id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.449 Rolnummer: A. 84334/X-8983 Zaak: Arrest 187449 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:47 Fiche Arrest nr 187.449 van 29 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.449 van 29 oktober 2008 in de zaak A. 84.334/X-8.983. In zake : 1. de n.v. IMMO J. en H., 2. José DE POURCQ, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Rik GOEMINNE, die woonplaats kiest bij advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 113. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. IMMO J. en H. en José DE POURCQ op 25 mei 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Rik GOEMINNE de bouwvergunning wordt verleend voor het bouwen van een biggenbatterijstal met loods aan de Marollestraat te Nazareth, op een perceel kadastraal bekend sectie H, nr. 5/d; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 december 2003 ingediend door Rik GOEMINNE; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de tussenkomst van Rik GOEMINNE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-8.983-1/12 Gelet op de beschikking van 30 mei 2008 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WIJNSBERGE, die loco advocaat K. HELSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partijen zijn respectievelijk eigenaar en huurder van een woning met tuin en bijhorende gronden, gelegen aan de Marollestraat 13 te Nazareth. Deze eigendom ligt in tweede bouwlijn achter de stallen van een tot kippenbedrijf omgevormde varkenshouderij. 1.2. Op 12 december 1997 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth een bouwaanvraag in om op een perceel, gelegen aan de Marollestraat, kadastraal bekend sectie H, nr. 5/d, palend aan de eigendom van de eerste verzoekende partij, een “biggenbatterijstal met loods” op te richten. X-8.983-2/12 Het perceel is overeenkomstig het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, in agrarisch gebied gelegen. Volgens de plannen heeft het bouwwerk een lengte van 71,30 meter, een breedte van 15,18 meter, een nokhoogte van 5,53 meter, en mestkelders met een diepte van 1,20 meter, opgericht in rode snelbouwstenen en bruine golfplaten voor het dak. Ten opzichte van de perceelsgrens met de eigendom van de eerste verzoekende partij wordt een zijdelingse vrije ruimte van 4 meter gelaten, rondom deels te beplanten met streekeigen struiken zoals vlier, els en meidoorn. Op 29 maart 1990 had Noël GOEMINNE, vader van de tussenkomende partij, in beroep van de bestendige deputatie van Oost-Vlaanderen een bouwvergunning verkregen voor eenzelfde stal op dezelfde plaats. Deze vergunning werd echter nooit ten uitvoer gelegd. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden door een aantal omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, bezwaren ingediend. In hun bezwaarschrift stellen de verzoekende partijen inzonderheid dat het vergunnen van de stal in strijd zou komen met de regel “minder varkens, minder mest”, dat hun plannen om in hun woning een “tea-room of dergelijke” in te richten “sterk in het gedrang komen”, dat zij een stal “op het aangevraagde perceel en eveneens NIET op aanpalende percelen van onze eigendom” niet kunnen aanvaarden, en vragen zij van het gemeentebestuur “binnen de 14 dagen een bevestiging waaruit duidelijk blijkt dat er nooit meer een dergelijke bouwaanvraag kan ingediend worden op desbetreffende plaatsen plus eveneens bevestiging dat er nooit een varkensfokkerij kan komen”. 1.4. In vergadering van 12 januari 1998 adviseert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth de aanvraag gunstig, o.a. vaststellend dat de ingediende bezwaren “voornamelijk” handelen over diverse hinderaspecten en “dat het een nieuwe vestiging betreft in het agrarisch gebied, palend aan een gelijkaardig landbouwbedrijf, waarbij de landschappelijke waarde niet geschaad wordt”. Als voorwaarden wordt gesuggereerd om de stal 20 meter in de richting van de Marollestraat te verplaatsen “zodat het zicht van de woning op het naastliggende perceel niet bezwaard wordt”, en om vóór de aanvang van de bouwwerken aan het college een beplantingsplan voor te leggen, te realiseren in het plantseizoen onmiddellijk volgend op de voltooiing van de bouwwerken. X-8.983-3/12 1.5. De afdeling Land van AMINAL adviseert op 13 januari 1998 “uit het oogpunt van een goede landinrichting” ongunstig, op grond van de overweging dat de voorkeur dient gegeven te worden aan gesloten varkensbedrijven. 