← België

Arrest 187453 - Milieuvergunningen - 30/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.453 Rolnummer: A. 100893/VII-23195 Zaak: Arrest 187453 - Milieuvergunningen - 30/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.453 van 30 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.453 van 30 oktober 2008 in de zaak A. 100.893/VII-23.195. In zake : de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE, die woonplaats kiest bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de NV BELGO CHROM, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE op 26 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 15 december 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BELGO CHROM voor het verder exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing gedeeltelijk wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 juni 2001 ingediend door de NV BELGO CHROM; VII-23.195-1/16 Gelet op de beschikking van 25 juni 2001 die de tussenkomst van de NV BELGO CHROM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. CALLEBAUT die, loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies, behoudens wat de kosten betreft, van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De NV BELGO CHROM, de tussenkomende partij, is sinds 1985 gevestigd aan de Oostmeersdreef 55 te Deinze. Zij heeft omstreeks die periode de VII-23.195-2/16 gebouwen met bijbehorende installaties en een deel van het personeel van het in faling verklaarde metaalverwerkend bedrijf, de NV VAN AUTREVE & VAN HAUWAERT overgenomen. Ook de lopende exploitatievergunning van het failliete bedrijf werd overgenomen. De tussenkomende partij blijkt zich te hebben gespecialiseerd in het vervaardigen van galvanisch bewerkte metalen producten. De laatste jaren legt de vennootschap zich hoofdzakelijk toe op de productie van metalen designmeubelen. De inrichting van de tussenkomende partij blijkt volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, te zijn gelegen in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (hierna : KMO's). 1.2. Omdat de lopende basisvergunning zou verstrijken op 1 mei 1992 dient de tussenkomende partij op 25 oktober 1991 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in om het bestaande meubelbedrijf verder te exploiteren. Het voorwerp van de aanvraag betreft in concreto : "- werkplaatsen voor metaalbewerking omvattende : 1) verschillende metaalbewerkingsmachines zoals zagen, persen, plooimachines, polier- en slijpmachines, lastoestellen, ... (elektromotoren van samen ± 300 kW); 2) twee compressoren, van 15 en 20 kW; 3) een ontvettingsbak (400

  1. l)op basis van 1,1,1-trichloor ethaan; - een galvano-afdeling (± 230 kW) bestaande uit : 1) diverse ontvettingsbaden, beitsbaden, spoelbaden, 3 vernikkelbaden en één vermessingbad met een gezamenlijk inhoudsvermogen van ± 235.000 l; 2) een ultrasooninstallatie; spoelbaden en een demi-installatie; 3) een verfspuitkabine met watergordijn, (5 kW); 4) een droogoven van 4 kW; - een werkplaats voor het garnieren van stoelen en zetels omvattende diverse snij-, stik- en naaimachines (samen ± 5 kW); - een schrijnwerkerij en een plexi-afdeling omvattende diverse machines (30 kW); - een matrijzenmakerij en een montageafdeling omvattende diverse machines, respectievelijk samen ± 30 kW en ± 15 kW; - een magazijn voor grondstoffen en afgewerkte produkten; - opslagplaatsen voor gassen (zuurstof, acetyleen, stikstof, ...) in verplaatsbare recipiënten met een totaal inhoudsvermogen van ca. 3.000 l; - een electriciteitskabine met hoogspanningstransformator van 630 kVA; - opslag van chemicaliën in vaten en bussen : 1) giftige produkten, nl. 395 kg cyaniden zoals koper-, zink- en natriumcyanide; 2) licht ontvlambare produkten, nl. 1.650 kg verven en thinners; VII-23.195-3/16 3) vaste (± 5.300
  2. kg)en vloeibare (± 1.900
