id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.465 Rolnummer: A. 119798/X-10920 Zaak: Arrest 187465 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-26 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.465 van 30 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.465 van 30 oktober 2008 in de zaak A. 119.798/X-10.
- In zake :
- Harry DONDERS,
- Annemie CARDOEN, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VAN PASSEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 85 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Harry DONDERS en Annemie CARDOEN op 17 april 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 16 september 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het wijzigen van de zolderindeling en het plaatsen van veluxramen te Mechelen, Brusselsesteenweg 380, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 163/y/9; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-10.920-1/11 Gelet op de beschikking van 19 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN PASSEL, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De eerste verzoeker verkrijgt op 3 september 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen de bouwvergunning voor het optrekken van een appartementsgebouw aan de Brusselsesteenweg, kadastraal bekend sectie E, nr. 163/y/
- Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in woongebied. Voor het betreffende perceel is eveneens een bijzonder plan van aanleg nr. 33quater van kracht, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 16 november
- 1.
- Op 29 december 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de eerste verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen een aanvraag in tot wijziging van de zolderindeling en het plaatsen van veluxramen. Luidens de eerste verzoeker was de reden tot deze aanvraag de vaststelling in de loop van de werken dat de dakhelling van het naastliggend pand niet 35/ bedroeg, zoals vergund werd, doch +/- 42/. 1.
- In de zitting van 9 februari 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen de vergunning, nadat de gemachtigde ambtenaar in toepassing van artikel 49 van het gecoördineerd decreet X-10.920-2/11 op 22 januari 1999 een afwijking weigerde toe te staan op de voorschriften van voornoemd BPA nr.
- Het advies van de gemachtigde ambtenaar van 22 januari 1999 luidt als volgt : “De aanvraag handelt over de regularisatie van de wijziging zolderindeling en het plaatsen van veluxramen, gelegen in het BPA 33 quater, B.G.M. 16.11.
- In toepassing van art. 49 moet de gemeente de afwijking zelf voorstellen. Volgens art. 1.01 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA 33 quater: - de maximale gevelhoogte mag 6m bedragen. Uit de foto’s blijkt dat de voorgevel een kroonlijsthoogte heeft van 6,60 m en de zijgevel een kroonlijsthoogte heeft van 8,40 m. - Uit de foto’s blijkt dat er 3 volwaardige bouwlagen gecreëerd zijn. Het BPA staat slechts 2 bouwlagen toe. - de dakuitbouwen dienen 0,40 m in te springen. - de dakbasis dient beperkt te worden tot 9 m. Het ontwerp heeft een dakbasis van 13m. De afwijking wordt niet toegestaan. Het ontwerp wijkt dermate af van de voorschriften van het BPA dat het niet vergund kan worden in toepassing van artikel 49.” 1.
- De verzoekende partijen tekenen tegen deze weigeringsbeslissing beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Zij benadrukken in dit beroepschrift onder meer dat de aanvraag enkel een wijziging beoogde van de reeds gegeven en verstrekte vergunning van 3 september 1996, met name een toelating voor het aanbrengen van veluxramen in het dak en het wijzigen van de zolderindeling en stellen dat de motieven voor de weigering van de vergunning dan ook volkomen achterhaald zijn omdat deze strijdig zijn met de eerder verstrekte vergunning van 3 september
- 1.
- Op 16 september 1999 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoekende partijen ingestelde beroep niet in te willigen en de vergunning niet te verlenen. 1.
- De verzoekende partijen tekenen op 4 november 1999 beroep aan tegen het voormeld besluit. 1.
- Op 22 februari 2001 weigert de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). De verzoekende partijen stelden op 23 april 2001 tegen dit besluit een annulatieberoep X-10.920-3/11 in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 130.070 van 2 april 2004 besluit de Raad van State tot de niet ontvankelijkheid van dit beroep. 1.
