← België

Arrest 187374 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.374 Rolnummer: A. 111762/X-10613 Zaak: Arrest 187374 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:46 Fiche Arrest nr 187.374 van 27 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.374 van 27 oktober 2008 in de zaak A. 111.762/X-10.

  1. In zake :
  2. Noël HOUTHAEVE,
  3. Germain VANDENBERGHE, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  4. tussenkomende partijen :
  5. de stad MENEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39,
  6. de n.v. TEXTILES DE WITTE LIETAER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerlaan
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël HOUTHAEVE en Germain VANDENBERGHE op 19 oktober 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van de gemeenten Avelgem, Harelbeke, Kortrijk, Menen, Waregem, Wevelgem en Zwevegem, minstens “van de bestemmingswijziging van woongebied naar industriegebied in de gemeente Lauwe 29/5 en van een waterweg (Oude Leiearm) naar industriegebied”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 januari 2002 ingediend door de stad MENEN; X-10.613-1/12 Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 die de tussenkomst van de stad MENEN toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 februari 2002 ingediend door de n.v. TEXTILES DE WITTE LIETAER; Gelet op de beschikking van 27 februari 2002 die de tussenkomst van de n.v. TEXTILES DE WITTE LIETAER toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memories van de tussenkomende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaat B. VAN DORPE verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.613-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. De feiten 1.
  9. De tweede tussenkomende partij is eigenares van een ververij gelegen te Menen aan de Leiestraat/Koningin Astridlaan. 1.
  10. Het betrokken terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk grotendeels gelegen in woongebied. 1.3.
  11. Bij ’s Raads arrest nr. 47.232 van 5 mei 1994 wordt het besluit van 15 oktober 1986 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Menen waarbij aan de tweede tussenkomende partij vergunning wordt afgegeven voor het bouwen van een ververij op de percelen gelegen te Menen (deelgemeente Lauwe) aan de Leiestraat, en aldaar ten kadaster bekend sectie A, nrs. 213/x, 208/n, 215/w, 215/t, 213/y en 231/a2, vernietigd. De nietigverklaring is gesteund op de schending van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, meer bepaald op de onverenigbaarheid van de ververij met de gewestplanbestemming woongebied. 1.3.
  12. Bij ’s Raads arrest nr. 109.617 van 31 juli 2002 wordt het besluit van 8 juli 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij het bijzonder plan van aanleg nr. 15 “Leiestraat (Lauwe)” genaamd, van de gemeente Menen, wordt goedgekeurd, vernietigd. Dit bijzonder plan van aanleg bestemde het gedeelte van het betrokken gebied waarop de bestaande ververij is gelegen tot “zone voor industriële activiteiten - productie” en de er rond liggende gronden deels tot “zone voor industriële activiteiten - met bouwverbod”, deels tot “zone voor groenscherm”, deels tot “zone voor wonen met nabestemming groenscherm”, deels tot “zone voor voetgangers - en fietsersdoorgang - het jaagpad” en deels tot “zone voor waterzuivering”. De nietigverklaring is gesteund op de vaststelling dat niet werd aangetoond dat de door het gewestplan vastgestelde bestemming woongebied achterhaald is in de zin zoals bedoeld door artikel 14, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het Gecoördineerde Decreet), om desnoods van de voorschriften van het gewestplan te kunnen afwijken. X-10.613-3/12 1.3.
  13. Bij ’s Raads arrest nr. 143.660 van 26 april 2005 wordt het annulatieberoep van de verzoekers tegen het besluit van 9 november 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen waarbij aan de n.v. DE WITTE LIETAER de bouwvergunning wordt verleend tot “het bouwen van een ververij (regularisatiedossier)” te Menen, Koningin Astridlaan 48-50, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 215/y, wegens laattijdigheid verworpen. 1.3.
  14. Op voorstel van 25 november 1998 van de gemachtigde ambtenaar en met het akkoord van het college van burgemeester en schepenen betaalt de tweede tussenkomende partij voor het “bouwen ververij zonder geldige bouwvergunning” een transactiesom ten belope van 102.800 Belgische franken waardoor “de publieke vordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen (vervallen)” . 1.