  3. l)schadelijke en corrosieve produkten zoals natriumhydroxyde, zoutzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, ammoniak, ontvetter op basis van methyleenchloride (Decastrip), 1,1,1- tri-chloorethaan (solvethaan), ...; - opslag van 1.000 l olie, 200 l dieselolie en 30 kg vet in vaten; - opslag en wegwerking van giftige afval, verder te exploiteren". De vergunningsaanvraag wordt ontvankelijk en volledig verklaard op 20 december 1991, nadat de aanvraag door de exploitant werd vervolledigd met een aantal ontbrekende stukken. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek van de vergunningsaanvraag worden verscheidene bezwaarschriften en petitielijsten ingediend. 1.4. Op 21 januari 1992 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze een gunstig advies over de vergunningsaanvraag "onder voorbehoud dat de aanvrager verder alle mogelijke inspanningen blijft doen om alle eventuele hinder zowel voor de omwonenden als voor het milieu in het algemeen te voorkomen of te beperken". 1.5. Met een besluit van 2 april 1992 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van tien jaar, maar met een "evaluatie" na twee jaar. Aan de vergunning worden een reeks algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld. Volgens het attest van bekendmaking wordt het deputatiebesluit door aanplakking bekendgemaakt van 22 april 1992 tot 21 mei 1992. 1.6. Tegen het deputatiebesluit van 2 april 1992 worden zeven administratieve beroepen ingesteld bij de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting : - P. VAN CEUNEBROECK, voorzitter van de VZW STICHTING OMER WATTEZ, stelt met een op 14 mei 1992 gedagtekend schrijven beroep in. Op dat beroep wordt als datum van ontvangst 21 mei 1992 vermeld; - het echtpaar ROWAERT-DHONDT dient met een eveneens op 14 mei 1992 gedagtekende brief beroep in. Op het beroepschrift komt een ontvangststempel voor die de datum van 22 mei 1992 vermeldt; - het beroepschrift van Jan VANROBAEYS draagt ook de datum van 14 mei 1992 en is volgens de op het beroepschrift aangebrachte ontvangststempel door de beroepsinstantie ontvangen op 22 mei 1992; VII-23.195-4/16 - het beroep van de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE draagt als datum 18 mei 1992. Het beroep is bij de beroepsinstantie toegekomen op 22 mei 1992; - het echtpaar PIETERS tekent met een op 13 mei 1992 gedagtekende brief beroep aan. Dat beroep is bij de Vlaamse minister toegekomen op 22 mei 1992; - José BROWAEYS stelt met een brief van 16 mei 1992 beroep in. Dat beroep is bij de Vlaamse minister toegekomen op 22 mei 1992; - ten slotte wordt nog beroep ingediend door Irene HOELVOET-DEVOS. Het op 20 mei 1992 gedagtekende beroep wordt door de Vlaamse minister ontvangen op 25 mei 1992. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden verscheidene adviezen uitgebracht : (
  4. a)op 25 juni 1992 verleent het bestuur Ruimtelijke Ordening een gunstig stedenbouwkundig advies. Dat advies luidt als volgt : "(...) De inrichting is volgens het gewestplan Oudenaarde (KB 24 februari 1977) gelegen in een zone voor KMO's en Ambachtelijke bedrijven. Voor het betrokken gebied bestaat geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg. Er wordt door mijn bestuur een gunstig advies uitgebracht mits door het Bestuur Milieuvergunningen de nodige voorwaarden kunnen worden opgelegd, zodat het woonklimaat van de omgeving niet wordt verstoord"; (
  5. b)door het bestuur Milieuvergunningen wordt op 24 juli 1992 een ongunstig advies over de vergunningsaanvraag verleend. In dat advies wordt omstandig ingegaan op de historiek van de inrichting en op de in de inrichting aangewende productieprocessen. Ook wordt dieper ingegaan op de milieuhygiënische aspecten die verband houden met die productieprocessen. Zo wordt aandacht besteed aan de risico's die verband houden met lucht-, water, grond- en bodemverontreiniging, met geluidshinder, met het beheer van afvalstoffen en ten slotte met brand en explosies. Na dat onderzoek komt het bestuur Milieuvergunningen tot het volgende besluit : "Overwegende dat uit de historiek van het bedrijf blijkt dat de