- Op 29 januari 2002 verwerpt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening het door de verzoekende partijen tegen het weigeringsbesluit van 16 september 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen ingestelde beroep. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat de aanvragers op 3 september 1996 bouwtoelating verkregen tot oprichting van een appartementsgebouw; dat deze vergunning niet werd gevolgd maar dat de kroonlijsthoogte hoger werd gelegd dan op de plannen aangeduid, dat de dakhelling werd vergroot samen met de nokhoogte, zodat achteraan een veel volumineuzere dakuitbouw is ontstaan; dat bijkomende veluxramen zijn geplaatst en dat de indeling van de zolderverdieping werd gewijzigd; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen is in een woongebied; dat voor de plaats eveneens het bijzonder plan van aanleg nr. 33 van kracht is, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 16 november 1982; Overwegende dat dit bijzonder plan van aanleg voor de bouwplaats geen maximum aantal bouwlagen aangeeft in geschrift, maar op plan wel het symbool (...) weergeeft; dat artikel 1.01.1/ van de stedenbouwkundige voorschriften grafisch een profiel aanduidt met maximum kroonlijsthoogte van 6 meter, daarboven een zadeldak van maximum 45/ helling en met ten hoogste 9 meter dakbasis; dat binnen dit voorschrift dus de nokhoogte ten hoogste 10,50 meter kan bedragen; dat uit dit profiel dient afgeleid dat bij gangbare plafondhoogten onder de kroonlijst dus twee bouwlagen kunnen gerealiseerd worden en dat onder het dak een enkele bijkomende verdieping mogelijk blijft; Overwegende dat bij de oorspronkelijke vergunning een dakhelling van 35/ was voorgesteld, tot een nokhoogte van 10,75 meter; dat voorafgaand aan de afgifte van deze bouwtoelating reeds een afwijking van het bijzonder plan van aanleg was toegestaan om de dakbasis tot 13 meter te brengen en om de garages op 7 in plaats van 10 meter achter de hoofdbouw te plaatsen; dat ook voor de inplanting van de garages de voortuinstrook langs de Kruisbaan van 5 tot 3 meter werd gereduceerd; dat bij het optrekken van de ruwbouw de aanvrager tot de vaststelling kwam dat het dakprofiel van de aanpalende woning, waar tegenaan werd gebouwd, beduidend steiler bleek dan de geschatte 35/; dat de particulier aan de stad dan de vraag heeft gesteld om zijn dakhelling aan te passen aan deze van de gebuur, met name 42/; dat het college van burgemeester en schepenen uiteindelijk op 29 juli 1997 ongunstig over deze aanpassing heeft geadviseerd; dat onderwijl evenwel de bouwheer de helling op 42/ had uitgevoerd, tot een nokhoogte van circa 12,85 meter volgens het nu voorliggend plan; Overwegende dat door het niet volgen van de bouwvergunning er bijkomende ruimte is gecreëerd waarbij in de dakverdieping, die oorspronkelijk enkel twee slaapkamers omvatte horend bij de onderliggende appartementen, nu twee bijkomende, volwaardige woongelegenheden zijn ontstaan; dat de plaatsing onder het dak noopt tot een zeer gedrongen indeling der onderscheiden lokalen; dat bijvoorbeeld de slaapkamer van het appartement aan X-10.920-4/11 de straatzijde maar kan betreden worden door een 60 cm nauwe doorgang, en dat de badkamers van de twee appartementen maar zijn gescheiden door een halfsteens muurtje; dat dus vier volwaardige bouwlagen zijn gecreëerd waar het vergunde plan op de zolder slechts twee slaapkamers omvatte; dat beduidend grotere bouw- en woonoppervlakte is ontstaan; dat de appartementen nu evenredig over vier volledig uitgewerkte bouwlagen zijn verdeeld; dat men hier zeer ver afstaat van de stedenbouwkundige opties van het bijzonder plan van aanleg die twee volwaardige woonlagen vooropstellen met een enkele verdieping onder het dak; Overwegende dat de particulier stelt dat het vergroten van de dakhelling werd ingegeven door het dwingend stedenbouwkundig voorschrift het bestaand dakprofiel van de gebuur te volgen; dat nochtans een volledige lezing van artikel 0.03 van de stedenbouwkundige voorschriften, waarnaar de aanvrager blijkbaar verwijst, leert dat van in een bouwblok reeds bestaande vergunde gebouwen niet enkel de helling dient gevolgd maar evengoed de voorgevelhoogte, kleur van het gevelmateriaal , nokpeil en aard en kleur van de dakbedekking; Overwegende dat in huidig geval evenwel, door de nok eveneens beduidend hoger te leggen, aan de achterzijde van het gebouw een uitbouw is ontstaan die ten opzichte van de gebuur een sterk overdreven volume betekent en dit perceel duidelijk bezwaart inzake bezonning en kwaliteit van de achtertuin; dat blijkens het plan duidelijk ook de gerealiseerde kroonlijsthoogte van de achtergevel 7,10 meter bedraagt tegenover de 6,65 meter van de gegeven bouwtoelating; Overwegende dat om deze redenen de aanvraag niet in overeenstemming is met de bindende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat al deze redenen het onmogelijk maken in te stemmen met een eventueel vergelijk te treffen overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en later gewijzigd; dat een vergelijk op dezelfde gronden trouwens bij beslissing d.d. 22 februari 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur werd geweigerd; dat een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na de opstelling van het certificaat, bedoeld in artikel 158, §2; dat vermits hier geen vergelijk mogelijk is, er ook geen certificaat kan worden opgesteld; dat bijgevolg niet voldaan is aan een verplichte, voorafgaandelijk te vervullen voorwaarde; dat er om deze reden geen wettelijke mogelijkheid blijft tot het verlenen van de vergunning”.
