← België

Arrest 187721 - Wegenwezen - 04/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.721 Rolnummer: A. 189141/X-13859 Zaak: Arrest 187721 - Wegenwezen - 04/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.721 van 4 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.721 van 4 november 2008 in de zaak A. 189.141/X-13.

  1. In zake : de b.v.b.a. BERREVOETS HEKKEN EN POORTEN, die woonplaats kiest bij advocaten I. CUYPERS en N. JONCKHEERE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de b.v.b.a. BERREVOETS HEKKEN EN POORTEN op 28 juli 2008 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 31 augustus 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het Agentschap Infrastructuur, Wegen en Verkeer Limburg de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken: Kruispunt N72 Koolmijnlaan-Voortstraat-Posthoornstraat-Mijnschoolstraat; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; X-13.859-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in het maken van sierhekken en poorten. Omwille van een noodzakelijke bedrijfsuitbreiding kocht zij een terrein aan de Koolmijnlaan te Beringen. Het betrokken perceel is ingevolge het bijzonder plan van aanleg “Mijnterreinen Beringen”, goedgekeurd bij besluit van 22 juni 2001 van de minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, gelegen in een zone voor lokaal bedrijventerrein. 1.
  5. Op 1 augustus 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een industriehal met kantoren, sociale lokalen en conciërgewoning. 1.
  6. Op 7 september 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beringen de gevraagde vergunning. Uit de aanhef van die beslissing blijkt dat “Wegen Limburg” op 17 juli 2006 een gunstig advies uitbracht. Nog steeds uit de aanhef van die beslissing blijkt dat volgens de dienst lokale economie de aanvraag niet voldoet aan het tewerkstellingscriterium. Het terrein heeft een oppervlakte van 92 are, en zelfs na uitbreiding zouden er slechts 11 personen worden tewerkgesteld, zodat niet wordt voldaan aan het tewerkstellingscriterium van 15 personen per hectare. Het college van burgemeester en schepenen sluit zich bij die zienswijze aan en is voorts van oordeel dat de vestiging van het bedrijf op de bewuste locatie een ernstige hypotheek dreigt te leggen op de expansiemogelijkheden van de mijnsite. X-13.859-2/7 1.
  7. Op 14 december 2006 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning nadat de verzoekende partij administratief beroep had ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen. 1.
  8. Op 11 januari 2007 stelt het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen administratief beroep in tegen deze beslissing. Het geeft in zijn beroepschrift de argumenten weer die het hadden aangezet tot het weigeren van de vergunning en voegt er aan toe dat de gronden die de verzoekende partij aankocht ondertussen een heel ander concept hebben, gelet op de globale visie omtrent de actuele herbestemming van de mijnterreinen en gelet op de PPS-structuur die ondertussen vorm heeft gekregen met het oog op de ontwikkeling van de mijnsite. In een nota wijst het college tevens op de geplande uitbreiding van de rotonde Mijnschoolstraat-Koolmijnlaan, waarbij de rotonde wordt opgebroken en er een grotere rotonde in asfaltverharding komt. 1.
  9. Op 10 mei 2007 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het administratief beroep dat werd ingesteld door het college van burgemeester en schepenen. 1.
  10. Op 25 januari 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient het Agentschap Infrastructuur, Wegen en Verkeer Limburg, een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning met als voorwerp het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken langs de N72-Koolmijnlaan-Voortstraat-Posthoornstraat- Mijnschoolstraat. De geplande werken beogen onder meer een vergroting van de diameter van de bestaande rotonde op het kruispunt N72-Koolmijnlaan-Mijnschoolstraat. 1.
  11. Tussen 3 februari en 5 maart 2007 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er werd één bezwaar ingediend door een particulier, maar niet door de verzoekende partij. 1.
  12. Op 31 augustus 2007 levert de gemachtigde ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning af. Dit is de bestreden beslissing. X-13.859-3/7 1.
  13. Op 7 januari 2008 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat in het algemeen belang een deel van het perceel van de verzoekende partij onmiddellijk in bezit moet worden genomen voor de herinrichting van de rotonde, en dat deze goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. De verzoekende partij heeft tegen dit besluit een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld, gekend onder nr. G/A 189.155/X-13.
