← België

Arrest 187388 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 27/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.388 Rolnummer: A. 78335/IX-1134 Zaak: Arrest 187388 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 27/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:46 Fiche Arrest nr 187.388 van 27 oktober 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.388 van 27 oktober 2008 in de zaak A. 78.335/IX-

  1. In zake : Louis VANKRUNKELSVEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. BLANCKE, kantoor houdende te TERVUREN, Puttestraat 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VANKRUNKELSVEN op 20 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 februari 1998 van de Minister van Landbouw en de Kleine en Middel- grote Ondernemingen waarbij hij als aangenomen dierenarts wordt geschorst voor een periode van één jaar met ingang van 17 februari 1998; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 5 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-1134-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. VASTERSAVENDTS die, loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. De verzoeker is bij ministerieel besluit van 6 september 1972 aangesteld als aangenomen dierenarts bij de veterinaire dienst van het Ministerie van Landbouw. 1.
  3. Op 11 april 1996 moet de verzoeker in zijn functie van aangeno- men dierenarts op een landbouwbedrijf te Scherpenheuvel bloedstalen afnemen van runderen die bestemd zijn voor uitvoer naar Nederland. 38 bloedstalen worden voor analyse overgemaakt aan het bevoegde laboratorium te Lier. Het begeleidende document vermeldt slechts de werknummers van 37 runderen. Eén bloedstaal is dus niet geïdentificeerd. De uitslag van de analyse van de bloedstalen toont aan dat vier runderen positief testen voor brucellose. Opmerkelijk is dat voor deze vier dieren de uitslag van de bloedanalyse identiek is. Een daaropvolgend bloedgroeponderzoek in een laboratorium te Malle wijst uit dat de vier bloedstalen zeer waarschijnlijk van eenzelfde rund afkomstig zijn. De gecontroleerde runderen, die reeds zijn uitgevoerd vooraleer de uitslag van het bloedonderzoek beschikbaar is, worden in Nederland opnieuw onderzocht. De bloedanalyse die daar gebeurt, wijst uit dat vier andere dieren positief zijn voor brucellose. IX-1134-2/14 1.
  4. Met een brief van 7 mei 1996 vraagt inspecteur-dierenarts De Wit van de veterinaire dienst van het Ministerie van Middenstand en Landbouw aan de verzoeker een schriftelijke verklaring voor “deze merkwaardig[e] ‘natuurverschijn- selen’”. 1.
  5. De verzoeker legt in een brief van 11 mei 1996 aan de inspecteur- dierenarts uit hoe hij de afname van bloedstalen op 11 april 1996 heeft uitgevoerd. Hij vermeldt dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten onderbreken, omdat hij dringend werd weggeroepen, en dat hij de bloedafname een uurtje later heeft aangevat. Ondertussen waren blijkbaar enkele dieren verplaatst, zodat de volgorde van de dieren die hij vóór zijn vertrek had vastgelegd, niet meer bestond. In vertrouwen heeft hij de doos met bloedstalen op het bedrijf gelaten, opdat ze op maandagmorgen tijdig naar het laboratorium te Lier zou kunnen worden gebracht. Het niet-geïdentificeerde 38ste bloedstaal is afkomstig van een dier dat op het ogenblik van de bloedafname wel degelijk aanwezig was, maar waarvan nog geen kaart beschikbaar was. De eigenaar diende het identificatienummer in te vullen zodra de kaart ter plaatse was, zo niet diende hij het afgenomen bloedstaal weg te gooien. 1.
  6. De inspecteur-dierenarts deelt met een brief van 30 augustus 1996 aan de verzoeker mede dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat hij “niet elk dier individueel bemonsterde om te voldoen aan de opgelegde onderzoeken bij export” en dat “de identificatie der dieren op het analyse bulletin, niet overeen[stemde] met de desbetreffende dieren/bloedstalen”. De inspecteur-dierenarts vraagt aan de verzoeker, overeenkomstig artikel 22 van het koninklijk besluit van 15 maart 1926 houdende inrichtings- reglement van de Diergeneeskundige Dienst, om zich vóór 10 september 1996 schriftelijk te verantwoorden. Hij maakt tevens melding van de mogelijkheid om het dossier in zijn bureel te raadplegen. 1.