vergunningen die verleend werden steeds voor een beperkte termijn waren teneinde de exploitant in staat te stellen zijn installaties naar een andere plaats over te brengen daar dergelijke inrichtingen thuishoren in een industriezone niet palend aan een woonzone; dat dit bevestigd wordt door het besluit van de B.D. van 12 december 1975 waarbij aan de N.V. VAN AUTREVE & VAN HAUWAERT de vergunning verleend werd te Deinze, Europalaan (Industriezone II) een werkplaats voor metaalbewerking te exploiteren voor een termijn van 30 jaar; dat deze laatste vergunning echter nooit gebruikt werd; VII-23.195-5/16 Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Oudenaarde, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 gelegen (
  6. is)in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of K.M.O.'s; dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat industriegebieden een bufferzone moeten omvatten, die hoofdzakelijk een esthetische en planologische functie heeft; dat hier de afwezigheid van een dergelijke bufferzone dient vastgesteld te worden; Overwegende dat de inrichting enerzijds paalt aan de Leie en anderzijds aan een woongebied; dat de onmiddellijke omgeving ter hoogte van de Oostmeersdreef zeer dicht bewoond is; dat de dichtste woningen zich situeren op ± 30 à 40 m van het bedrijfsgebouw waarin de fabricage gebeurt; Overwegende dat de betrokken inrichting omwille van de aard, namelijk oppervlaktebehandelingsmethoden van metalen door galvanisatie en de omvang van de activiteiten, de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke producten, de relatie tot de omgeving en de hinderlijkheid inherent aan dergelijke activiteiten, niet meer kan gecatalogeerd worden als ambachtelijk noch als kleine of middelgrote onderneming; dat het bijgevolg aangewezen is dat dergelijke inrichtingen thuishoren in een industriezone niet palend aan een woonzone; Overwegende dat de huidige exploitatie niet beantwoordt aan de milieueisen qua lucht-, water- en bodembescherming; dat geluidshinder veroorzaakt wordt; dat onvoldoende maatregelen werden getroffen om de gevaarlijke stoffen op te slaan en te behandelen; Overwegende dat gelet op het bovenstaande het niet langer te verantwoorden is de huidige exploitatie nog langer te vergunnen; Er wordt bijgevolg ongunstig advies gegeven voor de uitbating van de inrichting van de n.v. BELGO CHROM, Oostmeersdreef 55 te Deinze"; (
  7. c)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie komt in haar vergadering van 7 augustus 1992 niet tot een eenduidig advies, maar stelt aan de bevoegde minister twee alternatieve oplossingen voor. In een eerste alternatief wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de inrichting, ondanks het ontbreken van een bufferzone, stedenbouwkundig aanvaardbaar is, terwijl in een tweede hypothese wordt uitgegaan van de tegenovergestelde veronderstelling dat de vestigingsplaats niet toegestaan kan worden omdat een bufferzone ten aanzien van het nabijgelegen woongebied ontbreekt. Indien de bevoegde minister zou opteren voor de tweede oplossing wordt een vergunningstermijn van vijf jaar voorgesteld "ten einde de exploitant de gelegenheid te geven het bedrijf naar een beter geschikte vestigingsplaats te verhuizen". De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie laat niet na de bevoegde minister erop te wijzen dat "bij keuze van alternatief 2 kan verwacht worden dat in het Vlaamse Gewest de verdere exploitatie van talrijke bedrijven in het gedrang zal komen". 