id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.647 Rolnummer: Zaak: Arrest 187647 - Monumenten en Landschappen - 03/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:48 Fiche Arrest nr 187.647 van 3 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.647 van 3 november 2008 in de zaken A. 86.990/X-9187 (I) A. 96.261/X-9826 (II). In zake : I + II L’ Association Wallonne pour la Promotion du Logement, de l’Action Sociale et du Tourisme, a.s.b.l., die woonplaats kiest bij advocaat M. UYTTENDAELE, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Bronstraat 68 tegen : I + II het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat l’Association Wallonne pour la Promotion du Logement, de l’Action Sociale et du Tourisme, a.s.b.l. op 27 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juni 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij de hoeve “Den Hof” te Voeren als monument en de omgeving van die hoeve als dorpsgezicht op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten worden geplaatst (A. 86.990). Gezien het verzoekschrift dat l’Association Wallonne pour la Promotion du Logement, de l’Action Sociale et du Tourisme, a.s.b.l. op 6 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 juni 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport houdende bescherming als monument van de hoeve “Den Hof” te Voeren en houdende bescherming als dorpsgezicht van de omgeving van die hoeve (A. 96.261). X-9187-9826-1/15 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien het verslag in beide zaken opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikkingen van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 15 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ, die loco advocaat M. UYTTENDAELE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DAELMAN, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging De zaken A.86.990/X-9187 en A. 96.261/X-9826 zijn dermate met elkaar verbonden dat het wenselijk is dat ze worden samengevoegd. X-9187-9826-2/15
- De feiten 2.
- De verzoekende partij is sinds 23 december 1998 eigenares van de hoeve “Den Hof” en omliggende percelen gelegen te Voeren, kadastraal bekend sectie A, nrs. 570/d, 566/a en 571/b. 2.
- Die percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden - Tongeren deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in natuurgebied. 2.
- In een nota van 10 mei 1999 stelt de afdeling monumenten en landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op gemotiveerde wijze voor de hoeve “Den Hof” te Voeren als monument en de omgeving als dorpsgezicht te beschermen wegens hun historische waarde. 2.
- Op 10 juni 1999 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn om de hoeve “Den Hof” te Voeren als monument en om de omgeving van die hoeve als dorpsgezicht op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief van 27 juli 1999 onder meer naar de verzoekende partij verstuurd. Het betreft het bestreden besluit in de zaak A. 86.
- 2.
- Bij aangetekende brief van 25 augustus 1999 aan de afdeling monumenten en landschappen wordt namens de verzoekende partij bezwaar ingediend tegen de voorlopige bescherming van de hoeve “Den Hof” en omgeving te Voeren. 2.
- Op 8 september 1999 brengt de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen Limburg gunstig advies uit. 2.
- De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 23 september 1999 een gunstig advies voor de bescherming. 2.
- In een brief van 23 september 1999 aan de afdeling monumenten en landschappen meldt de burgemeester dat het advies van de gemeente Voeren over de voorgenomen bescherming ongunstig is. X-9187-9826-3/15 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat wordt gehouden van 5 januari 2000 tot en met 3 februari 2000 worden geen bezwaarschriften ingediend. 2.
- In een nota van 23 maart 2000 worden de bezwaren van de verzoekende partij en het advies van het gemeentebestuur betreffende de bescherming van de hoeve en de omgeving, uiteengezet en beantwoord door de afdeling monumenten en landschappen. 2.
- Op 6 april 2000 stemt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest (hierna : KCML) in met die beoordeling van de adviezen en bezwaren door de afdeling monumenten en landschappen en brengt de KCML een gunstig gemotiveerd advies uit. 2.
- Op 16 juni 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om de bovenvermelde hoeve “Den Hof” te Voeren als monument en de omgeving van de hoeve als dorpsgezicht te beschermen. Een afschrift van dat beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 7 augustus 2000 onder meer naar de verzoekende partij verstuurd. Het betreft het bestreden besluit in de zaak A. 96.
- De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 86.990 3.
- Door het definitieve beschermingsbesluit van 16 juni 2000 heeft het in de zaak A. 86.990 bestreden besluit van 10 juni 1999 geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd en dus juridisch geacht wordt nooit te hebben bestaan, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, § 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : Monumentendecreet) geen “uitwerkselen” meer hebben. De verzoekende partij heeft bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het in de zaak A. 86.990 bestreden besluit. 3.
- Het beroep is onontvankelijk. 3.
- In die omstandigheden is de Raad van State overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 1/ van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het X-9187-9826-4/15 Arbitragehof, niet gehouden tot het stellen van de door de verzoekende partij geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
- Ten gronde - zaak A. 96.261 4.
