← België

Arrest 187505 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.505 Rolnummer: A. 186379/XIV-30000 Zaak: Arrest 187505 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.505 van 30 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.505 van 30 oktober 2008 in de zaak A. 186.379/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. ROMBOUTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Amerikaanse nationaliteit, op 22 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4158 van 28 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1918 van 17 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.000-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. ROMBOUTS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. FIERENS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Terwijl art. 39/59 §2, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, niet kan toegepast worden van zodra vaststaat dat het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging werd geschonden. In casu werd het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging geschonden doordat de oproeping voorzien in de artikelen 39/75 eerste en tweede lid, en 39/81 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met miskenning van art. 3, §2, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, is verzonden geweest, en doordat, nadat vaststond dat de kennisgeving voorzien in art. 3, §2, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, noch verzoekende partij noch zijn raadsman had bereikt en terug naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd verzonden met de vermeldingen "afwezig" en "niet afgehaald" op de enveloppe van de zending, het ander wettelijk communicatiemiddel voorzien in art. 3, §2, derde lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet werd aangewend op een ogenblik dat een rechtsgeldige kennisgeving nog mogelijk was. Eerste onderdeel, schending van het algemeen beginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging doordat de oproeping voorzien in de artikelen 39/75 eerste en tweede lid, en 39/81 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geschiedde met miskenning van art. 3, §2 eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtsple- ging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat bij beschikking van 18 oktober 2007 de terechtzitting werd bepaald op 27 november
  3. Deze beschikking werd op 23 oktober 2007 per aangetekend schrijven met ontvangstmel- ding verzonden naar de gekozen woonplaats van verzoekende partij, nl. naar het kantooradres van zijn raadsman. (zie stuk 2, bijlage bij huidig verzoekschrift) Verzoekende partij noch zijn raadsman hebben ingevolge overmacht kennis kunnen nemen van dit schrijven, zodat dit schrijven op 9 november 2007 werd teruggezonden naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de vermeldingen "afwezig" "niet afgehaald". Het schrijven is ofwel niet aangeboden geworden op het juiste adres, ofwel werd er door de postbode geen bericht van aanbieding nagelaten in de brievenbus van de gekozen woonplaats van verzoekende partij. De raadsman van verzoekende partij bevestigt dat hij geen bericht van aanbieding heeft ontvangen en dus totaal onwetend is of er al dan niet een aangetekend schrijven werd XIV-30.000-2/8 aangeboden met in bijlage de beschikking van 18 oktober 2007 waarbij verzoekende partij werd opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 27 november
  4. Volgens rechtspraak van de Raad van State, ondermeer in zijn arresten nr. 82.417, van 27 september 1999, en nr. 166.909, van 18 januari 2007, is een dergelijke kennisgeving maar rechtsgeldig indien de zending op het adres wordt aangeboden en in geval van afwezigheid een bericht werd nagelaten dat op het postkantoor een aangetekende zending te zijner beschikking ligt. Volgens zelfde rechtspraak dient de bestemmeling het bewijs of op zijn minst een begin van bewijs te leveren dat de zending niet werd aangeboden of geen bericht van aanbieding in de brievenbus werd nagelaten. Alhoewel het voor de bestemmeling moeilijk is om het bewijs te leveren dat de zending niet werd aangeboden of dat er geen bericht van aanbieding werd nagelaten in de brievenbus (zie Lust S., Bewijs van niet-ontvangst van een aangetekende brief, NW 2007, afl. 156,132), zijn er in casu wel degelijk