← België

Arrest 187659 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.659 Rolnummer: A. 186353/XIV-30009 Zaak: Arrest 187659 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-21 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-07-03 03:49 Fiche Arrest nr 187.659 van 3 november 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.659 van 3 november 2008 in de zaak A. 186.353/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten P. ROBERT en B. DALLE, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 21 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4583 van 7 december2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1983 van 22 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 oktober 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.009-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VERSWIJVER die, loco Advocaten P. ROBERT en B. DALLE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker komt de Europese Unie binnen via Griekenland. Hij maakt gebruik van de naam Kalil Alhalili en wordt op 14 maart 2007 door de Griekse autoriteiten in het bezit gesteld van een bevel om het land te verlaten. 1.2 Op 5 mei 2007 komt verzoeker in België aan, alwaar hij op 7 mei 2007 een asielverzoek indient. 1.
  4. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken verzoekt de Griekse autoriteiten, op basis van de verordening 343/2003/EG van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, om de overname van verzoeker. Het verzoek wordt door de Griekse autoriteiten ingewilligd. 1.
  5. Op 2 juli 2007 wordt door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten genomen. 1.
  6. Bij arrest van 25 oktober 2007 vernietigt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de beslissing van 2 juli
  7. XIV-30.009-2/9 1.
  8. Nadat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken schriftelijke garanties heeft verkregen vanwege de Griekse autoriteiten dat zij de asielaan- vraag van verzoeker verder zouden behandelen wordt een nieuwe beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten genomen op 5 december
  9. Deze beslissing, die dezelfde dag aan verzoeker ter kennis wordt gebracht, is gemotiveerd als volgt: “(…) In uitvoering van artikel 71/3, §3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 december 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt het verblijf in het Rijk geweigerd. aan persoon die verklaart te heten XXX geboren te Bagdad, op (in) 11/06/1982 van nationaliteit te zijn: Irak die een asielaanvraag ingediend heeft. REDEN VAN DE BESLISSING: België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Griekse autoriteiten toekomt, met toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 10’1 van de Europese Verordening (EG) 343/
  10. Betrokkene heeft op 09/03/2007 de buitengrenzen van de lidstaten overschreden via Griekenland zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste documenten, en de Griekse overheid heeft op datum van 16/06/2007 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Betrokkene werd in kennis gesteld van de Dublin II verordening

(2003). Betrokkene kwam via Griekenland het Dublingrondgebied binnen en bijgevolg vroeg België op 31/05/2007 overname aan Griekenland. Betrokkene verklaarde in zijn Dublininterview dd. 16/05/2007 dat zijn asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden omdat ”België de mensenrechten respecteert”. Op 29 juni 2007 faxte de raadsman van betrokkene een brief door waarin betrokkene aan de Belgische overheid vraagt toepassing te maken van artikel 51/5 §2 van de wet van 15/12/
  1. In de betrokken fax wordt bevestigd dat betrokkene in Griekenland langs geweest is en er op 14/03/2007 aan betrokkene gevraagd werd het Griekse grondgebied te verlaten. Betrokkene vreest dat zijn asielaanvraag in Griekenland niet in behandeling genomen zal worden en hij voegde volgende documenten toe ter staving van zijn wens: een brief gestuurd aan door de directeur van Amnesty International, afdeling Nederland aan het Staatssecretariaat van Justitie van 1 juni 2007, een document van het UNHCR van februari 2006, een uitspraak van de rechtbank van Zwolle in Nederland en een copie van een arrest van augustus