- Eerste middel 4.1.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 2 van het Monumentendecreet, en van het evenredigheids- en het motiveringsbeginsel. In het eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat artikel 2 van het Monumentendecreet werd geschonden doordat uit een dossier dat zij heeft neergelegd blijkt dat de hoeve “Den Hof” geen specifieke historische waarde van algemeen belang heeft die haar onderscheidt van de andere hoeven in de streek en doordat de omgeving van de hoeve evenmin een typisch karakter heeft die de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen. Zij stelt de Raad van State voor om over te gaan tot vaststellingen ter plaatse. In het tweede onderdeel wordt gesteld dat artikel 2 van het Monumentendecreet werd geschonden, doordat de percelen gelegen langs de Kastanjelaarstraat te ver gelegen zijn van de hoeve, terwijl volgens die bepaling enkel de directe er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument, beschermd kan worden. Omdat zij “in tempore non suspecto” een verkavelingsvergunning aangevraagd heeft voor 9 kavels gelegen langs die straat, acht zij ook het evenredigheidsbeginsel geschonden. Zij betwist voorts de intrinsieke historische waarde omdat de andere zijde van de Kastanjelaarstraat reeds verkaveld werd. 4.1.
- De verwerende partij repliceert dat de beschermde goederen in de motiveringsnota uitgebreid beschreven worden, de historische waarde ervan in die nota verduidelijkt wordt en dat verschillende bronnen de historische waarde vermelden, het dorpsgezicht niet beschermd werd omwille van haar “beeldbepalend karakter” of omwille van “de fysische eigenschappen” die “de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen” maar omwille van haar intrinsieke en unieke historische waarde die wordt bevestigd door de verschillende geschiedkundige bronnen die in de motiveringsnota vermeld worden, en van een schending van het evenredigheidsbeginsel geen sprake kan zijn omdat de X-9187-9826-5/15 aangevraagde verkaveling door de gemachtigde ambtenaar eveneens onverenigbaar geacht wordt met een goede ruimtelijke ordening. 4.1.
- Krachtens het motiveringsbeginsel of de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. 4.1.
- Uit het bestreden besluit blijkt dat de hoeve “Den Hof” van algemeen belang wordt geacht omwille van zijn historische waarde als “voormalige zetel van het leenhof Van den Bongart, groot leen van het leenhof van Daelhem” die als volgt omschreven wordt: “van de gebouwen van het voormalige hof resteren nog het woonhuis uit de eerste helft van de 18de eeuw, aangepast in de 19de eeuw tesamen met de hekpijlers van de inkom; het heuvellichaam (motte) met omgrachting en de muurresten van een torenconstructie (donjon) verwijzen naar de middeleeuwse fase”. Voorts blijkt daaruit dat de omgeving van de hoeve van algemeen belang is omwille van zijn historische waarde als zeldzame getuige van een “homogeen grondstuk dat ongewijzigd is gebleven sinds de toestand weergegeven op de Ferrariskaart in 1781-1788 en de kadastrale kaart van Popp in 1876” die bovendien “integrerend deel uit(maakt) van deze historische leenhofsite”. Die motivering komt overeen met de motivering vermeld in de motiveringsnota van de afdeling monumenten en landschappen van 10 mei 1999 die gebaseerd is op meerdere historische bronnen en wetenschappelijke publicaties. Ook de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen en de KCML hebben het algemeen belang van de aldus omschreven historische waarde van de hoeve en de omgeving bevestigd. 4.1.
- De verzoekende partij toont niet aan dat de gegevens van de zaak waarop de historische waarde van algemeen belang van de hoeve en zijn omgeving gesteund worden, onjuist zijn. Het feit dat van de gebouwen van het voormalige hof X-9187-9826-6/15 enkel nog het woonhuis overblijft doet op zich niets af aan de omschreven historische waarde evenmin als aan het, naar de Middeleeuwen verwijzende, bestaan van het heuvellichaam met omgrachting en de muurresten van een torenconstructie. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat uit de motieven tot bescherming van de omgeving van de hoeve als dorpsgezicht blijkt dat de bescherming slaat op een dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2, 3/, eerste gedachtenstreepje van het Monumentendecreet en niet op een dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2, 3/, tweede gedachtenstreepje. De kritiek van de verzoekende partij dat de beschermde omgeving “te ver” van de hoeve ligt om als de “directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving” te kunnen worden omschreven, is derhalve niet pertinent. Het bestaan van een verkaveling aan de andere zijde van de Kastanjelaarstraat en dus buiten het beschermde dorpsgezicht doet evenmin iets af aan de niet betwiste historische waarde van algemeen belang van die omgeving van de hoeve “Den Hof”. Het feit dat de verzoekende partij op 10 juni 1999 een verkavelingsaanvraag heeft ingediend om het bovenvermelde perceel nr. 566/a in 9 loten te verkavelen toont op zich niet aan dat het redelijkheids- en/of het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden door het bestreden beschermingsbesluit dat ten andere het resultaat is van een procedure die eerder is aangevangen met een plaatsbezoek door de afdeling Monumenten en Landschappen in februari
- 4.1.
