaar is; VII-37.050-26/36 Overwegende dat de verzoekende partij in haar beroepschrift tegen het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 1 maart 2007 (hierna : beroepschrift) onder punt A, "Normstelling periode 01.07.2007 - 30.06.2008" stelt dat met uitzondering van het behoud van de CZV-norm, dit overeenstemt met de door haar gevraagde wijzigingen op basis van de besluiten van de haalbaarheidsstudie; dat men onder het derde punt van die rubriek leest dat voor de parameter EOX de huidige ogenblikkelijke norm blijft behouden (0,2 mg/
- l)en er bijkomend normen worden opgelegd voor haloformen (0,1 mg/
- l)en chloorbenzeen (0,15 mg/l), zoals door de verzoekende partij voorgesteld in het aanvraagdossier; dat voor de periode 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 er geen problemen zijn met betrekking tot de parameter EOX; dat de verzoekende partij onder punt 2 van hoofding B van haar beroepschrift, waar het gaat over de normstelling in de periode 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008, nergens melding maakt van de parameter EOX; dat het probleem derhalve te maken heeft met de normstelling die vanaf 1 juli 2008 definitief moet gelden; dat de verzoekende partij die normstelling behandelt onder punt B.1. van het beroepschrift; dat de verzoekende partij weliswaar niet expliciet melding maakt van een EOX-norm, maar op algemene wijze stelt dat de opgenomen normering haaks staat op de studie van de NV ECOLAS; dat volgens de verzoeken- de partij de normstelling niet is gemotiveerd en daarom ook moet worden geschrapt; dat er in de studie van de NV ECOLAS wordt aanbevolen "om de huidige grenswaarde voor EOX te verlengen"; dat het bestreden besluit stelt "dat de strengere lozingswaarde van EOX 0,1 mg/l dient te worden behouden (zijnde 20 x milieukwaliteitsnorm), en er dient bekeken te worden of afvlakking van pieklozing- en mogelijk is naar 10 x milieukwaliteitsnorm"; dat evenwel luidens artikel 2, 1), van het beschikkend gedeelte van het bestreden besluit de oude lozingsvoorwaarde behouden blijft tot en met 31 december 2008; dat het bestreden besluit aldus de verstrengde EOX-norm oplegt vanaf 1 januari 2009 in plaats van 1 juli 2008; dat overeenkomstig artikel 2, 3), van hetzelfde beschikkend gedeelte tegen uiterlijk 1 juli 2008 een studie moet worden overgemaakt over onder meer "EOX-bronnen en mogelijke maatregelen om 0,05 mg/l EOX te halen"; dat, alhoewel de minder strenge lozingsvoorwaarde voor de parameter EOX in de tijd wordt verlengd en een studie wordt bevolen aangaande de bronnen van EOX en de mogelijkheden om de lozingsnorm terug te brengen naar 0,05 mg/l, en in het bestreden besluit verder geen afdoende motieven worden gevonden om de strengere lozingsvoorwaarde van EOX 0,1 mg/l in te voeren vanaf 1 januari 2009; Overwegende dat met betrekking tot de parameter AOX, het bestreden besluit overweegt "dat de Vlaamse Milieumaatschappij in tegenstelling VII-37.050-27/36 tot de Ecolas-studie chloorbenzeen aanduidt als een parameter die enkel terug te vinden is onder de groepsparameter AOX; dat dit best uitgeklaard wordt, en daarom ook AOX 0,4 mg/l (zijnde 10 x milieukwaliteitsnorm) dient bekeken te worden"; dat in tegenstelling met wat de verzoekende partij laat uitschijnen, de verwerende partij zich niet onvoorwaardelijk aansluit bij de visie van de VMM, maar van oordeel is dat nader onderzoek nodig is; dat zij zich evenwel voorlopig aansluit bij de visie van de VMM; dat de verzoekende partij niet aantoont dat deze visie onjuist of kennelijk onredelijk is; dat de verwerende partij zich aansluit bij de zienswijze van de VMM omdat zij vertrouwt op de expertise van de VMM; dat het in het kader van de motiveringsplicht niet nodig is dit ook nog eens te expliciteren; dat het eerste middel in beperkte mate gegrond is, met name in zoverre de EOX-norm die geldt vanaf 1 januari 2009 niet afdoende is gemotiveerd; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 18 juncto artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 45 van Vlarem I, van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het realiteits- alsook het legaliteitsbeginsel en van de