- De gegrondheid van het beroep 2.
- Eerste middel 2.1.
- Het aangevoerde middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen het volgende aan : “
- Niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen X-10.920-5/11 Verzoekers herhalen nogmaals dat de door hen ingediende aanvraag enkel betrekking had op het aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderindeling van het reeds vergunde gebouw. Om deze aanvraag al of niet gunstig te beoordelen dient het bestuur de motieven aan te halen waarop haar beslissing is gesteund. Verzoekers stellen vast dat de bestreden beslissing geen enkel motief aanhaalt om de aanvraag tot het aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderindeling te weigeren. Er wordt over deze aanvraag zelfs niets gezegd. De beslissing haalt daarentegen motieven aan die niets te maken hebben met het aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderindeling, zoals motieven m.b.t. kroonlijsthoogte, dakbasis, nokhoogte, enz. Verzoekers stellen zich nog steeds de vraag om welke reden de aanvraag tot het aanbrengen van veluxramen en het wijzigen van de zolderverdieping werd geweigerd. Over deze aanvraag werd geen uitspraak gedaan, alleszins werd deze afgewezen op gronden die met de aanvraag geen verband houden. Verzoekers stellen als eerste middel derhalve dat de bestreden beslissing onvoldoende werd gemotiveerd, alleszins dat de motieven die worden aangehaald geen uitstaans hebben met de aanvraag tot aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderindeling. Om die reden dient de bestreden beslissing te worden vernietigd”. 2.1.
- Beoordeling 2.1.2.
- Met hun betoog dat de bestreden beslissing onvoldoende wordt gemotiveerd, alleszins dat de motieven die worden aangehaald geen uitstaans hebben met de aanvraag tot het aanbrengen van veluxramen en het wijzigen van de zolderindeling, voeren de verzoekende partijen, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, een ontvankelijk middel aan. 2.1.2.
- De navolgende weigeringsmotieven van het bestreden besluit hebben echter wel degelijk mede betrekking op de gevraagde wijziging van de zolderindeling, zodat het middel feitelijke grondslag mist : “Overwegende dat door het niet volgen van de bouwvergunning er bijkomende ruimte is gecreëerd waarbij in de dakverdieping, die oorspronkelijk enkel twee slaapkamers omvatte horend bij de onderliggende appartementen, nu twee bijkomende, volwaardige woongelegenheden zijn ontstaan; dat de plaatsing onder het dak noopt tot een gedrongen indeling der onderscheiden lokalen; dat bijvoorbeeld de slaapkamer van het appartement aan de straatzijde maar kan betreden worden door (een) 60 cm nauwe doorgang, en dat de badkamers van de twee appartementen maar zijn gescheiden door een halfsteens muurtje; dat dus vier volwaardige bouwlagen zijn gecreëerd waar het vergunde plan op de zolder slechts twee slaapkamers omvatte; dat beduidend grotere bouw- en woonoppervlakte is ontstaan; dat de appartementen nu evenredig over vier volledig uitgewerkte bouwlagen zijn verdeeld; dat men hier zeer ver afstaat van de stedenbouwkundige opties van het bijzonder plan van aanleg die twee volwaardige woonlagen vooropstellen met een enkele verdieping onder het dak; X-10.920-6/11 Overwegende dat de particulier stelt dat het vergroten van de dakhelling werd ingegeven door het dwingend stedenbouwkundig voorschrift het bestaand dakprofiel van de gebuur te volgen; dat nochtans een volledige lezing van artikel 0.03 van de stedenbouwkundige voorschriften, waarnaar de aanvrager blijkbaar verwijst, leert dat van in een bouwblok reeds bestaande vergunde gebouwen niet enkel de helling dient gevolgd maar evengoed de voorgevelhoogte, kleur van het gevelmateriaal, nokpeil en aard en kleur van de dakbedekking; Overwegende dat in huidig geval evenwel, door de nok eveneens beduidend hoger te leggen, aan de achterzijde van het gebouw een uitbouw is ontstaan die ten opzichte van de gebuur een sterk overdreven volume betekent en dit perceel duidelijk bezwaart inzake bezonning en kwaliteit van de achtertuin; dat blijkens het plan duidelijk ook de gerealiseerde kroonlijsthoogte van de achtergevel 7,10 meter bedraagt tegenover 6,65 meter van de gegeven bouwtoelating; Overwegende dat om deze redenen de aanvraag niet in overeenstemming is met de bindende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; (...)”. 2.1.2.