  2. Naast het feit dat deze documenten reeds van 2006 dateren en er vanuit kan gegaan worden dat niets erop wijst dat de situatie ondertussen ongewijzigd is gebleven moet worden opgemerkt dat betrokkene in Griekenland geen asielaanvraag heeft ingediend en dat alsnog kan doen. Griekenland is als lidstaat gebonden aan het gemeenschappelijk Europees asielbeleid dat stoelt, op de volledige en niet restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari
  3. Er zijn nooit concrete aanwijzingen geweest dat een terugkeer naar Griekenland een direct risico voor betrokkene inhoudt. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de Griekse autoriteiten de asielaanvraag van betrokkene, indien hij die in Griekenland zal indienen, niet inhoudelijk zal behandelen. XIV-30.009-3/9 Er is ook geen concrete aanwijzing dat Griekenland betrokkene, Abd Alkadhum Ali Jwad, gekend bij de Griekse autoriteiten onder de naam Khalil Alhalili, onmenselijk zal behandelen of betrokkene zal repatriëren naar Irak. Indien dit toch het geval zou zijn, dan heeft betrokkene in Griekenland rechtsmiddelen ter beschikking indien hij wil aantonen dat een eventuele repatriëring naar het land van herkomst zou indruisen tegen artikel 3 of artikel 8 van de EVRM. Bijgevolg blijven de aangehaalde elementen slechts hypothetisch. Betrokkene verbleef na betekening van het bevel om het grondgebied te verlaten in Griekenland nog twee maanden illegaal in Griekenland en de Griekse overheden hebben niet de minste poging ondernomen tot terugleiding. De overdracht van betrokkene werd schriftelijk meegedeeld aan de Griekse autoriteiten, speciaal opdat zij maatregelen kunnen treffen voor een voldoende opvang van betrokkene. De dienst vreemdelingenzaken nam contact op met de Griekse immigratiedienst in Athene en verkwam zo schriftelijke garanties dat indien betrokkene een asielaanvraag in Griekenland indient, de Griekse autoriteiten die verder zullen behandelen. Na verifiëring met de Nederlandse autoriteiten op 27/11/2007 blijkt dat de Nederlandse autoriteiten net als de Belgische autoriteiten het Europees interstatelijk vertrouwensbe- ginsel toepassen en repatriëringen naar Griekenland blijven plannen. De Nederlandse Raad van State is van oordeel dat deze overdrachten in het kader van Verordening 343/2003 (Dublin II) niet leiden tot een impliciete schending van artikel 3 EVRM. Indien op grond van boven genoemde Verordening blijkt dat Griekenland verantwoor- delijk is voor de behandeling van het asielverzoek wordt er door Nederland een verzoek hiertoe aan Griekenland gericht en Dublin-conform afgehandeld. Het arrest van 28 augustus 2006 in de zaak Karatas waarnaar in de faxen van de raadsman van betrokkene naar verwezen werd, werd op 12/03/2007 verworpen en de betrokkene in die zaak werd op 14/08/2007 gerepatrieerd naar Griekenland. Vermits betrokkene de lidstaten via Griekenland binnenkwam en er geen bewijzen zijn dat betrokkene sindsdien de lidstaten voor ten minste 3 maanden verlaten heeft, blijft de verantwoordelijkheid van Griekenland intact. Betrokkene verklaart geen familie in België of elders in de lidstaten te hebben. Bovendien verklaart betrokkene in goede gezondheid te verkeren. Gezien bovenstaande motivering en er geen concrete basis is om de asielaanvraag te behandelen op grond van artikel 32 of artikel 15 van bovengenoemde verordening, besliste de Belgische autoriteit geen gebruik te maken van artikel 51/5 §2 van de wet van 15 december
  4. Bijgevolg zal bovengenoemde worden overgedragen aan de bevoegde Griekse autoriteiten (…)”. 1.
  5. Op 6 december 2007 wordt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen een vordering ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van deze beslissing. 1.
  6. Deze vordering wordt behandeld op de terechtzitting van 7 december
  7. 1.
  8. Dezelfde dag neemt de wnd. voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Dit arrest rust op volgende redengeving: XIV-30.009-4/9 “...
