id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.649 Rolnummer: A. 117755/X-10857 Zaak: Arrest 187649 - Plannen van aanleg - 03/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.649 van 3 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.649 van 3 november 2008 in de zaak A. 117.755/X-10.
- In zake :
- Albert SLACHMUYLDERS,
- Maria BEULLENS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160,
- de stad MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Albert SLACHMUYLDERS en Maria BEULLENS op 6 maart 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het BPA “Zennevallei Hombeek” genaamd, van de stad Mechelen, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.857-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. BOSQUET, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat F. HORIONS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een woning gelegen te Mechelen, Mechelseweg 1, kadastraal bekend sectie A, nr. 109/f. Zij zijn tevens eigenaar van een onbebouwd perceel gelegen te Mechelen, Hombekerkouter, kadastraal bekend sectie A, nr. 46/e, dat vlak achter eerstgenoemd perceel is gelegen. Beide percelen zijn overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, in woongebied gelegen. 1.
- Op 23 november 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Mechelen tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 1.
- Op 11 mei 2000 stelt de gemeenteraad van de stad Mechelen het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voorlopig vast. X-10.857-2/7 1.
- Op 21 december 2000 stelt de gemeenteraad van de stad Mechelen het BPA “Zennevallei Hombeek” voorlopig vast. Het ontwerp voorziet op het perceel nr. 46/e achtereenvolgens een zone voor gesloten bebouwing met een diepte van 15 m, een zone voor tuinen met een diepte van ongeveer 25 m, en een zone “valleigebied” met een diepte van ongeveer 100 m. 1.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek over het BPA “Zennevallei Hombeek” dient onder meer de eerste verzoeker een bezwaarschrift in. 1.
- Op 31 januari 2001 stelt de gemeenteraad van de stad Mechelen het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan definitief vast. 1.
- Op 21 mei 2001 verwerpt de regionale commissie van advies voor de streek Antwerpen de ingediende bezwaarschriften tegen het BPA “Zennevallei Hombeek”. 1.
- Op 3 juli 2001 formuleert het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen zijn opmerkingen aangaande het advies van de regionale commissie voor advies over het BPA “Zennevallei Hombeek”. 1.
- Op 3 juli 2001 keurt de Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Mechelen definitief goed. 1.
- Op 10 juli 2001 stelt de gemeenteraad het BPA “Zennevallei Hombeek” definitief vast. In de toelichtingsnota hierbij wordt gesteld: “Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Mechelen is in ontwikkeling. Dit bijzonder plan van aanleg loopt voor op dit planningsproces, maar beiden zijn volledig op elkaar afgestemd”. 1.
- Op 20 september 2001 geeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een gunstig advies over het BPA “Zennevallei Hombeek”. 1.
- Het bestreden besluit keurt het BPA “Zennevallei Hombeek” van de stad Mechelen, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een X-10.857-3/7 bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften goed. Dit besluit werd bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 januari
- Gegrondheid van de vordering 2.
- Het aangevoerde middel De verzoekende partijen voeren in het enig middel de schending aan van artikel 187 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van de artikelen 2 en 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het gewestplan Mechelen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder van het formele en materiële motiveringsbeginsel. In hun verzoekschrift lichten de verzoekende partijen het middel als volgt toe: “Doordat het bestreden besluit een bijzonder plan van aanleg goedkeurt, waarbij de eigendom van verzoekers kadastraal gekend onder 5de afdeling, sectie A nr. 46e de bestemming ‘woongebied’ van het gewestplan Mechelen grotendeels wijzigt in ‘valleigebied’; Terwijl de bestemming ‘valleigebied’ afwijkt van de gewestplanbestemming ‘woonzone’; Dat de Raad van State sedert lang oordeelt dat met een B.P.A. slechts kan worden afgeweken van een vroeger vastgesteld gewestplan wanneer tegelijk aan vijf voorwaarden is voldaan, te weten; 1) dat aangetoond is dat de gewestplanbestemming achterhaald is, of niet meer kan worden verwezenlijkt; 2) dat de in het bijzonder plan van aanleg voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op het ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er een dwingende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende ordening; 3) dat die planologische redenen duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en steunen op de eigen aard van het betrokken deelgebied; 4) dat de voorgestelde afwijkende ordening de algemene economie van het gewestplan niet aantast; 5) dat de wijziging niet strekt tot het rechtzetten van vergissingen in het gewestplan; (...) dat de Heylendoctrine, die voormelde voorwaarden vastlegt, ontstaan is vanuit een leemte in artikel 14 van het DROG; dat dit artikel immers bepaalt dat, wanneer er een gewestplan bestaat, het bijzonder plan van aanleg zich naar de bepalingen hiervan dient te richten; dat het BPA echter desnoods mag afwijken van een gewestplan; dat artikel 14 DROG evenwel naliet de voorwaarden te bepalen die moeten voldaan zijn om te kunnen afwijken; dat de Heylendoctrine hieraan is tegemoet gekomen