1.6. De gemachtigde ambtenaar brengt op 10 maart 1998 een ongunstig advies uit over de aanvraag. Niettegenstaande hij meent dat de ingediende bezwaren “kunnen weerlegd worden”, wordt het dossier ongunstig beoordeeld met verwijzing naar de inhoud van het door de afdeling Land van AMINAL geformuleerde advies. 1.7. Bij besluit van 16 maart 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth de gevraagde vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, en met toevoeging van een eigen redengeving, die ditmaal (in tegenstelling tot het oorspronkelijke preadvies) ongunstig is omdat een biggenbatterijstal “noodzakelijk bij een gesloten varkensbedrijf thuishoort, aansluitend op een bestaande varkensstal”. 1.8. Met een op 3 april 1998 ter post aangetekend schrijven stelt de tussenkomende partij tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. In haar beroepschrift zet zij haar bedoelingen uiteen, en stelt zij dat de inplanting van de stal geen “schending van de open ruimte” zal veroorzaken, verwijst zij naar de jaren voordien bekomen identieke bouwvergunning, en brengt zij ten slotte naar voor dat de bezwaren niet gestoeld zijn op stedenbouwkundige redenen en dat “op milieuvlak” de noodzakelijke melding van een klasse 3- inrichting is gebeurd. 1.9. Bij het thans bestreden besluit van 18 juni 1998 willigt de bestendige deputatie het beroep van de tussenkomende partij in en verleent zij de gevraagde bouwvergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het bouwen van een biggenbatterijstal met loods op het eigendom gelegen langs de Marollestraat te Nazareth, kadastraal gekend sectie H nr 5/d; Overwegende dat uit het onderzoek blijkt dat het eigendom gelegen is op circa 3 km van het centrum van Nazareth, langsheen de Marollestraat; X-8.983-4/12 dat de Marollestraat, buurtweg nr 36, een landelijke weg is, voorzien van een 4 m brede verharding in kws-beton, waarvan de afwatering gebeurt via langsgrachten; dat de weg uitgerust is met water- en electriciteitsbedeling en openbare verlichting; dat het eigendom momenteel in gebruik is als akkerland; dat het perceel links achtereenvolgens paalt aan een kippenfokkerij, een losweg (3 m steenslag) naar een achtergelegen woning, een open strook van circa 40 m, een tot ruïne vervallen woning + afhangen en een open strook die reikt tot de bebouwing langs de Huisepontweg; dat het eigendom rechts achtereenvolgens paalt aan 2 oude woningen (totale straatbreedte circa 70 m), de Nieuwlandstraat (3 in beton) en een open strook van circa 100 m; dat de grond achteraan paalt aan een groot serrencomplex met bijhorende woning; dat aan de overkant van de weg een woning staat omgeven door weilanden met verderop een melkveebedrijf (perceel 170); Overwegende dat met het voorstel het bouwen van een biggenopfokstal wordt beoogd van 15,18 m op 56 m, met een hoogte van 3 tot 5,53 m in de nok en een aangebouwde loods van 15,30 m op 15,18/12,68 m, met een hoogte van 4,50 tot 7,03 m; dat onder de biggenopfokstal een kelder voorzien is met een diepte van 1,20 m; dat links van de loods een plaats is voorzien voor het plaatsen van 2 silo’s; dat het gebouw zal worden afgeschermd door een groenscherm in streekeigen beplanting; dat binnenin de loods ruimtes worden voorzien voor bureel, bergplaats, centrale verwarming en sanitair; dat de constructie wordt opgetrokken in rode snelbouwstenen, afgedekt met bruine golfplaten in asbestcement; dat het gebouw zal worden ingeplant op 4 m van de linker perceelsgrens en op 82 m uit de as van de weg; dat een quasi identieke bouwaanvraag, ingediend door de vader van appellant, door het College van Burgemeester en Schepenen van Nazareth op 6 maart 1990 werd geweigerd en in beroep op 29 maart 1990 door de Bestendige Deputatie werd ingewilligd; dat de geldigheidsduur van de vergunning op 15 april 1991 met 1 jaar werd verlengd tot 29 maart 1992; dat het verschil tussen de vorige en de huidige aanvraag gelegen is in de hoogte van het gebouw; dat dit hoogteverschil voor de loods 55 cm (van 6,48 naar 7,03
- m)en voor de biggenstal 75 cm (vanaf 4,78 naar 5,53