- Het middel is ongegrond. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Het aangevoerde middel In een tweede middel voeren de verzoekende partijen het volgende aan : “Schending van de wet Verzoekers stellen verder dat de bestreden beslissing dd. 29 januari 2002 een schending inhoudt van de beginselen van behoorlijk bestuur. a) Redelijkheidsvereiste
- De bestreden beslissing dd. 29 januari 2002 stelt o.m. dat ‘door de nok eveneens beduidend hoger te leggen, aan de achterzijde van het gebouw een uitbouw is ontstaan die ten opzichte van de gebuur een sterk overdreven volume betekent en dit perceel duidelijk bezwaart inzake bezonning en kwaliteit van de achtertuin’. Dergelijke motivering is in strijd met de werkelijkheid omdat het vergunde plan dd. 3 september 1996 een quasi identiek volume ten opzichte van de gebuur deed ontstaan. Wat betreft het motief van bezonning merken verzoekers op dat de achterzijde van het gebouw zuidwaarts is gericht zodat de grote van het gebouw van verzoekers geen enkele implicaties heeft op de bezonning. Het is duidelijk dat dergelijke motiveringen die in strijd zijn met de feitelijk toedracht niet redelijk zijn zodat de redelijkheidsvereiste werd geschonden.
- De redelijkheidsvereiste werd ook op een ander punt geschonden. Door een aanvraag tot het plaatsen van veluxramen en het wijzigen van de indeling van de zolderverdieping te weigeren op basis van motieven die geen enkel verband houden met de aanvraag heeft het bestuur de redelijkheid in het nemen van beslissingen overtreden. X-10.920-7/11 De gevraagde wijzigingen zijn namelijk nergens verboden door het Bijzonder Plan van Aanleg 33quater. Door het gevraagde te weigeren omwille van de motieven dat andere gegevens en eigenschappen van het plan niet in overeenstemming zouden zijn met het B.P.A., maar waarover reeds een gunstige vergunning werd afgeleverd, handelt het bestuur niet in redelijkheid. De ingeroepen redenen zijn niet pertinent en kunnen de beslissing om het aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderverdieping te weigeren niet verantwoorden. b) Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel Verzoekers hebben bij beslissing dd. 3 september 1996 een vergunning bekomen voor het oprichten van een bouwwerk waarvan o.m. - de kroonlijsthoogte 6,6 m. bedroeg - de dakbasis op zijn breedst 13 meter bedroeg - een dakhelling die gelijk was aan deze van het aanpalende gebouw Het voor vergunning ingediende plan is op deze punten identiek met het plan dat werd vergund bij beslissing dd. 3 september 1996 en toch haalt met deze punten aan om te stellen dat deze strijdig zijn met het B.P.A. zodat een vergunning of regularisatie onmogelijk is. Wat de dakhelling betreft is het duidelijk dat de Stad Mechelen een betere aansluiting met het naastliggende pand had geëist, o.m. ook wat betreft dakhelling. De vergunning dd. 3 september 1996 sluit eenzelfde dakhelling in. Aangezien de dakhelling van het naastliggende pand ± 42/ bedroeg, houdt de vergunning dd. 3 september 1996 eveneens in dat de dakhelling van het gebouw van verzoekers 42/ diende te bedragen, ook al werd op het vergunde plan een verkeerde dakhelling van 35/ getekend. Verzoekers mochten erop vertrouwen dat op de vergunning dd. 3 september 1996 definitief en onveranderlijk was, en dat inherent in de vergunning genomen beslissingen m.b.t. kroonlijsthoogte, dakbasis en dakhelling, niet meer ter discussie zouden gesteld worden. De beslissingen die door de verschillende instanties (College van Burgemeester en Schepenen; Bestendige Deputatie; Vlaamse Minister) werden genomen zijn in strijd met deze vergunning dd. 3 september 1996 en stellen de in vorige paragraaf genomen beslissingen wel opnieuw ter discussie. Op die manier komt het bestuur terug op reeds eerder toegestane afwijkingen