  14. De ontvankelijkheid De verwerende partij stelt dat de verzoekende partij de vordering laattijdig heeft ingesteld. Er is geen noodzaak om over die exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie is immers slechts nodig indien vast zou komen te staan dat de voorwaarden voor het inwilligen van de schorsing vervuld zouden zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
  15. De voorwaarden tot schorsing 3.
  16. Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  17. Voor wat betreft de tweede voorwaarde voert de verzoekende partij aan dat zij tien jaar nodig had om een geschikt terrein te vinden voor haar herlocatie en de bouwvergunning te bemachtigen en dat zij nu wordt geconfronteerd met de uitbreiding van de rotonde, deels ten koste van haar terrein. Die uitbreiding hypothekeert haar verdere uitbating en groei. Door het gevaar voor inrijden van het verkeer op de rotonde ontstaat een veiligheidsrisico voor haar personeel, haar klanten en haar leveranciers. X-13.859-4/7 Het nieuwe gebouw is niet bestand tegen de trillingen van het verkeer op de uitgebreide rotonde, zoals blijkt uit een brief van de aannemer van het gebouw, die wijst op het gevaar van barsten en de verantwoordelijkheid daarvoor afwijst. Er ontstaat een gebrek aan ruimte voor de aanleg van een brandweg en het plaatsen van een omheining. Ter terechtzitting licht de verzoekende partij verder toe dat de brandweg rond het gebouw als een volwaardige ringweg wordt gebruikt, omdat een bedrijfsontsluiting aan de zijde van de Koolmijnlaan niet mogelijk was. Het gebruik van die brandweg als een volwaardige ringweg leidt tot een ruimtetekort, wat verergerd wordt door de uitbreiding van de rotonde. Er zou bovendien een strook van twee meter nodig zijn voor de plaatsing van de afsluiting, terwijl na de onteigening slechts een strook van anderhalve meter daarvoor beschikbaar is. Een optimaal gebruik van het nieuwe gebouw is nodig om de leningen voor het optrekken ervan te kunnen terugbetalen. Het niet kunnen realiseren van een volgende bouwfase zou de financiële positie van het bedrijf zwaar in het gedrang kunnen brengen. 3.
  18. Het feit dat het vinden van een geschikte locatie voor de bedrijfsuitbating lange tijd in beslag heeft genomen is een nadeel dat geen verband vertoont met de bestreden beslissing. Ook het feit dat belangrijke investeringen zijn gebeurd met het oog op de herlocatie van het bedrijf is op zich beschouwd niet relevant, tenzij kan worden aangetoond dat die gedane investeringen in die mate worden bedreigd door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, dat sprake zou zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het gevaar van inrijden van voertuigen op de rotonde in het perceel van de verzoekende partij wordt door de verzoekende partij niet aannemelijk gemaakt. Een loutere bewering, zelfs ondersteund met fotomateriaal, volstaat niet om aan te tonen dat het gevaar van inrijden groter zou zijn dan op de bestaande inrichting van de rotonde, mede gelet op het feit dat de uitbreiding van de rotonde precies de verhoging van de verkeersveiligheid op die rotonde beoogt. De verzoekende partij toont evenmin aan dat de trillingen die thans reeds worden veroorzaakt door het verkeer op de rotonde, louter door de uitbreiding ervan in die mate belangrijk worden dat ze een ernstig nadeel kunnen vormen. De brief waarin de aannemer van het bedrijfsgebouw stelt dat die trillingen tot barsten kunnen leiden, onder meer in metselwerk en in de betonvloer, kan dienaangaande niet worden aanvaard als een overtuigend bewijsstuk, mede gelet op X-13.859-5/7 de contractuele aansprakelijkheid van die aannemer tegenover de verzoekende partij voor verborgen gebreken in het bedrijfsgebouw. Dat er te weinig ruimte is voor het verkeer rond het bedrijfsgebouw door het gebruik van de brandweg als een volwaardige ringweg, is een probleem dat reeds aanwezig was voor de uitbreiding van de rotonde en dat door die uitbreiding niet in ernstige mate wordt vergroot. Het betoog van de verzoekende partij dat een strook van anderhalve meter niet zou volstaan voor de plaatsing van een afsluiting, wordt onvoldoende onderbouwd om aannemelijk te zijn. Hoe de uitbreiding van de rotonde haar verdere uitbating en groei hypothekeert, wordt door de verzoekende partij evenmin nader geconcretiseerd. De verzoekende partij toont niet aan dat de uitbreiding van de rotonde het normale gebruik van het bedrijfsgebouw in die mate hindert dat de uitbating en de verdere groei van het bedrijf erdoor in het gedrang komen. Het te onteigenen gedeelte van het perceel vertegenwoordigt slechts een relatief klein gedeelte van het volledige perceel en een uitbreiding van het bedrijfsgebouw in de richting van het te onteigenen gedeelte zou ook zonder die onteigening onmogelijk zijn. 3.
  19. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-13.859-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november 2008, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. VAN NIEUWENHOVE. X-13.859-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.721 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.