id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.322 Rolnummer: A. 190015/XII-5591 Zaak: Arrest 187322 - Diploma's - 23/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.322 van 23 oktober 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.322 van 23 oktober 2008 in de zaak A. 190.015/XII-
- In zake : Levan MANACHEROV, die woonplaats kiest bij advocaat N. Zeltzer, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Herentalsstraat 122 tegen : de VZW TACHKEMONI. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Levan Manacherov, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn ouders Manacher Manacherov en Djamila Isaeva-Manacherov, op 17 oktober 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 29 september 2008 waarbij de over hem delibererende klassenraad hem een oriënteringsattest B uitreikt met clausulering voor kantoor; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Johnson, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Vandermeersch, die loco advocaat H. Buyssens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, XII-5591-1\15 OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling in het tweede jaar van de tweede graad BSO Kantoor in het Tachkemoni Atheneum te Antwerpen. Zijn eindrapport vertoont jaartekorten voor Hebreeuws (48%), administratieve vorming (43%) en Frans (39%). Op 27 juni 2008 beslist de delibererende klassenraad om hem een oriënteringsattest B te geven met clausulering voor kantoor. 1.
- Na vruchteloos overleg met de directie tekenen de ouders van verzoeker op 1 juli 2008 beroep aan bij de beroepscommissie. In hun bezwaarschrift werken zij wezenlijk de volgende bezwaren uit : - de betwisting houdt nauw verband met de afwezigheid van verzoeker op de presentatie van een klasproject, - de afwezigheid van verzoeker was gewettigd door familiale omstandigheden (oogoperatie van de grootmoeder in het buitenland), - die afwezigheid was vooraf aangekondigd, - voor zijn afwezigheid wordt verzoeker meermaals, willekeurig en buitensporig gestraft; in het bijzonder is hem op zijn mei-rapport 20% afgetrokken op alle profane vakken, die sanctie is willekeurig en kleurt zijn eindresultaten, - verzoeker is herkansing via herexamens ontnomen in strijd met het schoolreglement, - verzoeker biedt aan het volgende jaar onder “contract” een begeleidingsplan te aanvaarden - verzoeker is gemotiveerd en wil in deze school verder aan de slag. Naderhand wordt blijkbaar de delibererende klassenraad opnieuw samengeroepen. 1.
- Op 29 augustus 2008 beslist de delibererende klassenraad het B- attest te handhaven. XII-5591-2\15 Verzoeker vordert van deze beslissing de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij arrest nr. 186.614 van 30 september 2008 wordt dit verzoek ingewilligd. 1.
- Naderhand blijkt dat het schoolbestuur reeds op 26 september 2008 opdracht had gegeven aan de delibererende klassenraad om een nieuwe beslissing te nemen. Op 29 september 2008 beslist de delibererende klassenraad dan met de thans bestreden beslissing om het B-attest te handhaven. Verzoeker ontvangt die beslissing op 2 oktober
- Nadien hebben verzoekers een onderhoud op de school, en richten zij opnieuw een bezwaarschrift aan de beroepscommissie. Die laat op 13 oktober 2008 aan de raadsman van verzoeker weten dat volgens het departement Onderwijs maar één maal in beroep kan worden gegaan en dat zij de zaak “dan ook gesloten” achten. De ontvankelijkheid van de vordering