  15. Bij besluit van 28 april 2000 stelt de Vlaamse regering een plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van onder meer de stad Menen, voorlopig vast. De voorgenomen wijziging heeft onder meer betrekking op het voormelde terrein en op een strook gelegen langs de Leie, die beiden als industriegebied ingekleurd worden. Als motivering voor de bestemmingswijziging voor de bedrijfsterreinen wordt in het besluit van de Vlaamse regering opgegeven dat het “dringende ruimtelijke problemen” betreft, waarbij wordt gesteld “dat deze bestemmingswijziging is ingegeven door economische overwegingen, met name het garanderen van de bedrijfsvoering van het bedrijf dat zich op de betrokken lokatie bevindt”, “dat de vestiging van het betrokken bedrijf dateert van vóór de vaststelling van het oorspronkelijke gewestplan Kortrijk in 1977; dat bij die vaststelling er duidelijk voor is geopteerd om de bestendiging van de vestiging van het betrokken bedrijf op de plek mogelijk te maken; dat inderdaad terreinen werden aangeduid als industriegebied terwijl ze volledig waren omgeven door woonzones”, “dat in 1986 het bedrijf een vergunning verkreeg voor vestiging van een activiteit als relatief beperkte uitbreiding in aanpalend nog grotendeels vrijliggend woongebied; dat die vergunning ook werd uitgevoerd”, “dat in 1994 de vergunning door de Raad van State werd vernietigd, met als motief de schaalgrootte en derhalve de onverenigbaarheid met een bestemming als woongebied”, “dat een BPA dat de beperkte uitbreiding van het bedrijf in de bewuste zone wou regelen, om gelijkaardige redenen werd vernietigd en dat met name werd aangevoerd dat X-10.613-4/12 dergelijke uitbreiding behoort tot wat op gewestplanniveau moet worden geregeld”, “dat niettemin de beperkte uitbreiding ruimtelijk verdedigbaar is; dat inderdaad een ruimtelijke afweging positief uitvalt voor een bestemmingswijziging naar industriegebied, rekening gehouden met de economische noden, met de lokatie en met de ontwikkelingsprincipes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen met betrekking tot bestaande bedrijven buiten eigenlijke bedrijventerreinen”, “dat de bewuste bestemmingswijziging dus inpasbaar is in de in artikel 1 van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening geformuleerde doelstelling van de ruimtelijke ordening”, en “dat de intekening van het industriegebied krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de inrichting van een interne bufferzone aan de rand van het industriegebied veronderstelt; dat door die verplichte inrichting van een bufferzone de scheiding van de bedrijfsactiviteit met de woonomgeving zal worden verzekerd”. Met betrekking tot de strook grond langs de Leie wordt in het besluit gesteld “dat het hier een oude Leiemeander betreft die echter ondertussen gedempt is”, en dat de scheiding met het in westelijke richting aangrenzende industriegebied “beter expliciet opgeheven wordt in functie van het functioneren van het bedrijventerrein” door het aanduiden van de strook als industrieterrein. 1.
  16. Tijdens het openbaar onderzoek worden tegen het ontwerp een aantal bezwaarschriften ingediend, onder andere door de verzoekers. Zij stellen daarin onder meer “dat de voorgestelde wijziging in strijd is met artikel 14, 4.5 van het gewestplannenbesluit dat de verplichting oplegt van de aanduiding en inrichting van een bufferzone tussen twee onverenigbare gebieden, in casu een gebied met milieuvervuilende industrie en een woonwijk, de in artikel 14, 4.5 van het koninklijk be(sl)uit van 28 december 1972 voorziene bufferzone vormt immers een afzonderlijk bestemmingsgebied van een gewestplan; hieraan is niet voldaan; we vragen daarom ook de intrekking van de voorgestelde wijziging”. 1.
