← België

Arrest 187420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.420 Rolnummer: A. 95048/X-9707 Zaak: Arrest 187420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-28 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:47 Fiche Arrest nr 187.420 van 28 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.420 van 28 oktober 2008 in de zaak A. 95.048/X-

  1. In zake :
  2. Werner DE COCK,
  3. Afra VAN RECKEM, die woonplaats kiezen bij advocaat E. HAEGEMAN, kantoor houdende te 8510 MARKE, Bergstraat 91 tegen :
  4. de gemeente ZWEVEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat L. LAMBERT, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Beheerstraat 40,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Werner DE COCK en Afra VAN RECKEM op 30 augustus 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem waarbij aan Jurgen Kints-Vanassche de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het afbreken van een bestaande garage en het herbouwen van een nieuwe met tuinberging op een perceel gelegen te Zwevegem, Keiberg 25, kadastraal bekend sectie A, nr. 898/t; Gelet op het arrest nr. 93.338 van 16 februari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 2 april 2001 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-9707-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. KENNES, die loco advocaat E. HAEGEMAN verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat A. VAN PACHTENEBEKE, die loco advocaat L. LAMBERT verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  7. De feiten 1.
  8. Op 20 december 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dient het echtpaar Kints-Vanassche een aanvraag in voor het afbreken van een bestaande garage en het herbouwen van een nieuwe met tuinberging op een perceel gelegen te Zwevegem, Keiberg 25, kadastraal bekend sectie A, nr. 898/t. Het perceel is volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, gelegen in een woongebied met landelijk karakter. X-9707-2/12 De verzoekende partijen zijn eigenaar van een eigendom gelegen te Zwevegem, Keiberg 27, kadastraal bekend sectie A, nr. 898/z en zijn aanpalende eigenaars. Uit de bouwaanvraag blijkt dat de bestaande af te breken garage werd opgetrokken in prefab-materialen, werd uitgevoerd met een plat dak en een totale oppervlakte heeft van 24,85m². Het nieuw op te richten gebouw zal worden opgetrokken in duurzame materialen, worden uitgevoerd met een lessenaarsdak en een totale oppervlakte hebben van 42,35m². 1.
  9. De nieuwe constructie wordt op de perceelsgrens opgetrokken. De bouwaanvraag wordt met toepassing van artikel 3bis van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen aan een openbaar onderzoek onderworpen. De aanplakking vindt plaats van 17 januari 2000 tot en met 31 januari
  10. Overeenkomstig artikel 6, §2 van het voormeld koninklijk besluit van 6 februari 1971, worden de verzoekende partijen als aanpalende eigenaars per aangetekend schrijven van de aanvraag op de hoogte gebracht. De verzoekende partijen hebben een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift wordt door het college van burgemeester en schepenen behandeld in haar vergadering van 23 februari 2000 en als ongegrond afgewezen. 1.
  11. Het college van burgemeester en schepenen verleent een gunstig preadvies. 1.
  12. De bouwaanvraag wordt door de gemachtigde ambtenaar op 7 juni 2000 gunstig geadviseerd. 1.5 Op 21 juni 2000 wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem de thans bestreden vergunning verleend.
  13. Ten gronde 2.
  14. Standpunt van de partijen X-9707-3/12 De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel het volgende aan: “A. Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Zwevegem nam zijn beslissing met miskenning van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
  15. Het Besluit werd door de Gemeente verkeerd, onduidelijk, al te vaag, niet-uitdrukkelijk en onvoldoende gemotiveerd; De Gemeente heeft zijn formele motiveringsplichten zoals voorzien in artikel 2 en 3 van de Wet van 29/07/91 (uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling) schromelijk miskend. Het is het algemeen standpunt van de Raad van State i.v.m. de draagwijdte van de motiveringsplicht dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling, erin gelegen is dat diegene, ten opzichte van wie een beslissing is genomen, een inzicht krijgt in de exacte motieven van de beslissing opdat hij in staat zou zijn zich een oordeel te vormen of het, al dan niet, zin heeft de beslissing met rechtsmiddelen aan te vechten. (...). Dit is in casu voor verzoekers geenszins het geval. Het bestreden Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen is niet uitdrukkelijk gemotiveerd nu uit de motivatie niet blijkt waarom het bezwaar ingediend door verzoekers, waarnaar enkel verwezen wordt, verworpen werd. Immers diende men de afwijzing van het bezwaar uitdrukkelijk te motiveren. Een motivering in algemene bewoording volstaat niet. De beslissing moet duidelijk en omstandig, op grond van de gegevens eigen aan de zaak, de redenen opgeven waarop ze is gesteund. De overheid moet zelf op grond van de concrete gegevens van de zaak nagaan of de ongemakken die inherent zijn aan de voorgenomen constructie de perken van de normale hinder niet te buiten gaan.