- Op de terechtzitting merkt verwerende partij op dat het schoolbestuur het advies van de beroepscommissie niet is bijgevallen en op 20 oktober 2008 - dit is dus na het indienen van de voorliggende vordering - uitspraak heeft gedaan over het nieuwe beroep van verzoeker, door op gemotiveerde wijze te beslissen dat de delibererende klassenraad niet opnieuw moet worden samengeroepen. Zij werpt daarom op dat verzoeker niet de eindbeslissing in zijn zaak heeft aangevochten; bovendien zou volgens verwerende partij ook de er aan voorafgaande stap van het overleg niet correct zijn verlopen. Dit alles maakt volgens haar de vordering niet ontvankelijk. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XII-5591-3\15 De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Uiteenzetting van het eerste middel
- Verzoeker put een eerste middel uit de schending van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij overloopt de motieven die de delibererende klassenraad heeft aangehaald : - Hij was afwezig op het project Powerpoint om persoonlijke redenen, zodat er geen gebrek aan interesse uit kan worden afgeleid. De ouders van verzoeker hebben vooraf uitgelegd dat hij niet aanwezig kon zijn; hij had wel een goede medewerking verleend aan het project. - Dat verzoeker geen herkansing kreeg omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig waren is in strijd met de feitelijke gegevens van het dossier; in casu heeft de sanctie van 20% op alle profane vakken van het rapport van 30 mei 2008 zijn resultaten negatief beïnvloed. Het gaat wel degelijk om een sanctie; de punten van het project powerpoint maakten deel uit van het dagelijks werk voor rapport F
- - De klassenraad verwijst naar de algemene leerattitude, terwijl de leerhouding van verzoeker geen motivering is voor het feit waarom hij niet meer in de richting kantoor toegelaten kan worden. De beslissing mag niet op de algemene leerhouding worden gebaseerd, maar wel op de minimumdoelen op vlak van kennis, inzicht en vaardigheden. Bovendien is zijn leerhouding doorheen het jaar positief geëvolueerd. Verzoeker betoogt dat de lerarengroep een andere mening voorstaat blijkens de commentaren op de rapporten. Hij citeert enkele vermeldingen op twee rapporten, voor de vakken informatica, wiskunde, Nederlands, Engels en maatschappelijke vorming. XII-5591-4\15 - De stelling dat verzoeker wel goed presteerde en openbloeide tijdens alles wat niet gewoon les volgen was, is volledig in strijd met het dossier; hoe verklaart de delibererende klassenraad anders het feit dat hij voor wiskunde goed presteerde? - De commentaren op zijn rapporten spreken ook tegen dat een praktische richting hem beter ligt dan een theoretische richting. Volgens verzoeker is de gegeven motivering niet afdoende en geeft ze geen antwoord op de vraag waarom hem nu precies de richting kantoor ontzegd moet worden. De motivering is meer een disciplinaire beoordeling dan een studiebeoordeling. Beoordeling 5.
- De delibererende klassenraad stelt in de genotuleerde motivering vooreerst vast dat de jaartotalen van verzoeker voor drie vakken tekorten vertonen, met name voor Hebreeuws, administratieve vorming en Frans. Verder in de notulering wordt nog overwogen dat het vak administratieve vorming een hoofdvak is waarop in de derde graad wordt voortgebouwd. Met drie tekorten, waaronder een hoofdvak, komt verzoeker alleszins niet in aanmerking om automatisch aanspraak te kunnen maken op een A-attest en geslaagd te worden verklaard. 5.
- Verzoeker heeft gebruik gemaakt van het recht om de beslissing van de delibererende klassenraad, waarbij deze hem op grond van deze resultaten een B-attest gaf, te betwisten. Die beroepsprocedure voorziet in de mogelijkheid om een bezwaar bij een beroepscommissie aan te brengen, wat verzoeker ook heeft gedaan. Als de delibererende klassenraad dan opnieuw moet samen komen en vervolgens toch bij zijn oorspronkelijke beslissing blijft, dan mag verzoeker verwachten dat hij in de loop van de beroepsprocedure verneemt waarom zijn bezwaren niet tot een gunstiger resultaat kunnen leiden. Verzoeker is blijkens de door hem aangevoerde schending van de motiveringsplicht van mening dat zulks niet is gebeurd. 5.2.
