id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.454 Rolnummer: A. 121587/VII-26758 Zaak: Arrest 187454 - Milieuvergunningen - 30/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.454 van 30 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.454 van 30 oktober 2008 in de zaak A. 121.587/VII-26.758. In zake : de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE, die woonplaats kiest bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de NV BELGO CHROM, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE op 27 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverkla- ring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 maart 2002 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 september 2001, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BELGO CHROM om een inrichting te exploiteren, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 75, deels gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 augustus 2002 ingediend door de NV BELGO CHROM; VII-26.758-1/18 Gelet op de beschikking van 28 augustus 2002 die de tussenkomst van de NV BELGO CHROM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 18 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. CALLEBAUT die, loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De NV BELGO CHROM, de tussenkomende partij, is sinds 1985 gevestigd aan de Oostmeersdreef 55 te Deinze. Zij heeft omstreeks die periode de VII-26.758-2/18 gebouwen met bijbehorende installaties en een deel van het personeel van het in faling verklaarde metaalverwerkend bedrijf, de NV VAN AUTREVE & VAN HAUWAERT overgenomen. Ook de lopende exploitatievergunning van het failliete bedrijf werd overgenomen. De tussenkomende partij blijkt zich te hebben gespecialiseerd in het vervaardigen van galvanisch bewerkte metalen producten. De laatste jaren legt de vennootschap zich hoofdzakelijk toe op de productie van metalen designmeubelen. De inrichting van de tussenkomende partij blijkt volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, te zijn gelegen in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (hierna : KMO's). 1.2. Omdat de lopende basisvergunning zou verstrijken op 1 mei 1992 dient de tussenkomende partij op 25 oktober 1991 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in om het bestaande meubelbedrijf verder te exploiteren. Het voorwerp van de aanvraag betreft in concreto : "- werkplaatsen voor metaalbewerking omvattende : 1) verschillende metaalbewerkingsmachines zoals zagen, persen, plooimachines, polier- en slijpmachines, lastoestellen, ... (elektromotoren van samen ± 300 kW); 2) twee compressoren, van 15 en 20 kW; 3) een ontvettingsbak (400
- l)op basis van 1,1,1-trichloor ethaan; - een galvano-afdeling (± 230 kW) bestaande uit : 1) diverse ontvettingsbaden, beitsbaden, spoelbaden, 3 vernikkelbaden en één vermessingbad met een gezamenlijk inhoudsvermogen van ± 235.000 l; 2) een ultrasooninstallatie; spoelbaden en een demi-installatie; 3) een verfspuitkabine met watergordijn, (5 kW); 4) een droogoven van 4 kW; - een werkplaats voor het garnieren van stoelen en zetels omvattende diverse snij-, stik- en naaimachines (samen ± 5 kW); - een schrijnwerkerij en een plexi-afdeling omvattende diverse machines (30 kW); - een matrijzenmakerij en een montageafdeling omvattende diverse machines, respectievelijk samen ± 30 kW en ± 15 kW; - een magazijn voor grondstoffen en afgewerkte produkten; - opslagplaatsen voor gassen (zuurstof, acetyleen, stikstof, ...) in verplaatsbare recipiënten met een totaal inhoudsvermogen van ca. 3.000 l; - een electriciteitskabine met hoogspanningstransformator van 630 kVA; - opslag van chemicaliën in vaten en bussen : 1) giftige produkten, nl. 395 kg cyaniden zoals koper-, zink- en natriumcyanide; 2) licht ontvlambare produkten, nl. 1.650 kg verven en thinners; VII-26.758-3/18 3) vaste (± 5.300
- kg)en vloeibare (± 1.900
- l)schadelijke en corrosieve produkten zoals natriumhydroxyde, zoutzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, ammoniak, ontvetter op basis van methyleenchloride (Decastrip), 1,1,1- tri-chloorethaan (solvethaan), ...; - opslag van 1.000 l olie, 200 l dieselolie en 30 kg vet in vaten; - opslag en wegwerking van giftige afval, verder te exploiteren". De vergunningsaanvraag wordt ontvankelijk en volledig verklaard op 20 december 1991, nadat de aanvraag door de exploitant werd vervolledigd met een aantal ontbrekende stukken. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek van de vergunningsaanvraag worden verscheidene bezwaarschriften en petitielijsten ingediend. 1.4. Op 21 januari 1992 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze een gunstig advies over de vergunningsaanvraag "onder voorbehoud dat de aanvrager verder alle mogelijke inspanningen blijft doen om alle eventuele hinder zowel voor de omwonenden als voor het milieu in het algemeen te voorkomen of te beperken". 