1.8. Met een besluit van 16 oktober 1992 van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting worden de ingediende beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. Het gedeeltelijk gegrond bevinden van de beroepen slaat enkel op de duurtijd van de in eerste aanleg VII-23.195-6/16 verleende vergunning. Terwijl in eerste aanleg de vergunning werd toegestaan voor een termijn van tien jaar, met een evaluatie na verloop van twee jaar, wordt in beroep de gevraagde vergunning verleend voor een termijn van twee jaar op proef, ingaande op 1 mei 1992. Verder wordt in het dispositief van de beroepsbeslissing het volgende bepaald : "In geval de proeftermijn positief geëvalueerd wordt kan een definitieve vergunning verleend worden voor een termijn van 10 jaar, in het tegenovergestelde geval kan de vergunning verleend worden voor maximaal 4 jaar met het oog op herlocalisatie van het bedrijf". De overige bepalingen van het beroepen deputatiebesluit worden integraal bevestigd. 1.9. In het kader van de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag worden verscheidene adviezen verleend die alle gunstig zijn. Wel werd door de tussenkomende partij en door Jan VANROBAEYS bij de minister gedurende de proefperiode klacht ingediend aangaande lawaai-, geur- en emissiehinder. 1.10. Met een besluit van 20 april 1994 van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting wordt aan de tussenkomende partij de gevraagde vergunning verleend voor een termijn van tien jaar. In dat besluit worden evenwel een aantal nieuwe bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd. Twee van die voorwaarden worden door de tussenkomende partij bestreden, met name : "(...) 3/ bijzondere milieuvoorwaarden :
  8. a)in afwijking van de algemene en sectoriële voorwaarden is elke activiteit verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen; de toezichthoudende ambtenaar kan afwijkingen op deze bepalingen toestaan voor zover ze betrekking hebben op activiteiten die om veiligheidsredenen noodzakelijk zijn;
  9. b)de exploitant ontwikkelt een actieve communicatiestrategie met de buurt en in het bijzonder met de VZW Buurtcomité OOSTMEERSDREEF DEINZE teneinde ongemakken en wrevel maximaal te vermijden en te verhelpen; hiertoe doet de exploitant beroep op een extern bureau dat gespecialiseerd is in communicatiebevordering en inspraakbegeleiding; de door het bureau voorgestelde maatregelen dienen onverkort te worden uitgevoerd; het aangezochte bureau moet als deskundige worden aanvaard door het gemeentebestuur dat bij de werkzaamheden wordt betrokken". VII-23.195-7/16 De voorwaarde sub 3/,
  10. a)werd inmiddels versoepeld en vervangen door een nieuwe voorwaarde waardoor het exploitatieverbod op werkdagen enkel nog geldt tussen 20 uur en 6 uur. 1.11. Op 27 december 1992 heeft de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van : (
  11. a)het besluit van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting van 16 oktober 1992 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992, houdende het verlenen van de vergunning op proef aan de NV BELGO CHROM voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55; (
  12. b)"de kennisgevingszending van 26.10.1992 gericht aan de n.v. BELGO CHROM -ontvangen op 27.10.1992- en bevattende het afschrift van voorgenoemd Ministerieel Besluit"; (
  13. c)het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992 houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BELGO CHROM voor het exploiteren van een meubelbedrijf gelegen aan de Oostmeersdreef 55 te Deinze. Deze zaak is gekend onder A. 49.658/VII-11.664. 1.12. Op 21 januari 1993 hebben de verzoekende partij, Jan VANROBAEYS en de VZW STICHTING OMER WATTEZ bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de nietigverklaring te vorderen van voornoemd ministerieel besluit van 16 oktober 1992. Deze zaak is gekend onder A. 50.009/VII-11.763. 1.13. Op 27 juni 1994 heeft de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van artikel 4, 3/, a en b van het besluit van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting van 20 april 1994 houdende het verlenen aan de tussenkomende partij van een milieuvergunning voor de exploitatie van een inrichting gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55. Deze zaak is gekend onder A. 58.643/VII-12.675. 