- Volgens verzoeker kon hij niet aanwezig zijn op de powerpoint- presentatie om persoonlijke redenen, en heeft zijn afwezigheid geresulteerd in een sanctie die hem aanspraak zou doen maken op herexamens. XII-5591-5\15 De Raad van State stelt vooreerst vast dat de delibererende klassenraad over deze problematiek zeer concreet het volgende overweegt : “Wat betreft de afwezigheid van Levan op de presentatie van het project Powerpoint op 17.04.2008: Het Powerpointproject van 17.04.2008, waaraan de hele klas als team maandenlang had gewerkt, was een reeds lang voorbereide teamactiviteit. Het welslagen ervan hing af van de medewerking van alle leerlingen en tussen de klasgenoten heerste hierover grote zenuwachtigheid. De afwezigheid van Levan toont eens te meer zijn totaal gebrek aan interesse en betrokkenheid aan met de leerstof (zie infra). In tegenstelling tot wat de raadsman van Levan in zijn schriftelijk beroep dd. 01.07.2008 beweert, maar niet bewijst, was zijn afwezigheid op deze presentatie niet vooraf aangekondigd, laat staan aangevraagd, zoals het schoolreglement in art. 4.
- nochtans voorschrijft. Wel integendeel. Levan was reeds vanaf vrijdag 11.04.2008 afwezig. Vanaf maandag 14.04.2008 werd de familie MANACHEROV thuis opgebeld om te informeren naar de aanwezigheid van Levan op de presentatie van het project op donderdag 17.
- Op woensdag 16.04 is de moeder van Levan op uitdrukkelijk verzoek van de directie naar de school gekomen met de mededeling dat de grootmoeder in Israël ziek was en haar kleinkinderen wilde zien. Het vertrek naar Israël was echter pas voorzien voor vrijdag 18.04, zodat dit de aanwezigheid van Levan, op school op 17.04 geenszins in de weg stond. Het past op te merken dat donderdag 17.04 de laatste schooldag voor de Pessachvakantie was, zodat aangenomen mag worden dat Levan de Pessachvakantie gewoon met een week vervroegd heeft. D operatie van de grootmoeder was trouwens pas voor de week na Pessach gepland. Ten gevolge van zijn (ongewettigde) afwezigheid op 17.04 werd op het rapport van de 3de formatieve periode dd. 30.05.2008 op de resultaten van alle profane vakken 20% in mindering gebracht. Dat deze afwezigheid gevolgen had voor de quotering van alle profane vakken in de 3de formatieve periode, wordt eenvoudig verklaard door het gegeven dat al deze vakken aan bod kwamen in het project. Voor de helft bestond de quotering uit de schriftelijke voorbereiding, voor de andere helft uit de mondelinge presentatie dd. 17.04.
- Levan haalde nipt de helft op het schriftelijk deel omdat hij voor 5 van de 7 vakken onvolledig werk afleverde, zoals blijkt uit de bijlage aan het rapport dd 30.05.
- Voor de mondelijke presentatie konden evident geen punten toegekend worden. Bijgevolg is de herleiding van het totaal met 20% geen sanctie, doch een louter gevolg van onvoldoende resultaten”. Verzoeker geeft geen uitleg over de redenen van zijn afwezigheid vanaf 14 april 2008 tot de Pessachvakantie, terwijl het vertrek naar zijn grootmoeder pas voorzien was op 18 april
- Hij lijkt in zijn verzoekschrift de chronologie die de delibererende klassenraad geeft te willen tegenspreken, maar doet dat niet met concrete argumentatie of bewijskrachtige stukken. De Raad ziet niet dadelijk in hoe de delibererende klassenraad uit de aldus geschetste dagenlange afwezigheid niet zou vermogen af te leiden dat verzoeker niet voldoende bij het welslagen van het project was betrokken. XII-5591-6\15 Maar eigenlijk hoeft de Raad van State zelfs niet dieper in te gaan op dit specifieke dispuut tussen partijen. Immers, de klassenraad motiveert zijn beslissing vervolgens alzo : “Deze aftrok van 20% op het rapport van 30.05.02008 voor 7 van de 12 vakken heeft geen invloed gehad op de eindbeslissing van de delibererende klassenraad dd. 30.06.