  17. De gemeenteraad adviseert bij besluit van 15 december 2000 “de wijziging ter hoogte van het bedrijf De Witte Lietaer (...) gunstig”. 1.
  18. De bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen verleent op 21 december 2000 gunstig advies voor onder meer de voormelde wijziging in het ontwerpplan. X-10.613-5/12 1.
  19. De streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw in West-Vlaanderen (hierna: de regionale commissie) bevindt de bezwaren van de verzoekende partijen ongegrond en adviseert de wijzigingen te Lauwe-Menen op 15 februari 2001 gunstig op grond van de volgende overweging: “De Commissie is de mening toegedaan dat de beperkte uitbreiding van het industriegebied ter hoogte van het bedrijf De Witte Lietaer aan de Leie te Menen-Lauwe ruimtelijk mogelijk is, rekening houdende met de economische noden en de ontwikkelingsprincipes van bestaande bedrijven buiten eigenlijke bedrijventerreinen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV, p. 453)”. 1.
  20. De afdeling wetgeving van de Raad van State verleent op14 juni 2001 advies over het ontwerp van besluit. 1.
  21. Met het bestreden besluit van 6 juli 2001 stelt de Vlaamse regering de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk definitief vast. De betrokken terreinen behouden de voorziene bestemming als industriegebied. Met betrekking tot het gebied waar de tweede tussenkomende partij gevestigd is, bevat het besluit de volgende motivering: “Overwegende dat de bestemmingswijziging naar industriegebied in Lauwe ter hoogte van de Leie wordt doorgevoerd in functie van de bedrijfsvoering van het op die locatie gevestigde bedrijf; dat er bij de vaststelling van het oorspronkelijk gewestplan geopteerd is om dergelijke grootschalige bedrijfsvestiging binnen de woonkern van Lauwe als industriegebied te bestemmen; dat de nu als industriegebied bestemde gronden deel uitmaken van de bestaande bedrijfsvestiging; dat de bestendiging van het bedrijf om economische redenen verder gegarandeerd wordt; dat vanuit ruimtelijk oogpunt de verplaatsing ervan niet wenselijk is; dat de bestemmingswijziging beperkt is in omvang en geen wezenlijke verandering teweegbrengt inzake de impact van het bedrijf op de omliggende woonfunctie; dat een buffering van het bedrijf ten opzichte van de woonfunctie binnen de bestemming industriegebied gerealiseerd kan worden”.
  22. De ontvankelijkheid 2.1.
  23. De verwerende partij betoogt dat de verzoekers niet “aan(tonen) binnen een voldoende dichte straal bij de betrokken nieuwe industriegebieden te wonen, minstens is dit niet het geval voor wat betreft de oude Leiemeander”, de verzoekers geen belang hebben omdat het bestreden besluit niet hun “eigendom betreft”, “enig nadeel voortvloeiend uit de bestemmingswijziging niet vaststaand noch actueel is”, het belang van de verzoekers “louter hypothetisch” is omdat “de X-10.613-6/12 mogelijkheid dat hierdoor een vordering tot concreet rechtsherstel bij de burgerlijke en politionele rechtbank kan worden ingewilligd (...) geen ‘zeker belang’ (is)”, en de verzoekers geen belang hebben bij de nietigverklaring van het bestreden besluit in de mate dat het geen betrekking heeft op de industriegronden in Menen/Lauwe die op kaartblad 29/5 zijn aangeduid. 2.1.
  24. De verzoekers repliceren dat zij “voldoende belang” hebben omdat de nietigverklaring van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat “men de bestemming woongebied terug (moet) aanvaarden”, zij “dicht bij de gewijzigde zone” wonen, meer bepaald “aan de overkant van de straat”, voor het naar het recht vereiste belang het niet vereist is dat men eigenaar is van een perceel dat begrepen is in het bestreden besluit, het feit “dat er op huidig ogenblik nog geen daadwerkelijk rechtsherstel gevorderd werd bij de rechtbank” niet meebrengt “dat daarom er nog geen belang is bij de vernietiging” en “deze meander nog dicht genoeg ligt bij de woning van verzoekers”. 2.1.