1.14. Op 1 juli 1994 hebben de verzoekende partij en Jan VANROBAEYS bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van voornoemd ministerieel besluit van 20 april 1994. Deze zaak is gekend onder A. 58.714/VII-12.684. VII-23.195-8/16 1.15. Bij arrest van de Raad van State nr. 88.475 van 29 juni 2000 wordt het besluit van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting van 16 oktober 1992, waarbij op beroep aan de tussenkomende partij een vergunning op proef voor een termijn van twee jaar wordt verleend voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55, vernietigd en wordt ook het besluit van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Huisvesting van 20 april 1994 houdende het verlenen van een vergunning voor een termijn van tien jaar voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55, vernietigd. De beroepen worden voor het overige verworpen. Dienvolgens dient de vergunningverlenende overheid een nieuwe beslissing te nemen. 1.16. De nodige adviezen worden opnieuw uitgebracht : (
  14. a)op 8 augustus en 4 september 2000 verleent de Vlaamse Milieumaatschappij gunstige adviezen; (
  15. b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 5 en 28 september 2000 gunstig; (
  16. c)het advies gegeven op 27 september 2000 van de afdeling Milieuvergunningen is voorwaardelijk gunstig; (
  17. d)op 2 oktober 2000 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie eveneens gedeeltelijk gunstig. 1.17. Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 15 december 2000 worden de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992, houdende het verlenen van de vergunning aan de tussenkomende partij, deels gegrond verklaard. Dit is het thans bestreden besluit. 1.18. Intussen wordt op 12 augustus 1999 aan de tussenkomende partij een milieuvergunning verleend voor het veranderen van een meubelbedrijf door toevoeging van een poederlakinstallatie en moffeloven (geldig tot 1 mei 2004) en voor het lozen van maximum 2 m3/dag huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. 1.19. Op 30 maart 2001 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in om een inrichting, gelegen aan de Oostmeersdreef 75 te Deinze, verder te exploiteren. VII-23.195-9/16 1.20. Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 september 2001 wordt voor een termijn van twintig jaar aan de tussenkomende partij de vergunning verleend voor die inrichting "met als voorwerp: verder te exploiteren en te veranderen door : - uitbreiding met: * de lozing van huishoudelijk afvalwater; * een stelplaats voor 2 vrachtwagens, 1 terreinwagen en een heftruck; * de opslag van 155 kg giftige en zeer giftige producten tot in totaal 550 kg; * de opslag van 155 l white-spirit; * de opslag van 350 l P3-producten tot in totaal 550 l; * diverse kunststofbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 23,25 kW (in principe zijn het dezelfde machines van de houtbewerking die echter tevens kunststoffen kunnen verwerken); * een textielmachine tot een totaal vermogen van 6,29 kW; * tien stookinstallaties met een gezamenlijk warmtevermogen van 1007 kW; - vervanging van: * een compressor van 20 kW door een van 22 kW; - de vermindering van: * de gasopslag in flessen met 31 l; * de opslag van oxyderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen met 17 kg; * de opslag van P4-producten met 127 l; * de houtbewerkingstoestellen met een vermogen van 6,75 kW; * de inhoud van de behandelings- en spoelbaden met 5.620 l; - de opsplitsing van rubriek 29.5.2.3/ (vergund voor 244 kW) in rubriek 29.5.2.2/ met het te vergunnen vermogen van 113,92 kW (metaalbewerkende machines behalve de slijp- en poliermachines) en in rubriek 29.5.4.2/ met het te vergunnen vermogen van 160 kW (d.i. dus een uitbreiding met 30 kW t.a.v. het vergunde vermogen); tot volgende toestand: Rubrieken: 3.2.

(3)De lozing van 1,1 m3/dag huishoudelijk afvalwater in de Leie. 3.3.
(3)De lozing van 1,1 m3/dag huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Trekweg langs de Leie. 4.3.b)2/
(3)Een poederlakinstallatie met een geïnstalleerd vermogen van 22 kW. 4.4.