- Vooreerst woog deze - 20% in het jaartotaal slechts voor 1/5de van 7/12 vakken door, d.w.z.- 4% voor 7/12 vakken. Zelfs abstractie makend van deze reductie hadden de jaarresultaten van Levan nog steeds 3 tekorten vertoond, nl. Administratie: 43% ipv 39%; Frans: 47% ipv 43% en Hebreeuws 48% (als Joods vak niet betrokken bij de reductie van -20%). Het tekort voor Frans wordt trouwens mede verklaard doordat Levan op het schriftelijk examen Frans dat n.a.v. de 1ste summatieve periode werd georganiseerd een nul behaalde wegens spieken. Door het bestaan van deze tekorten alleen wordt de beslissing van de klassenraad reeds afdoende gemotiveerd. De laatste strafstudie die Levan kreeg dateert van 14.04, m.a.w. van vóór de kwestieuze afwezigheid dd. 17.04, en kan er dus geen betrekking op hebben. De herkansing via herexamens is geen automatisme. De Circulaire S064 voorziet slechts in twee alternatieven: beëindiging van het leerjaar met vrucht, resulterend in een A-attest of een B-attest waarbij één of meerdere studierichtingen worden geclausuleerd, dan wel - tegenovergesteld - beëindiging van het leerjaar niet met vrucht, resulterend in een C-attest. Slechts in uitzonderlijke en individuele gevallen kan voorzien worden in een bijkomende proef, onder andere in de vorm van herexamens. De beslissing daartoe behoort tot de autonome bevoegdheid van de delibererende klassenraad (art 8.1.2 Circ. S064). De Circulaire S064 inzake de structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs voorziet immers dat de ‘klassenraad de leerling afdoende kent en weet wat hij waard is na hem gedurende een volledig schooljaar te hebben begeleid en geëvalueerd’ (art. 8.1.2.). In casu overweegt de klassenraad dat het niet aangewezen is om herexamens te organiseren in geval van 3 tekorten op de jaartotalen, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden van bvb. fraude, waardoor de behaalde resultaten niet als representatief kunnen worden beschouwd of (langdurige) ziekte tijdens of voorgaand aan de examenperiode, die de resultaten negatief beïnvloed hebben. Aangezien er in het geval van Levan geen enkele dergelijke omstandigheid voorligt, komt het niet gepast voor om herexamens te organiseren”. Deze passus leert de Raad van State prima facie dat verzoeker volgens de delibererende klassenraad hoe dan ook drie jaartekorten heeft, ook als abstractie wordt gemaakt van zijn wanprestatie op het powerpoint-project en de er uit resulterende reductie met 20% van de punten op het mei-rapport. In het inleidend verzoekschrift komt verzoeker er niet toe die vaststelling en dit motief tegen te spreken, laat staan het te weerleggen. De delibererende klassenraad heeft het ook bij het rechte eind, waar hij stelt dat “herexamens” geen automatisme zijn. Het is wanneer een delibererende klassenraad door bijzondere omstandigheden meent op het einde van XII-5591-7\15 het schooljaar toch niet over alle nuttige gegevens te beschikken om over het al dan niet slagen van de leerling oordeelkundig te beslissen, dat hij over de mogelijkheid beschikt om zijn beslissing uit te stellen en om de leerling, uitzonderlijk, bijkomende proeven te laten afleggen. Een voor de hand liggend voorbeeld, ter illustratie van dergelijke bijzondere omstandigheden, is de ziekte van de leerling gedurende een periode van het jaar of het overlijden van een naaste tijdens de examenperiode. Een uitgestelde proef kan, zo de delibererende klassenraad daar reden toe ziet, uitwijzen of een onverwacht zwak resultaat mogelijk door dergelijke externe factor is veroorzaakt veeleer dan door het inherente falen van de leerling. Zoals aan verzoeker in de bestreden beslissing is toegelicht, is het toestaan van uitgestelde proeven dan ook uitzondering en geen regel. In de regel beschikt een klassenraad integendeel over voldoende inzicht om zich over de prestaties van een leerling te buigen en om zelfs tegenvallende resultaten te duiden. In de voorliggende zaak lijkt de delibererende klassenraad zijn weigering om een uitgestelde proef op te leggen op deugdelijke motieven te steunen. 5.2.