  16. De motivering van het Besluit is bovendien niet afdoende want maar al te faciel en oppervlakkig. In het schrijven aan verzoekers gericht wordt geen melding gemaakt van hun bezwaarschrift en de afwijzing ervan. Enkel wordt in het besluit gesteld : ‘Het College van Burgemeester en Schepenen neemt omtrent deze bezwaarschriften het volgende standpunt in : gunstig, overwegende dat de andere bezwaren opgesomd in het bezwaarschrift niet relevant zijn voor de huidige aanvraag; Overwegende dat de garage en berging voorzien worden met een lessenaarsdak waarbij de zijgevel rechts wordt verhoogd met 79 cm.; Overwegende dat deze verhoging geen hinder kan meebrengen voor de nabuur.’ Op geen enkel punt wordt op afdoende wijze gesteld waarom een garage dermate groot dient te zijn. Indien de werken thans zouden uitgevoerd worden conform de verkregen vergunning dan zal een garage gebouwd worden die qua omvang en volume meer dan 50 % groter zal zijn dan de huidige garage. Dit is geenszins noodzakelijk. In haar motivering stelt het College van Burgemeester en Schepenen niet waarom een dergelijke uitbreiding noodzakelijk of verantwoord zou zijn. Zo zal bijvoorbeeld de blinde gevel, gelegen op de perceelsgrens aan de zijde van verzoekers, indien hij uitgevoerd wordt conform de bouwvergunning, een hoogte hebben van 3,34 meter hetgeen voor een garage geenszins noodzakelijk is. Het bezwaar ingediend door verzoekers was dan ook terecht en het College van Burgemeester en Schepenen heeft ten onrechte nagelaten hiermee rekening te houden. Het op die wijze afdoen van het bezwaar en de argumenten van verzoekers is al te faciel en oppervlakkig om te voldoen aan de motiveringsplicht. X-9707-4/12
  17. Daarenboven blinkt het bestreden besluit uit in vaagheid en algemeenheid, terwijl een afdoende motivering voldoende precies moet zijn. Uiteindelijk dient immers te worden opgemerkt dat de afwijking die de gemeente Zwevegem in casu toestaat namelijk de bebouwing op de zijdelingse perceelsgrens op een perceel dat grenst aan een perceel dat gekenmerkt wordt door open bebouwing niet gemotiveerd wordt. Beslissingen inzake bouwvergunningen moeten gesteund zijn op motieven die verband houden met de goede plaatselijke aanleg of een degelijke ruimtelijke ordening. Stijlformules zijn steeds uit den boze. Een bouwvergunning is bijgevolg niet voldoende gemotiveerd op grond van de overweging dat de bouwwerken de goede ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengen. Het oordeel over de toelaatbaarheid van een bouwvergunning vereist een afweging of de geplande bouwwerken wel verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied waarin het perceel gelegen is, de goede plaatselijke aanleg, de schoonheidswaarde van het landschap, de goede ruimtelijke ordening in het algemeen, het nabuurschap enz... (...) Dergelijke redengeving van de Gemeente is derhalve al te vaag geformuleerd om te overtuigen en om tot het besluit aanleiding te kunnen geven.