1.5. Met een besluit van 2 april 1992 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van tien jaar, maar met een "evaluatie" na twee jaar. Aan de vergunning worden een reeks algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld. Volgens het attest van bekendmaking wordt het deputatiebesluit door aanplakking bekendgemaakt van 22 april 1992 tot 21 mei 1992. 1.6. Tegen het deputatiebesluit van 2 april 1992 worden zeven administratieve beroepen ingesteld bij de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting : - P. VAN CEUNEBROECK, voorzitter van de VZW STICHTING OMER WATTEZ, stelt met een op 14 mei 1992 gedagtekend schrijven beroep in. Op dat beroep wordt als datum van ontvangst 21 mei 1992 vermeld; - het echtpaar ROWAERT-DHONDT dient met een eveneens op 14 mei 1992 gedagtekende brief beroep in. Op het beroepschrift komt een ontvangststempel voor die de datum van 22 mei 1992 vermeldt; - het beroepschrift van Jan VANROBAEYS draagt ook de datum van 14 mei 1992 en is volgens de op het beroepschrift aangebrachte ontvangststempel door de beroepsinstantie ontvangen op 22 mei 1992; VII-26.758-4/18 - het beroep van de VZW BUURTCOMITÉ OOSTMEERSDREEF DEINZE draagt als datum 18 mei 1992. Het beroep is bij de beroepsinstantie toegekomen op 22 mei 1992; - het echtpaar PIETERS tekent met een op 13 mei 1992 gedagtekende brief beroep aan. Dat beroep is bij de Vlaamse minister toegekomen op 22 mei 1992; - José BROWAEYS stelt met een brief van 16 mei 1992 beroep in. Dat beroep is bij de Vlaamse minister toegekomen op 22 mei 1992; - ten slotte wordt nog beroep ingediend door Irene HOELVOET-DEVOS. Het op 20 mei 1992 gedagtekende beroep wordt door de Vlaamse minister ontvangen op 25 mei 1992. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden verscheidene adviezen uitgebracht : (
- a)op 25 juni 1992 verleent het bestuur Ruimtelijke Ordening een gunstig stedenbouwkundig advies. Dat advies luidt als volgt : "(...) De inrichting is volgens het gewestplan Oudenaarde (KB 24 februari 1977) gelegen in een zone voor KMO's en Ambachtelijke bedrijven. Voor het betrokken gebied bestaat geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg. Er wordt door mijn bestuur een gunstig advies uitgebracht mits door het Bestuur Milieuvergunningen de nodige voorwaarden kunnen worden opgelegd, zodat het woonklimaat van de omgeving niet wordt verstoord"; (
- b)door het bestuur Milieuvergunningen wordt op 24 juli 1992 een ongunstig advies over de vergunningsaanvraag verleend. In dat advies wordt omstandig ingegaan op de historiek van de inrichting en op de in de inrichting aangewende productieprocessen. Ook wordt dieper ingegaan op de milieuhygiënische aspecten die verband houden met die productieprocessen. Zo wordt aandacht besteed aan de risico's die verband houden met lucht-, water, grond- en bodemverontreiniging, met geluidshinder, met het beheer van afvalstoffen en ten slotte met brand en explosies. Na dat onderzoek komt het bestuur Milieuvergunningen tot het volgende besluit : "Overwegende dat uit de historiek van het bedrijf blijkt dat de vergunningen die verleend werden steeds voor een beperkte termijn waren teneinde de exploitant in staat te stellen zijn installaties naar een andere plaats over te brengen daar dergelijke inrichtingen thuishoren in een industriezone niet palend aan een woonzone; dat dit bevestigd wordt door het besluit van de B.D. van 12 december 1975 waarbij aan de N.V. VAN AUTREVE & VAN HAUWAERT de vergunning verleend werd te Deinze, Europalaan (Industriezone II) een werkplaats voor metaalbewerking te exploiteren voor een termijn van 30 jaar; dat deze laatste vergunning echter nooit gebruikt werd; VII-26.758-5/18 Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Oudenaarde, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 gelegen (
- is)in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of K.M.O.'s; dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat industriegebieden een bufferzone moeten omvatten, die hoofdzakelijk een esthetische en planologische functie heeft; dat hier de afwezigheid van een dergelijke bufferzone dient vastgesteld te worden; Overwegende dat de inrichting enerzijds paalt aan de Leie en anderzijds aan een woongebied; dat de onmiddellijke omgeving ter hoogte van de Oostmeersdreef zeer dicht bewoond is; dat de dichtste woningen zich situeren op ± 30 à 40 m van het bedrijfsgebouw waarin de fabricage gebeurt; Overwegende dat de betrokken inrichting omwille van de aard, namelijk oppervlaktebehandelingsmethoden van metalen door galvanisatie en de omvang van de activiteiten, de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke producten, de relatie tot de omgeving en de hinderlijkheid inherent aan dergelijke activiteiten, niet meer kan gecatalogeerd worden als ambachtelijk noch als kleine of middelgrote onderneming; dat het bijgevolg aangewezen is dat dergelijke inrichtingen thuishoren in een industriezone niet palend aan een woonzone; Overwegende dat de huidige exploitatie niet beantwoordt aan de milieueisen qua lucht-, water- en bodembescherming; dat geluidshinder veroorzaakt wordt; dat onvoldoende maatregelen werden getroffen om de gevaarlijke stoffen op te slaan en te behandelen; Overwegende dat gelet op het bovenstaande het niet langer te verantwoorden is de huidige exploitatie nog langer te vergunnen; Er wordt bijgevolg ongunstig advies gegeven voor de uitbating van de inrichting van de n.v. BELGO CHROM, Oostmeersdreef 55 te Deinze"; (