- m)bedraagt; dat n.a.v. de openbaarmaking van de bouwaanvraag 7 bezwaarschriften werden ingediend die hoofdzakelijk betrekking hebben op het algemeen mestprobleem, de reukhinder, de lawaaihinder, de verkeerstoename, onaangepaste infrastructuur, waardevermindering van de omliggende eigendommen en de grondwaterverontreiniging; dat deze bezwaren worden weerlegd in de beslissing van 16 maart 1998 van het schepencollege; Overwegende dat het eigendom volgens de planologische voorzieningen van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde gelegen is in een agrarisch gebied; dat volgens artikel 11 par. 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, waar behoudens bijzondere bepalingen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, X-8.983-5/12 de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid, voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven toelaatbaar zijn; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts mogen opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 en 100 m evenwel niet geldt in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven; dat de bouwplaats gelegen is op meer dan 1,5 km van een woon- of woonuitbreidingsgebied; dat het advies van 13 januari 1998 van het Bestuur Landinrichting ongunstig is en luidt als volgt : ‘In antwoord op bovenvermeld schrijven heb ik de eer u mede te delen dat een ongunstig advies wordt verstrekt voor de bouw van de voorgestelde constructies. De aanvrager is de zoon van een biggenhandelaar en is momenteel tewerkgesteld in de bouwsector. Hij wenst op het bouwperceel een biggenbatterijstal met loods op te richten. Uit het oogpunt van een goede landinrichting kan niet worden ingestemd met de oprichting van deze nieuwe bedrijfszetel. Uit sanitair oogpunt dient te worden gestreefd naar de vorming van gesloten bedrijven niet zeugen-, biggen- en mestvarkensstallen op dezelfde bedrijfszetel. Uit het oogpunt van een goede landinrichting is het aangewezen dat alleen gesloten varkensbedrijven als volwaardige toekomstgerichte bedrijven als nieuwe inplantingen in agrarisch gebied in aanmerking komen. Daarom kan de aangevraagde stal enkel aanvaard worden bij een bestaande zeugen- of mestvarkensstal zodat de aanzet naar een gesloten bedrijf gevormd wordt;’ dat dit advies eerder over de teelttechniek handelt en geen stedenbouwkundige argumenten aanhaalt ; dat er dient op gewezen dat het ontwerp voorziet in een mestopslag van 931 m³; dat het schepencollege in zitting van 30 maart 1998 geen akte heeft genomen van de melding houdende de exploitatie van deze nieuwe inrichting; dat door de ruime kelder kan verondersteld worden dat de stal ook voor varkens van meer dan 10 weken kan gebruikt worden; dat het hier een specifiek leefbaar bedrijf betreft; dat zoals hierboven reeds werd vermeld reeds eerder een quasi identiek voorstel werd vergund; dat een milieuvergunning dient aangevraagd te worden; dat kan gesteld worden dat met onderhavig voorstel geen open ruimte wordt geschonden daar het bedrijf aansluit bij een bestaand kippenbedrijf”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. Belang 2.1.1. In het verzoekschrift tot nietigverklaring verklaart de eerste verzoekende partij eigenaar te zijn van de woning met bijhorende tuin en gronden gelegen aan de Marollenstraat 13 te Nazareth, onmiddellijk palend aan het bouwperceel. X-8.983-6/12 De tweede verzoeker, die ook bestuurder is van de eerste verzoekende partij, stelt met zijn echtgenote huurder te zijn van deze woning. 2.1.2. De tussenkomende partij, beaamt dat de eerste verzoekende partij eigenaar is van de betrokken woning. Zij werpt evenwel op dat deze woning sedert omstreeks 2001 als hoofdverblijfplaats wordt gebruikt “door een gezin waarvan hij de identiteit niet kent”, en dat het “geenszins tweede verzoeker, noch zijn echtgenote” is, zoals zij in het verzoekschrift hebben gesteld, zodat het beroep in hunnen hoofde niet ontvankelijk is. 2.1.3. Onderzoek van de opgeworpen exceptie 2.1.3.1. Om een beroep tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak te kunnen brengen, dient een verzoeker te doen blijken van een rechtstreeks, zeker en geoorloofd belang. 2.1.3.2. In de laatste memorie geeft de tweede verzoeker toe dat hij het erf inderdaad niet bewoont. Hij stelt evenwel dat, afhankelijk van de uitspraak over de annulatievordering, hij “er serieus blijft aan denken om (