(2)Een poederlakinstallatie met een volume aan ovens van 24,3 m3. 12.2.1/
(3)Een transformator van 630 kVA. 15.1.1/
(3)Een stelplaats voor 2 vrachtwagens, 1 terreinwagen en een heftruck. 16.3.1.1/
(3)Twee compressoren van respectievelijk 22 kW en 11 kW. 16.7.2/
(2)De opslag van 1.969 liter diverse gassen in flessen. 17.3.2.2/
(2)De opslag van 550 kg giftige en zeer giftige producten waarvan 200 kg natriumcyanide, 110 kg nikkelchloride, 100 kg nikkel-antik, 50 kg kopercyanide, 50 kg zinkcyanide en 50 kg kaliumcyanide. VII-23.195-10/16 17.3.3.2/
(2)De opslag van 7.183 kg diverse schadelijke, corrosieve en irriterende producten in verplaatsbare recipiënten. 17.3.5.1/
(3)De opslag van 155 liter white-spirit. 17.3.6.1/b)
(3)De opslag van 550 liter P3-producten in verplaatsbare recipiënten. 17.3.7.1/
(3)De opslag van 873 liter P4-producten in verplaatsbare recipiënten. 19.3.2/
(2)Diverse houtbewerkingsmachines met een geïnstalleerd vermogen van 23,25 kW. 23.2.2/
(2)Diverse machines voor de bewerking van kunststoffen met een geïnstalleerd vermogen van 23,25 kW. 29.5.2.2/
(2)Diverse metaalbewerkingsmachines met een geïnstalleerde drijfkracht van 113,92 kW. 29.5.4.2/
(2)Diverse machines voor het fysisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde drijfkracht van 160,05 kW. 29.5.5.4/
(1)Diverse behandelings- en spoelbaden voor de oppervlaktebehandeling van metalen d.m.v. elektrolytisch of chemisch procédé, met een totale inhoud van 229.380 liter. 29.5.7.a) 2/
(2)Het ontvetten van metalen in spoelbaden met een totale inhoud van 400 liter. 41.1.1/
(3)Diverse textielmachines met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 6,29 kW. 43.1.2/
(2)Tien stookinstallaties met een totaal geïnstalleerd warmtevermogen van 1.007 kW (een droogoven van 137 kW en stookinstallaties van 345 kW, 130 kW, 116 kW, 73 kW, 55kW, 2 X 42kW, 39 kW en 28 kW)". 1.21. De verzoekende partij stelt, samen met anderen, beroep in tegen voornoemd besluit. 1.22. De nodige adviezen worden ingewonnen : (
  1. a)de Vlaamse Milieumaatschappij geeft op 26 november 2001 een voorwaardelijk gunstig advies; (
  2. b)op 13 december 2001 geeft de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies; (
  3. c)op 19 december 2001 geeft de afdeling Milieuvergunningen gunstig advies; (
  4. d)op 20 december 2001 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie eveneens gunstig. 1.23. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw verklaart op 18 maart 2002 de beroepen deels gegrond en wijzigt het beroepen beslissing als volgt : VII-23.195-11/16 "in artikel 3, §3 van het beroepen besluit wordt : 1. de bijzondere voorwaarde nr. 4) 'M.b.t. de contacten met de buurt' aangevuld met volgende bepalingen: 'De strategie dient minstens te voorzien in 1 overlegmoment per jaar, waarop een delegatie van de omwonenden, samen met een vertegenwoordiger van de afdelingen Milieuvergunningen en Milieu-inspectie, word(
  5. en)uitgenodigd. Op dit overlegmoment dienen de door de omwonenden aangebrachte knelpunten te worden besproken, en legt het bedrijf de resultaten voor van genomen maatregelen.... Bijkomende overlegmomenten kunnen gevraagd worden door de omwonenden'. 2. een bijzondere voorwaarde nr. 10) toegevoegd, luidend als volgt: '10) M.b.t. de visuele inpassing van het bedrijf in zijn omgeving Tegen uiterlijk 1 oktober 2002 legt (het) bedrijf een lange termijn planning ter goedkeuring voor aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen en aan het College van Burgemeester en Schepenen van Deinze, met betrekking tot de visuele inkleding van het bedrijf. Hierin worden onder meer voorstellen gedaan in verband met aanleg van groen (langs de kant van de Leie, ...), opknappen of afbreken van bouwvallige constructies,... . De termijnen opgenomen in deze planning, na goedkeuring, dienen strikt nageleefd, onder voorbehoud van de toekenning van de eventueel nodige stedenbouwkundige vergunningen'". Tegen dit besluit wordt door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder A. 121.587/VII-26.758; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie een gebrek aan actueel belang in hoofde van de