id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.392 Rolnummer: A. 187209/XIV-30214 Zaak: Arrest 187392 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:47 Fiche Arrest nr 187.392 van 28 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.392 van 28 oktober 2008 in de zaak A. 187.209/XIV-30.214. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. LECOMPTE, kantoor houdende te 9090 MELLE, Kalverhagestraat 8a tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 22 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5981 van 18 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2439 van 21 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 oktober 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. LECOMPTE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-30.214-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “ENIG MIDDEL genomen uit de schending van artikel 39/76 van de Vreemdelingen- wet 1980 (ingevoegd bij wet van 2006/09/15, art 175) DOORDAT de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft onderzocht of de bestreden beslissing kon worden bevestigd af (
- of)hervormd; TERWIJL alle argumenten uiteengezet door verzoekster op nuttig(
- e)wijze(
- n)moeten beantwoord worden, minstens in rekening moeten gebracht worden bij de beoordeling van de zaak; ZODAT de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Toelichting: Art. 39/76. § 1. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen. Op geen enkel ogenblik heeft de RvV het beroep van verzoekster onderzocht. Geen van de aangehaalde middelen werd onderzocht. Verzoekster diende een afzonderlijk verzoek in bij de RvV tegen de weigeringsbeslis- sing van het CGVS. Hoewel de aanvraag natuurlijk gelinkt is aan dit van haar schoondochter, diende de RvV de door verzoekster aangehaalde en gemotiveerde punten (
- te)onderzoeken, desgevallend de motieven voor weigering van de aanvraag van de schoondochter van verzoekster nominatum te hernemen. Dat de RvV motiveerde haar beslissing niet. Dat verzoekster zelf moet va(s)tstellen dat in een arrest met nummer 5981 er verwezen wordt naar een beslissing genomen middels arrest met nummer 5982. Het is verzoekster onduidelijk hoe het mogelijk is dat er naar een beslissing wordt verwezen welke later genomen werd. Dat het dan ook duidelijk weze dat de RvV het verzoek van verzoekster nooit heeft onderzocht op de in haar verzoekschrift weergegeven schriftelijke motieven. Dat mocht dit onderzoek van de eigen motieven, meer in het bijzonder de psychisch(
- e)en fysische problemen van verzoekster de RvV tot een ander besluit had moeten nopen. Dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 dan ook geschonden is en dat de vernietiging van de bestreden beslissing een nuttig gevolg kan hebben voor verzoekster doordat haar aanvraag in al haar aspecten kan en moet onderzocht worden en dat verzoekster gelet op haar medische toestand blijvend steun kan genieten. Dat het onderzoek impliceert dat alle middelen moeten ten gronde onderzocht worden en dat het niet voldoende is te verwijzen naar een beslissing in een andere zaak welke later werd genomen, ook al is deze samenhangend. Het Middel is dan ook gegrond.”; XIV-30.214-2/4 1.2. Overwegende dat artikel 39/76, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat “de geadiëerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken [steeds] onderzoekt [...] of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen”; dat uit het bestreden arrest blijkt dat het beroep van verzoekster wel degelijk conform voornoemde bepaling werd onderzocht, zodat van een schending van artikel 39/76, § 1, eerste lid, van de Vreemdelin-genwet geen sprake is; dat uit de verdere uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster het voornoemde artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet in verband brengt met de motivering van de bestreden beslissing in relatie tot de aangevoerde middelen in het beroepsschrift; dat de motiveringsplicht wordt geregeld in artikel 39/65, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dat bepaalt dat de uitspraken van de Raad met redenen zijn omkleed; dat het ingeroepen artikel 39/76 daar geen uitstaans mee heeft; dat verzoekster nalaat de juiste rechtsgrond aan te voeren waarop zij haar grieven ten aanzien van de bestreden beslissing steunt; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.214-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.214-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.392 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div