  25. De verwerende partij betwist de bevindingen in het auditoraatsverslag, dat besluit tot de ongegrondheid van de exceptie, niet in de laatste memorie. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekers eigenaar zijn van de panden die zij bewonen aan de Leiestraat 72, respectievelijk 70A, deels palende aan en deels in de onmiddellijke omgeving van de terreinen van de tweede tussenkomende partij die in het bestreden besluit tot industriegebied bestemd worden. Het bestreden besluit heeft aldus effect op de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving van hun eigendom en woonomgeving. Hierdoor alleen al doen zij blijken van het rechtens vereiste belang “bij de vernietiging van de bestemmingswijziging van woongebied naar industriegebied in de gemeente Lauwe 29/5 en van een waterweg (Oude Leiearm) naar industriegebied”. 2.1.
  26. Het feit dat het beroep tot nietigverklaring van de regularisatievergunning van 9 november 1998 bij arrest nr. 143.660 van 26 april 2005 wegens laattijdigheid werd verworpen, heeft niet tot gevolg dat de verzoekers geen belang meer kunnen laten gelden bij de vernietiging van het bestreden besluit. Het gewijzigde gewestplan laat immers de mogelijkheid tot het verlenen van nieuwe vergunningen overeenkomstig de gewijzigde bestemming onverkort. 2.1.
  27. De exceptie wordt verworpen. X-10.613-7/12 2.2.
  28. De verwerende partij betwist in de laatste memorie het belang van de tweede verzoeker onder verwijzing naar een burgerlijke procedure die, blijkens later neergelegde stukken, geleid heeft tot het definitief geworden vonnis van 21 maart 2005 van de rechtbank van eerste aanleg van Kortrijk waarin de vordering van de tweede verzoeker en zijn echtgenote wegens schade/burenhinder onder meer tegen de verwerende partij op grond van verjaring werd verworpen en de vordering wegens overmatige burenhinder tegen de tweede tussenkomende partij deels werd ingewilligd. 2.2.
  29. Dit feitelijk gegeven op zich neemt het hiervoor aangenomen belang in hoofde van de tweede verzoeker bij de gedeeltelijke vernietiging van de gewestplanwijziging niet weg. 2.2.
  30. De exceptie wordt verworpen.
  31. Ten gronde 3.
  32. Standpunt van de partijen 3.1.
  33. Het tweede middel is genomen uit de schending van “art. 14 van het KB 28 december 1972, op zich en in samenhang met art. 1 van het Decreet Ruimtelijke Ordening 22 oktober 1996 (DRO) (...) het redelijkheidsbeginsel (...) art. 11 par. 2, 4 en par. 7 van het DRO (...) de motiveringsplicht” en machtsoverschrijding. De verzoekers betogen dat “als er dan toch voor een industriegebied gekozen wordt (...) er een overgangsgebied moet voorzien worden (...) in de zin van art. 14” van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna : Inrichtingsbesluit) als “overgangsgebied tussen industrie en wonen (...) aangezien de algemene bestemming industriegebied redelijkerwijze onverenigbaar is met de aanpalende bestemming woongebied”, er “nu eenmaal een vermoeden van onverenigbaarheid (is) tussen industriegebied en woongebied”, het te dezen om een “milieubelastende nijverheid” gaat hetgeen blijkt uit de verleende milieuvergunningen, de grootschaligheid van het bedrijf, de “grote hoeveelheden scheikundige producten (...) nodig om stoffen (...) te kleuren”, de aanwezige waterzuivering “wijst op het milieuonvriendelijk productieproces”, “in de beslissing (...) niet de gegevens (zijn) aangereikt die het tegendeel mogen doen aannemen en dus het vermoeden van onverenigbaarheid weerleggen”, en door “het ontbreken van X-10.613-8/12 buffering tussen de Leie en dit industriegebied (...) de valleifunctie aldaar verloren (gaat) over een lengte van minstens 150m” waardoor “er behalve landschappelijk, ook geen recreatieve buffer meer” is. Voorts stellen zij in een tweede onderdeel dat “er geen antwoord (is) gegeven