- Een disciplinaire beoordeling mag inderdaad niet worden verward met een studiebeoordeling. Anderzijds dient een delibererende klassenraad wél overeenkomstig artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, zich bij het nemen van zijn beslissing te laten leiden door de concrete gegevens van het leerlingendossier. Naast de in punten uitgedrukte studieresultaten lijkt ook de algemene studiehouding een element van die studiebeoordeling te mogen zijn. Een studiehouding houdt geen verband met de tucht, zo lijkt, maar wel degelijk met de kwaliteiten van een leerling op vlak van kennisverwerving en vaardigheden. Mogelijk is de loutere studiehouding onvoldoende om een beslissing over het niet slagen van een leerling te ondersteunen, maar de Raad van State neemt vooralsnog aan dat een klassenraad vermag, bij een leerling waarbij drie jaartekorten zijn vastgesteld en dus ernstige vragen rijzen over zijn kennis en kunde, de studiehouding in zijn beslissing te laten meewegen om te overwegen of de leerling bekwaam is om een volgend jaar met enige kans op succes voort te zetten. Het enkele feit dat in de huidige zaak ook met de studiehouding van verzoeker rekening wordt gehouden, is dan ook op het eerste gezicht niet onwettig. XII-5591-8\15 Te dezen heeft de delibererende klassenraad specifiek het volgende genotuleerd over de studiehouding van verzoeker : “Bovendien wordt de beslissing tot toekenning van een B-attest tevens gedragen door de algemene leerattitude van Levan. Bij de beoordeling van het feit of de leerling de minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht en vaardigheid heeft bereikt, dient het totaalbeeld in ogenschouw genomen te worden. Doorheen het ganse schooljaar diende vastgesteld te worden dat er iets ernstig schortte aan de algemene leerhouding van Levan, die getuigde van een totale desinteresse voor de school in het algemeen en de richting Kantoor met een lessenpakket van 7u Administratie per week in het bijzonder (Administratie is een hoofdvak, waarop in de derde graad wordt voortgebouwd in de vakken Secretariaat en Boekhouden). Dit uitte zich onder meer in een opvallende graad van afwezigheid, meestal onwettig. Zo was hij 51 van de 269 halve lesdagen afwezig, wat een gemiddelde van 19% of 1 dag op 5 betekent. Tijdens de overige dagen kwam hij 39 maal te laat, niet enkele minuten, maar 1 of eerdere lesuren. Dit is een gemiddelde van 15%. Conform het schoolreglement krijgt iedere leerling die 10 maal te laat komt strafstudie. Ten gevolge van zijn veelvuldige laattijdigheid kreeg Levan gedurende het schooljaar tot 3 maal toe strafstudie en met name op 04/12/2007, 14/03/2008 en 14/04/
- Wanneer Levan wel aanwezig was, werd zijn houding gekenmerkt door totale desinteresse : hij had zelden of nooit zijn boeken en schriften bij, was tijdens de les bezig met andere dingen, noteerde niets, stoorde medeleerlingen, had zijn huistaken niet of onvolledig afgewerkt, de lessen niet gestudeerd, enz. Dit blijkt onder meer uit de commentaren en adviezen op de schoolrapporten van Levan, alsook uit de attituderapporten die doorheen het jaar bijgehouden worden. Ondanks alle inspanningen vanuit de school (commentaren en adviezen op de schoolrapporten, strafstudies, herhaalde gesprekken met leerkrachten en directrice, enz.) kon enkel maar vastgesteld worden dat Levan op geen enkel moment getoond heeft dat de richting Kantoor hem ook maar in het minst interesseerde. Uit het leerlingendossier van Levan blijkt dat zowel deze desinteresse als het spijbelgedrag zich ook tijdens de voorgaande schooljaren manifesteerde, maar toen was het lerarenkorps nog de mening toegedaan dat er nog beterschap inzat mits een strengere aanpak. Het past terzake te wijzen op de gobale teneur van het leerlingendossier van Levan, dat gekenmerkt wordt door een