← België

Arrest 187331 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.331 Rolnummer: A. 74681/IX-1688 Zaak: Arrest 187331 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.331 van 24 oktober 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.331 van 24 oktober 2008 in de zaak A. 74.681/IX-

  1. In zake : Nicole WULLEMAN, wonende te KOKSIJDE, Robert Vandammestraat 219 tegen : de Vlaamse Milieumaatschappij, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE - LEUVEN Industrieweg 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nicole WULLEMAN op 13 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 28 maart 1997 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij haar de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend; Gelet op het arrest nr. 182.453 van 28 april 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast wordt met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie door de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1688-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. COMPERNOLLE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat H.-K. CARÊME, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoekster ambtenaar bij de Vlaamse Milieumaatschappij, bekleed met de graad van hoofdtechnicus. Zij oefent de functie uit van medewerker bij de afdeling heffingen te Oostende. Een functiebeschrijving wordt door haar op 30 september 1996 goedgekeurd. 1.
  4. Op 7 februari 1997 heeft de verzoekster een evaluatiegesprek over het jaar 1996 met haar eerste evaluator. Het resultaat van dit gesprek leidt tot een evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator op 12 februari 1997 en mede- ondertekend door de tweede evaluator op 13 februari 1997, waarvan de einduitspraak luidt: “onvoldoende”. De verzoekster neemt op 27 februari 1997 kennis van dit verslag. Dezelfde dag stelt zij tegen de evaluatie beroep in bij de Raad van Beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen. In zijn advies van 20 maart 1997 stelt de raad van beroep vast dat de evaluatie niet gebeurd is in overeenstemming met het vigerende personeelsstatuut van de Vlaamse Milieumaatschappij, en evenmin in overeenstemming met het reeds toegepaste, maar nog niet bekrachtigde nieuwe personeelsstatuut, onder meer wat de evaluatieperiode betreft. Hij adviseert eenparig dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. IX-1688-2/8 Op 28 maart 1997 beslist de directieraad evenwel om aan de verzoekster toch de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekend schrijven van 16 april 1997 aan de verzoekster ter kennis gebracht. Over de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Wel heeft zij het administratief dossier neergelegd. Tevens heeft zij, na het aanvullend auditoraatsverslag, een (tweede) laatste memorie ingediend. Behoudens eventuele elementen die de openbare orde raken, kan de Raad van State geen rekening houden met argumenten ontwikkeld in die laatste memorie, die de verwerende partij reeds zinvol in een memorie van antwoord had kunnen aanvoeren. De verzoekster is immers niet in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op die argumenten te repliceren en de auditeur-verslaggever heeft er zich in zijn verslag evenmin over kunnen uitspreken. De betrokken laatste memorie wordt, voor zover zij elementen bevat die niet de openbare orde raken, enkel als inlichting in aanmerking genomen. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  6. De verwerende partij werpt in haar (tweede) laatste memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel en rechtstreeks belang in hoofde van de verzoekster. De verwerende partij stelt in de eerste plaats de vraag in hoeverre de verzoekster thans nog een belang kan doen gelden bij een beroep gericht tegen haar evaluatie over het jaar 1996, gelet op het feit dat zij nog steeds hoofdtechnicus bij de Vlaamse Milieumaatschappij is, en zij in niveau C de hoogste weddeschaal geniet die verbonden is aan de graad van hoofdtechnicus (C222). Vervolgens voert de verwerende partij aan dat de evaluatieverslagen met betrekking tot de jaren 1997 en 1998 weliswaar niet besluiten met een ongunstige eindvermelding, maar wel ongunstige vermeldingen bevatten. Volgens de verwerende partij kan uit die evaluatieverslagen worden afgeleid dat de evaluatie “onvoldoende” over het jaar 1996 kennelijk terecht was. IX-1688-3/8 Op de ongunstige vermeldingen in de evaluatieverslagen over de jaren 1997 en 1998 heeft de verzoekster niet gereageerd, zodat zij geacht moet worden daarin berust te hebben. De verwerende partij meent dat hieruit volgt dat de verzoekster thans dan geen actueel (moreel) belang meer kan laten gelden bij de nietigverklaring van de beslissing inzake de evaluatie over het jaar