  9. Over de rechtspleging: Waar verzoeker, op basis van artikel 39/6, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), samen te lezen met artikel 39/12 van dezelfde wet de verwijzing van het beroep naar de algemene vergadering van de Raad vraagt of minstens, op basis van de artikelen 39/6, § 3, derde lid, en 39/10 van de Vreemdelingenwet de verwijzing naar een kamer met drie rechters vordert, dient de Raad te stellen dat de organisatie van een terechtzitting van de algemene vergadering of een terechtzitting met drie leden onverenigbaar is met de verplichting om, in een procedure waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid van een beslissing gevorderd wordt, op korte termijn uitspraak te doen en aldus de bepalingen van artikel 39/82, § 4, tweede lid, van de Vreemdelingenwet te respecteren.
  10. Onderzoek van het beroep: Overeenkomstig artikel 39/82, § 2, van de Vreemdelingenwet kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Artikel 32, eerste lid, 2/, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt evenzeer dat het verzoekschrift tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te omvatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verzoeker een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen. Beide bepalingen dienen zo te worden geïnterpreteerd dat verzoeker zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen nadeel ondergaat of kan ondergaan (R.v.St, nr. 100.400, 26 oktober 2001). Het moet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers mogelijk zijn om met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is en het moet voor verweerder mogelijk zijn om zich tegen de door verzoeker aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen. Verzoeker dient gegevens aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat hij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat hij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een afzonderlijke voorwaarde, die ook afzonderlijk dient te worden beoordeeld (R.v.St., nr. 107.797, 12 juni 2002). De Raad benadrukt bovendien dat het ingeroepen nadeel niet het gevolg mag zijn van de eigen keuzes, daden of gedragingen van verzoeker (R.v.St., nr. 114.306, 8 januari 2003; R.v.St., nr. 162.311, 5 september 2006). In essentie voert verzoeker aan dat het nadeel dat hij dreigt te ondergaan er in bestaat dat indien zijn asielverzoek in Griekenland dient behandeld te worden hij statistisch gezien minder kans heeft op erkenning van de vluchtelingenstatus dan indien hetzelfde verzoek door de Belgische autoriteiten zou behandeld worden en dat de behandeling van het asielverzoek niet met dezelfde snelheid zal plaatsvinden. De Raad merkt op dat het feit dat de Griekse autoriteiten, in toepassing van de verordening 343/2003/EG, bevoegd zijn voor de behandeling van de asielaanvraag het gevolg is van de keuze die verzoeker maakte om via Griekenland de Europese Unie binnen te komen. Het door verzoeker ingeroepen nadeel vloeit bijgevolg voort uit zijn eigen gedrag en is niet rechtstreeks het gevolg van de bestreden maatregel. Waar verzoeker stelt dat het risico bestaat dat hij, eens hij in Griekenland is, door de Griekse autoriteiten naar Turkije zal gestuurd worden of zal worden uitgewezen naar Irak, kan slechts worden vastgesteld dat, indien deze voorstelling van de feiten al correct zou zijn, het minstens vereist is dat de Griekse autoriteiten hieromtrent een beslissing nemen, waardoor opnieuw niet kan gesteld worden dat het aangevoerde nadeel rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing. XIV-30.009-5/9 Verzoeker kan verder niet gevolgd worden in zijn bewering dat de bestreden beslissing hem elke kans ontneemt om bescherming te krijgen als vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus te verwerven aangezien uit het administratief dossier blijkt dat de Griekse autoriteiten reeds bevestigden dat verzoeker, bij zijn aankomst in Griekenland, de kans zal krijgen een asielverzoek in te dienen indien hij dit wenst en de Griekse autoriteiten hoe dan ook gebonden zijn door de bepalingen van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming en de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. Ook de loutere verwijzing naar een arrest, waarbij niet wordt aangetoond dat de feitelijke omstandigheden identiek zijn, voldoet niet om een nadeel aan te tonen. Verzoeker betoogt nog dat er in Griekenland geen voldoende opvangcapaciteit voorhanden is en verwijst hierbij naar een brief van Amnesty International van 1 juni
  11. In deze brief wordt evenwel geen standpunt ingenomen over het Griekse opvangnetwerk, doch wordt slechts de situatie in de detentiecentra omschreven en verzoeker toont niet aan dat hij bij zijn terugkeer van zijn vrijheid beroofd zal worden. De verwijzing naar de laattijdige omzetting van de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten toont evenmin aan dat er geen voldoende opvangcapaciteit in Grieken- land zou zijn. Uit feit dat een richtlijn laattijdig wordt omgezet, wat trouwens ook in België het geval was, kan immers niet zonder meer afgeleid worden dat er geen aanvaardbare opvang zou zijn. Verzoekers bewering dat hij verplicht zal zijn zonder aangepaste opvang in Griekenland te verblijven is louter hypothetisch en wordt door geen enkel concreet gegeven gestaafd. Eens te meer dient bovendien te worden vastgesteld dat het feit dat verzoeker onderworpen is aan de Griekse asielprocedure, inclusief het opvangsysteem, het gevolg is van zijn keuze om via Griekenland de Europese Unie binnen te komen. Bijgevolg toont verzoeker niet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal veroorzaken. De vaststelling dat er is niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden als bepaald in artikel 39/82, § 2, van de Vreemdelingenwet volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen.”. 1.