- c)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie komt in haar vergadering van 7 augustus 1992 niet tot een eenduidig advies, maar stelt aan de bevoegde minister twee alternatieve oplossingen voor. In een eerste alternatief wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de inrichting, ondanks het ontbreken van een bufferzone, stedenbouwkundig aanvaardbaar is, terwijl in een tweede hypothese wordt uitgegaan van de tegenovergestelde veronderstelling dat de vestigingsplaats niet toegestaan kan worden omdat een bufferzone ten aanzien van het nabijgelegen woongebied ontbreekt. Indien de bevoegde minister zou opteren voor de tweede oplossing wordt een vergunningstermijn van vijf jaar voorgesteld "ten einde de exploitant de gelegenheid te geven het bedrijf naar een beter geschikte vestigingsplaats te verhuizen". De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie laat niet na de bevoegde minister erop te wijzen dat "bij keuze van alternatief 2 kan verwacht worden dat in het Vlaamse Gewest de verdere exploitatie van talrijke bedrijven in het gedrang zal komen". 1.8. Met een besluit van 16 oktober 1992 van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting worden de ingediende beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. Het gedeeltelijk gegrond bevinden van de beroepen slaat enkel op de duurtijd van de in eerste aanleg VII-26.758-6/18 verleende vergunning. Terwijl in eerste aanleg de vergunning werd toegestaan voor een termijn van tien jaar, met een evaluatie na verloop van twee jaar, wordt in beroep de gevraagde vergunning verleend voor een termijn van twee jaar op proef, ingaande op 1 mei 1992. Verder wordt in het dispositief van de beroepsbeslissing het volgende bepaald : "In geval de proeftermijn positief geëvalueerd wordt kan een definitieve vergunning verleend worden voor een termijn van 10 jaar, in het tegenovergestelde geval kan de vergunning verleend worden voor maximaal 4 jaar met het oog op herlocalisatie van het bedrijf". De overige bepalingen van het beroepen deputatiebesluit worden integraal bevestigd. 1.9. In het kader van de definitieve beoordeling van de vergunningsaanvraag worden verscheidene adviezen verleend die alle gunstig zijn. Wel werd door de tussenkomende partij en door Jan VANROBAEYS bij de minister gedurende de proefperiode klacht ingediend aangaande lawaai-, geur- en emissiehinder. 1.10. Met een besluit van 20 april 1994 van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting wordt aan de tussenkomende partij de gevraagde vergunning verleend voor een termijn van tien jaar. In dat besluit worden evenwel een aantal nieuwe bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd. Twee van die voorwaarden worden door de tussenkomende partij bestreden, met name : "(...) 3/ bijzondere milieuvoorwaarden :
- a)in afwijking van de algemene en sectoriële voorwaarden is elke activiteit verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen; de toezichthoudende ambtenaar kan afwijkingen op deze bepalingen toestaan voor zover ze betrekking hebben op activiteiten die om veiligheidsredenen noodzakelijk zijn;
- b)de exploitant ontwikkelt een actieve communicatiestrategie met de buurt en in het bijzonder met de VZW Buurtcomité OOSTMEERSDREEF DEINZE teneinde ongemakken en wrevel maximaal te vermijden en te verhelpen; hiertoe doet de exploitant beroep op een extern bureau dat gespecialiseerd is in communicatiebevordering en inspraakbegeleiding; de door het bureau voorgestelde maatregelen dienen onverkort te worden uitgevoerd; het aangezochte bureau moet als deskundige worden aanvaard door het gemeentebestuur dat bij de werkzaamheden wordt betrokken". VII-26.758-7/18 De voorwaarde sub 3/,
- a)werd inmiddels versoepeld en vervangen door een nieuwe voorwaarde waardoor het exploitatieverbod op werkdagen enkel nog geldt tussen 20 uur en 6 uur. 1.11. Op 27 december 1992 heeft de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van : (
- a)het besluit van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting van 16 oktober 1992 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992, houdende het verlenen van de vergunning op proef aan de NV BELGO CHROM voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55; (
- b)"de kennisgevingszending van 26.10.1992 gericht aan de n.v. BELGO CHROM -ontvangen op 27.10.1992- en bevattende het afschrift van voorgenoemd Ministerieel Besluit"; (