verzoekende partij opwerpt; dat zij stelt dat het bestreden besluit gedeeltelijk een milieuvergunning toekent aan de tussenkomende partij voor het uitbaten van een meubelbedrijf, dat deze milieuvergunning wordt verleend voor een duur van tien jaar en dus maar geldig is tot en met 2 april 2002, dat dit ook niet door de verzoekende partij wordt betwist, dat het vaste rechtspraak van de Raad van State is dat eenieder moet beschikken over een actueel belang, zowel op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring, als op het tijdstip dat de Raad van State uitspraak doet over het beroep, dat te dezen de verzoekende partij geenszins meer zal beschikken over een actueel belang op het tijdstip van de uitspraak door de Raad van State, dat de verzoekende partij ten tijde van het instellen van onderhavig annulatieberoep zeer goed wist dat de milieuvergunning zou komen te vervallen op 2 april 2002 aangezien de vervaltermijn werd bevestigd in het bestreden besluit, dat het dan ook reeds op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot tussenkomst vaststond dat de VII-23.195-12/16 verzoekende partij geenszins beschikt over een actueel belang, wat nochtans vereist is krachtens artikel 19, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dat het annulatieberoep dan ook onontvankelijk is; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij op dit punt geen probleem maakt, dat het belang van een partij moet worden beoordeeld op het ogenblik dat zij haar verzoekschrift indient, dat het bestreden besluit op dat ogenblik alsook bij het indienen van de memorie van wederantwoord nog niet vervallen was, dat het inderdaad zo zal zijn dat de Raad van State op datum van verval van de bestreden vergunning nog geen uitspraak zal hebben gedaan over het annulatieberoep, dat zich dan de vraag stelt wat de nuttige rechtsgevolgen zijn van de vernietiging van een vergunning die intussen vervallen is, dat dit een zaak is die de zorg en het belang is van de verzoekende partij; dat zij meent dat een vernietiging noodzakelijk is voor het rechtsherstel, dat alleen de Raad van State de bevoegdheid heeft te vernietigen, dat de burgerlijke rechtbanken deze bevoegdheid niet hebben, dat zij aldus aantoont dat zij een rechtstreeks belang heeft bij de vernietiging, dat het rechtsherstel dan onder meer betekent dat de periode binnen dewelke het bedrijf werd geëxploiteerd als een onvergunde periode moet worden beschouwd, dat immers een beslissing die na de vernietiging in de plaats komt van de vernietigde beslissing niet zomaar met terugwerkende kracht in de plaats treedt, dat deze regularisatie voor het verleden, minstens voor de periode vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot de datum van de nieuwe uitspraak, des te problematischer is indien de vernietiging is gebaseerd op, bijvoorbeeld, een schending van de gewestplanbestemming en de schending van de bepalingen in verband met de bufferzones, dat als de verwerende partij, na vernietiging, een nieuwe beslissing moet nemen, zij rekening zal moeten houden met dit arrest van de Raad van State dat zal moeten worden verwerkt in de beslissing, dat dit een belangrijke vorm is van rechtsherstel en morele genoegdoening, dat de schending door een bestuur van belangen en wetten door een foutieve beslissing immers enkel kan worden goedgemaakt door een beslissing van hetzelfde bevoegde bestuur, die de belangen en wetten erkent door een juiste beslissing, dat ook het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 het volgende heeft gesteld als antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad van State : "Een verzoeker verliest niet noodzakelijk elk belang bij de vernietiging van een onwettige benoeming wanneer hij op pensioen wordt gesteld. Aldus, al kan hij de functie waarvan hij de toewijzing betwist weliswaar niet meer ambiëren, toch kan hij een belang, moreel of materieel, behouden bij de vernietiging erga VII-23.195-13/16 omnes van de beslissing die hem heeft belet die functie te bekleden. Bovendien zal een vernietigingsarrest het hem vergemakkelijken de fout van de administratie aan te tonen indien hij voor de