van de B.P.A. en wordt daardoor de rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel geschonden. Het vertrouwen van verzoekers werd op die manier op onrechtmatige wijze geschokt. Het vertrouwensbeginsel is namelijk één der beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concreet geval gedaan heeft. Dit wordt vereist om de rechtszekerheid te dienen. Het is voor verzoekers duidelijk dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in casu werd geschonden door reeds eerder toegestane afwijkingen van het B.P.A. 33quater thans volledig opnieuw ter discussie te stellen. Dergelijke beslissing werd niet genomen met eerbiediging van deze norm van behoorlijk bestuur en is daardoor behept met nietigheid. c) verbod van retroactiviteit van de genomen beslissing De bestreden beslissing dd. 29 januari 2002 leidt onvermijdelijk tot de vaststelling dat deze impliciet een reeds eerder genomen beslissing, m.n. de vergunningsbeslissing dd. 3 september 1996, intrekt of opheft. Door een aanvraag tot het aanbrengen van veluxramen en wijziging van de zolderverdieping te weigeren om reden dat andere gegevens en eigenschappen van het gebouw in strijd zouden zijn met het B.P.A. 33quater, trekt het bestuur zijn eerdere beslissing dd. 3 september waarin deze gegevens en eigenschappen wel werden toegestaan, in. X-10.920-8/11 Op die manier trekt de Stad Mechelen bij monde van het College van Burgemeester en Schepenen via de beslissing dd. 22 februari 1999 de eerder verstrekte bouwvergunning dd. 3 september 1996 in. Een regelmatig besluit, in casu de vergunningsbeslissing dd. 3 september 1996, dat voor verzoekers rechten creëerde, kan echter niet worden ingetrokken of ongedaan worden gemaakt. De beslissing dd. 29 januari 2002 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening is met dezelfde nietigheidsgrond behept. Het stelt bepaalde door verzoekers verkregen rechten opnieuw in vraag en trekt deze als het ware in. Dit maakt een schending uit van het verbod op retro-activiteit van administratieve rechtshandelingen. De bestreden beslissing dd. 29 januari 2002 dient ook om die reden te worden vernietigd”. 2.2.
- Beoordeling 2.2.2.
- De niet nader gestaafde beweringen van de verzoekende partijen dat “het vergunde plan dd. 3 september 1996 een quasi identiek volume ten opzichte van de gebuur deed ontstaan” en “dat de achterzijde van het gebouw zuidwaarts is gericht zodat de gro(ot)te van het gebouw van verzoekers geen enkele implicaties heeft op de bezonning” tonen de kennelijke onredelijkheid van de bestreden beslissing niet aan. Het betoog van de verzoekende partijen dat de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden door de vergunningsaanvraag te weigeren op basis van motieven die met die aanvraag geen enkel verband houden, mist dan weer feitelijke grondslag, zoals uiteengezet onder randnummer 2.1.2.2, bij de bespreking van het eerste middel. Het betoog dat de verzoekende partijen aangaande de schending van het redelijkheidsbeginsel voor het eerst in hun memorie van wederantwoord voeren, waar dit in hun verzoekschrift diende te gebeuren, is onontvankelijk. 2.2.2.
- De aanvraag die tot het bestreden weigeringsbesluit heeft geleid is ruimer dan wat vergund werd bij het besluit van 3 september 1996 vermits ze de regularisatie betreft van werken die door de verzoekende partijen in strijd met de vergunning werden uitgevoerd. Om die reden alleen al kunnen de verzoekende partijen zich niet met goed gevolg op een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel beroepen, en evenmin op de schending van het “retroactiviteitsbeginsel”. 2.2.2.
- Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. X-10.920-9/11 X-10.920-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.920-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div