id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.332 Rolnummer: A. 77938/IX-1106 Zaak: Arrest 187332 - Huisvesting - 24/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Fiche Arrest nr 187.332 van 24 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.332 van 24 oktober 2008 in de zaak A. 77.938/IX-
- In zake : Eddy GROENEN, wonende te MECHELEN, Kapellekensweg 2 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy GROENEN op 19 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 januari 1998 van de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen, waarbij de weigering van 20 oktober 1997 namens de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting om de tegemoetkoming in de last van de hypothecaire lening voor de renovatie van de woning van verzoeker voort te zetten, wordt behouden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1106-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op 15 juni 1994 dient verzoeker een aanvraag in bij de dienst Huisvesting van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen -hierna: ROHM- Antwerpen om overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 1993 houdende instelling van een tegemoetkoming in de last van hypothecaire leningen, aangegaan om een woning te bouwen, te kopen of te renoveren -hierna: het besluit van 3 februari 1993- een tegemoetkoming te verkrijgen in de last van de hypothecaire lening voor de renovatie van zijn woning. 1.
- Met een brief van 26 augustus 1994 wordt namens de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting aan verzoeker meegedeeld dat hij aan de voorwaarden voldoet om zulke tegemoet- koming te krijgen ten bedrage van 5.700 BEF per maand gedurende 36 maanden. IX-1106-2/7 1.
- Met een brief van 12 maart 1997 vraagt de dienst Huisvesting van de afdeling ROHM Antwerpen aan verzoeker om een aantal gegevens en documen- ten te bezorgen vóór 14 juni 1997, waaronder het aanslagbiljet van de personen- belasting voor het aanslagjaar 1996, teneinde na te gaan of de tegemoetkoming na het verstrijken van de periode van drie jaar ook de volgende drie jaar nog kan worden uitbetaald. 1.
- Met een brief van 5 juni 1997 maakt verzoeker een aantal documenten over aan de dienst Huisvesting, waaronder een getuigschrift van de hoofdcontroleur van de directe belastingen te Mechelen waaruit blijkt dat verzoeker internationaal ambtenaar is en geen personenbelasting verschuldigd was voor het aanslagjaar
- 1.
- Met een brief van 8 augustus 1997 deelt de dienst Huisvesting aan verzoeker mee dat, om na te gaan of hij nog langer in aanmerking komt voor de tegemoetkoming, het noodzakelijk is dat hij zijn reëel genoten inkomen bewijst. Er wordt gemeld dat hij te dien einde zijn loonfiche van het jaar 1995 kan voorleggen. 1.
- Met een brief van 8 september 1997 antwoordt verzoeker dat hij niet begrijpt waarom hij verzocht wordt zijn reëel inkomen mee te delen. Hij stelt dat de vergoedingen die hij als NAVO-ambtenaar ontvangt, evenals bepaalde roerende en onroerende inkomsten, een bijzonder fiscaal statuut hebben en bijgevolg niet moeten worden aangegeven in de personenbelasting. 1.
- Met een brief van 20 oktober 1997 deelt de dienst Huisvesting aan verzoeker mee dat de tegemoetkoming niet wordt voortgezet, omdat hij de gevraagde documenten, met name het bewijs van zijn reëel inkomen, niet binnen de gestelde termijn heeft toegezonden. 1.
- Met een brief van 17 november 1997 tekent verzoeker tegen die beslissing beroep aan bij de administratie ROHM te Brussel. Hij stelt dat hij aan alle wettelijke voorschriften heeft voldaan, nu hij met een brief van 5 juni 1997 onder meer een getuigschrift van het ministerie van Financiën heeft toegezonden waaruit blijkt dat er onvoldoende inkomsten waren om in de personenbelasting een aanslag te vestigen, hetgeen moet worden gelijkgesteld met een aanslagbiljet inzake de personenbelasting, en nu geen bepaling voorschrijft dat een ander inkomen dient te worden meegedeeld. IX-1106-3/7 1.
- Met een brief van 21 januari 1998 deelt de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid van de administratie ROHM aan verzoeker mee dat de weigering tot voortzetting van de tegemoetkoming definitief behouden blijft. Die beslissing is gemotiveerd als volgt : “De weigeringsgrond (wordt) niet weerlegd : in het besluit van de Vlaamse regering houdende instelling van een tegemoetkoming in de last van hypothe- caire leningen aangegaan om een woning te bouwen, te kopen of te renoveren is voorzien: Art.