elementen aanwezig die als een bewijs, of op zijn minst als een begin van bewijs, kunnen gelden dat de zending niet rechtsgeldig werd aangeboden. Het nummer van het adres op het bericht van ontvangst (de rode kaart) kan niet als "84" gelezen worden, wat de aanbieding op een onjuist adres tot gevolg kan gehad hebben. (zie stuk 2, bijlage bij huidig verzoekschrift) De raadsman van verzoekende partij heeft er geen enkel belang bij om aangetekende zendingen niet te gaan afhalen, wel integendeel. De zendingen van alle overige procedurestuk- ken werden wel ontvangen en afgehaald. Verzoekende partij heeft klacht ingediend bij de Post. (zie stukken 3 en 4, bijlagen bij huidig verzoekschrift) Al deze elementen zijn in hun samenhang een bewijs, of op zijn minst een begin van bewijs, dat de aangetekende zending niet of niet op een correcte wijze aangeboden is geweest op het adres waar woonstkeuze werd gedaan, zodat het algemeen beginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging werd geschonden. Tweede onderdeel, schending van het algemeen beginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging, doordat, nadat vaststond dat de kennisgeving voorzien in art. 3, §2, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, noch verzoekende partij noch zijn raadsman had bereikt en terug naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd verzonden met de vermeldingen "afwezig" en "niet afgehaald" op de enveloppe van de zending, het ander wettelijk communicatiemiddel voorzien in art. 3, §2, derde lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet werd aangewend op een ogenblik dat een rechtsgeldige kennisgeving nog mogelijk was. In het verzoekschrift van 20 september 2007 waarbij annulatieberoep werd ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, had verzoekende partij woonstkeuze gedaan op het adres van zijn raadsman met vermelding van het faxnummer Art 3, §2, derde lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bepaalt dat de oproeping per fax kan geschieden indien woonstkeuze is gedaan op het adres van de raadsman en het faxnummer van de raadsman in het inleidend verzoekschrift is vermeld. Op grond van het algemeen beginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging dienen alle uitdrukkelijk in de wet voorziene mogelijkheden uitgeput te worden om verzoekende partij in kennis te stellen van de terechtzitting, van zodra vaststaat dat de aangetekende zending de bestemmeling niet heeft bereikt en deze niet op de hoogte is van de terechtzitting. Het staat vast dat de aangetekende zending op 12 november 2007 is binnengekomen op de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat 14 dagen vóór de zitting de griffie op de hoogte was dat de aangetekende zending de bestemmeling, die woonstkeuze had gedaan bij zijn raadsman, niet had bereikt gezien de vermeldingen "afwezig" en "niet afgehaald" op de enveloppe van de teruggekomen zending. (zie stuk 2, bijlage bij huidig verzoekschrift) Op dat ogenblik was een fout bij de postdiensten niet uit te sluiten, temeer daar de aangetekende zending dewelke was teruggezonden, verzonden was naar het adres van de raadsman waar woonstkeuze werd gedaan, en deze uiteraard geen belang heeft om de zending XIV-30.000-3/8 niet te ontvangen of af te halen, wel integendeel, daar de raadsman alle voorgaande processtuk- ken wel heeft ontvangen en tijdig een repliekmemorie had neergelegd. Daar de aangetekende zending teruggezonden was meer dan acht dagen vóór de terechtzitting, bestond nog de mogelijkheid om verzoekende partij rechtsgeldig op te roepen per fax overeenkomstig art. 3, §2, derde lid, van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Door in deze omstandigheden geen gebruik te maken van de wettelijk voorziene mogelijkheid om een nieuwe rechtsgeldige kennisgeving te doen per fax, wordt het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging geschonden, temeer gelet op het gevolg dat art 39/59, §2, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de niet verschijning geeft, nl. de verwerping van het annulatieberoep, gelet op het gebrek aan de mogelijkheid tot verzet tegen het arrest dat tot de verwerping van het annulatieberoep besluit, en gelet op de quasi onmogelijkheid in hoofde van verzoekende partij om te bewijzen dat de aangetekende kennisgeving niet rechtsgeldig werd aangeboden (zie Lust S., Bewijs van niet-ontvangst van een aangetekende brief, NjW 2007, afl. 156,132).”;