  7. De verzoeker zet in een brief van 6 september 1996 aan de inspecteur-dierenarts nogmaals uiteen hoe hij bij de afname van de bloedstalen heeft gehandeld. Hij schrijft de merkwaardige resultaten van de bloedanalyse toe aan het feit dat ofwel één of meerdere runderen los waren geraakt en af en toe van plaats veranderden, terwijl hij buiten de stal de buisjes vulde en in een doos plaatste, ofwel daarna met de stalen werd “gesjoemeld”. IX-1134-3/14 1.
  8. Met een brief van 9 september 1997 aan de verzoeker herhaalt de inspecteur-generaal van de juridische dienst van het Ministerie van Middenstand en Landbouw dat “[e]en en ander laat vermoeden dat [de verzoeker] niet van alle dieren afzonderlijk een bloedstaal heeft genomen en dat de stalen niet overeenstemden met de genoteerde dieren”. De inspecteur-generaal stelt dat de verzoeker aldus heeft gehandeld in strijd met artikel 43 van het koninklijk besluit van 6 december 1978 betreffende de bestrijding van de runderbrucellose en artikel 3, § 1, 1/, van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de veterinaire en zoötechnische controles die van toepassing zijn op het intracommunautaire handelsverkeer van sommige levende dieren en producten. Met verwijzing naar artikel 22 van het koninklijk besluit van 15 maart 1926 houdende inrichtingsreglement van de Diergeneeskundige Dienst vraagt de inspecteur-generaal aan de verzoeker nogmaals een schriftelijke verantwoording. De verzoeker dient tevens mede te delen of hij zich mondeling wenst te verdedigen. 1.
  9. De verzoeker antwoordt met een brief van 14 september
  10. Hij betwist dat hij met de bloedstalen van eenzelfde rund meerdere buisjes heeft gevuld en meent dat wanneer dat toch het geval zou geweest zijn, dit per ongeluk moet zijn gebeurd. 1.
  11. De inspecteur-generaal stelt de verzoeker met een brief van 2 oktober 1997 ervan in kennis dat hij op de juridische dienst zal worden gehoord en dat hij zich bij die gelegenheid kan laten bijstaan door een raadsman en inzage van het dossier kan krijgen. 1.
  12. Op 21 november 1997 wordt de verzoeker gehoord. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld dat door de verzoeker zonder opmerkingen wordt ondertekend. 1.
  13. Op 2 februari 1998 neemt de Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen het thans bestreden besluit, waarbij de verzoeker met ingang van 17 februari 1998 als aangenomen dierenarts gedurende één jaar wordt geschorst. IX-1134-4/14 Dit besluit steunt, benevens op de aanhaling van de toepasselijke reglementaire bepalingen en de vermelding van de voorafgaande procedure- handelingen, in het bijzonder op de volgende motieven: “[...] Gelet op het dossier waaruit blijkt dat Dr. VAN KRUNKELSVEN volgende overtredingen heeft begaan; Bij onderzoek van een lot dieren bestemd voor de uitvoer werd niet van elk dier individueel een bloedstaal genomen en gebeurde de identificatie op een onvolledige en slordige wijze; [...] Overwegende dat Dr. VAN KRUNKELSVEN ontkent opzettelijk bloedstalen te hebben ontdubbeld; dat hij evenwel de verschillende uitslagen van 2 opeenvolgende bloedonderzoeken bij dezelfde dieren niet betwist maar dat hij hiervoor geen verklaring kan geven; dat hij niet betwist dat de identifica- tie van de dieren niet correct is gebeurd; Overwegende dat een aangenomen dierenarts de hem opgelegde taken nauwgezet dient uit te voeren en hiervoor verantwoordelijk is; Overwegende dat door dergelijke slordige handelwijze de dierziekten- bestrijding in het gedrang wordt gebracht; Overwegende dat de voorgestelde tuchtmaatregel in overeenstemming is met de vastgestelde feiten; [...]” 1.