- Het eerste middel is in al zijn onderdelen ongegrond. 4.
- Tweede middel 4.2.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 6.1.2.2 en 13.4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna : Inrichtingsbesluit), van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden - Tongeren. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit tot doel heeft de betrokken percelen in hun actuele staat te behouden, terwijl die percelen volgens het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter en gedeeltelijk in natuurgebied zijn gelegen, door het voorlopig X-9187-9826-7/15 beschermingsbesluit geen enkele wijziging meer kan worden aangebracht aan de beschermde goederen en dat de bestemming ervan daardoor overeenstemt met die van gebieden en plaatsen van culturele, historische en/of esthetische waarde of van natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten, en het bestreden besluit dus neerkomt op een gewestplanwijziging of alleszins strijdig is met de verordenende kracht van gewestplannen. 4.2.
- De verwerende partij repliceert dat in natuurgebied “een zo goed als algemeen bouwverbod geldt” en zij dus “niet (inziet) hoe een onverenigbaarheid zou kunnen bestaan tussen het beschermde dorpsgezicht en de bestemming ‘natuurgebied’” nu de bescherming als dorpsgezicht geen algemeen bouwverbod impliceert, er geen onverenigbaarheid is met de bestemming woongebied met landelijk karakter vermits de beschermde percelen in gebruik zijn als landbouwpercelen en in dergelijk gebied niet “alle terreinen effectief bouwgrond moeten worden” en de verkavelingsaanvraag van de verzoekende partij overigens werd geweigerd omdat de gemachtigde ambtenaar geoordeeld heeft dat de verkaveling onverenigbaar was met de goede ruimtelijke ordening. 4.2.
- Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in bestaande wetten en in bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen welke de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, maar ook de verordenende bepalingen welke andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, als met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een dorpsgezicht of van een monument ipso facto in strijd is met de bestemming woongebied met landelijk karakter of natuurgebied en dat in die gebieden geen bescherming als monument of als dorps- of stadsgezicht mogelijk is. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van het gewestplan kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking van de plannen van aanleg verhinderen. Ook goedgekeurde plannen van aanleg houden eigendomsbeperkingen in. Op zich is het niet onwettig dat met toepassing van het Monumentendecreet bijkomende bepalingen en verplichtingen worden opgelegd. Luidens artikel 5.1.0 van het Inrichtingsbesluit zijn woongebieden bestemd voor wonen alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf X-9187-9826-8/15 voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven, voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Ingevolge art. 6.1.2.2 van het Inrichtingsbesluit zijn woongebieden met landelijk karakter bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Het zijn gebieden waarin wonen in het algemeen en landbouw hoofdbestemmingen zijn. Daarnaast kunnen er eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten worden toegelaten die vermeld zijn in voormeld art. 5.1.
- Daarnaast bepaalt artikel 19, derde lid van het Inrichtingsbesluit dat een vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Wanneer een perceel is gelegen in een woongebied vloeit daar dus niet als zodanig uit voort dat dit perceel is bestemd voor bewoning en dat de eigenaar hoe dan ook kan verkavelen en bouwen. Ingevolge artikel 13.4.3.1 van het Inrichtingsbesluit omvatten de natuurgebieden de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden waar jagers- en vissershutten mogen gebouwd worden voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. Te dezen omvat het bestreden beschermingsbesluit geen specifieke beperkingen of verbodsbepalingen. In artikel 2 worden zonder meer de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten van toepassing verklaard. De verzoekende partij heeft nergens vermeld uit welke bepalingen van het bestreden besluit een bouwverbod in het beschermde dorpsgezicht zou voortvloeien. Het bouwverbod voor de percelen die volgens het gewestplan in natuurgebied zijn gelegen volgt uit die gewestplanbestemming zelf en niet uit het bestreden beschermingsbesluit. Uit het voorgaande volgt ook dat de verzoekende partij, die in de laatste memorie erkent dat het bestreden besluit geen algemeen bouw- of verkavelingsverbod invoert, ten onrechte aanvoert dat de gewestplanbestemmingen van de beschermde percelen “de facto” werden gewijzigd door het bestreden besluit. X-9187-9826-9/15 Zij toont niet aan dat het bestreden besluit de verwezenlijking van het gewestplan aldaar verhindert. 4.2.