- c)het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992 houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BELGO CHROM voor het exploiteren van een meubelbedrijf gelegen aan de Oostmeersdreef 55 te Deinze. Deze zaak is gekend onder A. 49.658/VII-11.664. 1.12. Op 21 januari 1993 hebben de verzoekende partij, Jan VANROBAEYS en de VZW STICHTING OMER WATTEZ bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de nietigverklaring te vorderen van voornoemd ministerieel besluit van 16 oktober 1992. Deze zaak is gekend onder A. 50.009/VII-11.763. 1.13. Op 27 juni 1994 heeft de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van artikel 4, 3/, a en b van het besluit van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting van 20 april 1994 houdende het verlenen aan de tussenkomende partij van een milieuvergunning voor de exploitatie van een inrichting gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55. Deze zaak is gekend onder A. 58.643/VII-12.675. 1.14. Op 1 juli 1994 hebben de verzoekende partij en Jan VANROBAEYS bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend om de vernietiging te vorderen van voornoemd ministerieel besluit van 20 april 1994. Deze zaak is gekend onder A. 58.714/VII-12.684. VII-26.758-8/18 1.15. Bij arrest van de Raad van State nr. 88.475 van 29 juni 2000 wordt het besluit van de vice-voorzitter van de Vlaamse regering en de gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Huisvesting van 16 oktober 1992, waarbij op beroep aan de tussenkomende partij een vergunning op proef voor een termijn van twee jaar wordt verleend voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55, vernietigd en wordt ook het besluit van de minister vice-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Huisvesting van 20 april 1994 houdende het verlenen van een vergunning voor een termijn van tien jaar voor het exploiteren van een meubelbedrijf, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 55, vernietigd. De beroepen worden voor het overige verworpen. Dienvolgens dient de vergunningverlenende overheid een nieuwe beslissing te nemen. 1.16. De nodige adviezen worden opnieuw uitgebracht : (
- a)op 8 augustus en 4 september 2000 verleent de Vlaamse Milieumaatschappij gunstige adviezen; (
- b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 5 en 28 september 2000 gunstig; (
- c)het advies gegeven op 27 september 2000 van de afdeling Milieuvergunningen is voorwaardelijk gunstig; (
- d)op 2 oktober 2000 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie eveneens gedeeltelijk gunstig. 1.17. Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 15 december 2000 worden de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 april 1992, houdende het verlenen van de vergunning aan de tussenkomende partij, deels gegrond verklaard. 1.18. Tegen voornoemd besluit is door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder A. 100.893/VII-23.195. 1.19. Intussen wordt op 12 augustus 1999 aan de tussenkomende partij een milieuvergunning verleend voor het veranderen van een meubelbedrijf door toevoeging van een poederlakinstallatie en moffeloven (geldig tot 1 mei 2004) en voor het lozen van maximum 2 m3/dag huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. VII-26.758-9/18 1.20. Op 30 maart 2001 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in om een inrichting, gelegen aan de Oostmeersdreef 75 te Deinze, verder te exploiteren. 1.21. Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 september 2001 wordt voor een termijn van twintig jaar aan de tussenkomende partij de vergunning verleend voor die inrichting "met als voorwerp: verder te exploiteren en te veranderen door : - uitbreiding met: * de lozing van huishoudelijk afvalwater; * een stelplaats voor 2 vrachtwagens, 1 terreinwagen en een heftruck; * de opslag van 155 kg giftige en zeer giftige producten tot in totaal 550 kg; * de opslag van 155 l white-spirit; * de opslag van 350 l P3-producten tot in totaal 550 l; * diverse kunststofbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van 23,25 kW (in principe zijn het dezelfde machines van de houtbewerking die echter tevens kunststoffen kunnen verwerken); * een textielmachine tot een totaal vermogen van 6,29 kW; * tien stookinstallaties met een gezamenlijk warmtevermogen van 1007 kW; - vervanging van: * een compressor van 20 kW door een van 22 kW; - de vermindering van: * de gasopslag in flessen met 31 l; * de opslag van oxyderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen met 17 kg; * de opslag van P4-producten met 127 l; * de houtbewerkingstoestellen met een vermogen van 6,75 kW; * de inhoud van de behandelings- en spoelbaden met 5.620 l; - de opsplitsing van rubriek 29.5.2.3/ (vergund voor 244 kW) in rubriek 29.5.2.2/ met het te vergunnen vermogen van 113,92 kW (metaalbewerkende machines behalve de slijp- en poliermachines) en in rubriek 29.5.4.2/ met het te vergunnen vermogen van 160 kW (d.i. dus een uitbreiding met 30 kW t.a.v. het vergunde vermogen); tot volgende toestand: Rubrieken: 3.2.
(3)De lozing van 1,1 m3/dag huishoudelijk afvalwater in de Leie. 3.3.
(3)De lozing van 1,1 m3/dag huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering van de Trekweg langs de Leie. 4.3.b)2/
(3)Een poederlakinstallatie met een geïnstalleerd vermogen van 22 kW. 4.4.