  14. Volgens de verzoeker is dit besluit hem met een brief van 17 februari 1998 betekend. Over de grond van de zaak 2.1.
  15. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen, de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht, alsook de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag. Hij zet uiteen dat een tuchtsanctie slechts kan worden opgelegd voor feiten waarvan het bestaan op een behoorlijke wijze is vastgesteld. Te dezen werd de tuchtprocedure tegen hem ingeleid op grond van twee tenlasteleggingen: vooreerst zou hij niet van elk dier individueel een bloedstaal hebben afgenomen; voorts zou hij de betrokken runderen onvolledig en slordig hebben geïdentificeerd. De verzoeker betwist niet dat hij de runderen niet correct heeft geïdentificeerd, met dien verstande dat hij dat niet opzettelijk of bewust heeft gedaan, maar hij ontkent wel dat hij bloedstalen zou hebben ontdubbeld. Hij heeft het vermoeden uit- gesproken dat de ontdubbeling in het labo is gebeurd. De aanvankelijk meegedeelde resultaten van het bloedonderzoek in het laboratorium te Lier (één zwaar positief IX-1134-5/14 dier en drie licht positieve dieren) en in Nederland (één zwaar positief dier) wezen volgens hem in die richting. Indien hij één bloedstaal tot vier stalen zou hebben ontdubbeld, dan zou hij daarvoor toevallig het enige zwaar positieve rund uit een groep van 38 hebben gekozen en zou dit normaal hebben geleid tot een aantal licht positieve resultaten, naast vier zwaar positieve resultaten. Een ontdubbeling van het bloedstaal van het zwaar positieve dier naar de drie licht positieve dieren zou met zich hebben gebracht dat er geen licht positieve resultaten waren. De verzoeker stelt bovendien geen motief te hebben gehad om een zwaar positief bloedstaal te ontdubbelen, terwijl dit voor het laboratorium te Lier wel het geval was, aangezien het verkeerde inlichtingen had verstrekt die tot het transport van de dieren naar Nederland hadden geleid. Hij besluit dat, wat de tenlastelegging van de ontdubbeling van bloedstalen betreft, de in aanmerking genomen feiten onjuist zijn en onzorg- vuldig werden onderzocht. De verzoeker laat tevens gelden dat het bestreden besluit zijn verweer niet correct weergeeft en niet afdoende beantwoordt. Het is immers niet zo dat hij heeft ontkend de bloedstalen opzettelijk te hebben ontdubbeld. Wel heeft hij het feit van de ontdubbeling als zodanig ontkend. Hij gaf tevens een verklaring voor de verschillende uitslagen van de opeenvolgende bloedonderzoeken, maar de motivering van het bestreden besluit maakt niet duidelijk waarom zijn verweer terzijde wordt geschoven. Het bestreden besluit verantwoordt niet waarom de ontdubbeling van bloedstalen aan de verzoeker ten laste wordt gelegd en evenmin waarom het onopzettelijke karakter van de onjuiste identificatie van de runderen niet in aanmerking wordt genomen. Het argument dat een aangenomen dierenarts zijn taken nauwgezet moet uitvoeren en ervoor verantwoordelijk is, volstaat niet. 2.1.
  16. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat de uitslag van het bloedonderzoek uitwijst dat er bloedstalen werden ontdubbeld. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de aangenomen dierenarts die de stalen afneemt en onder zijn verantwoordelijkheid in het laboratorium laat toekomen. Indien de verzoeker vervalsing in het laboratorium niet uitsloot, had hij onmiddellijk een klacht moeten indienen. Alles wijst er echter op dat hij die versie pas achteraf heeft opgedist om zijn verantwoordelijkheid af te schuiven. Wat het beweerde niet ten volle in aanmerking nemen van verzoekers verweer betreft, wijst de verwerende partij erop dat betrokkene geen bemerkingen heeft gemaakt bij de voorlezing van de genoteerde versie van zijn verweer tijdens de hoorzitting, noch bij de ondertekening van de getypte versie IX-1134-6/14 daarvan nadien. Volgens haar betekent dit dat de verzoeker met de weergave van zijn verweer akkoord ging en verder geen verklaringen wenste af te leggen. Ten slotte laat de verwerende partij gelden dat het bestreden besluit niet naar enig opzet verwijst, maar wel naar de verantwoordelijkheid van de verzoeker die de hem opgelegde taken minstens zeer slordig heeft uitgevoerd. Overigens vereist het koninklijk besluit van 15 maart 1926 houdende inrichtings- reglement van de Diergeneeskundige Dienst niet dat enig opzet wordt bewezen vooraleer een tuchtsanctie kan worden opgelegd. 2.1.