volgehouden en reeds jaren aanslepende laattijdigheid, afwezigheid en desinteresse voor de gekozen studierichting, zowel door Levan zelf als door zijn ouders, die doorheen de jaren weinig of geen betrokkenheid hebben getoond met de schoolverplichtingen van Levan. Tijdens het schooljaar 2006-2007 heeft deze problematiek trouwens geleid tot het afsluiten van 2 opeenvolgende contracten, een eerste dd. 11.10.2006 voor een periode van 3 maanden en een tweede dd. 04.12.2007 tot het einde van het schooljaar. Indien de toekomstperpectieven en toekomstplannen van Levan al op de helling zouden zijn gezet, dan is dit zeker niet toe te rekenen aan de school, doch aan de eigen nalatigheid van zowel Levan als zijn ouders. Het huidige voorstel van Levan om een begeleidingsplan te aanvaarden teneinde zijn gedrag en attitude te verbeteren komt dan ook onherroepelijk te laat: reeds in het voorgaande schooljaar 2006-2007 werden hem via zogenaamde ‘contracten’ bindende regels opgelegd omwille van dezelfde XII-5591-9\15 problematiek, doch kennelijk tevergeefs, gelet op het voortduren van de aangekaarte problemen in het schooljaar 2007-2008”. Verzoeker meent dat de stelling dat hij geen interesse toont niet correct is. Dit is een losse bewering, die verzoeker niet uitwerkt tenzij door te refereren aan enkele commentaren in zijn rapporten. Die commentaren gaan uit van individuele leerkrachten, overigens niet de leerkrachten van de vakken waarvoor hij heeft gefaald, terwijl de bestreden beslissing uitgaat van de delibererende klassenraad waarvan diezelfde leerkrachten ook deel uitmaken. Zij ontkrachten noch de behaalde tekorten, noch de feitelijke gegevens waarnaar de motivering verwijst met betrekking tot de uitzonderlijk hoge absentiegraad van verzoeker en zijn regelmatig laatkomen. De concreet beschreven studiehouding van verzoeker, zoals deze uit het leerlingendossier blijkt, mag op het eerste gezicht door de delibererende klassenraad rechtens in zijn beoordeling worden betrokken. 5.3.
- De Raad van State is vooralsnog van mening dat de door de delibererende klassenraad vastgestelde tekorten, de aard van die tekorten en de uit het dossier blijkende zwakke studiehouding van verzoeker vermogen te verantwoorden waarom hem een B-attest (en dus alleszins geen A-attest) wordt gegeven. Wat dan specifiek de clausulering voor kantoor betreft, meent de Raad van State dat de delibererende klassenraad dit in de eerste plaats steunt, en lijkt te mogen steunen, op de vaststelling dat een van de drie tekorten betrekking heeft op een hoofdvak waarop in de derde graad voortgebouwd wordt. Verzoeker ontkracht dit argument niet in zijn verzoekschrift. Naast de reeds hiervoor overgeschreven motieven, heeft de delibererende klassenraad de clausulering voorts genoegzaam toegelicht en onderbouwd aan de hand van de volgende motivering : “Tijdens het schooljaar 2007-2008 is evenwel gebleken dat Levan wél goed presteerde en openbloeide tijdens uitstappen, projecten, praktische activiteiten, kortom alles wat niet gewoon les volgen was. De behaalde resultaten, tezamen met de algemene leerattitude verantwoordden een C- attest, doch die keuze zou Levan niet ten goede komen: hij zit al één jaar achter en vertoont duidelijke tekenen van schoolmoeheid. De overgang naar de 3de graad is belangrijk, aangezien dit de afstudeerrichting bepaalt. Een C-attest zou Levan een aantal belangrijke kansen kunnen ontnemen. Levan heeft immers wel ondernemingszin: in de toekomst ziet hij zichzelf niet achter een bureau zitten of voor een baas werken, wel iets opbouwen (hotel, winkel, enz.). XII-5591-10\15 De beslissing om een B-attest toe te kennen met clausulering voor de richting Kantoor is dan ook een proactieve beslissing, met de individuele kwaliteiten van de leerling als voornaamste uitgangspunt. Conform artikel 9.