(2)Een poederlakinstallatie met een volume aan ovens van 24,3 m3. 12.2.1/
(3)Een transformator van 630 kVA. 15.1.1/
(3)Een stelplaats voor 2 vrachtwagens, 1 terreinwagen en een heftruck. 16.3.1.1/
(3)Twee compressoren van respectievelijk 22 kW en 11 kW. VII-26.758-10/18 16.7.2/
(2)De opslag van 1.969 liter diverse gassen in flessen. 17.3.2.2/
(2)De opslag van 550 kg giftige en zeer giftige producten waarvan 200 kg natriumcyanide, 110 kg nikkelchloride, 100 kg nikkel-antik, 50 kg kopercyanide, 50 kg zinkcyanide en 50 kg kaliumcyanide. 17.3.3.2/
(2)De opslag van 7.183 kg diverse schadelijke, corrosieve en irriterende producten in verplaatsbare recipiënten. 17.3.5.1/
(3)De opslag van 155 liter white-spirit. 17.3.6.1/b)
(3)De opslag van 550 liter P3-producten in verplaatsbare recipiënten. 17.3.7.1/
(3)De opslag van 873 liter P4-producten in verplaatsbare recipiënten. 19.3.2/
(2)Diverse houtbewerkingsmachines met een geïnstalleerd vermogen van 23,25 kW. 23.2.2/
(2)Diverse machines voor de bewerking van kunststoffen met een geïnstalleerd vermogen van 23,25 kW. 29.5.2.2/
(2)Diverse metaalbewerkingsmachines met een geïnstalleerde drijfkracht van 113,92 kW. 29.5.4.2/
(2)Diverse machines voor het fysisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde drijfkracht van 160,05 kW. 29.5.5.4/
(1)Diverse behandelings- en spoelbaden voor de oppervlaktebehandeling van metalen d.m.v. elektrolytisch of chemisch procédé, met een totale inhoud van 229.380 liter. 29.5.7.a) 2/
(2)Het ontvetten van metalen in spoelbaden met een totale inhoud van 400 liter. 41.1.1/
(3)Diverse textielmachines met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 6,29 kW. 43.1.2/
(2)Tien stookinstallaties met een totaal geïnstalleerd warmtevermogen van 1.007 kW (een droogoven van 137 kW en stookinstallaties van 345 kW, 130 kW, 116 kW, 73 kW, 55kW, 2 X 42kW, 39 kW en 28 kW)". 1.22. De verzoekende partij stelt, samen met anderen, beroep in tegen voornoemd besluit. 1.23. De nodige adviezen worden ingewonnen : (
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij geeft op 26 november 2001 een voorwaardelijk gunstig advies; (
- b)op 13 december 2001 geeft de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies; (
- c)op 19 december 2001 geeft de afdeling Milieuvergunningen gunstig advies; (
- d)op 20 december 2001 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie eveneens gunstig. VII-26.758-11/18 1.24. Het thans bestreden besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 maart 2002 verklaart de beroepen deels gegrond en wijzigt het beroepen besluit als volgt : "in artikel 3, §3 van het beroepen besluit wordt : 1. de bijzondere voorwaarde nr. 4) 'M.b.t. de contacten met de buurt' aangevuld met volgende bepalingen: 'De strategie dient minstens te voorzien in 1 overlegmoment per jaar, waarop een delegatie van de omwonenden, samen met een vertegenwoordiger van de afdelingen Milieuvergunningen en Milieu-inspectie, word(
- en)uitgenodigd. Op dit overlegmoment dienen de door de omwonenden aangebrachte knelpunten te worden besproken, en legt het bedrijf de resultaten voor van genomen maatregelen.... Bijkomende overlegmomenten kunnen gevraagd worden door de omwonenden'. 2. een bijzondere voorwaarde nr. 10) toegevoegd, luidend als volgt: '10) M.b.t. de visuele inpassing van het bedrijf in zijn omgeving Tegen uiterlijk 1 oktober 2002 legt (het) bedrijf een lange termijn planning ter goedkeuring voor aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen en aan het College van Burgemeester en Schepenen van Deinze, met betrekking tot de visuele inkleding van het bedrijf. Hierin worden onder meer voorstellen gedaan in verband met aanleg van groen (langs de kant van de Leie, ...), opknappen of afbreken van bouwvallige constructies,... . De termijnen opgenomen in deze planning, na goedkeuring, dienen strikt nageleefd, onder voorbehoud van de toekenning van de eventueel nodige stedenbouwkundige vergunningen'"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aanvoert dat het annulatieberoep niet ontvankelijk is; dat zij stelt dat artikel 10 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend (hierna : VZW-wet) bepaalt dat een lijst waarin al de leden van de vereniging naar alfabetische orde van hun naam zijn vermeld, met opgaaf van hun voornamen, woonplaats en nationaliteit, binnen de maand na de bekendmaking van de statuten wordt neergelegd op de griffie van de burgerlijke rechtbank van de plaats waar de vereniging haar zetel heeft, dat de lijst elk jaar wordt aangevuld met een opgaaf naar alfabetische orde opgemaakt, van de wijzigingen die zich met betrekking tot de leden hebben voorgedaan en dat eenieder van die lijst kosteloos inzage kan nemen, dat