  17. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij klaarblijkelijk erkent dat hij op een mogelijke fout of vervalsing in het laboratorium heeft gewezen. Aldus is de gegrondheid van het eerste middel volgens de verzoeker aangetoond. Zijn verweer wordt in het bestreden besluit immers ten onrechte herleid tot een ontkenning van een opzettelijke ontdubbeling van bloedstalen. A fortiori werd de mogelijkheid van een ontdubbeling van bloedstalen in het laboratorium niet eens onderzocht. De desbetreffende tenlastelegging kan dan ook niet bewezen worden geacht. Vermits een dierenarts niet verantwoordelijk is voor hetgeen in het laboratorium gebeurt, kan hem bovendien niet worden verweten dat hij geen klacht heeft ingediend. 2.1.
  18. De verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat de analyseresultaten aantonen dat een ontdubbeling door zijn toedoen uitgesloten is: zowel de mondeling meegedeelde uitslag als de resultaten in Nederland toonden slechts één zwaar positief resultaat, naast drie licht positieve, terwijl de uiteindelijke analyseresultaten van het laboratorium te Lier vier zwaar positieve resultaten van éénzelfde dier bevatten. 2.1.
  19. In het aangevoerde middel kunnen in essentie twee onderdelen worden onderscheiden: eensdeels acht de verzoeker niet bewezen dat hij één of meer van de afgenomen bloedstalen zou hebben ontdubbeld; anderdeels is hij van oordeel dat het bestreden besluit geen afdoende antwoord geeft op zijn verweer. Aan de verzoeker wordt door het bestreden besluit ten laste gelegd dat hij bij het onderzoek van een lot dieren bestemd voor uitvoer, niet van elk dier afzonderlijk een bloedstaal heeft afgenomen en de dieren op een onvolledige en slordige wijze heeft geïdentificeerd. IX-1134-7/14 Het komt niet aan de Raad van State toe, wanneer hij moet oordelen over een beroep tot nietigverklaring van een tuchtmaatregel, om zelf een onderzoek te voeren naar het bewijs van de aan de betrokkene ten laste gelegde tuchtfeiten en uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van die feiten moet worden beschouwd. Wel kan hij nagaan of de tuchtoverheid op basis van de haar voorliggende gegevens naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen en tot het bewezen zijn van die feiten heeft kunnen besluiten. In de voorliggende zaak moet vooreerst worden opgemerkt dat het bestreden besluit aan de verzoeker niet tuchtrechtelijk verwijt dat hij één of meer afgenomen bloedstalen zou hebben ontdubbeld, maar wel dat hij bij het onderzoek van een lot runderen bestemd voor uitvoer, niet van elk dier afzonderlijk een bloedstaal heeft afgenomen. Het eerste onderdeel van het middel mist in zoverre dus feitelijke grondslag. Voorts kon de tuchtoverheid het aldus aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit op basis van de haar voorliggende gegevens wel degelijk bewezen achten. De verzoeker betwistte immers niet dat een analyse van de door hem afgenomen bloedstalen tot de bevinding heeft geleid dat vier resultaten identiek waren en dat een bijkomend onderzoek heeft uitgewezen dat de vier desbetreffende bloedstalen waarschijnlijk van hetzelfde dier afkomstig waren. Hieruit kon de tuchtoverheid voorzeker besluiten dat de verzoeker niet van elk dier afzonderlijk een bloedstaal had afgenomen. De verzoeker heeft in zijn verweer ten aanzien van de tuchtoverheid weliswaar geopperd dat hij niet uitsloot dat het laboratorium de uitslagen had vervalst, maar dit was niet meer dan een bewering die hij met geen enkel bewijskrachtig gegeven heeft ondersteund. Daartegenover staat dat de verzoeker heeft toegegeven dat hij