  12. Verzoeker is inmiddels gerepatrieerd naar Athene. Hij verblijft momenteel in Griekenland.
  13. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  14. Overwegende dat verzoeker omtrent zijn belang bij de voorliggende procedure het volgende stelt: “
  15. De verzoeker heeft een voldoende actueel belang bij onderhavige procedure aanzien hij, gelet op de onmenselijke situatie aldaar, niet in Griekenland kan blijven. Bijgevolg is hij zinnens terug te keren naar België. Indien de beslissing d.d. 5.12.2007 en het bestreden arrest gehandhaafd blijven, zal hij opnieuw naar Griekenland teruggedreven worden. Indien de bestreden beslissing vooralsnog geschorst wordt, wordt zijn asielaanvraag verder in België behandeld. XIV-30.009-6/9 Indien onderhavige cassatieprocedure wordt ingewilligd, heeft de verzoeker in elk geval recht op een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die gedurende 48 uren schorsend is, indien ze binnen de 24 uren wordt ingesteld (artikel 39/82, § 4 van de wet van 15.12.1980; zie ook Parl. St. 2005-2006, Doc 2479/001, p. 137-139). De verzoeker heeft tegen de beslissing d.d. 5.12.2007 eveneens een procedure tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Onderhavige cassatieprocedure laat echter toe in de periode tussen het indienen van dit verzoekschrift en het uit te spreken vernietigingsarrest een schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid te bekomen.
  16. Vervolgens is onderhavige cassatieprocedure noodzakelijk teneinde, overeenkom- stig artikel 13 EVRM, een effectief rechtsmiddel te verkrijgen om de gevreesde schending van artikel 3 EVRM te voorkomen en te remediëren. Uit het zogenaamde arrest "Kudla" (Hof Mensenrechten, Kudla t. Polen,. nr. 30210/96, 26.10.2000) blijkt dat de overeenstemming van een procedure met de vereisten van artikel 13 EVRM moet beoordeeld worden aan de hand van de totaliteit van de doorlopen procedure. Een vernietiging van het bestreden arrest is aldus noodzakelijk om de verzoeker een effectief rechtsmiddel te verschaffen tegen de ingeroepen schending van artikel 3 EVRM.