  18. De motivering van de Gemeente is zelfs onduidelijk en tegenstrijdig. In het besluit wordt geenszins duidelijk omschreven hoe de Gemeente aan de hand van stedebouwkundige elementen komt tot de beslissing dat de garage en berging volledig mogen geplaatst worden op de zijdelingse perceelsgrens. (...) Immers hebben de bezwaren ingediend door de omwonenden een weerslag op de draagwijdte van de formele motiveringsplicht. Het College van Burgemeester en Schepenen moet zich in een gemotiveerde beslissing uitspreken over de bezwaren en uit de bouwvergunning moet blijken dat de ingediende bezwaren voldoende werden onderzocht, alsook om welke motieven zij werden verworpen en de constructie toch verenigbaar werd geacht met de onmiddellijke omgeving. Wanneer uit de beslissing niet duidelijk blijkt waarom de bezwaren werden afgewezen, is de formele motiveringsplicht geschonden. (...)”. De eerste verwerende partij repliceert hierop het volgende: “Ter voldoening van de verplichting tot uitdrukkelijke of formele motivering, opgelegd door art. 2 van de wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, volstaat het dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden vermeldt die haar verantwoorden. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De bouwvergunning van 21.06.2000 weerlegt in extenso op p.2 onder “beoordeling van de goede ruimtelijke ordening” het bezwaarschrift van verzoekers, daar waar zij stellen dat zij niet kunnen akkoord gaan met de voorgestelde gewijzigde structuur en afmetingen van de constructie.
  19. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat het project kon vergund worden, omwille van het feit dat het bouwwerk het landschap aanzienlijk X-9707-5/12 zal verbeteren (gelet op de gebruikte materialen) en derhalve verenigbaar is met de omgeving. Dat de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang komt, blijkt trouwens uit de foto’s en het kadasterplan (...).
  20. Wat de omvang van het bouwwerk betreft, komt het niet toe aan de overheid daarover te oordelen. Evenmin zal de gewijzigde structuur van plat dak naar lessenaarsdak, afhellend op de eigendom van de aanvragers, invloed hebben op het uitzicht van verzoekers. (...) Uit deze overwegingen is het voor verzoekers perfect mogelijk om het standpunt van verweerster te kennen louter en alleen op basis van de bestreden beslissing die pertinent en afdoende gemotiveerd is. Bovendien tonen verzoekers niet aan welke schade zij eventueel zouden geleden hebben door een eventueel gebrek in de motivering, aangezien uit de beslissing de motieven blijken hetgeen volstaat om te voldoen aan de wet van 29 juli
  21. Dit middel is ongegrond”. De tweede verwerende partij antwoordt wat volgt: “1 Verzoekende partijen werpen in hun eerste middel op dat het bestreden besluit ‘verkeerd, onduidelijk, al te vaag, niet-uitdrukkelijk en onvoldoende gemotiveerd’ zou zijn, quod non. Zij menen meer bepaald dat de overheid niet op gemotiveerde wijze de aangevoerde bezwaren weerlegd heeft. (...) 3 De enige bezwaren waar verzoekende partijen wel enig belang lijken te kunnen laten gelden, betreft de gewijzigde afmetingen van het vergunde bouwwerk. De nieuwe constructie zal in plaats van 2,64 m, 3,43 m hoog zijn; in plaats van 7,10 m, 12,10 m lang (...). Er dient vooreerst opgemerkt te worden dat de uitbreiding geschiedt naar voren toe, richting straatzijde. Uit de bijgevoegde foto’s blijkt dat de nieuwe constructie zich langs de zij- en voortuinstrook van verzoekende partijen zal bevinden, net zoals de bestaande (...). Uit diezelfde foto’s blijkt verder dat dit gedeelte van de tuin van verzoekende partijen slechts met gazon is aangelegd en klaarblijkelijk de facto weinig gebruikt wordt. In die tuinstrook bevindt zich ook de garage met oprit van verzoekende partijen, doorgaans een weinig gebruikt leefgedeelte van de woning. De gevel van de woning van verzoekende partijen die uitkijkt naar de perceelgrens is eveneens een blinde muur, behalve een klein raam op de verdieping. Het is duidelijk dat de overheid op grond van het administratief dossier en de gekende plaatsgesteldheid, terecht geoordeeld heeft dat verzoekende partijen van de vergunde constructie geen hinder zullen ondervinden, zeker geen hinder die de grenzen van het normale nabuurschap zullen overtreffen. De nieuwe