- Het tweede middel is ongegrond. 4.
- Derde en zesde middel 4.3.
- Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 5 van het Monumentendecreet en uit onbevoegdheid en machtsoverschrijding. De verzoekende partij voert aan dat het voorlopig beschermingsbesluit werd genomen door de Vlaamse minister van Cultuur, Gezondheid en Welzijn, terwijl het besluit collegiaal door de Vlaamse regering moest worden genomen en het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering aan de minister geen bevoegdheid heeft verleend om alleen een voorlopig beschermingsbesluit te nemen. Het zesde middel is genomen uit de schending van artikel 5 van het Monumentendecreet en uit onbevoegdheid en machtsoverschrijding. De verzoekende partij voert aan dat het beschermingsbesluit van 16 juni 2000 werd genomen door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, terwijl het besluit collegiaal door de Vlaamse regering moest worden aangenomen. 4.3.
- De verwerende partij stelt, wat betreft het derde middel, dat het voorlopig beschermingsbesluit verwijst naar het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, en de gemeenschaps- en gewestregeringen bevoegdheden kunnen delegeren aan de individuele regeringsleden zoals blijkt uit de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen die delegaties binnen de schoot van de regering mogelijk maken. Ingevolge die bepalingen was de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn bevoegd om beslissingen te nemen voor de toepassing van de decreten inzake monumenten. In verband met het zesde middel verwijst de verwerende partij nog naar artikel 11, 10/ van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering dat “uitdrukkelijk bepaalt dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport bevoegd is voor monumenten”. X-9187-9826-10/15 4.3.
- Volgens artikel 68 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen regelt elke regering haar werkwijze. Artikel 69 bepaalt dat elke regering collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar toegestane delegaties. Hieruit volgt dat de verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering uitsluitend een zaak van die regering is. Het komt daarom niet toe aan de decreetgever een lid van de regering beslissingsbevoegdheid toe te kennen met betrekking tot door hem aangewezen materies. Het Monumentendecreet doet dat ook niet en geeft in de artikelen 5, § 1 en 7 aan de Vlaamse regering opdracht de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten respectievelijk het besluit tot definitieve bescherming van de op de ontwerp van lijst voorkomende monumenten en stads- en dorpsgezichten vast te stellen. 4.3.
- Voor wat de beslissing tot vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten betreft, verleent de Vlaamse regering, onder uitdrukkelijke verwijzing naar voormelde artikelen 68 en 69, bij besluit van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering aan Luc Martens, Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, delegatie voor het nemen van beslissingen voor de toepassing van onder meer de wetten en decreten inzake de monumenten. Het besluit tot vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten is ook effectief door Luc Martens genomen. Het is niet door onbevoegdheid aangetast. 4.3.
- Wat het besluit tot definitieve bescherming betreft, verleent de Vlaamse regering, eveneens onder verwijzing naar voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bij besluit van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering aan Johan Sauwens, Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, de bevoegdheid voor het nemen van beslissingen inzake de monumenten. Het bestreden besluit is ook effectief door Johan Sauwens genomen. Het is niet door onbevoegdheid aangetast. 4.3.
- De genoemde ministers waren bevoegd om de voornoemde besluiten te nemen, ook al zouden ze rechtsgevolgen teweegbrengen in domeinen die tot de bevoegdheid van andere leden van de Vlaamse regering behoren. X-9187-9826-11/15 4.3.
- Het derde en het zesde middel zijn niet gegrond. 4.
- Vierde middel 4.4.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 70 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 5 van het Monumentendecreet en uit onbevoegdheid en machtsoverschrijding. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit genomen werd door een onbevoegde overheid, doordat de voorlopige beschermingsbeslissing genomen werd op 10 juni 1999, terwijl de Vlaamse regering zich diende te beperken tot de lopende zaken. Zij betoogt dat het voorlopige beschermingsbesluit genomen werd drie dagen vóór de federale en regionale verkiezingen die plaatsvonden op 13 juni 1999, het Vlaamse Parlement dan niet meer in de mogelijkheid was om controle uit te oefenen op de Vlaamse regering en het voorlopige beschermingsbesluit geen lopende zaak betrof. 4.4.