burgerlijke rechter een geding instelt", dat er dus ook in die zaak een belangrijk tijdsaspect was, met name het bereiken van de pensioenleeftijd; dat de verzoekende partij voorts stelt dat een arrest erga omnes haar materieel en moreel voordeel zal opleveren, zoals op het vlak van de rechtszekerheid en de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen voor de verstreken onwettige uitbatingsperiode, dat bovendien de vernietiging van de vergunning ook weerslag heeft op de huidige vergunningssituatie, aangezien deze juist ook verknocht is met de thans bestreden vergunning, dat de tussenkomende partij geen nieuwe milieuvergunning zou hebben aangevraagd voor de "hernieuwing, uitbreiding, wijziging, uitbreiding en toevoeging..." indien zij wist dat de vorige milieuvergunning onwettig was; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat er arresten van de Raad van State zijn waarbij, spijts het verval van een vergunning, toch nog de vernietiging wordt uitgesproken "om redenen van rechtszekerheid of dergelijke", dat zij heeft beslist om de zaak principieel haar beloop te laten en aan te houden, dat niet kan worden ontkend dat artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, "stricto sensu niet vereist dat het belang bij de vernietiging ook nog bestaat op het ogenblik van de uitspraak of de behandeling van de zaak", dat zij nog steeds met de "problematiek Oostmeersdreef" bezig is, dat de vernietiging van het bestreden besluit nog steeds kan bijdragen tot de realisatie van de doelstelling van de vereniging inzake het instandhouden, vrijwaren en bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving ten behoeve van de bewoners van de Oostmeersdreef, dat de vernietiging van de milieuvergunning, zeker wanneer dit zou gebeuren om redenen die verband houden met de bescherming van het leefmilieu, dan ook kan worden beschouwd als een middel om de doelstelling van de vereniging te realiseren, dat de vernietiging van deze milieuvergunning onmogelijk het tegendeel kan bewerkstelligen, met name een verslechtering van de leefkwaliteit voor de bewoners van de Oostmeersdreef; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de vernietiging van de vergunning geen rechtstreeks nut meer kan opleveren voor de verzoekende partij, dat zij derhalve het rechtens vereiste belang ontbeert en dat de kosten ten haren laste moeten blijven; VII-23.195-14/16 2.5. Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning had verleend voor een termijn tot 2 april 2002; dat het thans bestreden besluit in artikel 3 stipuleert dat de "overige bepalingen" van de beroepen beslissing worden bevestigd; dat deze "overige bepalingen" onder meer slaan op de geldigheidsduur van de vergunning; dat de vergunningstermijn inmiddels is verstreken; dat het feit dat een vernietiging mogelijke herhaling kan voorkomen, niet volstaat om nog enig actueel belang te onderkennen; dat zulkdanig belang gelijkstaat met het belang dat alle burgers hebben bij een correcte toepassing van de wetgeving; dat het belang dat louter is gelegen in het verkrijgen van een arrest waarin erga omnes de onwettigheid van een bestuurshandeling wordt vastgesteld, geen rechtstreeks belang is dat is verbonden aan de finaliteit van het vernietigingscontentieux die erin bestaat onwettige rechtshandelingen ex tunc uit de rechtsorde te doen verdwijnen; dat het belang dat erin bestaat een titel te verkrijgen om voor de "gewone" rechter schadevergoeding te vorderen niet rechtstreeks is verbonden aan het uit het rechtsverkeer doen verdwijnen van een onwettige bestuurshandeling, maar aan het gegrond horen verklaren van een middel; dat ook de "gewone" rechter in een procedure tot schadevergoeding de onwettigheid van een bestuurshandeling kan vaststellen; dat de hierboven weergegeven beschouwingen in de laatste memorie van de verzoekende partij daaraan geen afbreuk vermogen te doen; dat de verzoekende partij niet beschikt over het rechtens vereiste zeker en actueel belang; dat het beroep niet ontvankelijk is, VII-23.195-15/16 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.195-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.