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Ter ondersteuning van zijn enig middel poneert verzoeker dat hij het aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs houdende oproeping voor de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen niet heeft ontvangen en dat hij aldus ingevolge overmacht geen kennis heeft kunnen nemen van de oproeping. Hij houdt voor dat het schrijven ofwel niet op het juiste adres is aangeboden, ofwel dat er geen bericht van aanbieding werd nagelaten in de brievenbus van de gekozen woonplaats. Zoals verzoeker zelf reeds aangeeft, dient hij daarvan evenwel het bewijs te leveren. Inderdaad kan men zich conform de vaste rechtspraak van de Raad van State slechts op overmacht beroepen indien men daarvan het bewijs levert (zie o.m. R.v.St. nr. 127.340 dd. 22 januari 2004; R.v.St. nr. 122.541 dd. 8 september 2003; R.v.St. nr. 120.784 dd. 23 juni 2003). Conform art. 39/59 §2, tweede lid van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt het beroep verworpen wanneer de verzoekende partij ter terechtzitting noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is. Naar analogie met voormelde rechtspraak van de Raad van State, kan enkel worden afgezien van deze sanctie wanneer de verzoekende partij aantoont dat zij wegens overmacht werd verhinderd kennis te nemen van de zittingsdatum. Verzoeker levert dit bewijs niet. Hij beperkt er zich toe te stellen dat: - het nummer van de straat op de 'roze kaart' - ontvangstbewijs - niet leesbaar is als '84', wat de aanbieding op een onjuist adres tot gevolg kan gehad hebben; - verzoekers raadsman - op wiens kantooradres woonstkeuze was gedaan - er 'geen enkel belang bij heeft om aangetekende zendingen niet te gaan afhalen, wel integendeel' - verzoeker klacht heeft ingediend bij de Post. Verzoeker legt de enveloppe van de aangetekende zending voor. Hieruit blijkt dat de zending werd aangeboden op 24.10.2007 doch er niemand aanwezig was en de zending vervolgens tot 9.11.2007 in het postkantoor heeft gelegen zonder dat zij werd afgehaald. Nadien werd zij teruggezonden naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, alwaar zij op 12.11.2007 is ingekomen. Uit de door verzoeker voorgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze dat er een fout of onregelmatigheid zou zijn gebeurd. Evenmin kan uit het feit dat het nummer '84' op de roze kaart beweerdelijk onleesbaar zou zijn, overmacht worden afgeleid, nu het adres vermeld op de zending een getypt adres betrof waarop duidelijk leesbaar werd vermeld: "Jan van Rijswijcklaan 84 ". Tot slot heeft verzoekers klacht bij de Post tot op heden nog geen enkel resultaat opgeleverd en blijkt hieruit evenmin dat er daadwerkelijk sprake is van overmacht. Verzoeker faalt dan ook in de op hem rustende bewijslast. XIV-30.000-4/8 Artikel 3 §2, eerste lid van het K.B. dd. 21.12.2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bepaalt: "De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, worden door de Raad verzonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of per bode tegen ontvangstbewijs. " In casu heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan haar wettelijke verplichtingen. Verzoeker toont evenmin aan dat de artikelen 39/75 en 39/81 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werden geschonden. Dienaangaande verschaft hij zelfs geen enkele nadere toelichting. Verzoeker staaft niet dat zijn rechten van verdediging werden geschonden. In een tweede onderdeel acht verzoeker zijn rechten van verdediging geschonden nu niet 'alle in de wet voorziene mogelijkheden' werden uitgeput om hem in kennis te stellen van de terechtzitting. Meer bepaald verwijst hij naar art. 3 §2, derde lid van het K.B. dd. 21.12.2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat bepaalt: "In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid in de zin van de artikelen 39182 en 39184 van de wet van 15 december 1980, of wanneer toepassing moet worden gemaakt van de versnelde procedure in de zin van artikel 39177 van de wet van 15 december 1980, of wanneer een partij woonplaats heeft gekozen bij een advocaat kunnen de in het eerste lid bedoelde processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen rechtsgeldig geschieden per fax. De partijen vermelden hiertoe in hun processtuk hun faxnummer. " Verzoeker stelt dat hij in zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen woonplaatskeuze heeft gedaan op het adres van zijn raadsman en het faxnummer heeft vermeld en dat om die reden de kennisgeving van de oproeping op het faxnummer diende te geschieden nadat werd vastgesteld dat het aangetekend schrijven houdende de oproeping onbesteld was teruggekeerd. De verwerende partij merkt vooreerst op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen conform haar wettelijke verplichtingen de oproeping heeft verzonden aan de gekozen woonplaats van verzoeker (zie ook hoger). Wanneer de zending onbesteld terugkeert, is het uiteraard niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om daarbij een fout in de postbestelling of welkdanige andere fout die niet deze zou zijn van de verzoekende partij of van zijn raadsman te veronderstellen. Zoals reeds uiteengezet dient verzoeker zélf te staven dat er overmacht is, en kan daar - in tegenstelling tot wat verzoeker kennelijk meent - niet zonder meer worden van uitgegaan. Terwijl daarenboven de mogelijkheid voorzien in art. 3 §2, derde lid van het K.B. dd. 21.12.2006 voormeld om de oproeping per fax te verzenden, geen verplichting uitmaakt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doch daarin uitdrukkelijk vermeld staat dat de processtukken, oproepingen, ... rechtsgeldig kunne geschieden per fax. Nu niet blijkt - en op het ogenblik van ontvangst door de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen van de onbestelde zending evenmin bleek - dat verzoeker niet zélf de fout heeft gemaakt, kan verzoeker niet ernstig voorhouden dat gebruik diende te worden gemaakt van een door de wet voorziene mogelijkheid - geen verplichting - om de kennisgeving op een andere wijze te doen. Terwijl tot slot niet wordt aangetoond als zou de eerbiediging van het recht van verdediging inhouden dat 'alle wettelijk voorziene mogelijkheden tot kennisgeving' dienden te worden uitgeput. Zoals reeds genoegzaam uiteengezet, dient verzoeker het bewijs te leveren van de beweerde overmacht. Het staat vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel conform haar wettelijke verplichtingen heeft gehandeld en geen enkele fout heeft gemaakt. Verzoeker bewijst niet dat zijn rechten van verdediging werden geschonden. Het middel kan niet worden aangenomen.”; XIV-30.000-5/8
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord de uiteenzetting van het enig middel herneemt, en er, wat het eerste onderdeel betreft, het volgende aan toevoegt: “Volgens de vaststellingen van de Post heeft de postman van de ronde 141 van Antwerpen Centrum Mail de aangetekende zending 010541285500452621200053480684, zijnde de zending met de beschikking van 18 oktober 2007 bestemd voor verzoekende partij, op 24 oktober 2007 ingescand voor aanbieding. (zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederantwoord) Van de 32 in aanbieding gebrachte zendingen kon de postman slechts 14 zendingen dezelfde dag aan de bestemmeling overhandigen, wat al zeer weinig is; 18 zendingen werden als "afwezig-bericht gelaten" ingescand. (zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederant- woord) Verder blijkt uit het onderzoek van de Post dat van de 18 zendingen dewelke niet door de postman konden worden overhandigd, en op het postkantoor Antwerpen-Brederodestraat werden binnengebracht om aldaar voor afhaling door de bestemmeling ter beschikking te zijn, er geen enkele werd afgehaald. (zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederantwoord) Op grond van deze vaststellingen besloot De Post dat het niet afhalen van de afwezig gebrachte aangetekende zendingen op 24/10 ernstige twijfels opriep over de correcte aanbieding van de zendingen. ( zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederantwoord) Volgens De Post is het evenwel onmogelijk om op grond van objectieve bewijsstukken na te gaan of de afwezigheidsberichten al dan niet in de brievenbussen van de afwezige bestemmelingen zijn gedeponeerd. ( zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederantwoord) De vaststelling dat geen enkele van de 18 zendingen werd afgehaald, en deze vaststelling zowel bij het Regionaal Kantoor van de Post als de