motiveringsverplichting, doordat het bestreden besluit voorwaarden oplegt die ertoe leiden dat de toegekende milieuvergunning slechts tijdelijk is en ook, op basis van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, strengere normen oplegt doch hieraan toevoegt dat het aangewezen is om de EOX-bron nader te onderzoeken, en AOX alsook de correlatiefactor tussen CZV en TOC, gebaseerd op de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007, te bekijken, terwijl de aanvraag van de verzoekende partij is gebaseerd op artikel 45 van Vlarem I en er derhalve rekening moest worden gehouden met de elementen die door de verzoeken- de partij in de opgegeven aanvraag zijn opgenomen; dat de verzoekende partij voorts stelt dat het bestreden besluit is gesteund op het reductieprogramma ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn 76/464/EEG, waarbij als één van de relevante referentiewaarden de vuistregel "10 x milieukwaliteitsnorm voor gevaarlijke stoffen" wordt aangehaald, terwijl aan het reductieprogramma geen enkele verbindende kracht wordt gekoppeld waaruit zou moeten blijken dat de verzoekende partij hieraan gehouden zou zijn; dat de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden besluit lozingsvoorwaarden oplegt die ertoe leiden dat de vergunning zou kunnen worden gekwalificeerd als een vergunning op proef; dat de verzoekende partij verwijst naar volgende overwegingen uit het bestreden besluit : " Overwegende dat in dit kader het vooropstellen van strengere normen binnen een termijn van 1 jaar krap is, aangezien het noodzakelijk is om voldoende meetgegevens te hebben en eventuele bijsturingen te doen voordat VII-37.050-28/36 er conclusies kunnen getroffen worden; dat een bijkomende overgang van 6 maanden kan toegestaan worden, zijnde tot eind december 2008" en "Op basis van meetgegevens van de nieuwe situatie vanaf 1 juli 2007 aangaande het bedrijfsafvalwater dient door een erkend deskundige water het volgende onderzocht te worden, tegen uiterlijk 1 juli 2008 (...) : 1. de correlatiefactor tussen CZV (in situ correctie) / TOC, gebaseerd op een significant aantal monsters, een correcte TOC lozingsvoorwaarde en een correcte afgeleide CZV - lozingsvoorwaarde; 2. EOX - bronnen en mogelijke maatregelen om 0,05 mg/l EOX te halen, alsook AOX 0,4 mg/l."; dat zij stelt dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat er thans onvoldoende gegevens zijn om nu reeds tot bepaalde conclusies te komen, dat de gegevens waarover men beschikt om bepaalde concentraties en lozingsnormen op te leggen totaal onvoldoende zijn, dat de beschikbare resultaten de opgelegde normen niet kunnen verantwoorden, dat er bijgevolg ook een schending van de motiveringsver- plichting is, dat gezien het feit dat de motivatie voor de strenge normen hoogstens zal kunnen blijken uit een nog op te maken studie, besloten moet worden dat het gaat om een motivering "a posteriori", dat de motivering thans niet aanwezig is, dat bijgevolg ook niet uit het bestreden besluit blijkt waarom thans reeds deze strenge normen worden opgelegd, dat het bestreden besluit immers bepaalt dat "het noodzakelijk is om voldoende meetgegevens te hebben en eventuele bijsturingen te kunnen doen voordat er conclusies kunnen getroffen worden", dat de vergunningver- lenende overheid over voldoende mogelijkheden beschikt om vergunningen desgevallend te wijzigen op basis van nieuwe inzichten, dan wel nieuwe technieken die op de markt komen en op dat moment kunnen worden beschouwd als de BBT, dat uit het bestreden besluit dan ook moet worden afgeleid dat er de facto aan de verzoekende partij een vergunning op proef overeenkomstig artikel 18 van het milieuvergunningsdecreet werd verleend en dit terwijl de aanvraag van de verzoekende partij is gebaseerd op artikel 45 van Vlarem I, dat het bovendien niet gerechtvaardigd is dat de verwerende partij reeds een beslissing oplegt aan de verzoekende partij tot het respecteren van bepaalde lozingsnormen wanneer men nog niet over alle nodige gegevens beschikt om een juist beeld te vormen van de concrete feitelijke situatie, dat een dergelijk manier van handelen ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt omwille van een gebrek aan een zorgvuldige voorbereiding van de beslissing, dat er ook sprake is van een schending van het redelijkheidsbeginsel, dat het opleggen van lozingsvoorwaarden, waarvan uit alle beschikbare studies blijkt dat deze niet haalbaar zijn, niet meer redelijk is, dat het opleggen van niet-haalbare lozingsvoorwaarden ook een schending is van het VII-37.050-29/36 realiteitsbeginsel, dat door lozingsvoorwaarden op te leggen die zowel technisch als economisch niet haalbaar zijn voor de verzoekende partij, de verwerende partij niet voldoet aan de regel van de uitvoerbaarheid van een opgelegde norm, dat noch het reductieprogramma ter uitvoering van de richtlijn 76/464/EEG noch het advies van de VMM bij het bestreden besluit zijn gevoegd, dat daarenboven aan het voornoem- de reductieprogramma geen enkele verbindende kracht kan worden gekoppeld, dat bijgevolg het legaliteitsbeginsel is geschonden; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat overeenk- omstig artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet bijzondere voorwaarden mogen worden opgelegd, dat uit het eerste middel is gebleken dat de opgelegde milieuver- gunningsvoorwaarden afdoende zijn gemotiveerd, dat de als bijzondere voorwaarde opgelegde bijkomende studie hoogstens tot bijsturingen kan leiden, dat het bestreden besluit reeds, in navolging van de studie van de NV ECOLAS en de daaromtrent uitgebrachte adviezen, bepaalde lozingsnormen kon opleggen, te meer daar de aanvullende studie in hoofdorde is gericht op een verdere verfijning van de studie van de NV ECOLAS, dat daaruit zal moeten blijken of de voorliggende aanvraag van de verzoekende partij overeenkomstig artikel 45 van Vlarem I, en met name enerzijds de vraag om de CZV-norm niet meer te behouden naast de TOC-norm, en anderzijds om onder meer de verstrengde norm voor de parameter EOX vanaf 1 juli 2008 te schrappen, op basis van deze studie mogelijk alsnog kan worden ingewil- ligd, dat uit artikel 2.3.6.1 van Vlarem II blijkt dat uitvoering moet worden gegeven aan de richtlijn 76/464/EEG; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord vaststelt dat door de verwerende partij niet wordt ingegaan op het argument dat eigenlijk een tijdelijke vergunning wordt verleend; dat zij stelt dat de verwerende partij omgekeerd te werk gaat, dat er strenge normen worden opgelegd, dat nadien wordt gevraagd een studie uit te voeren om na te gaan of deze strenge normen wel gehaald kunnen worden, dat er bijgevolg een vergunning op proef werd verleend, gezien er op het moment van het verlenen ervan een groot aantal onzekerheden bestaan, dat zij geen kennis heeft van een reductieprogramma waarnaar wordt verwezen in Vlarem II; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat het bestreden besluit lozingsvoorwaarden oplegt die er de facto toe leiden dat de vergunning kan worden gekwalificeerd als een vergunning op proef, dat het bestreden besluit namelijk lozingsvoorwaarden oplegt die ertoe leiden dat de VII-37.050-30/36 toegekende milieuvergunning slechts tijdelijk is, dat doordat de verwerende partij reeds strenge, niet-haalbare lozingsvoorwaarden oplegt zonder de resultaten van de in het bestreden besluit opgelegde nieuwe studie af te wachten, en hierdoor verplicht zal zijn de opgelegde lozingsvoorwaarden te wijzigen, de vergunning in feite een tijdelijke vergunning is; dat zij voorts stelt dat pas wanneer de resultaten van de studie beschikbaar zijn, en wanneer dit volgens de studie zou zijn aangewezen, strengere normen kunnen worden opgelegd, dat men bijgevolg eerst de minder strenge normen moet toepassen, en dat men pas indien uit de studies blijkt dat strengere normen noodzakelijk en haalbaar zijn, men deze kan aanpassen; dat de verzoekende partij ten slotte van oordeel is dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid waarom de verwerende partij heeft beslist om het "reductieprogram- ma" op het geval van de verzoekende partij toe te passen, dat het niet kan dat het reductieprogramma niet in bijlage bij het bestreden besluit wordt gevoegd of op een andere manier aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; 2.2.5. Overwegende