bij de bloedafname slordig is te werk gegaan. Zo stelde hij in zijn schriftelijke verantwoording van 11 mei 1996 dat zijn werkwijze bij de bloedafname “niet waterdicht was”, dat er dieren werden verplaatst en dat de door hem bepaalde volgorde “als een dominospel totaal dooreen [viel]”. In zijn brief van 6 september 1996 sloot de verzoeker zelfs niet uit dat hij “in het slechtste geval [...] onbewust dezelfde koe herhaaldelijk opnieuw zou zijn tegengekomen”. In zijn schriftelijke verantwoording van 14 september 1997 erkende de verzoeker dat “een koe, wier touw gebroken zou zijn, vlot op een andere plaats [kon] tussenkruipen”, dat hij “zo [...] misschien [zou] kunnen gemist hebben” en “onbewust een tweede maal [bloed] van een vastgebonden dier [zou] genomen kunnen hebben”. Tijdens het mondelinge verhoor op 21 november 1997 gaf de verzoeker toe dat “de identificatie van de dieren niet correct was”, maar hij “een poging [heeft] gedaan om van ieder IX-1134-8/14 dier apart een bloedstaal te nemen”. Uit deze eigen verklaringen van de verzoeker kon de tuchtoverheid afleiden dat hij bij het afnemen van de bloedstalen slordig is te werk gegaan en in het bijzonder de geteste dieren onnauwkeurig heeft geïdentifi- ceerd. Deze handelwijze van de verzoeker kon ertoe leiden dat niet van elk dier een bloedstaal werd afgenomen. De verwerende partij heeft op basis van de haar voorliggende gegevens dan ook naar recht en rede kunnen oordelen dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het feit dat niet van elk dier een bloedstaal werd afgenomen en de dieren onvolledig en slordig werden geïdentificeerd. De verzoeker laat in het tweede onderdeel van het middel tevergeefs gelden dat het bestreden besluit zijn verweer niet correct weergeeft en niet afdoende beantwoordt. Het bestreden besluit overweegt onder meer dat de verzoeker ontkent opzettelijk bloedstalen te hebben ontdubbeld. Volgens de verzoeker is dat geen getrouwe weergave van zijn verweer, aangezien hij niet heeft ontkend opzettelijk bloedstalen te hebben ontdubbeld, maar hij de ontdubbeling van bloedstalen als zodanig heeft tegengesproken. Zoals reeds uiteengezet met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, is de bestreden tuchtmaatregel aan de verzoeker niet opgelegd omwille van een aan hem toegeschreven ont- dubbeling van één of meerdere bloedstalen, maar wel omwille van het feit dat hij bij het onderzoek van een lot dieren bestemd voor uitvoer, niet van elk dier afzonderlijk een bloedstaal heeft afgenomen en de dieren op een onvolledige en slordige wijze heeft geïdentificeerd. Verzoekers kritiek op de motivering van het bestreden besluit is dan ook niet dienstig. Evenmin kan het argument van de verzoeker worden aangenomen dat het besluit geen aandacht schenkt aan de verklaring die hij heeft gegeven voor de verschillende uitslagen van de opeenvolgende bloedonderzoeken. De bedoelde verklaring, die kan worden gelezen in verzoekers schrijven van 14 september 1997 aan het bestuur, strekte er klaarblijkelijk toe aan te tonen dat hij geen bloedstalen had ontdubbeld. Het weze herhaald dat de ontdubbeling van bloedstalen als zodanig geen aan de verzoeker verweten tuchtfeit uitmaakt. De omstandigheid dat de verzoeker tot zijn verdediging heeft aangevoerd dat hij de onjuiste identificatie van de runderen niet opzettelijk heeft begaan, neemt dan weer niet weg dat het bestreden besluit terecht overweegt dat een IX-1134-9/14 aangenomen dierenarts de hem opgelegde taken nauwgezet moet uitvoeren en daarvoor ook verantwoordelijk is. Het eerste middel is dan ook in geen van zijn onderdelen gegrond. 2.2.