overeenkomstig artikel 26 van de VZW-wet, de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid kan beroepen tegenover derden, ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door artikel 10, werden verzuimd, dat te dezen op 30 april 1992 de statuten van de verzoekende partij in het VII-26.758-12/18 Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd, dat pas vijf maanden later, hetzij op 14 september 1992, de ledenlijst werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dat artikel 10 van de VZW-wet nochtans vereist dat de ledenlijst binnen de maand na publicatie moet worden neergelegd en dit op straffe van niet-tegenwerpelijkheid van de rechtspersoonlijkheid aan derden, dat er niet ieder jaar een lijst werd neergelegd waaruit de wijzigingen van de leden blijkt, dat er in 1997 en in 1998 en vanaf 2000 geen ledenlijst werd neergelegd, dat ook dit overeenkomstig artikel 26 van de VZW-wet wordt gesanctioneerd met de niet-tegenwerpelijkheid van de rechtspersoonlijkheid aan derden; dat dit alles, volgens de tussenkomende partij, betekent dat de verzoekende partij zonder procesbevoegdheid is opgetreden, en dat het annulatieberoep als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen; dat de tussenkomende partij hiervoor naar verscheidene arresten van de Raad van State verwijst; dat zij voorts stelt dat in de arresten nr. 29.104 van 6 januari 1988 en nr. 33.513 van 1 december 1989, de Raad van State er terecht op heeft gewezen dat de sanctie onverkort geldt "quelle qu'en soit la cause", dat in het vroegere arrest nr. 27.630 van 10 maart 1987, de Raad van State evenwel van oordeel was dat de sanctie niet steeds onverkort gold, dat zelfs indien men dat arrest zou volgen, men dan nog de vordering als onontvankelijk moet afwijzen, dat de Raad van State in voornoemd arrest van 10 maart 1987 in verband met de verplichting de ledenlijst aan te vullen, heeft geoordeeld dat er tijdens de parlementaire voorbereidingen van de VZW-wet sprake was van de wenselijkheid om artikel 26 te interpreteren "avec bon sens, dans un esprit pratique", en de daarin bedoelde sanctie niet toe te passen "s' il n'y a pas de motif sérieux de croire qu'il y a fraude", dat hieruit volgt dat het verzuim om de ledenlijst aan te vullen als een gering verzuim kan worden aanzien dat, bij gebrek aan frauduleuze bedoeling, niet met zich meebrengt dat de rechtspersoonlijkheid niet zou kunnen worden tegengeworpen aan de verwerende partij, dat het niet-tijdig neerleggen van de oorspronkelijke ledenlijst ter griffie van de burgerlijke rechtbank daarentegen een ernstig verzuim uitmaakt, waarvan de frauduleuze bedoeling niet moet worden bewezen, dat te dezen, ten eerste de initiële ledenlijst vijf maanden te laat is neergelegd, wat aldus een ernstig verzuim uitmaakt en waarvan de frauduleuze bedoeling niet moet worden bewezen, dat de sanctie van artikel 26 van de VZW-wet hier onverkort geldt, dat, ten tweede, de ledenlijst niet werd aangevuld, maar dit wel met frauduleuze intenties; dat de tussenkomende partij ten slotte stelt dat uit de brief van 10 mei 2002 van de verzoekende partij, in verband met de neerlegging van de ledenlijst blijkt dat zij op 10 mei 2002 slechts 24 leden telt, dat nochtans uit de ledenlijst, zoals neergelegd op 14 september 1992 op de griffie, blijkt dat de verzoekende partij 161 leden telde, dat zij nadien op 6 juli 1993, op 21 juli 1994, op VII-26.758-13/18 12 juni 1995, op 17 juli 1996, en op 21 september 1999 aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, in het kader van de neerlegging van de aanvullende ledenlijsten, telkens heeft gemeld dat er zich geen wijzigingen hebben voorgedaan met betrekking tot de leden, dat hieruit volgt dat de verzoekende partij zich veel groter wenst voor te doen dan zij werkelijk is, dat aangezien de verzoekende partij ten tijde van de neerlegging van het verzoekschrift geen aanvullende ledenlijsten heeft neergelegd, waaruit het juiste aantal leden blijkt, de sanctie van artikel 26 van de VZW-wet moet worden toegepast, dat zij niet beschikt over enige procesbevoegdheid bij onderhavige procedure, dat het annulatieberoep dan ook onontvankelijk is wegens afwezigheid van de rechtens vereiste procesbevoegdheid; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat haar rechtspersoonlijkheid niet meer kan worden betwist, nu haar hoger beroep reeds ontvankelijk werd verklaard door de verwerende partij en geen enkele belanghebbende tegen deze beslissing een annulatieberoep heeft ingediend, dat de "ledenlijst 1992" is neergelegd, dat de voorgeschreven termijn van één maand geen vervaltermijn is, dat het een termijn van orde betreft, dat de tussenkomende partij dit punt niet heeft opgeworpen