  7. Voorts stelt de verwerende partij dat de directieraad zowel op 8 juni 1998 als op 28 juni 1999 beslist heeft om de verzoekster in haar functionele loopbaan te vertragen. Weliswaar zijn dat beslissingen die voor de verzoekster geen financiële gevolgen gehad hebben, omdat zij zich reeds op het einde van haar functionele loopbaan bevond. Het is echter een feit dat de verzoekster op die beslissingen geen opmerkingen heeft geformuleerd, en daartegen geen beroep heeft ingesteld, zodat zij geacht moet worden daarin berust te hebben. De verwerende partij meent dat de verzoekster aldus minstens impliciet erkend heeft dat deze loopbaanvertragingen en de daaraan ten grondslag liggende evaluatieverslagen over de jaren 1997 en 1998 terecht waren. Ook om deze reden heeft de verzoekster geen actueel (moreel) belang meer bij de nietigverklaring van de beslissing inzake de evaluatie over het jaar
  8. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoekster niet zou kunnen beweren dat zij een belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing met het oog op het verkrijgen van een bevordering door een overgang naar een hoger niveau, met name niveau A of B. De verzoekster heeft immers nooit deelgenomen aan de georganiseerde bevorderingsrondes, hoewel zij hiervan telkens in kennis werd gesteld. De bestreden beslissing blijkt aldus geen invloed gehad te hebben op het verdere verloop van de loopbaan van de verzoekster. Dit kan ook voor de toekomst niet het geval zijn, gelet op het thans geldende Vlaams Personeelsstatuut, waarin voor de mogelijkheid om bevorderd te worden enkel met het laatste evaluatiemoment rekening wordt gehouden. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoekster evenmin zou kunnen beweren dat zij een belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing met het oog op het verkrijgen van een overgang naar een hogere loonschaal. De verwerende partij herhaalt dat de verzoekster thans in niveau C reeds de hoogste loonschaal geniet die verbonden is aan de graad van hoofdtechnicus (C222). IX-1688-4/8 Ten slotte stelt de verwerende partij dat een evaluatie in beginsel geen eindbeslissing is, doch gevoerd wordt met het oog op een navolgende beslissing in het kader van een complexe administratieve rechtshandeling. Omdat te dezen enige navolgende beslissing, die in verband kan worden gebracht met de bestreden evaluatie, ontbreekt, heeft de verzoekster eens te meer geen rechtstreeks en actueel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. 3.2.
  9. De ontvankelijkheid van het annulatieberoep raakt de openbare orde en dient desgevallend ambtshalve onderzocht te worden. Er moet dan ook wel degelijk rekening gehouden worden met de door de verwerende partij in haar laatste memorie opgeworpen exceptie, ondanks haar verzuim een memorie van antwoord in te dienen. 3.2.
  10. In haar verzoekschrift stelt de verzoekster onder meer dat zij door de bestreden beslissing ernstig in haar beroepseer is aangetast. Dit door de verzoekster aangevoerd moreel nadeel volstaat om aan te nemen dat zij thans nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing. De evaluatie “onvoldoende” houdt immers een negatieve beoordeling in, die door de verzoekster als moreel krenkend kan worden ervaren. Het feit dat de verzoekster berust zou hebben in ongunstige vermeldingen in latere evaluatieverslagen, geen beroep heeft ingesteld tegen latere loopbaanvertragingen, niet heeft deelgenomen aan de georganiseerde bevorderingsrondes en thans de hoogste aan haar graad verbonden loonschaal geniet, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De exceptie kan in geen van haar onderdelen worden aangenomen. Over de gegrondheid van het beroep 4.
