id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.463 Rolnummer: A. 121840/X-10985 Zaak: Arrest 187463 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.463 van 30 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.463 van 30 oktober 2008 in de zaak A. 121.840/X-10.
- In zake : de n.v. BELGOPOSTER, die woonplaats kiest bij advocaat E. VANDEN BRANDE, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Sint Michielslaan 55, bus 10 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BELGOPOSTER op 30 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 april 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 8 februari 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen, waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een verlicht reklamepaneel en het schilderen van de zijgevel van het gebouw gelegen te Sint-Martens-Latem, Kortrijksesteenweg 239-241, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 162/v; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; X-10.985-1/7 Gelet op de beschikking van 19 september 20008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij heeft aan de blinde zijgevel van het gebouw gelegen langs de Kortrijksesteenweg 239-241 te Sint-Martens-Latem een met TL- lampen verlicht rechthoekig publiciteitsbord aangebracht met een oppervlakte van ongeveer 15 m
- Het betreffende pand is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone gesitueerd in woongebied, en ter plaatse zijn tevens de voorschriften van kracht van het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) “Kortrijksesteenweg”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 15 maart
- 1.
- Op 14 april 1999 vraagt de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem een bouwvergunning aan voor de regularisatie van het voornoemde publiciteitsbord. 1.
- Op 13 december 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de vergunning, op grond van de strijdigheid van de aanvraag met de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken. X-10.985-2/7 1.
- Op 8 februari 2001 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partij tegen voornoemde weigeringsbeslissing omdat het toepasselijke BPA slechts publiciteitsborden toelaat van maximaal 8 m2 groot, er wettelijk geen mogelijkheid is om van dit BPA af te wijken, en ook nagelaten werd advies in te winnen van de gewestelijke administratie wegen en verkeer. 1.
- Op 15 maart 2001 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening beroep in tegen laatstgenoemde weigeringsbeslissing. In het beroepsschrift wordt voornamelijk gesteld dat het dossier nog kan vervolledigd worden met een advies van de administratie wegen en verkeer, en dat wat de strijdigheid met het BPA betreft er zich “inderdaad” een probleem stelt, waaraan de verzoekende partij “wenst zich te conformeren” door “de oppervlakte van haar reklamebord (te) herleiden tot de toegelaten 8 m2”. 1.
- Bij besluit van 5 april 2002 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening wordt het voormelde beroep verworpen. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de aanvraag initieel bij ontvangstbewijs van 29 april 1999, werd voorgesteld als het behouden van 1 verlicht publiciteitspaneel van 15 m² en het schilderen van de zijgevel; dat het paneel wederrechtelijk werd aangebracht aan de linkerzijgevel van een publieke instelling ‘Club Le Rose Garden’; Overwegende dat door de rijkswacht van Ganshoren op 12 januari 1999 een proces-verbaal werd opgesteld wegens de wederrechtelijk uitgevoerde werken; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de betreffende grond tevens gelegen is binnen het bij ministerieel besluit d.d. 15 maart 1996 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg ‘Kortrijksesteenweg’; dat de betreffende constructie zich situeert in een zone voor winkel/woningbouw; X-10.985-3/7 Overwegende dat een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg waaraan de overheid haar uitdrukkelijke goedkeuring heeft gehecht een verordenend karakter heeft en bindend blijft zowel voor de vergunningverlenende overheid als voor de aanvrager die binnen dit bijzonder plan van aanleg wenst te bouwen of te verbouwen; Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften van het betreffende detaillerende ordeningplan in artikel 5.2.B. betreffende publiciteit een maximale oppervlakte van 8 m² opleggen; dat huidige aanvraag echter een oppervlakte van 15 m² omvat; dat de aanvraag bijgevolg strijdt met de vigerende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar of de Vlaamse regering, luidens artikel 49 van het decreet, op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen afwijkingen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg kunnen toestaan wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft; Overwegende dat een afwijking van de voorschriften van een bijzonder plan van aanleg in hoger beroep enkel kan worden toegestaan op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen; dat het college van burgemeester en schepenen in haar zitting van 13 december 1999 evenwel de vergunning rechtstreeks heeft geweigerd; dat dus alleen al bij gebrek aan een afwijkingsvoorstel in toepassing van artikel 49, ook door de minister geen vergunning kan verleend worden; Overwegende dat de raadsman in zijn beroepsschrift van 15 maart 2001 onder meer aanhaalt dat de N.V. Belgoposter zich wenst te conformeren aan het B.P.A. en dat zij materieel gezien perfect de oppervlakte van haar reclamebord kan herleiden tot de toegelaten 8 m², indien zij hiervoor de toelating krijgt; dat de aanvraag echter een regularisatie van een wederrechterlijke toestand betreft en alsdusdanig ook dient geëvalueerd; dat de aanvraag, om voornoemde redenen, niet voor stedenbouwkundige vergunning in aanmerking kan komen; dat al deze redenen het onmogelijk maken in te stemmen met een eventueel vergelijk te treffen overeenkomstig artikel 158 van het deceet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en later gewijzigd”.
- Gegrondheid van de vordering 2.
- Het eerste middel 2.1.