Ombudsdienst van de Post vragen doet stellen over de effectieve aanbieding en verwittiging van de bestemmelingen, en ernstige twijfels oproept over de correcte aanbieding van de zendingen op 24 oktober 2007 (zie stuk 8, bijlage bij huidige memorie van wederantwoord), zijn echter op zich reeds een voldoende bewijs, of op zijn minst een voldoende begin van bewijs, dat de postman van ronde 141 van Antwerpen Centrum Mail op 24 oktober 2007 geen afwezigheidsberichten heeft gedeponeerd in de brievenbussen van de afwezige bestemmelingen. Daartegenover staat enkel de verklaring van de betrokken postbode die zijn fout ontkent, doch deze kan niet als objectief beschouwd worden daar deze betrokken partij is en een toegeving van zijn fout zware gevolgen heeft. Immers de niet-deponering van afwezigheidsbe- richten in de brievenbussen van de bestemmelingen is een dermate zware fout die een ontslag wegens dringende reden verrechtvaardigt, zodat het weinig waarschijnlijk is dat een postbode, die zwaar in de fout is gegaan, dergelijke feiten zal toegeven. Wanneer het voor verzoekende partij quasi onmogelijk is om een bepaald bewijs te leveren, nl. dat het afwezigheidsbericht niet in de brievenbus van de gekozen woonplaats werd gedeponeerd, volstaat het voor verzoekende partij om op grond van de feitelijke omstandighe- den van de zaak aannemelijk te maken dat het weinig waarschijnlijk is dat het afwezigheidsbe- richt wel in de brievenbus werd gedeponeerd. Op grond van de vaststelling van de Post dat geen enkele van de 18 afwezig gebrachte zendingen werd afgehaald, en dat dit bij de Post vragen doet stellen over de effectieve aanbieding en verwittiging van de bestemmelingen, en ernstige twijfels oproept over de correcte aanbieding van de zendingen op 24 oktober 2007, wordt het door verzoekende partij aangevoerde feit dat er geen afwezigheidsbericht in de brievenbus van de raadsman van verzoekende partij werd gedeponeerd, aannemelijk gemaakt. De raadsman van verzoekende partij heeft er bovendien geen enkel belang bij om aangetekende zendingen niet te gaan afhalen, wel integendeel. De zendingen van alle overige procedurestukken werden wel ontvangen en afgehaald. Vermits het voldoende bewezen is, op zijn minst een voldoende begin van bewijs aanwezig is, dat de aangetekende zending niet op een correcte wijze aangeboden is geweest op het adres waar woonstkeuze werd gedaan, zodat verzoekende partij geen kennis had van de datum der terechtzitting en derhalve door overmacht verhinderd is geweest om op de terechtzitting aanwezig te zijn, werd het algemeen beginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging geschonden.”; XIV-30.000-6/8
  7. Overwegende dat naar luid van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen de oproepingen door de Raad worden verzonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of per bode tegen ontvangstbewijs; dat het vereist is dat de betrokkene in de mogelijkheid verkeert kennis te nemen van de oproeping om te verschijnen op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat uit de stukken die de verzoekende partij toevoegt aan de memorie van wederantwoord blijkt dat geen enkele van de achttien door de postbode op 24 oktober 2007 als ‘afwezig - bericht gelaten’ ingescande zendingen op het post kantoor werd afgehaald, en dat zowel bij het regionaal kantoor als bij de Ombudsdienst van De Post het niet afhalen van deze achttien zendingen ernstige twijfels wekt inzake de correcte aanbieding ervan; dat er derhalve ernstige twijfel bestaat of de oproeping van 23 oktober 2007 om te verschijnen op de terechtzitting van 27 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verzoekende partij kon bereiken; dat nu er gegronde onzekerheid bestaat of de verzoekende partij op de hoogte kon zijn van de terechtzitting van 27 november 2007, de rechten van de verdediging zijn geschonden; dat het bestreden arrest precies op de afwezigheid van de verzoekende partij ter terechtzitting is gestemd; dat het enig middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt arrest nr. 4158 van 28 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-30.000-7/8 Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op der- tig oktober tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.000-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.