  17. Tenslotte is de verzoeker van oordeel dat het bestreden arrest verschillende rechtsnormen schendt en gewezen werd met miskenning van de zorgvuldigheidsnorm. Hij is daarom zinnens op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schadever- goeding te eisen voor alle schade (morele schade, reiskosten, enz.) die voortvloeit uit dit bestreden arrest. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de aansprakelijkheid van de Staat echter enkel in het gedrang worden gebracht op voorwaarde dat het gezag van gewijsde van het arrest waarin de fout werd begaan omvergeworpen is. Zo bijvoorbeeld stelde het Hof van Cassatie in het zogenaamde arrest "Anca II": "Dat bovendien, wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, het rechtstreekse voorwerp is van de rechtsprekende functie, de Staat alleen aansprakelijk is als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechts- norm." (Cass. AR C.93.303.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10, 8 december 1994 (Anca / Belgische Staat)) De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oefent duidelijk een rechtsprekende functie uit en wijst arresten die bekleed zijn met het gezag van gewijsde. De burgerlijke rechtbanken kunnen derhalve geen fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vaststellen in hoofde van de Belgische Staat voor fouten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zolang het gezag van gewijsde van het bestreden arrest overeind blijft. De verzoeker heeft dus eveneens een belang bij onderhavig cassatieberoep aangezien een vernietiging van het bestreden arrest een noodzakelijke voorwaarde uitmaakt voor de aansprakelijkheidsprocedure tegen de Belgische Staat die hij wenst in te stellen.”; 2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij onder meer opwerpt dat verzoeker tegelijk met onderhavige procedure ook een annulatieprocedure heeft opgestart bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de administratieve beslissing van 5 december 2007 zodat uit dit oogpunt de vraag dient te worden gesteld naar het belang van verzoeker bij het indienen van onderhavig cassatieberoep; 2.3.
  19. Overwegende dat het beroep van verzoeker tot vernietiging van de beslissing van 5 december 2007 momenteel nog in behandeling is bij de Raad voor XIV-30.009-7/9 Vreemdelingenbetwistingen; dat indien tijdens de voorliggende procedure door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over dit annulatieberoep uitspraak wordt gedaan verzoeker geen belang meer heeft bij het voorliggende beroep; dat een vordering tot schorsing immers een accessorium is van het vernietigingsberoep; dat in de veronderstelling dat -zoals door verzoeker thans gevorderd- het arrest van 7 december 2007 wordt verbroken, de kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarnaar de zaak wordt verwezen, wanneer al uitspraak is gedaan over het vernietigingsberoep, niets anders zal kunnen doen dan het schorsingsberoep te verwerpen; dat verzoeker dit niet betwist; dat waar hij stelt dat “onderhavige cassatieprocedure toelaat in de periode tussen het indienen van dit verzoek- schrift en het uit te spreken vernietigingsarrest een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bekomen” hij impliciet toegeeft dat zijn beroep nadien het nodige belang zal missen; 2.3.
  20. Overwegende dat ook indien er tijdens de behandeling van de voorliggende zaak geen uitspraak over het vernietigingsberoep tussenkomt, het beroep niet ontvankelijk is; dat met zijn verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid verzoeker de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 december 2007 tevergeefs heeft pogen te beletten; dat volgens de niet-betwiste gegevens van de zaak hij kort ná het thans bestreden arrest werd overgebracht naar Griekenland en hij momenteel in dit land verblijft; dat in de veronderstelling dat -zoals door verzoeker thans gevorderd- het arrest van 7 december 2007 wordt verbroken, de kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarnaar de zaak wordt verwezen, geen gunstig gevolg zal kunnen verlenen aan het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 december 2007; dat deze kamer deze vordering integendeel zal moeten verwerpen omdat ze door de feiten achterhaald is en hierdoor haar voorwerp heeft verloren; dat, aangezien de beslissing van 5 december 2007 inmiddels is uitgevoerd, een bevel tot opschorting van de tenuitvoerlegging ervan geen nuttig effect meer kan hebben; dat bij weeromstuit verzoeker het nodige belang mist bij onderhavig cassatieberoep; dat verzoeker geen enkel gegeven aanbrengt dat aannemelijk maakt dat hij terug zou kunnen komen naar België; dat hij dan ook vergeefs oppert dat hij zinnens is naar België terug te keren; dat het belang dat hij aldus wil doen gelden geen zeker nadeel is, maar een hypothetisch; dat, wat de argumentatie ontleend aan de afwezigheid van een effectief rechtsmiddel betreft, het volstaat op te merken dat onderhavig cassatieberoep de uitvoering van een beslissing strijdig met artikel 3 van het E.V.R.M. niet kan verhinderen daar deze beslissing inmiddels al is uitgevoerd; XIV-30.009-8/9 2.3.
  21. Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het beroep niet ontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste belang, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.009-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.659 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.983 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.