constructie zal daarenboven niet verder komen dan de gevel van de woning waarop verzoekende partijen thans ‘uitkijken’. Het ‘vergezicht’ verandert niet. 4 Verzoekende partijen tonen nergens aan dat door de vermeende schending van de motiveringsplicht op zich, zij enige schade geleden zouden hebben, quod non (...). Bij het onderzoeken van een bouwaanvraag dient de overheid uiteraard in eerste instantie de planologische aspecten te onderzoeken, onder meer X-9707-6/12 de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. De weerlegging van de bezwaarschriften is slechts secundair. De overheid vervult immers geen rechtsprekende functie. Het volstaat dat zij haar besluit afdoende motiveert. In casu hebben zowel de gemachtigde ambtenaar als het College van Burgemeester en Schepenen een uitgebreide motivering gegeven. Uit het bestreden besluit blijkt dat de overheid van oordeel is dat het project kan vergund worden omwille van het feit dat de bouwwerken het landschap aanzienlijk zullen verbeteren en derhalve verenigbaar is met de omgeving. Verder wordt ook het leefklimaat van de aanvragers verbeterd zonder dat van derden aan te tasten. In strijd met wat verzoekende partijen voorhouden, wijkt de aanvraag op geen enkel punt af van de bestemmingsvoorschriften. Het bouwen op de scheidingslijn noopt geen afwijking, noch goedkeuring door de aanpalende eigenaar. Verzoekende partijen zijn ten andere akkoord met een bouwwerk op de scheidingslijn. 5 Verzoekende partijen opperen in hun verzoekschrift bezwaren omtrent de omvang van het vergunde gebouw. Volgens hen zou de overheid niet motiveren waarom een garage die omvang en hoogte moet hebben. Het hoeft geen betoog dat het niet aan de Raad toekomt om in de plaats van de overheid een stedenbouwkundig beleid te voeren. De Raad kan enkel een wettigheidstoezicht uitoefenen. Het komt overigens ook niet aan de overheid toe om te beoordelen hoe groot bepaalde vertrekken mogen, dienen te zijn. De taak van de overheid is beperkt tot de beoordeling van de aanvraag aan de planologische voorschriften en andere toepasselijke wettelijke bepalingen, onder meer of de ruimtelijke draagkracht niet overschreden wordt. Dat de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang komt, blijkt andermaal ook uit de foto’s en het kadasterplan (...). De woning van de aanvragers bevindt zich in een blok van 4 aan één gebouwde woningen. Van een aantasting van de openruimte is geen sprake. (...)”. In de laatste memorie stelt de eerste verwerende partij nog het volgende: “Eerste Middel : vermeende schending van de formele motiveringsverplichting (...) Deze verplichting moet echter met gezond verstand geïnterpreteerd worden. De omvang van de (afdoende) motivering moet evenredig zijn met het belang, de aard en het voorwerp van de genomen beslissing. Bovendien moet de deugdelijkheid van de motivering in concreto beoordeeld worden in het licht van alle gegevens van het administratief dossier In casu staat de bestreden beslissing een aanvraag toe tot ‘het afbreken van een bestaande garage en het heropbouwen van een nieuwe’. Het is duidelijk dat de overheid op grond van het administratief dossier en de gekende plaatsgesteldheid, terecht geoordeeld heeft dat verzoekende partijen van de vergunde constructie geen hinder zullen ondervinden, zeker geen hinder die de grenzen van het normale nabuurschap zullen overtreffen. Des te meer daar het voorwerp van de vergunning de heropbouw van een reeds ingeplante bestaande constructie betreft. Anderzijds moeten de aangehaalde redenen tot het verlenen van de vergunning volstaan om de beslissing te dragen. Bij het onderzoeken van de bouwaanvraag heeft verwerende partij terecht in eerste instantie de planologische aspecten beschouwd, aangezien beslissingen X-9707-7/12 inzake bouwvergunningen gesteund moeten zijn op motieven die verband houden met de goede plaatselijke aanleg of een degelijke ruimtelijke ordening. (...) Het oordeel over de toelaatbaarheid van een bouwvergunning vereist een afweging of de geplande bouwwerken wel verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied waarin het perceel gelegen is, de goede plaatselijke aanleg, de schoonheidswaarde, het nabuurschap en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In casu heeft verwerende partij de overeenstemming van de