- Het aangevoerde eerste middel Als eerste middel wordt de schending aangevoerd van de stedenbouwkundige voorschriften in artikel 5.2.B van het BPA “Kortrijksesteenweg”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 15 maart
- In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat de bestreden beslissing, na te hebben vastgesteld dat de betreffende grond gelegen is binnen het bij M.B. dd. 15.3.1996 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg ‘Kortrijksesteenweg’ dat de betreffende constructie situeert in een zone voor winkel/woningbouw, de aanvraag strijdig acht met de vigerende X-10.985-4/7 voorschriften van het bijzonder plan van aanleg die betreffende publiciteit een maximale oppervlakte van 8 m² zouden opleggen, waar de huidige aanvraag echter een oppervlakte van 15 m² omvat Terwijl de geciteerde restricties (maximum 8 m²) niet toepasselijk zijn op publiciteitsborden in het algemeen maar enkel op de ‘publiciteit eigen aan de bestemming van het gebouw’, dit zijn dus de uithangborden, niet te verwarren met het reklamebord van n.v. Belgoposter dat geen verband houdt met en / of niet verwijst naar de activiteit of het bedrijf dat wordt uitgeoefend in het huis waarop het is aangebracht. Toelichting. Bepalingen van een bijzonder plan van aanleg mogen niet extensief geïnterpreteerd worden. De geciteerde bepaling van voormeld bpa handelt enkel over publiciteit eigen aan de bestemming van het gebouw in de woning-winkelzone. Hier wordt duidelijk uitsluitend de uithangborden geviseerd. Een uithangbord is
(1)elk opschrift, vorm of beeld
(2)dat geplaatst is op een gebouw én
(3)dat betrekking heeft op een activiteit die er wordt uitgeoefend. De aanvraag behelst evenwel de plaatsing van een publiciteitspaneel dat geen reklameboodschappen bevat ‘eigen aan de bestemming van het gebouw’. Het reklamebord van verzoekster is weliswaar aangebracht aan de linkerzijgevel van een publieke instelling ‘Club Le Rose Garden’, maar heeft geen betrekking op de activiteiten die in dat gebouw worden uitgeoefend. Een bord waarop reklame voor merken of voor producten van derden kan niet worden gelijkgesteld met een uithangbord. Er werd in de bestreden beslissing dus ten onrechte geoordeeld dat het plaatsen van het publiciteitspaneel in strijd is met de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg. De maximumoppervlakte van 8 m² geldt uitstluitend voor uithangborden, niet voor reklameborden. Aldus heeft de bestreden beslissing niet op correcte en wetskrachtige gronden het administratief beroep van de n.v. Belgoposter afgewezen”. 2.1.
- Beoordeling van het eerste middel Het BPA “Kortrijksesteenweg” beperkt zowel in artikel 5.2.A “publiciteit eigen aan de bestemming van een zone” als in artikel 5.2.B “publiciteit los van de bestemming van een zone”, de maximum toelaatbare oppervlakte van “publiciteit” tot 8 m
- Er kan geen twijfel over bestaan dat deze beperking toepasselijk is op het aangevraagde publiciteitsbord. Het eerste middel is niet gegrond. 2.
- Het tweede middel 2.2.
- Het aangevoerde tweede middel Als tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van X-10.985-5/7 de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd door de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999, 24 april 2000 en 8 maart
- In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat de bestreden beslissing bovendien de vraag van n.v. Belgoposter om alsnog een voorwaardelijke vergunning af te leveren onder voorbehoud de oppervlakte van het reklamebord te herleiden van 15 m² tot 8 m² afwijst om reden ‘dat de aanvraag een regularisatie van een wederrechtelijke toestand betreft en alsdusdanig ook dient geëvalueerd; dat het onmogelijk is in te stemmen met een eventueel vergelijk te treffen overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat de aanvraag om voornoemde reden niet voor stedenbouwkundige vergunning in aanmerking kan komen’ Terwijl artikelen 158 en 159 van het decreet van 18.5.1999 werden gewijzigd bij decreet van 8 maart 2002 en de beslissing dd. 5 april 2002, betekend op 15 april 2002, dus geen rechtsgrond heeft en bijgevolg onwettig is waar zij nog verwijst naar artikel 158 van het decreet van 18.5.
- Toelichting. Artikelen 158 en 159 voorzagen in de koppeling van het bekomen van een regularisatievergunning met het treffen van een vergelijk met de stedenbouwkundige inspecteur: geen regularisatie zonder transactie. Inmiddels echter werden de voormelde artikelen bij decreet van 8 maart 2002 gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat het afleveren van een regularisatievergunning niet langer afhankelijk gesteld is van een vergelijk met de stedenbouwkundig inspecteur. Het vergelijk heeft nu enkel effect op de strafvordering en de herstelvordering. De Vlaamse Minister kon dan ook niet meer bij besluit dd. 5 april 2002 afgifte van een regularisatievergunning weigeren wegens de onmogelijkheid een vergelijk te treffen overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999: op datum van 5.4.2002 was artikel 158 reeds een maand gewijzigd en voorzag het niet meer in de koppeling tussen regularisatie en transactie. Gelet op het voorstel van de n.v. Belgoposter, had de Vlaamse Minister dan ook perfect wettelijk een voorwaardelijke regularisatievergunning kunnen afleveren onder het strikte voorbehoud dat de publicitaire oppervlakte 8 m² niet overschrijdt”. 2.2.
- Beoordeling van het tweede middel Het middel heeft betrekking op de overweging in het bestreden besluit waarin gesteld wordt dat het onmogelijk is in te stemmen met een vergelijk. Het in het middel geviseerde motief is een overtollig motief van het bestreden besluit zodat de kritiek erop niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden. Het tweede middel wordt verworpen. X-10.985-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.985-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div