op het ingediende bezwaar in verband hiermee, wat nochtans vereist is op grond van art. 11 van het DRO en het algemeen administratief beginsel dat beslissingen de feitelijke en juridische motieven moeten bevatten die haar verantwoorden”, zij “door de verwijzing naar het RSV blz. 453 (...) geen weerlegging ad hoc (zien) van hun bezwaren” door de regionale commissie, de overweging in het bestreden besluit “dat een buffering van het bedrijf ten opzichte van de woonfunctie binnen een bestemming industriegebied gerealiseerd kan worden (...) eensdeels naast de zaak is, en anderdeels feitelijk en juridisch niet haalbaar” omdat “de verwerende partij zich niet uitspreekt over het al dan niet nodig zijn van een externe bufferzone in de zin van art. 14 van het toepassingsbesluit” en omdat “er binnen het ingekleurde industriegebied geen voldoende ruimte is aan de kant van de straat om een (interne) bufferzone te realiseren”, en er blijkens de omzendbrief van 8 juli 1997 “nood (is) aan een interne bufferzone van minstens 50 meter, terwijl er aan de kant van de Leiestraat hooguit 15 meter beschikbaar is”. 3.1.
  34. De verwerende partij repliceert dat “het in deze aan de overheid (stond) om louter vast te stellen dat een bufferzone (in industriegebied) kan worden gerealiseerd, zonder dat hierop dieper diende te worden ingegaan”, in het bestreden besluit “wordt gesteld dat die ‘verplichte inrichting van een bufferzone’ de scheiding van de bedrijfsactiviteit met de woonomgeving zal verzekeren”, de regionale commissie niet verplicht is om “elk individueel bezwaarschrift op individuele wijze te beantwoorden” en uit het plan blijkt dat “het perfect mogelijk is om de bufferzone op het industriegebied zelf aan te brengen”. 3.1.
  35. De eerste tussenkomende partij repliceert dat artikel 14 van het Inrichtingsbesluit “de overheid niet verplicht een bufferzone te voorzien tussen een industriegebied en een woongebied”, te dezen de noodzaak daartoe wegvalt “gezien het industriegebied zelf een bufferzone omvat” en het “niet vereist is dat wordt geantwoord op alle argumenten van de klagers, mits wordt aangeduid waarop de bestemmingswijziging is gesteund”. 3.1.
  36. De tweede tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekers bij dit middel, en stelt dat “het oordelen over het al dan niet verenigbaar zijn met elkaar van verschillende bestemmingen (...) in de eerste plaats bij die X-10.613-9/12 bevoegde overheid (ligt)” en dat de overheid hierbij “geen rekening (diende) te houden met eventuele ‘ongemakken verbonden aan de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen’”, “in casu de overheid weldegelijk rekening (heeft) gehouden met artikel 1 DRO en dus ook met de stedenbouwkundige aspecten, esthetische aspecten en ordeningsaspecten, met inbegrip van de verplichte interne bufferzone”, de verzoekers toegeven dat het advies van de regionale commissie gemotiveerd is zodat zij zich niet kunnen beroepen op de schending van de uitdrukkelijke motiveringswet, “die motivering (...) relevant en afdoende (is), omdat daaruit blijkt dat verwerende partij tot het niet noodzakelijk zijn van een externe bufferzone heeft besloten”, “indien, zoals in casu, blijkt dat omwille van onder meer (de realisatie van) die interne bufferzone, de bestemmingen verenigbaar zijn met elkaar en er bijgevolg geen stedenbouwkundige functie, esthetische functie, ordeningsfunctie, sociale functie, enz. meer weggelegd is voor een externe bufferzone, dan kan de overheid volkomen rechtmatig beslissen tot het niet inkleuren van een externe bufferzone op het gewestplan”, en de genoemde omzendbrief slechts richtlijnen bevat voor de bepaling van de omvang van de bufferzone en overigens buiten toepassing moet worden gelaten “in zoverre die beperkingen zou toevoegen aan” artikel 7 van het Inrichtingsbesluit. 3.1.