- er)te komen wonen”. Een dergelijk belang is onrechtstreeks en puur hypothetisch en kan om deze reden alleen reeds niet worden aangenomen. Ook het argument van de tweede verzoeker dat hij als bestuurder van de eerste verzoekende partij een materieel voordeel heeft door een hogere huuropbrengst kan niet worden aangenomen aangezien het hoogstens een onrechtstreeks belang kan aantonen. 2.1.3.3. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de tweede verzoeker. Het beroep wordt hierna alleen in hoofde van de eerste verzoekende partij verder onderzocht. 2.2. Tijdigheid van het beroep 2.2.1. In het verzoekschrift tot nietigverklaring stelt de eerste verzoekende partij pas kennis te hebben genomen van de bestreden vergunning “enige tijd nadat de bouwwerken waren aangevangen begin april ‘99”, en dat het op 25 mei 1999 ingediende verzoekschrift tijdig is. X-8.983-7/12 2.2.2. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van laattijdigheid op, stellende dat “niet met enige ernst” een bouwvergunning kan aangevochten worden die bijna een jaar voordien werd verleend, dat het “niet aannemelijk” is dat de eerste verzoekende partij “passief” is blijven wachten op verdere ontwikkelingen nadat zij gedurende het openbaar onderzoek bezwaar had ingediend, en dat de eerste verzoekende partij onder meer in immobiliën actief is en derhalve “de procedure om een bouwvergunning te verkrijgen kent”. Uit deze elementen besluit de verwerende partij dat “men (...) er derhalve (kan) van uitgaan” dat de eerste verzoekende partij méér dan 60 dagen voor het indienen van het verzoekschrift kennis had van de bestreden beslissing. 2.2.3. De tussenkomende partij treedt de door de verwerende partij geformuleerde exceptie bij, en stelt dat de eerste verzoekende partij vaag blijft omtrent het precieze tijdstip van kennisname van de vergunning, en dat “alleszins (...) in de loop van de maand maart reeds allerhande voorbereidende werkzaamheden op het terrein (hebben) plaats gehad”. 2.2.4. Onderzoek van de opgeworpen exceptie 2.2.4.1. Aangezien een stedenbouwkundige vergunning niet bekendgemaakt, noch aan derden betekend dient te worden, gaat voor een derde belanghebbende de in artikel 4 van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde beroepstermijn van zestig dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning. Dit is, hetzij de dag waarop de derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van zijn inzagerecht. Op een derde belanghebbende die kennis heeft van een bouwaanvraag rust niet de verplichting om op regelmatige tijdstippen op het gemeentehuis te informeren of de gevraagde vergunning al dan niet is verleend. Wanneer een derde belanghebbende evenwel op het bouwterrein kan vaststellen dat er vergunningsplichtige handelingen en werken worden uitgevoerd, is hij er wel toe gehouden binnen een redelijke termijn bij de bevoegde overheid te informeren of voor deze handelingen en werken een vergunning is verleend. X-8.983-8/12 2.2.4.2. In casu stellen de verzoekende partijen dat de werken werden “aangevangen begin april ‘99”. Dit wordt noch door de verwerende partij, noch door de tussenkomende partij betwist. Het annulatieberoep werd ingesteld op 25 mei 1999, dit is binnen de termijn van zestig na de aanvang van de werken. De verwerende partij en de tussenkomende partij brengen geen concrete gegevens bij waaruit kan blijken dat de eerste verzoekende partij reeds sedert méér dan zestig dagen voor het instellen van het annulatieberoep kennis had of kon hebben gehad van het bestreden besluit. 2.2.4.3. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1. Eerste middel 3.1.1. In een eerste middel voert de eerste verzoekende partij de schending aan onder meer “van het beginsel van de goede ruimtelijke ordening zoals vervat in o.a. artikel 1 van het Decreet Ruimtelijke Ordening 22 oktober 1996 (DRO - lees: het Gecoördineerde Decreet) en van art. 19 van het K.B. 28 december 1972”. Zij zetten het middelonderdeel uiteen als volgt: “B.1. Tweede onderdeel. De onwettigheid kan ook gezien worden vanuit het ‘beginsel van behoorlijk bestuur’, nl. de bestuursplicht tot redelijke en zorgvuldige belangenafweging, en het beginsel van de goede ruimtelijke ordening ( art. 1 D.R.O. en art. 19 van het K.B. 28 december 1972). Dit betekent (...) onder meer de sociale en esthetische aspecten in de beoordeling van de ruimtelijke ordening te verwerken (zie de verschillende criteria in art. 1 DRO). Dat de onmiddellijke omgeving en de samenhang van de bouwplaats/bouwwerken met de onmiddellijke omgeving, feitelijk goed bekeken en beoordeeld moet worden, onder meer esthetisch en sociaal. 2. I.c. vermeldt de beslissing ten opzichte van het aanpalend erf van verzoekers enkel het volgende (...): ‘dat het perceel links achtereenvolgens paalt aan een kippenfokkerij, een losweg (3 m. steenslag) naar een achtergelegen woning, een open strook van circa 40 m., een tot ruïne vervallen woning + afhangen en een open strook die reikt tot de bebouwing langs de Huisepontweg’. N.B. Het onderstreepte betreft de eigendom van eerste verzoeker. En verder nog (...): ‘dat kan gesteld worden dat met onderhavig voorstel geen open ruimte wordt geschonden daar het bedrijf aansluit bij een bestaand kippenbedrijf.’ N.B. Het zgz. bestaand kippenbedrijf betreft de inrichting op perceel g9 (Rogge). 3. Nochtans vergt het beginsel van de goede ruimtelijke ordening dat o.a. rekening gehouden wordt met de criteria vermeld in art. 1 van het DRO (...). X-8.983-9/12 Het is niet voldoende vast te stellen dat een bouwaanvraag overeenstemt (met) de planologische bestemming. Ook de feitelijke toestand moet naast de bestemming gelegd worden. De plaatselijke gegevens van tijd en plaats zijn dus van belang. Dus moet ook met de onmiddellijke omgeving rekening gehouden worden (argumenten geput uit o.a. art. 19 van het K.B. 28 december 1972 en art. 43 van de vroegere stedebouwwet : ‘De afwijking kan slechts verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort’). De onmiddellijke omgeving, zijnde de omgeving binnen een straal van 50 meter (arg. geput uit het Besl. Vl. Regering 4 nov. ’97 inzake de bouwaanvraag). Deze beoordeling van de goede plaatselijke aanleg geldt i.c. nog veel meer omdat er nog geen BPA voorhanden is voor het gebied. 4. Sociale aspecten van de goede ruimtelijke ordening ? Uit de sub punt 2 vermelde motivering blijkt duidelijk dat de overheid zich niet heeft bekommerd om de sociale aspecten t.a.v. verzoekers, althans de eerste verzoeker. Er is geen zorgvuldige vergaring van de feitelijke toestand in de omgeving. Dit terwijl de omgeving een essentiëel element is van de goede ruimtelijke ordening. Verzoekers erf ligt zeker binnen deze onmiddellijke omgeving (nl. 50 meter- straal). Men spreekt i.c. enkel over een achterliggende woning. Dit is geen sociaal motief. Afgezien nog van de motiveringsplicht: uit niets blijkt dat de verwerende partij heeft stilgestaan bij de impact van de vergunning op verzoekers, toch geburen. Dit springt nog meer in het oog nu ook de bezwaren van tijdens het openbaar onderzoek niet in het minst worden bekeken. Dit is kennelijk onredelijk en onzorgvuldig. 5. Stedebouwkundige samenhang (esthetisch element van de goede ruimtelijke ordening) ? Ook hier is er niet enkel een gebrek aan motieven, maar kan ook inhoudelijk gesteld worden dat dergelijke grootschalige constructie het bouwkundig- esthetisch evenwicht tussen nabije gebouwen kennelijk zal verbreken. Dit bv. gezien de totaal andere bouwstijl (residentiëel/landelijk tegenover eerder industriëel), enorme verschillen qua bouwvolume (de vergunde constructie is zeker 6 x zo groot), de nabijheid van een bescheiden woning op 35 m. van de stal, enz. 6. Het is voor verzoekers duidelijk dat zij van geen tel zijn geweest in de belangenafweging. Alleen de economische belangen hebben gespeeld. De bezwaren van de diverse omwonenden wordt zelfs niet meer bekeken. Dit terwijl een redelijk en zorgvuldig bestuur vergt dat met de omwonenden rekening gehouden wordt en de schade op zijn minst beperkt wordt, i.c. door bv. een meer verwijderde inplanting t.o.v. verzoekers. Enz. Dus schending van het beginsel van behoorlijk bestuur”. 3.1.2. Onderzoek van het eerste middel 3.1.2.1. Voor het gebied, waarin het betrokken bouwperceel is gelegen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het is evenmin gelegen binnen een vergunde niet vervallen verkaveling. In dat geval X-8.983-10/12 is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid van het Gecoördineerde Decreet, en dat eveneens uitdrukkelijk is opgenomen in de bepaling van artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 3.1.2.2. Uit de hiervoor reeds vermelde motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij, na een beschrijving te hebben gegeven van de bouwplaats en de omgeving, en van de werken waarvoor de vergunning is gevraagd, enkel de verenigbaarheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming agrarisch gebied heeft onderzocht. De motivering van het bestreden besluit bevat geen overwegingen waaruit blijkt dat de verwerende partij ook heeft onderzocht, zoals vereist door de voormelde bepalingen, of de aanvraag, rekening houdend met de bestaande toestand, beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening. 3.1.2.3. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. X-8.983-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 18 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Rik GOEMINNE de bouwvergunning wordt verleend voor het bouwen van een biggenbatterijstal met loods aan de Marollestraat te Nazareth, kadastraal bekend sectie H, nr. 5/d. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8.983-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div