- De verwerende partij repliceert dat de Vlaamse regering op 10 juni 1999 nog niet ontslagnemend was en nog haar volheid van bevoegdheid had en dat de voorlopige beslissing “die reeds werd voorbereid sinds januari 1999” zonder “overhaasting” werd genomen en “het uiteindelijk definitief beschermingsbesluit (is) genomen door de nieuwe regering”. 4.4.
- De verzoekende partij dupliceert dat de beschermingsprocedure werd ingezet door het voorlopig beschermingsbesluit van 10 juni 1999 dat politiek delicaat lag omwille van de ligging in Voeren, overhaast werd genomen en een beleidskeuze inhield. 4.4.
- Te dezen heeft het Vlaamse Parlement zijn werkzaamheden in de zittingsperiode van 1998-99 beëindigd op de plenaire vergadering van 6 mei 1999, heeft de Vlaamse regering op 14 juni 1999 haar ontslag aan het Vlaams Parlement aangeboden en werd het Vlaams Parlement in zijn nieuwe samenstelling geïnstalleerd op 6 juli
- Hieruit volgt dat de parlementaire controle op de regering op het ogenblik dat het voorlopig beschermingsbesluit werd genomen, geacht moet worden afwezig te zijn geweest. Bijgevolg was de bevoegdheid van de Vlaamse regering op dat ogenblik beperkt tot de lopende zaken. X-9187-9826-12/15 4.4.
- De procedure die tot het bestreden definitief beschermingsbesluit heeft geleid werd reeds in februari 1999 met een plaatsbezoek van de afdeling monumenten en landschappen aangevat. De beschermingsprocedure is tot het voorlopig beschermingsbesluit zonder overhaasting afgewikkeld. De motiveringsnota van de afdeling monumenten en landschappen werd opgemaakt op 10 mei 1999 en werd gevolgd door het voorlopig beschermingsbesluit van 10 juni
- Het verdere verloop van de beschermingsprocedure is dan geschied onder parlementaire controle. Het voorlopig beschermingsbesluit was het voorlopig eindresultaat van een bestuurshandeling die normaal is aangevat, geregeld en onder parlementaire controle verder afgewikkeld en is niet de verrassende uitkomst van een actie die in der ijl is beraamd en op een geforceerde wijze ondernomen door een minister die, aangezien hij politiek niet meer verantwoordelijk zou geweest zijn, zou zijn opgetreden buiten zijn bevoegdheid. Het voorlopig beschermingsbesluit dient zich bovendien niet aan als een regeringszaak, dit wil zeggen een zaak die opties impliceert waarvan het belang op het gebied van de algemene politiek uiteraard zo groot is dat over deze zaak alleen zou kunnen worden beslist door een regering die de steun geniet van het Parlement en die het risico loopt deze steun te verliezen door de beslissing die ze heeft genomen. Dit blijkt ten andere uit het bestreden beschermingsbesluit dat werd genomen onder parlementaire controle. 4.4.
- Het vierde middel is niet gegrond. 4.
- Vijfde middel 4.5.
- Het vijfde middel is genomen uit de schending van artikel 5, § 1 van het Monumentendecreet. De verzoekende partij betoogt dat in het voorlopig beschermingsbesluit wordt gesteld dat er mogelijk erfdienstbaarheden worden opgelegd, terwijl artikel 5 van het Monumentendecreet voorschrijft dat de erfdienstbaarheden uitdrukkelijk vermeld worden in het ontwerp van lijst. De verwijzing naar het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten laat niet toe na te gaan welke erfdienstbaarheden in dit laatste besluit toepasselijk zijn op het voorlopig beschermde goed. De verzoekende partij besluit dat er twijfel X-9187-9826-13/15 bestaat over de erfdienstbaarheden die worden opgelegd in het voorlopig beschermingsbesluit. 4.5.
- De verwerende partij repliceert dat het “zeer duidelijk (is) dat in casu geen andere erfdienstbaarheden worden opgelegd dan deze opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993”. 4.5.
- Het bestreden besluit bepaalt in artikel 2 dat de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten van toepassing zijn en legt geen specifieke voorschriften op. Het voormelde besluit van 17 november 1993 bevat geen erfdienstbaarheden maar een geheel van onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, § 5 en artikel 11, § 2 van het Monumentendecreet, bepaalt dat dit besluit van toepassing is op onder meer de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het Monumentendecreet definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit besluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit. Dit besluit legt aldus verplichtingen op die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld. De verzoekende partij heeft derhalve geen belang bij het middel. 4.5.
- Het vijfde middel is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 86.990/X-9187 en A. 96.261/X-9826 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. X-9187-9826-14/15 Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9187-9826-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div