  37. De verzoekers dupliceren dat de verwerende partij de interne bufferzone verwart met de “bufferzone art. 14”, het advies van de regionale commissie “een concreet of stedenbouwtechnisch antwoord (moet) zijn op ieder individueel bezwaar” terwijl dat advies “op zich een bijna lege doos” is, en de inrichting van een interne bufferzone van 50m onmogelijk is nu er “zelfs een huis temidden het nieuwe industriegebied (staat)” en “de beide bufferzones cumulatief (zijn)”. 3.1.
  38. In de laatste memorie betoogt de verwerende partij nog dat “het bestreden besluit wel degelijk, op basis van stedenbouwkundige en esthetische overwegingen, de mogelijke onverenigbaarheid van het industriegebied met de omliggende bestemmingsgebieden beoordeelde, en motiveerde waarom er in deze geen afzonderlijke bufferzones, overeenkomstig artikel 14 van het (Inrichtingsbesluit) noodzakelijk waren” en dat “de bevoegde overheid (...) binnen haar ruime discretionaire bevoegdheid immers (oordeelde) dat gezien de bestaande toestand en de concrete omstandigheden aldaar, en gezien de verhouding en verenigbaarheid tussen het woongebied en het industriegebied, het in het kader van X-10.613-10/12 de wijziging van het gewestplan volstond om slechts binnen de grenzen van het industriegebied een bufferzone te creëren en aan te leggen”. 3.
  39. Beoordeling 3.2.
  40. De wettelijke verplichting om het voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en de resultaten ervan voor advies aan de regionale commissie van advies voor te leggen, brengt mee dat de regionale commissie van advies kennis moet nemen van de tijdens dat openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde bezwaren en opmerkingen, en deze moet onderzoeken en beoordelen. Deze werkwijze vereist dat uit het advies van de regionale commissie van advies voor de bezwaarindiener op begrijpelijke wijze blijkt waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. 3.2.
  41. De verzoekers voeren terecht aan dat uit het advies van de regionale commissie dat tegelijk een antwoord vormt op hun bezwaren, niet op een concrete en begrijpelijke wijze blijkt waarom hun bezwaren ongegrond werden verklaard. De regionale commissie rept met geen woord over deze bezwaren. De regionale commissie heeft derhalve de bezwaren van de verzoekers niet onderzocht en beoordeeld zoals dit wordt vereist in artikel 11, § 4 van het Gecoördineerde Decreet. 3.2.
  42. De verwerende partij heeft door de overweging “dat een buffering van het bedrijf ten opzichte van de woonfunctie binnen de bestemming industriegebied gerealiseerd kan worden” louter nog voorzien in een facultatieve inrichting van een bufferzone binnen dat betrokken gebied terwijl het ontwerpplan de “scheiding van de bedrijfsactiviteit met de woonomgeving” nog verzekerde door “de inrichting van een interne bufferzone aan de rand van het industriegebied”. Het bestreden besluit biedt aldus evenmin een concreet en begrijpelijk antwoord op de bezwaren van de verzoekers die handelden over de noodzaak van een bufferzone als bedoeld in artikel 14.4.5 en te onderscheiden van de bufferzone als bedoeld in artikel 7.2.0 van het Inrichtingsbesluit. 3.2.
  43. Het tweede middel is in die mate gegrond. X-10.613-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  44. Vernietigd wordt het besluit van 6 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Kortrijk op het grondgebied van de gemeenten Avelgem, Harelbeke, Kortrijk, Menen, Waregem, Wevelgem en Zwevegem, in zoverre het de bestemming van woongebied naar industriegebied en van een waterweg (Oude Leiearm) naar industriegebied in de gemeente Lauwe (kaartblad 29/5) wijzigt. Artikel
  45. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  46. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.613-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.