dat artikel 18 van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat een vergunning op proef mag worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar; dat het wezenlijke van een proefvergunning hierin ligt dat zij slechts voor een relatief korte termijn wordt verleend, teneinde de milieueffecten van een inrichting te kunnen nagaan, alvorens eventueel een definitieve vergunning wordt verleend; dat de verwerende partij te dezen aan de voorwaarden van de vergunning heeft gesleuteld en niet aan de termijn die onverkort behouden blijft; dat artikel 18 van het milieuvergunningsdecreet niet is geschonden; dat artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet toelaat om bijzondere exploitatievoorwaarden op te leggen; dat derhalve niet valt in te zien hoe een versoepeling van de milieuvoorwaar- den een schending van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet met zich meebrengt; dat uit niets blijkt dat de voorschriften van artikel 45 van Vlarem I als zodanig, en inzonderheid wat betreft de te volgen procedure, zijn geschonden en dat de verzoekende partij dit ook niet aantoont; dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de door de verzoekende partij aangevoerde elementen, inzonderheid de studie van de NV ECOLAS; dat voornoemde studie ten volle bij de besluitvor- ming werd betrokken; dat de verwerende partij evenwel niet verplicht was deze studie over de gehele lijn bij te treden; dat zij ook nog met andere elementen rekening kon houden, niet in het minst met de adviezen van de adviesverlenende overheidsorganen; dat het de verwerende partij vrij staat bepaalde normen op te leggen in afwachting van de resultaten van een studie die wordt opgemaakt, en op basis waarvan de normen eventueel zullen worden bijgesteld; dat het niet kennelijk onredelijk is om strenge normen aan te houden in afwachting van de resultaten van VII-37.050-31/36 een studie waaruit desgevallend blijkt dat er redenen zijn om de strenge normen niet te behouden; dat met betrekking tot de haalbaarheid van de normen en de motivering hieromtrent kan worden verwezen naar het eerste middel; Overwegende dat artikel 2.3.6.1, §1, van Vlarem II luidt als volgt : "Overeenkomstig de Richtlijn 76/464/EEG kan een vergunning tot lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat enkel worden verleend met in acht name van de volgende voorwaarden: 1/ de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen als bedoeld in lijst I van bijlage 2C dient te worden beëindigd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit; 2/ de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen als bedoeld in lijst II van bijlage 2C dient te worden verminderd overeenkomstig de bepalin- gen van dit besluit; 3/ de toepassing van dit besluit mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de wateren direct of indirect toeneemt"; dat artikel 7 van de richtlijn 76/464/EEG is opgeheven bij artikel 13 van de richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, met ingang van 24 maart 2006; dat dit geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de Vlaamse regering, los van de richtlijn 76/464/EEG, op basis van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet milieuvoorwaarden die betrekking hebben op gevaarlijke stoffen die in het afvalwater voorkomen, kan vaststellen; dat de verwerende partij zich dan ook kon baseren op artikel 2.3.6.1 van Vlarem II; dat de verwerende partij zich bij het uitoefenen van haar appreciatiebevoegdheid kan laten leiden door beleidsrichtlijnen; dat het reductieprogramma ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn 76/464/EEG, waarnaar de verwerende partij zich richt, zelfs indien het geen bindende kracht zou hebben, minstens als een beleidsrichtlijn kan worden aanzien; dat het niet is vereist dat dit reductieprogramma bindende kracht heeft opdat de verwerende partij zich erop zou kunnen baseren; dat de verwerende partij dit reductieprogramma niet in bijlage bij het bestreden besluit moest voegen of op een andere manier aan de verzoekende partij ter kennis moest brengen; dat het immers niet nodig is de motieven van de motieven van een beslissing te