  20. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen en van het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat het bestreden besluit de uiterst zware en ongebruikelijke tuchtsanctie van één jaar schorsing oplegt. Deze sanctie staat niet in verhouding tot de bewezen tenlasteleggingen, zeker niet als er rekening mee wordt gehouden dat hij niet opzettelijk bloedstalen met een foutieve identificatie heeft afgenomen en hij een meer dan 25 jaar lange onberispelijke staat van dienst heeft. Minstens is de formele motiveringsplicht geschonden, vermits het bestreden besluit geen enkele, laat staan een afdoende, verantwoording bevat voor de opgelegde tuchtsanctie. 2.2.
  21. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat de foutieve identificatie en onregelmatige afname van bloedstalen ernstige gevolgen heeft. Volgens haar wijst een schade-eis van 2 miljoen frank die tegen de Belgische Staat werd ingediend wegens de onregelmatige uitvoer van runderen, op de belangrijkheid van de voorgeschreven controles en op de verantwoordelijkheid van de aangenomen dierenartsen daarvoor. Indien deze verantwoordelijkheid niet ernstig wordt genomen en de opgelegde taken niet met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd, komt het beleid inzake dierziektenbestrijding in het gedrang. Daarom past het dat de overheid ernstig optreedt in het geval van verzuim van de aangenomen dierenartsen. Een tuchtmaatregel van één jaar schorsing is niet ongebruikelijk en werd reeds meerdere malen in gelijkaardige gevallen opgelegd. De verwerende partij beklemtoont voorts dat de cliënten van de verzoeker tijdens diens schorsing verder onbeperkt op hem beroep kunnen doen voor diergeneeskundige handelingen die niet door de overheid zijn opgelegd en niet zijn voorbehouden aan aangenomen dierenartsen. IX-1134-10/14 2.2.
  22. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij niet bewijst dat de tuchtmaatregel van één jaar schorsing niet ongebruikelijk is en enkel slaat op de officiële prestaties als aangenomen dierenarts. Bovendien antwoordt de verwerende partij niet op zijn grief dat een afdoende motivering ontbreekt. 2.2.
  23. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat de proportionaliteit tussen de tuchtfeiten en de opgelegde tuchtstraf wordt bepaald door de straf die gebruikelijk aan anderen voor gelijke of gelijkaardige feiten wordt opgelegd. 2.2.
  24. De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen beschikt bij het bepalen van de aan de aangenomen dierenarts op te leggen tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid die door de redelijkheid is begrensd. De Raad van State mag zich bij het beoordelen van de evenredigheid van de opgelegde tuchtsanctie niet in de plaats van de minister stellen. De Raad van State oefent te dezen slechts een marginale toetsingsbevoegdheid uit, wat betekent dat hij enkel een straf die volkomen in wanverhouding staat tot de bewezen tuchtfeiten, als onwettig kan kwalificeren, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen. In de voorliggende zaak heeft de minister aan de verzoeker de bestreden tuchtsanctie van één jaar schorsing als aangenomen dierenarts opgelegd om reden dat hij bij het onderzoek van een lot dieren bestemd voor uitvoer, niet van elk dier afzonderlijk een bloedstaal heeft afgenomen en de dieren op een onvolledige en slordige wijze heeft geïdentificeerd. De minister overweegt in het bestreden besluit dat een aangenomen dierenarts de hem opgelegde taken nauwgezet dient uit te voeren en daarvoor verantwoordelijk is, dat door een slordige handelwijze, zoals deze van de verzoeker, de dierziektenbestrijding in het gedrang komt en dat de voorgestelde tuchtmaatregel in overeenstemming is met de feiten. De verzoeker heeft alzo op een afdoende wijze uit het bestreden besluit kunnen vernemen welke motieven de minister ertoe hebben gebracht hem een schorsing van één jaar als aangenomen dierenarts op te leggen. IX-1134-11/14 Gelet op de bewezen geachte slordigheid die de verzoeker bij het afnemen van de bloedstalen heeft betoond en de mogelijke nefaste gevolgen van die slordigheid op de dierziektenbestrijding, kan de opgelegde tuchtmaatregel bovendien niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De omstandigheid dat de verzoeker niet doelbewust fouten zou hebben gemaakt bij het afnemen van de bloedstalen en dat hij kan bogen op een meer dan 25 jaar lange onberispelijke staat van dienst, doet daaraan geen afbreuk. De verzoeker toont voorts niet aan dat voor gelijke of gelijkaardige feiten gebruikelijk een kennelijk lichtere straf wordt opgelegd. Het tweede middel is derhalve niet gegrond. 2.3.