in eerdere procedures voor de Raad van State, dat dit "schoonheidsfoutje" dan ook is gedekt, dat de tussenkomende partij ook geen enkel persoonlijk nadeel heeft geleden doordat de lijst enkele maanden later werd neergelegd, dat door deze neerlegging het werkelijk doel van de wetgever dan ook werd bereikt; dat de verzoekende partij zich afvraagt welk belang de tussenkomende partij heeft om te weten wie in 1992 reeds leden waren, dat de vordering tot niet-tegenwerpelijk verklaren van de rechtspersoonlijkheid zeer laat is gekomen, dat het mogelijk is dat de ledenlijsten niet elk jaar werden aangevuld, dat dit gewoon heeft te maken met het feit dat er geen ledenwervingsacties waren, dat zij in feite terugviel op haar ledenbestand sinds 1992, dat de ledenachterban dan ook als ongewijzigd werd beschouwd, dat het dan ook volkomen te goeder trouw is dat aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent werd meegedeeld dat er geen wijzigingen waren in de ledenlijst, dat in 2002 de vrijwilligers van de verzoekende partij opnieuw actief de bewoners in het werkingsgebied van de vereniging zijn gaan contacteren, dat men toen tot de bevinding kwam dat er zich minder leden aansloten dan in 1992, dat er hoe dan ook nog 44 leden voor het jaar 2002 waren, en geen 24 leden zoals verkeerdelijk is vermeld in de begeleidende brief, dat het gegeven dat er in 2002 minder leden zijn dan in 1992, op zich geen teken is van kwade trouw, dat van enige malafide intentie in elk geval geen sprake is; VII-26.758-14/18 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat, inhoudelijk en naar duurtijd van de bestreden vergunning toe, het belang van de milieuvereniging bij de vernietiging van het bestreden besluit moeilijk kan worden ontkend, dat de verwerende partij het belang en de rechtspersoonlijkheid van de verzoekende partij reeds heeft aanvaard, aangezien haar hoger beroep ontvankelijk werd verklaard, dat een administratief beroep geen annulatieberoep is, maar dat in bepaalde rechtspraak van de Raad van State wordt verwezen naar het feit van een ontvankelijk verklaard administratief beroep, dat zolang het bestreden besluit niet wordt vernietigd, het voormelde dan ook een argument voor de ontvankelijkheid van huidig beroep is, dat ook in de gerechtelijke procedure de verwerende partij geen excepties heeft opgeworpen qua belang en rechtspersoonlijkheid, dat aangezien de bedoelde excepties niet van openbare orde zijn, het nochtans aan de verwerende partij toekomt om terzake iets op te werpen, dat het te dezen evenwel de tussenkomende partij is die de excepties opwerpt, dat de verwerende partij of de tussenkomende partij geen enkel nadeel heeft geleden bij het feit dat de oorspronkelijke ledenlijst later dan wettelijk voorzien werd neergelegd, dat zij de latere ledenlijsten allemaal tijdig heeft geregulariseerd; dat de verzoekende partij van oordeel is dat de regularisatie van de ledenlijsten niet voordat de termijn voor vernietiging van het bestreden besluit is verstreken, zou moeten gebeuren, dat de actieruimte voor een verzoekende partij in een procedure voor de Raad van State minstens loopt tot aan de datum van het indienen van de memorie van wederantwoord, dat voor die datum, de ledenlijsten van 2001 en 2002 waren neergelegd, dat het Grondwettelijk Hof bovendien aanvaardt dat op het vlak van de ledenlijsten regularisatie kan gebeuren tot aan de sluiting van de debatten, dat in andere rechtspraak wordt gesteld dat het niet-neerleggen van de ledenlijst of van de aanvullende ledenlijst enkel voor gevolg heeft dat de VZW zich "dat jaar" niet op de rechtspersoonlijkheid kan beroepen tegenover derden, maar niet tot gevolg heeft dat zij de rechtspersoonlijkheid verliest, dat het jurisprudentieel sanctierecht bij niet- tijdig neerleggen van ledenlijsten, eerder genuanceerd is, dat het probleem van de tussenkomende partij vooral een kwestie van het aantal leden is, dat er anno 2002 inderdaad minder leden waren dan in 1992, dat dit evenwel geen enkele invloed heeft op de ontvankelijkheid van het annulatieberoep, dat er evenmin een probleem is inzake de "controle door de publieke opinie", dat de sanctie van artikel 26 van de VZW-wet niet bewezen en niet van toepassing is, dat de sanctie minstens is gedekt door de het ontvankelijk verklaard zijn van het administratief beroep en door het standpunt van de verwerende partij dat enkel de gegrondheid van het annulatieberoep betreft, dat de "nieuwe VZW-wet" op dit vlak bovendien minder stringent is geworden; VII-26.758-15/18 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de tussenkomende partij, een verwerende partij is die bijgevolg dezelfde excepties kan inroepen, dat de visie dat de regularisatie