  11. De verzoekster roept onder meer een derde middel in, afgeleid uit de schending van “de richtlijnen van het bestaande personeelsstatuut”. De verzoekster verwijt aan de bestreden beslissing dat die betrekking heeft op de evaluatieperiode van 1 september 1996 tot 31 december 1996, terwijl het bestaande personeelsstatuut en de beslissing van de Vlaamse regering van 6 juni 1996 betreffende de lijst van gemeenschappelijke principes die door de IX-1688-5/8 Vlaamse overheidsinstellingen moeten worden gevolgd bij de aanpassing van hun personeelsstatuut voorzien in een langere evaluatieperiode. De verzoekster voert voorts aan dat de evaluatie, in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing vermeldt, niet eens de periode van 1 september 1996 tot 31 december 1996 beslaat, periode die op zich reeds te kort en strijdig met het personeelsstatuut is, aangezien zij de haar toegewezen nieuwe dienst pas op 15 oktober 1996 heeft aangevat. De bestreden evaluatie kan enkel betrekking hebben op de activiteiten van de verzoekster binnen deze dienst, zodat de evaluatieperiode in werkelijkheid slechts van 15 oktober 1996 tot 31 december 1996 liep. 4.
  12. Uit de wijze waarop de grief in het middel wordt geformuleerd, kan worden afgeleid dat de verzoekster de schending inroept van artikel VIII 15, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij en de regeling van de rechtspositie van het personeel. Die bepaling luidt als volgt: “De functioneringsevaluatie gebeurt jaarlijks. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december.” In het bestreden besluit beroept de directieraad zich op een aantal omstandigheden die zich “buiten de verantwoordelijkheid van de Vlaamse Milieumaatschappij” hebben voorgedaan en die tot gevolg hebben gehad dat “de evaluatieprocedure niet kon worden afgehandeld volgens het huidig personeelsstatuut en niet eerder dan (op) 1 september 1996 kon worden gestart”. Deze “omstandigheden” blijken een reeks beslissingen te zijn die de Vlaamse Milieumaatschappij heeft genomen met het oog op het organiseren van de eerste evaluaties, ter uitvoering van het personeelsstatuut dat is vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 12 juni
  13. Het gaat met name om het ontwikkelen van “een aantal personeelsbeheerinstrumenten”, in het bijzonder “functiebeschrijvingen, opleiding voor functioneringsgesprekken, opleiding tot evaluator, communicatie- acties met betrekking tot de veranderingen”. Aldus worden in het bestreden besluit de volgende maatregelen opgesomd: - de organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij in zes afdelingen, door de minister bekrachtigd op 21 december 1995; - de aanwijzing van de afdelingshoofden met ingang van 1 juli 1996, door de minister bekrachtigd op 13 juni 1996; IX-1688-6/8 - de organisatie van de afdelingen, door de directieraad goedgekeurd op 29 juli 1996; - de vaststelling van de lijst van de evaluatoren, door de directieraad goedgekeurd op 29 juli 1996; - de vaststelling van de dienstaanwijzing en de standplaats van de personeelsleden, bij besluit van de administrateur-generaal van 2 oktober 1996; - de opleiding in functioneringsgesprekken die voor leidinggevenden werden georganiseerd en de functioneringsgesprekken die plaatsvonden in 1995, de opleiding in planningsgesprekken die gedurende de maanden augustus en september 1996 voor de evaluatoren werd georganiseerd, en de informatiesessies die voor alle medewerkers werden georganiseerd. Noch de voormelde omstandigheden, noch de eveneens in het bestreden besluit gedane vaststelling dat de nieuwe organisatiestructuur van de Vlaamse Milieumaatschappij operationeel is geworden op 1 september 1996, kunnen verantwoorden dat aan de verzoekster een evaluatie werd toegekend voor een evaluatieperiode die slechts vier maanden bedraagt, terwijl het personeelsstatuut van de Vlaamse Milieumaatschappij in een evaluatieperiode voorziet gaande van 1 januari tot 31 december. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van 28 maart 1997 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij Nicole WULLEMAN de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1688-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1688-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.331 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.