gevraagde vergunning met de goede aanleg van de plaats naar behoren onderzocht. Zowel de gemachtigde ambtenaar als het College van Burgemeester en Schepenen hebben dienvolgens een uitgebreide motivering gegeven. Uit het bestreden besluit blijkt dat de overheid van oordeel is dat het project kan vergund worden omwille van het feit dat de bouwwerken van landschap aanzienlijk zullen verbeteren en derhalve verenigbaar is met de omgeving. Verder wordt ook het leefklimaat van de aanvragers verbeterd zonder dat van derden aan te tasten. De gemachtigde ambtenaar beoordeelde de aanvraag in zijn advies van 7.06.00 als volgt : ... ‘(BESCHRIJVING VAN DE BOUWPLAATS, DE OMGEVING EN DE AANVRAAG) Het betreft de vervanging van een bestaande prefab-garage door een nieuwe garage met tuinberging die wordt uitgevoerd met traditionele materialen (paramensteen + gebakken pannen). De nieuwe garage wordt net zoals de af te breken constructie gebouwd op de rechter zijdelingse perceelgrens en dit op dezelfde plaats als deze van de oude garage. ... (BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDERING) Met de ontworpen nieuwe garage wordt een oude prefab-garage vervangen waarvan het aspect, zowel door zijn materiaal als door zijn vormgeving, eerder storend is voor de omgeving. De geplande uitvoering van de vervangende constructie in traditionele bouwmaterialen is in overeenstemming met de woning. De gevel op de zijdelingse perceelgrens wordt eveneens voorzien met de afgewerkte gevelsteen, zoals de andere drie gevels, zodat het hier geen wachtgevel maar een eindgevel betreft. Aan de voorzijde wordt de garage fysisch verbonden met de woning waarmee zij een ruimtelijk geheel vormt. Ten overstaan van de omgeving blijft de ruimtelijke impact die zij teweeg brengt beperkt. ... (ALGEMENE CONCLUSIE) Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving ...’ Het College van Burgemeester en Schepenen stelt eveneens in haar beslissing van 21.06.00: ‘... overwegende dat de voorgestelde heropbouwing een fraaier en duurzamer uitzicht zal hebben dan de bestaande toestand. Overwegende dat daardoor de eerder kleine woning functioneler zal worden en een duurzamere bewoning garandeert Gelet op de degelijke materialen’. Het College van Burgemeester en Schepenen heeft zich aangesloten bij het advies van de gemachtigde ambtenaar, waarin een inhoudelijke appreciatie is gegeven van de goede plaatselijke aanleg en de verenigbaarheid van het architectonisch karakter van het bouwwerk en zijn omgeving. X-9707-8/12 Verwerende partij heeft aldus een beslissing genomen die in overeenstemming was met het advies van de gemachtigde ambtenaar en volkomen strookte met haar reeds eerder verleend gunstig advies ter zitting van de vergadering van het College van Burgemeester en Schepenen op 23.02.
  22. Het is duidelijk dat van verwerende partij, die zich aansluit bij het advies dat zij heeft ingewonnen, redelijkerwijs niet kan geëist worden dat zij haar beslissing op een andere (nog uitgebreider) manier verrechtvaardigt, dan de wijze waarop zij thans haar beslissing gemotiveerd heeft. Aldus volstond in casu een beknopte weergave van de motieven in de beslissing. De motivering komt immers niet in de plaats van het dossier, maar vermeldt de gegevens van het dossier die ten grondslag liggen van de genomen beslissing. De geformuleerde bezwaren omtrent de omvang van de vergunde bouwwerken zijn ter zake niet dienend. Verwerende partij is niet verplicht alle argumenten één voor één in extenso te beantwoorden, aangezien het bestuur geen rechter is. Het komt aan de overheid niet toe te oordelen over de omvang van het te vergunnen bouwwerk. De taak van de overheid is beperkt tot de toetsing van de aanvraag aan de planologische voorschriften en of de aanvraag de ruimtelijke draagkracht niet overschrijdt. Terzake hebben zowel de gemachtigde ambtenaar als het College van Burgemeester en Schepenen een uitgebreide motivering gegeven. Gelet op deze overwegingen was het voor verzoekers perfect mogelijk om het standpunt van verwerende partij te kennen op basis van de bestreden beslissing. Tenslotte tonen verzoekers niet aan welke schade zij evenwel zouden geleden hebben door een eventueel gebrek aan motivering, aangezien uit de beslissing de motieven blijken, hetgeen volstaat om te voldoen aan de Wet van 27.07.