- van het schoolreglement adviseert de klassenraad te kiezen voor een minder theoretische en meer praktische richting. Indien hij het wenst, kan Levan dus overgaan naar het vijfde jaar in een meer praktische richting binnen het BSO-aanbod. Het volledige aanbod van BSO- richtingen bestaat uit volgende studiegebieden : [...] De volgende mogelijke studierichtingen BSO 3de graad komen zeker in aanmerking : - Decoratieve technieken • Etalage en standendecoratie • Publiciteit en illustratie • Publiciteitsgrafiek -Grafische communicatie en media • Drukken en afwerken • Drukvoorbereiding Indien Levan binnen het studiegebied ‘Handel’ wil blijven, heeft hij de volgende mogelijkheden : • Commerciële en sociale technieken • Verkoop Daarnaast is ook het volgen van deeltijds onderwijs zeker een optie: hierbij zou Levan de kennis die hij in theorie opdoet sneller in de praktijk kunnen brengen. Op die manier zou zijn interesse langer vastgehouden kunnen worden. Binnen het studiegebeid ‘Handel’ bestaan volgende Modulaire opleidingen : • Aanvuller • Administratief commercieel medewerker binnendienst • Boekhoudkundig medewerker • Gegevensinvoerder/Typist • Kassamedewerker • Receptiemedewerker • Secretariaatsmedewerker • Winkelbediende • Winkelhulp Indien Levan echt wenst in de theoretische richting Kantoor verder te gaan, staat het hem natuurlijk vrij het vierde jaar van de richting Kantoor over te doen”. 5.3.
- Verzoeker maakt herhaaldelijk gewag van een “positieve evolutie” waar geen rekening mee zou zijn gehouden. Hij preciseert echter niet voor welke vakken of welke punten, dan wel leerhouding-aspecten hij zich op een positieve evolutie steunt, noch legt hij uit waarom die evolutie zwaarder diende te wegen dan de vastgestelde tekorten en de negatieve leerhouding. Het rapport van de laatste formatieve periode vertoont negen tekorten, het rapport van de eerste summatieve periode vertoonde één tekort, dat van de laatste summatieve periode vermeldt twee tekorten. De losse bewering dat er een “positieve evolutie” is wordt dan wel voortdurend door verzoeker geponeerd, maar is alleszins niet evident. XII-5591-11\15 Nu de door de delibererende klassenraad in aanmerking genomen jaartekorten, in samenhang met het motief dat het tekort voor het hoofdvak administratieve vorming van belang is bij de beoordeling van de doorstroming naar een derde graad waar op dat vak wordt voortgebouwd én in samenhang met de deplorabele studiehouding van verzoeker prima facie volstaan als motief om aan verzoeker een B-attest met clausulering voor BSO kantoor te geven, worden die motieven niet onregelmatig louter door het feit dat de klassenraad niet formeel de punten van de andere vakken waarvoor verzoeker geslaagd is niet reproduceert in zijn beslissing. De tekorten zijnde wat ze zijn, valt het aan verzoeker toe, zo lijkt, aan te geven welke andere concrete gegevens van zijn dossier niet of onvoldoende door de klassenraad in ogenschouw zijn genomen en die een zodanig tegengewicht vormen voor de vastgestelde tekorten, dat zij een anders luidende beslissing mogelijk maken. In dit middel lijkt verzoeker daar niet aan toe te komen. De enkele vaststelling dat verzoeker een goede score behaalt voor het vak wiskunde lijkt alvast niet als argument te kunnen volstaan. Bovendien heeft hij deze grief niet in de beroepsprocedure aangebracht. In die omstandigheden kan de klassenraad niet worden verweten dat hij in de bestreden beslissing de andere resultaten van verzoeker niet uitdrukkelijk heeft vermeld. Dit levert in de gegeven omstandigheden niet het bewijs dat hij er geen rekening mee heeft gehouden. 5.3.
