← België

Arrest 187718 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.718 Rolnummer: A. 94856/X-9740 Zaak: Arrest 187718 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.718 van 4 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.718 van 4 november 2008 in de zaak A. 94.856/X-

  1. In zake : Louis BERQUIN, wonende te 8690 ALVERINGEM, Kwellemolenstraat 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis BERQUIN op 24 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij de beslissing van 9 december 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN houdende verlening van de vergunning voor het vervangen van een oude ingangpoort te Alveringem, Kwellemolenstraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 186/f en 185/e, wordt vernietigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van10 maart 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 april 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-9740-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. HUYBRECHTS, die loco advocaat P. DE KEUKELAERE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. Op 6 september 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alveringem aan de verzoeker de vergunning voor het vervangen van een oude ingangspoort op het perceel kadastraal bekend sectie D, nrs. 186/f en 185/e, gelegen Kwellemolenstraat 16 te Alveringem. 1.
  5. Op 9 december 1999 verklaart de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verzoekers beroep tegen de voornoemde weigeringsbeslissing ontvankelijk en gegrond. 1.
  6. Daartegen stelt de gemachtigde ambtenaar, op 19 januari 2000, beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. 1.
  7. Met een op 29 mei 2000 ter post aangetekend verzonden brief schrijft verzoekers raadsman aan de minister, onder meer, dat “in deze zaak (...) bij aangetekend schrijven van 19 januari 2000 beroep (werd) aangetekend door de gemachtigde ambtenaar, de Heer R. BLIECK”, dat “ikzelf werd gehoord voor cliënt op 25 februari 2000” en dat “thans (...) de termijn van zestig dagen ruimschoots (is) verstreken en (...) ik U derhalve, krachtens artikel 53 § 2 (dien) te rappeleren”. 1.
  8. Op 5 juni 2000 antwoordt de afdeling stedenbouwkundige vergunningen aan de verzoeker dat zijn rappelbrief niet beantwoordt aan de vereisten gesteld bij het besluit van 9 november 1994 van de Vlaamse regering tot X-9740-2/6 vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, klaarblijkelijk omdat de voornoemde rappelbrief “in een briefomslag” was opgeborgen. 1.
  9. Met een op 7 juni 2000 ter post aangetekend verzonden brief, met de tekst aan de binnenzijde in twee gevouwen en langs de open zijden dichtgemaakt met kleefband, rappelleert verzoekers raadsman zijn zaak opnieuw aan de bevoegde minister. 1.
  10. Op 29 juni 2000 wordt de thans bestreden beslissing genomen, welke, met een op 30 juni 2000 ter post aangetekende brief, ter kennis wordt gebracht van de verzoeker en diens raadsman, door hen ontvangen, respectievelijk, op 3 en 4 juli
  11. Gegrondheid van het beroep 2.
  12. Uiteenzetting van het eerste middel In zijn eerste middel voert de verzoeker het volgende aan : “2.
  13. Door te bevestigen (...) dat de brief rappelbrief overeenkomstig artikel 53 § 2 van 25/5/2000 (...) aangetekend verzonden op 29/5/2000 (...) wel degelijk ontvangen werd en na te laten binnen de termijn van 30 dagen het ministerieel besluit te nemen is het daaropvolgend besluit van 29/6/2000 verzonden op 30/6/2000 laattijdig, nietig, minstens onwettelijk. Het kan niet betwist worden dat het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen de brief van 25/5/2000 (...) aangetekend verzonden op 29/5/2000 (...) van verzoeker ontvangen heeft. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de tekst van de brief van de hoofddeskundige d.d. 5/6/
  14. Krachtens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9/11/1994 is de verplichting dat de rappelbrief bedoeld bij artikel 53 § 2 van het Stedenbouwdecreet niet in een omslag mag gestoken worden niet voor- geschreven op straffe van nietigheid. Enkel het adres vermeld in paragraaf 2 is op straffe van nietigheid voorgeschreven. Derhalve is het ten onrechte dat het ministerie krachtens artikel 3 van voormeld besluit van de Vlaamse Regering een brief verzonden heeft met de aanduiding dat de rappelbrief van 25/5/2000 waarvan de ontvangst niet werd betwist als een herinneringsbrief werd aangenomen wegens het niet naleven van de vormvoorschriften van artikel 1 § 1 van voormeld besluit welke voorschriften echter niet op straffe van nietigheid worden voorgeschreven; (...) X-9740-3/6 Vermits vaststaat dat de Vlaamse Regering de herinneringsbrief van 25/5/2000 (...) aangetekend verzonden op 29/5/2000 (...) heeft ontvangen en deze inhoudelijk aan de voorschriften beantwoordt is het door de Vlaamse Minister genomen Ministerieel Besluit van 29/6/2000 verzonden op 30/6/2000 laattijdig en derhalve nietig, minstens onwettelijk zodat dit ministerieel besluit moet vernietigd worden. Dat immers de termijn van dertig dagen begint te lopen vanaf de dag waarop de brief afgegeven wordt aan de post (artikel 53 § 2 van het Stedenbouw- decreet (...)). Dat binnen die termijn van 30 dagen het Ministerieel Besluit moet ontvangen worden door de aanvrager van de herinneringsbrief. Dat in casu verzoeker ten vroegste op maandag 3/7/2000 het ministerieel besluit van 29/6/2000 (...) verzonden op 30/6/2000 (...) kan ontvangen hebben hetzij dus laattijdig. Dat het ministerieel besluit derhalve nietig is, minstens onwettelijk”. 2.
  15. Beoordeling van het eerste middel Artikel 53, § 2, vierde en vijfde lid van het, toentertijd geldend, decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd en 22 oktober 1996 luidde, als volgt: “Van de beslissing van de Vlaamse regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse regering rappeleren. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, naar de decreten en verordeningen, met name naar de voorschriften van de goedgekeurde plannen van aanleg, alsmede naar de bepalingen van de verkavelingsvergunning; is het beroep door het college of de gemachtigde ambtenaar ingesteld, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie”. De verwerende partij betwist niet dat de minister niet tijdig heeft gereageerd op de rappelbrief van 29 mei
  16. Deze rappelbrief voldeed aan de voorwaarden gesteld in de genoemde decreetbepalingen. Aan verzoekers raadsman werd evenwel medegedeeld dat zijn rappelbrief niet voldeed aan de vereisten, gesteld in het besluit van 9 november 1994 X-9740-4/6 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  17. Dit besluit werd echter bij arrest nr. 86.003 van 15 maart 2000 door de Raad van State vernietigd en dient, derhalve, geacht te worden ab initio uit de rechtsorde te zijn verdwenen. Bijgevolg was de minister, na het verstrijken van de, in meergenoemd artikel 53, § 2, tweede lid bedoelde, termijn van dertig dagen, niet meer bevoegd om zich over verzoekers beroep uit te spreken. Het feit dat de verzoeker desondanks nog een nieuwe rappelbrief heeft opgestuurd, doet aan het hiervoor vastgestelde geen afbreuk en die nieuwe brief heeft niet tot gevolg, zoals de verwerende partij doet gelden, “dat verzoekende partij instemde met de bevinding die haar werd medegedeeld middels het schrijven van 5 juni 2000”, noch dat de verzoeker de onwettigheid van de bestreden beslissing niet meer zou vermogen in te roepen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Vernietigd wordt het besluit van 29 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij de beslissing van 9 december 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN houdende verlening van de vergunning voor het vervangen van een oude ingangpoort te Alveringem, Kwellemolenstraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 186/f en 185/e, wordt vernietigd. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-9740-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-9740-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.