  25. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de rechten van verdediging en van “het hoorrecht”, doordat hem een tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat hij inzage van het tuchtdossier heeft gekregen. De verzoeker betoogt dat in de oproepingsbrief van 2 oktober 1997 voor het verhoor werd vermeld dat hij zich bij die gelegenheid kon laten bijstaan door een raadsman en hij inzage kon krijgen van het dossier. Hij begreep daaruit dat hij tijdens de hoorzitting inzage kon krijgen van het dossier. Hij heeft zich dan ook vóór het verhoor aangeboden om het dossier te kunnen inzien. Zijn vraag tot inzage werd toen echter afgewezen, omdat hij ze eerder had moeten stellen. 2.3.
  26. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat de verzoeker zich niet op de letterlijke bewoordingen van de brief van 2 oktober 1997 kan beroepen om te stellen dat hem inzage van het dossier werd geweigerd. Integendeel maakte die brief hem erop attent dat hij inzagerecht had. De verzoeker heeft daarvan echter noch vóór, noch tijdens de hoorzitting gebruikgemaakt. Zijn vraag tot inzage zou overigens onmiddellijk zijn ingewilligd, omdat er geen reden was om ze af te wijzen. Een weigering zou bovendien vermeld staan in het proces- verbaal van de hoorzitting dat ter zitting werd voorgelezen en nadien aan de verzoeker werd toegestuurd, zodat hij ruimschoots de kans heeft gekregen om daarover een opmerking te laten opnemen. 2.3.
  27. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij zich wel degelijk vóór de hoorzitting heeft aangeboden voor inzage van het IX-1134-12/14 dossier, maar dat die hem toen werd geweigerd omdat hij de vraag maar eerder had moeten stellen. 2.3.
  28. Uit de stukken van het neergelegde administratief dossier blijkt dat aan de verzoeker herhaaldelijk de gelegenheid werd geboden om zijn dossier te raadplegen. Zo maakte de brief van 30 augustus 1996 van de inspecteur-dierenarts aan de verzoeker melding van de mogelijkheid om desgewenst het dossier in het bureel van eerstgenoemde te raadplegen. In zijn nota van 16 september 1996 aan de Minister van Middenstand en Landbouw vermeldde de inspecteur-dierenarts dat de verzoeker tot op dat ogenblik zijn dossier niet was komen inkijken. Ook in de oproepingsbrief van 2 oktober 1997 voor het verhoor werd medegedeeld dat de verzoeker inzage van het dossier kon krijgen. De verzoeker stelt weliswaar dat hij op 21 november 1997 vóór de hoorzitting inzage van het dossier heeft gevraagd en dat die hem toen werd geweigerd, maar uit het proces-verbaal van de hoorzitting blijkt niet dat de verzoeker tijdens het verhoor zijn bezwaren daarover kenbaar zou hebben gemaakt. Bij de ondertekening heeft hij bovendien geen enkele opmerking gemaakt over de onvolledigheid van het proces-verbaal op dat vlak. De schending van verzoekers rechten van verdediging is derhalve niet aangetoond. Het derde middel is evenmin gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  30. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1134-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-1134-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.