geven; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel alsook van de motiveringsverplichting zoals voorgeschreven in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat het bestreden VII-37.050-32/36 besluit stelt dat "BZV 25 mg/l, CZV 125 mg/l en Ntot 20 mg/l opgelegd in eerste aanleg streefwaarden zijn gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel met andere bedrijven en op de gegevens van de NV INDAVER" en aldus de situatie van de verzoekende partij gelijkstelt met de situatie van andere bedrijven, en daarvoor geen enkele motivering wordt gegeven, terwijl het gelijkheidsbeginsel voorschrijft dat ongelijke toestanden ongelijk moeten worden behandeld en er ook een motivering moet worden gegeven waarom de verzoekende partij gelijk zou zijn aan andere bedrijven; dat zij stelt dat de grondwettelijke regels van de gelijkheid van de Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie uitsluiten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt gemaakt wanneer voor het criterium van onderscheid geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat, dat het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm, dat de toetsing van wetten en decreten op het objectieve karakter van het onderscheid, het adequaat karakter van de maatregelen ten aanzien van het nagestreefde doel en het bestaan van een redelijke verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel slaat, dat bijgevolg moet worden afgeleid dat ongelijke situaties ongelijk moeten worden behandeld indien het objectieve onderscheid tussen de verschillende situaties redelijkerwijze in verband staat met het wettig nagestreefde doel overeenkomstig het pertinentiecriterium, dat uit het bestreden besluit niet kan worden besloten dat de situatie van de verzoekende partij kan worden gelijkgesteld met andere bedrijven, te meer aangezien het bestreden besluit zelfs niet vermeldt met welke andere bedrijven de verzoekende partij moet worden gelijkgesteld, dat dit des te meer klemt aangezien uit de aanvraag van de verzoekende partij tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 45 van Vlarem I duidelijk blijkt dat de situatie van de verzoekende partij een specifieke situatie betreft dewelke een specifieke beoordeling noodwendig maakt, dat de Raad van State in het arrest nr. 19.671 van 31 mei 1979 de noodzaak dat de overheid zich op deskundige wijze moet voorlichten alvorens tot besluitvorming over te gaan onderlijnde, dat uit het zorgvuldigheidsbeginsel volgt dat een overheid zich zo goed mogelijk moet informeren alvorens een beslissing te nemen, dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de objectieve studies dewelke in het verleden werden overgemaakt, zonder in concreto feitelijk en rechtens juiste motieven aan te geven waaruit zou blijken dat deze objectieve studies niet konden worden gevolgd, dat het bestreden besluit daarenboven niet motiveert op grond van welke redenen de verzoekende partij zou moeten worden gelijkgesteld met andere bedrijven, te meer daar de bedrijven, waarnaar het bestreden besluit verwijst, niet in concreto worden opgesomd, dat bijgevolg ook de motiveringsverplichting is geschonden, dat VII-37.050-33/36 daarenboven een loutere vergelijking met andere bedrijven op zich niet kan volstaan om bepaalde milieuvergunningsvoorwaarden op te leggen, dat de milieuvergunningsaanvraag immers een individuele aanvraag is die telkens in het licht van de individuele en concrete gegevens moet worden beoordeeld, dat de verzoekende partij afval verwerkt waarvan de individuele samenstelling van elke lading verschillend is, dat alleen al de aard van de bedrijvigheid van de verzoekende partij maakt dat zij niet kan worden vergeleken met andere bedrijven, dat deze vergelijking nochtans een reden is om bepaalde lozingsvoorwaarden op te leggen, dat de motivering niet draagkrachtig is, dat het feit dat de verzoekende partij te vergelijken zou zijn met andere bedrijven niet kan volstaan als motief om lozingsvoorwaarden op te leggen; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de over- weging van het bestreden besluit waarin sprake is van het gelijkheidsbeginsel niet op zichzelf kan worden