- De tegemoetkoming wordt uitbetaald overeenkomstig de bepaling- en van artikel
- Vanaf het vierde jaar wordt ze slechts uitbetaald voor zover: 2/ het inkomen van het jaar dat volgt op de indieningsdatum niet meer dan 1.200.000 frank bedraagt; (te verhogen met 40.000 frank per kind ten laste) In artikel 1 - 6/ is inkomen bepaald als : het aan de personenbelasting onderworpen inkomen van de aanvrager, verminderd met 40.000 frank per persoon ten laste. Waar of aan wie de personenbelasting verschuldigd is, is niet vastgelegd. Uit uw inkomensgegevens zou kunnen blijken dat u personenbelasting verschuldigd bent aan een andere instantie dan de federale overheid. Derhalve is uw weigering om uw inkomensgegevens voor te leggen niet gerechtvaardigd, en is de weigering op basis van het niet voorleggen van de vereiste stukken terecht.” Over de bevoegdheid van de Raad van State
- Door het met het onderzoek belaste lid van het auditoraat wordt ambtshalve een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State opgeworpen. Volgens die exceptie wordt de in het besluit van 3 februari 1993 bedoelde tegemoetkoming in de last van hypothecaire leningen en de voortzetting ervan na drie jaar toegekend aan personen die aan de in dat besluit bepaalde voorwaarden voldoen. Het recht op een tegemoetkoming maakt aldus een subjectief recht uit. Op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet behoort het voorliggende geschil, dat betrekking heeft op dat subjectief recht, dan ook tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken, niet tot die van de Raad van State.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker zich in voorkomend geval te zullen neerleggen bij de vaststelling dat de Raad van State onbevoegd is, maar vraagt hij om de verwerende partij te verwijzen in de kosten, verhoogd met de passende intresten, aangezien het tot de plicht behoort van de overheid om aan de betrokkene de bevoegde beroepsinstantie mee te delen, terwijl te dezen noch de IX-1106-4/7 bestreden beslissing hiervan melding maakt, noch enige reactie ontvangen is naar aanleiding van zijn schrijven van 17 februari 1998 gericht aan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting waarin hij aangaf zich te zullen wenden tot de Raad van State. Voorts merkt verzoeker op dat de tegemoetkoming hem is geweigerd, niet op grond van precieze criteria bepaald in het besluit van 3 februari 1993, nu in zijn geval het overeenkomstig artikel 4, § 1, van dit besluit voor te leggen aanslagbiljet onbestaande is, maar wel op grond van andere criteria die door de overheid zijn geïnterpreteerd op een wijze die de discretionaire bevoegdheid schendt.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de criteria bepaald in het besluit van 3 februari 1993 wel degelijk van toepassing zijn op verzoeker en wijst zij erop dat zijn aanvraag is afgewezen omdat hij weigerde de gevraagde inkomensgegevens te verstrekken. Wat de procedurekosten betreft, stelt zij dat deze geheel ten laste dienen te worden gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld en dat het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt dat de burger geacht wordt zijn rechtspositie te kennen. Voorts merkt zij op dat het burgerlijk procesrecht van aanvullende aard is en slechts mag worden toegepast met inachtneming van het eigen karakter van de procesvoering voor de Raad van State en verwijst zij naar artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het besluit van 3 februari 1993, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, voorziet in de mogelijkheid om een tegemoetkoming te krijgen in de last van een hypothecaire lening gesloten met het oog op de renovatie van een woning. Wanneer zij betaalbaar is gesteld, wordt de helft van deze tegemoetkoming in maandelijkse schijven uitbetaald gedurende een periode van drie jaar. Het saldo wordt gedurende een nieuwe periode van drie jaar uitbetaald, eveneens nadat het eerst betaalbaar is gesteld.
- Met de bestreden beslissing wordt uitspraak gedaan over verzoekers aanspraak op de uitbetaling van het saldo van de tegemoetkoming vanaf het vierde jaar. Voormeld besluit van 3 februari 1993 bepaalt -artikel 2, 4/- dat “onder de voorwaarden van dit besluit” het Vlaamse Gewest een tegemoetkoming verleent in de last van een hypothecaire lening aangegaan met het oog op het renoveren van een woning. Overeenkomstig artikel 7, § 2, van dat besluit wordt de helft van die tegemoetkoming betaalbaar gesteld na de voorlegging van bepaalde bewijsstukken. Artikel 7, § 3, van het besluit bepaalt dat het saldo van die IX-1106-5/7 tegemoetkoming slechts betaalbaar kan worden gesteld als aan de “bijkomende voorwaarden” van hoofdstuk IV is voldaan en somt de documenten op die te dien einde moeten worden voorgelegd. Artikel 22 van het besluit bepaalt het bedrag van die tegemoetkoming, in functie van een aantal variabelen. Met het besluit wordt aldus ten voordele van de bedoelde leningnemer, benevens een recht op de uitbetaling van de helft van een welbepaald bedrag gedurende een periode van drie jaar, ook een recht op de uitbetaling van het saldo van dat bedrag vanaf het vierde jaar ingesteld, wanneer alle reglementair vastgestelde voorwaarden ter zake, bepaald in het besluit, vervuld zijn.
- De beoordeling van de voorwaarden die de betrokkene volgens het besluit van 3 februari 1993 moet vervullen, vereist geen discretionair optreden van het bestuur. Dat is ook niet het geval voor de vaststelling van het bedrag van de toe te kennen tegemoetkoming. Zulks betekent dan ook dat de rechter, bij wie de betaling van de tegemoetkoming waarop de betrokkene recht meent te hebben wordt gevorderd, kan uitmaken of deze de gestelde voorwaarden vervult -inzonderheid nagaan of de bewijsstukken tijdig zijn ingediend en of die bewijsstukken volstaan om het recht te doen ontstaan- en dat die rechter hierbij op autonome wijze die voorwaarden kan interpreteren, zonder dat hij daarbij het beoordelingsdomein van het bestuur betreedt.
- Verzoeker wijst geen bepaling aan die de Raad van State bevoegd maakt om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit de toepassing van het besluit van 3 februari
- Bijgevolg is, op grond van artikel 145 van de Grondwet, enkel de justitiële rechter bevoegd om de geschillen over de toekenning van de tegemoetkoming te behandelen.
- Gelet op het feit dat de verwerende partij niet heeft aangegeven bij welke rechter de verzoeker beroep kon instellen, past het haar in de kosten te verwijzen. IX-1106-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 24 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1106-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div