mogelijk zou moeten zijn tot aan de sluiting der debatten, de rechten van verdediging schendt, aangezien de verwerende partijen immers zicht moeten hebben op de hoedanigheid en het belang van de verzoekende partij, dat op het moment van het opstellen van de memorie van antwoord, de verwerende partij aldus op de hoogte moet zijn van het ledenaantal en de representativiteit van de vereniging, dat pas nadat de ledenlijst neerligt, het voor haar mogelijk is de representativiteit van de vereniging te kennen en daaromtrent eventuele excepties op te werpen, dat door de laattijdige neerlegging van de ledenlijst blijkt hoe klein de vereniging is, in tegenstelling tot de mogelijk opzettelijke schijn die de verzoekende partij wekte door sinds 1992 haar ledenaantal als "ongewijzigd" ter griffie door te geven, dat, nu blijkt dat het ledenaantal van 161 is teruggevallen op 43, ernstige vragen kunnen worden gesteld omtrent de penetratiegraad van de vereniging waardoor de representativiteit erg twijfelachtig is, hetgeen tevens een grond is voor de onontvankelijkheid van het beroep; 2.5. Overwegende dat artikel 10 van de VZW-wet, ten tijde van het indienen van het annulatieberoep, als volgt luidde : "Een lijst waarin al de leden van de vereniging naar alfabetische orde van hun naam zijn vermeld, met opgaaf van hun voornamen, woonplaats en nationaliteit, wordt binnen de maand na de bekendmaking van de statuten neergelegd op de griffie van de burgerlijke rechtbank van de plaats waar de vereniging haar zetel heeft. (...) Elk jaar wordt de lijst aangevuld met een opgaaf naar alfabetische orde opgemaakt, van de wijzigingen die zich met betrekking tot de leden hebben voorgedaan. Eenieder kan van die lijst kosteloos inzage nemen"; dat artikel 26 van voornoemde wet, ten tijde van het indienen van het annulatieberoep, als volgt luidde : "Ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door de artikelen 3, 9, 10 en 11, werden verzuimd, kan de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid beroepen tegenover derden; deze zijn echter wel gerechtigd ze in te roepen tegenover de vereniging"; dat uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat de bedoelde sanctie werd beschouwd als een echte "straf", verantwoord door het grote belang dat de wetgever hechtte aan de verplichting voor de verenigingen om zich te onderwerpen aan een controle door de publieke opinie (zie onder meer verslag van de "Raadgevende Commissie", gevoegd als bijlage bij de memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 1919-20, nr. 375, 1127; verslag THIBBAUT, Parl. St. Kamer 1920-21, VII-26.758-16/18 198, 466 en 472; verklaringen van THIBBAUT, Hand. Kamer 1920-21, 11 mei 1921, 1192, tweede kolom, en 18 mei 1921, 1239, tweede kolom en 1240, eerste kolom); dat, in verband met de verplichting de ledenlijst aan te vullen, tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet sprake was van de wenselijkheid om artikel 26 te interpreteren "avec bon sens, dans un esprit pratique", en de daarin bedoelde sanctie niet toe te passen "s'il n'y a pas de motif sérieux de croire qu'il y a fraude" (verklaring THIBBAUT, Hand. Kamer 1920-21, 18 mei 1921, 1239, eerste en tweede kolom); Overwegende dat de exceptie gegrond op artikel 26 van de VZW-wet een opschortend karakter heeft met betrekking tot het verzuim de ledenlijst van de vereniging ter griffie neer te leggen; dat wat de procedure voor de Raad van State betreft, wordt aangenomen dat de verzuimde formaliteiten kunnen worden vervuld vóór het verstrijken van de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) bepaalde termijnen; dat te dezen niet wordt betwist dat er aanvullende ledenlijsten ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent werden neergelegd op 6 juli 1993, op 21 juli 1994, op 12 juni 1995, op 17 juli 1996 en op 21 september 1999 waarin werd gemeld dat er zich geen wijzigingen hebben voorgedaan met betrekking tot de leden; dat bijgevolg vaststaat dat vanaf 21 september 1999 tot de indiening van onderhavig annulatieberoep op 27 mei 2002 geen aanvullende ledenlijst werd neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent; dat door dit verzuim bijgevolg de verzoekende partij niet vermocht om op ontvankelijke wijze een vordering in te stellen; dat met de neerlegging van de ledenlijst zij haar rechtspersoonlijkheid weliswaar herwon, doch dat zulks niet is geschied binnen de bij artikel 4 van het algemeen procedurereglement vastgestelde termijn om een ontvankelijk beroep in te dienen; dat het beroep bijgevolg als niet ontvankelijk wordt afgewezen, VII-26.758-17/18 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-26.758-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div