en artikel 14 van het DROG aanvulde; dat het Decreet van 18 mei 1999 houdende de Organisatie van de Ruimtelijke Ordening aan de Heylendoctrine geen afbreuk doet; X-10.857-4/7 dat artikel 187 DRO immers expliciet verwijst naar de oude procedure van artikel 14 van het DROG; dat immers artikel 187, vierde lid DRO het geval behandelt waarin de gemeente reeds heeft beslist tot opmaak van een BPA, maar de procedure voor opmaak nog steeds lopende is op het moment van definitieve goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat voormeld artikel immers het volgende bepaalt: ‘Procedures tot opmaak of herziening van algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg en daarmee samenhangende onteigeningsplannen die lopen op het moment van de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, worden voortgezet overeenkomstig de in het tweede lid bedoelde artikelen...’ dat de in het tweede lid van artikel 187 DRO bedoelde artikelen de artikelen 12 tot en met 34 van het DROG zijn; dat derhalve artikel 14 DROG van toepassing is, in het bijzonder artikel 14, derde laatste lid DROG; dat immers, zoals uit het feitenrelaas blijkt, de procedure voor opmaak van het kwestieuze BPA lopende is op het moment van goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat de opmaak van het BPA al start vóór februari 2001, (de) maand waarin het openbaar onderzoek liep tegen de voorlopige aanneming van het BPA aangezien het bezwaar van verzoekers dateert van 15 februari 2001; dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd bij besluit van 3 juli 2001; dat de definitieve goedkeuring van het BPA slechts gebeurt bij het bestreden besluit van 12 december 2001; dat nu artikel 187 DRO uitdrukkelijk verwijst naar de toepassing van artikel 14 DROG, de Heylendoctrine eveneens van toepassing blijft; Dat het afwijkend BPA bijgevolg dient getoetst te worden aan de vijf supra opgesomde voorwaarden; dat geen der voormelde voorwaarden van de Heylendoctrine zijn vervuld en evenmin is aangetoond dat ze vervuld zijn, zodat ook het materiële en het formele motiveringsbeginsel geschonden zijn”; 2.
- Beoordeling van het middel 2.2.
- Het uitgangspunt van het enig middel is dat het bestreden besluit rechtsgrond vindt in artikel 14, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het Gecoördineerde Decreet). De verwerende partijen wijzen er terecht op dat in onderhavige zaak toepassing is gemaakt van het door artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening ingevoegde artikel 14, vijfde lid van het Gecoördineerde Decreet, dat op 18 juni 1999 in werking is getreden. Deze bepaling luidt als volgt: “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op X-10.857-5/7 voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. Op 19 april 1999 heeft de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening in zijn “inleidende uiteenzetting” in de bevoegde commissie van het Vlaams parlement het volgende verklaard met betrekking tot het ontwerp dat de geciteerde bepaling is geworden: “(...) Wat de van het gewestplan afwijkende, al dan niet ‘sectorale’ BPA’s betreft, wordt voorzien in een decretale verankering: het huidige ‘desnoods afwijken’ wordt vervangen door afwijken zonder meer, op voorwaarde dat de gemeente gestart is met het structuurplanningsproces en op voorwaarde dat de principes van het RSV worden gerespecteerd” (Parl. St., Vl.Parl., 1998-1999, nr. 1332/8, 8). 2.2.
- Artikel 14, vierde lid van het Gecoördineerde Decreet legt andere voorwaarden op om met een bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) te kunnen afwijken van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan dan die vermeld in artikel 14, vijfde lid van het Gecoördineerde Decreet. De afwijkingsmogelijkheid van artikel 14, vijfde lid van het Gecoördineerde Decreet bestaat parallel naast de afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid van het voormelde decreet. Aangezien het bestreden besluit geen rechtsgrond vindt in laatstgenoemde bepaling gaan de verzoekende partijen er ten onrechte vanuit dat de door de Raad van State in zijn rechtspraak ontwikkelde voorwaarden bedoeld door “desnoods” in artikel 14, vierde lid van het Gecoördineerde Decreet, moesten worden toegepast. 2.2.
- In hun memorie van wederantwoord en hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen nog aan dat het bestreden BPA geen rechtsgrond kan vinden in artikel 14, vijfde lid van het Gecoördineerde Decreet, omdat het geen betrekking heeft op een zonevreemd bedrijf en omdat het niet werd gebruikt om op dringende wijze vooruit te lopen op het regulier planningsproces, aangezien het bestreden besluit dateert van ná de ministeriële goedkeuring van het gemeentelijk structuurplan. Uit de tekst van artikel 14, vijfde lid van het Gecoördineerde Decreet blijkt niet dat een daarin bedoeld BPA enkel betrekking mag hebben op zonevreemde bedrijven. De tekst van artikel 14, vijfde lid verbiedt ook niet dat de minister een BPA waarvan de opmaak werd aangevat vóór de vaststelling van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan goedkeurt, nadat hij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan heeft goedgekeurd. In het bestreden besluit wordt dan ook terecht het volgende overwogen: X-10.857-6/7 “Overwegende dat de procedure voor het goedkeuren van het bijzonder plan van aanleg kan voortgezet worden omdat ze reeds was opgestart voor de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. 2.2.
- Het enig middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.857-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div