  23. Dit middel is derhalve ongegrond”. 2.
  24. Beoordeling Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet die motivering “afdoende” zijn. De overeenstemming van het ontwerp met de planvoorschriften staat niet ter discussie en de verwerende partijen kunnen zich dan ook niet met goed gevolg beroepen op de desbetreffende motieven in het bestreden besluit. Toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, volgt uit de voornoemde wetsbepalingen dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de X-9707-9/12 plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen de volgende bezwaren geformuleerd: “(...) Wij zijn van oordeel dat de huidige toestand van de garage dient te worden gehandhaafd; het is namelijk zo dat wij vroeger een deel van onze vrijheid afstonden - en dit om onze toenmalige buurman “uit nood” te helpen, hij had immers geen garage/bergruimte - door akkoord te gaan toen de vorige eigenaar een PREFAB garage wenste op te trekken (7,10 m lang en 2,70 m hoog). Wij kunnen ons onder geen enkel beding akkoord verklaren met de inplanting en vooral met de voorgestelde gewijzigde structuur en afmetingen. Wij kunnen ons tevens niet akkoord verklaren met het plaatsen van een muur langs de scheidingslijn van beide eigendommen, noch met de huidige hoogstammigen, noch met het houten vogelhuis, noch met de aanplanting van nieuwe hoogstammigen. (...)”. Het college van burgemeester en schepenen heeft in de bestreden beslissing over deze bezwaren de volgende standpunten ingenomen: “(...) Het college van burgemeester en schepenen stelt vast dat dit bezwaarschrift handelt over de inplanting en voorgestelde gewijzigde structuur en afmetingen; Het college van burgemeester en schepenen neemt omtrent deze bezwaarschriften het volgende standpunt in: gunstig, overwegende dat de andere bezwaren opgesomd in het bezwaarschrift niet relevant zijn voor de huidige aanvraag; Overwegende dat de garage/berging voorzien wordt met een lessenaarsdak waarbij de zijgevel rechts wordt verhoogd met 79 cm; Overwegende dat deze verhoging geen hinder kan meebrengen voor de nabuur”. De grief van de verzoekende partijen komt er in essentie op neer dat zij er niet mee akkoord gaan om de te vergunnen garage op de perceelsgrens te plaatsen, nu deze zowel qua lengte als volume beduidend groter is dan de af te breken garage. Het bestreden besluit keurt een aanvraag goed tot het afbreken van een bestaande garage en het herbouwen van een nieuwe garage met tuinberging, zonder dat het de gegevens vermeldt met betrekking tot de lengte en het volume van de af te breken garage en de te bouwen garage met tuinberging. X-9707-10/12 Volgens het bij de bestreden vergunning horend plan, heeft de af te breken garage een lengte van 7,10 meter en een nokhoogte van 2,64 meter, en heeft de nieuw te bouwen garage met tuinberging een lengte van 11,50 meter en een nokhoogte van 3,43 meter. Uit de bij de bouwaanvraag horende “statistiek van de bouwvergunningen, model II” blijkt dat de oppervlakte vóór de werken 24,85m² bedraagt, terwijl zij na de werken 42,35m² zou bedragen, en dat het volume vóór de werken 65,85m³ bedraagt, terwijl het na de werken 127,07m³ zou bedragen. De op de perceelsgrens nieuw te bouwen constructie is dus merkelijk langer, hoger en ruimer. Wat betreft de inplanting, de afmetingen en het plaatsen van een muur langs de scheidingslijn, heeft het college van burgemeester en schepenen zich er toe beperkt vast te stellen dat “de garage/berging voorzien wordt met een lessenaarsdak waarbij de zijgevel rechts wordt verhoogd met 79 cm” en dat “deze verhoging geen hinder kan meebrengen voor de nabuur”. Een dergelijke redengeving beantwoordt de bezwaren van de verzoekende partijen niet naar behoren. De argumentatie opgenomen in punt 3 van de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij is een a posteriori motivering die niet in aanmerking kan worden genomen. Het advies van de gemachtigde ambtenaar waarnaar de tweede verwerende partij in haar laatste memorie verwijst bevat geen motivering met betrekking tot de nieuwe afmetingen van de garage en de gevolgen daarvan voor de verzoekende partijen. Die partijen hebben uiteraard belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing op grond van het middel dat stelt dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt dat hun bezwaren behoorlijk zijn onderzocht en beantwoord. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-9707-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Vernietigd wordt het besluit van 21 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem waarbij aan Jurgen Kints- Vanassche de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het afbreken van een bestaande garage en het herbouwen van een nieuwe met tuinberging op een perceel gelegen te Zwevegem, Keiberg 25, kadastraal bekend sectie A, nr. 898/t. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-9707-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.420 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.