- Wat voorafgaat noopt tot de conclusie dat het middel niet ernstig is. Uiteenzetting van het tweede middel
- Als tweede middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Opnieuw refereert hij aan de commentaren in de rapporten van sommige leerkrachten. Volgens verzoeker vormen drie jaartekorten op zich geen reden om een B-attest te verlenen en valt het niet te verstaan dat de klassenraad zulks heeft gedaan binnen zijn weliswaar ruime beoordelingsvrijheid. Ook de louter willekeurige sanctie om in maart 20% af te trekken voor alle profane vakken bewijst de onredelijkheid van de beslissing. XII-5591-12\15 Beoordeling
- Hiervoor is reeds aangenomen dat de delibererende klassenraad heeft aangenomen, en mocht aannemen, dat het resultaat van verzoeker abstractie makend van de bedoelde sanctie van 20%, niet anders zou zijn. De Raad van State mag zich voorts niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examen- resultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoeker derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat verzoeker, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen. De door de delibererende klassenraad op het eerste gezicht afdoend gemotiveerde inschatting van de kennis en kunde van verzoeker vermag in rechte en in feite, zo lijkt, een beslissing om hem het bestreden B-attest te geven verantwoorden. Uiteenzetting van het derde middel
- Als derde middel voert verzoeker de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht en het fair-play beginsel, omdat het attest werd gegeven op basis van een motivering gesteund op een feitelijk niet correct gegeven dat een meer creatieve richting hem beter zou liggen, terwijl noch de criteria voor de basiskennis XII-5591-13\15 en -vaardigheden voor de richting kantoor kenbaar waren gemaakt, noch de deliberatiecriteria. De delibererende klassenraad focust zich mateloos op de leerhouding en brengt de positieve evolutie niet in rekening en hij maakt de basiscriteria niet kenbaar waaraan hij moet voldoen om de studierichting kantoor te volgen. Beoordeling
- Wanneer een leerling zoals verzoeker meerdere tekorten heeft, dan moet een delibererende klassenraad over het al dan niet slagen beraadslagen aan de hand van het concrete dossier van de leerling. Er is de Raad van State geen regel bekend - en verzoeker wijst er geen aan- die een delibererende klassenraad er toe verplicht om bij deze beoordeling van een individuele leerling vooraf bekendgemaakte deliberatiecriteria te hanteren. Mocht verzoeker evenwel met zijn middel zinspelen op de algemene verwachtingen en vereisten voor een leerling in de richting kantoor, dan bedenkt de Raad van State dat de eindtermen en de leerplannen wel kenbaar en bekend zijn. In het middel komt verzoeker er niet toe aan te geven waarom hij door middel van, of spijts, zijn drie tekorten wél de doelstellingen van de leerplannen heeft bereikt. Dat het attest werd gegeven op basis van het motief dat verzoeker een meer creatieve richting moet kiezen, mist feitelijke grondslag. Dit motief was vermeld in de oorspronkelijke beslissing van de delibererende klassenraad, maar is niet meer terug te vinden in de thans bestreden beslissing, die precies heeft willen rekening houden met de bezwaren van verzoeker. Overigens valt de kritiek in het middel grotendeels samen met het eerste en het tweede middel. Het middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-5591-14\15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5591-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.322 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.