gelezen, dat de situatie van de verzoekende partij niet louter wordt gelijkgesteld met deze van andere bedrijven, gezien duidelijk wordt aangegeven dat vanaf 1 januari 2009 verstrengde lozingsnormen worden opgelegd die zijn gebaseerd op gegevens van de inrichting van de verzoekende partij, waarbij eveneens wordt verwezen naar gelijkwaardige streefwaarden in andere bedrijven, dat het middel van de verzoekende partij verkeerdelijk van het uitgangspunt vertrekt dat de verdere verstrenging van de lozingsnormen voor haar inrichting, vanaf 1 januari 2009, louter is gesteund op de situatie in andere bedrijven; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog stelt dat zij totaal in het ongewisse wordt gelaten omtrent de streefwaarden die ook in andere bedrijven zouden gelden, waardoor het voor haar onmogelijk is om te verifiëren of de bedrijven waarmee zij wordt vergeleken wel gelijkwaardig zijn, dat zij niet weet met welke bedrijven zij wordt vergeleken; 2.3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat zij in de mogelijkheid moet kunnen zijn om na te gaan of de bedrijven, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, wel degelijk vergelijkbare bedrijven zijn, dat de verwerende partij op zijn minst een verdere verduidelijking hieromtrent had moeten geven, dat zij niet opnieuw de motieven van de motieven eist, aangezien de verwerende partij in beginsel niet eens aantoont dat de vergelijking die zij met de andere bedrijven maakt opgaat, en het dus ook niet als een volwaardig argument kan worden beschouwd, dat de site van de verzoekende partij een geïntegreerde afvalverwerkingssite betreft, waar diverse VII-37.050-34/36 afvalverwerkingstechnieken naast elkaar op éénzelfde site worden geëxploiteerd, met name recyclage, verbranding, fysico-chemische verwerking en storten van afvalstoffen, dat juist die geïntegreerde opzet inzake afvalverwerking maakt dat de verzoekende partij niet kan worden vergeleken met andere bedrijven, ook niet inzake afvalverwerking; 2.3.5. Overwegende dat in het bestreden besluit wordt overwogen "dat BZV 25 mg/l, CZV 125 mg/l en Ntot 20 mg/l opgelegd in eerste aanleg streefwaarden zijn gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel met andere bedrijven, en op de gegevens van de NV Indaver"; dat het slechts één zin uit een globale motivering van het bestreden besluit betreft en dat die globale motivering slaat op de normen voor BZV, CZV en totaal stikstof; dat uit de overweging blijkt dat niet alleen een vergelijking met andere bedrijven heeft gespeeld, maar ook "de gegevens van de NV Indaver"; dat de opgelegde normen bijgevolg niet uitsluitend zijn gebaseerd op een vergelijking met andere bedrijven; dat het de verwerende partij niet verboden is om op algemene wijze de situatie van de verzoekende partij te vergelijken met die van andere bedrijven, en hieruit een algemeen motief te putten om bepaalde normen op te leggen; dat het de verwerende partij is toegestaan op algemene wijze te verwijzen naar normen die in het algemeen gelden voor bedrijven die vergelijkbaar zijn met dat van de verzoekende partij; dat er geen reden is om het tegendeel aan te nemen; dat uit de globale motivering van het bestreden besluit blijkt dat de inrichting van de verzoekende partij op een specifieke wijze werd beoordeeld, rekening houdend met de kenmerken van de inrichting, en inzonderheid van het afvalwater; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt artikel 2, punt 1) en 2), van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juni 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 1 maart 2007, houdende het wijzigen van de lozingsvoorwaarden opgelegd bij ministerieel besluit van 22 mei 2006 van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Haven 550, Poldervlietweg 5 te Antwerpen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, artikel 1 van de beroepen beslissing wordt gewijzigd en de beroepen beslissing voor het overige wordt bevestigd, in de mate dat vanaf 1 januari 2009 de EOX-norm wordt vastgesteld op 0,1 mg/l. VII-37.050-35/36 Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.050-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div