id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.722 Rolnummer: A. 189155/VII-37615 Zaak: Arrest 187722 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 04/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.722 van 4 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.722 van 4 november 2008 in de zaak A. 189.155/X-13.
- In zake : de b.v.b.a. BERREVOETS HEKKEN EN POORTEN, die woonplaats kiest bij advocaten I. CUYPERS en N. JONCKHEERE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de b.v.b.a. BERREVOETS HEKKEN EN POORTEN op 28 juli 2008 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 7 januari 2008 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur betreffende onteigeningen ten algemene nutte, van toepassing voor de onteigeningen door het Vlaamse Gewest op het grondgebied van de gemeente Beringen voor de herinrichting van het gevaarlijk punt 7102 kruispunt N72 Koolmijnlaan- Posthoornstraat; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; X-13.862-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. JONCKHEERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in het maken van sierhekken en poorten. Omwille van een noodzakelijke bedrijfsuitbreiding kocht zij een terrein aan de Koolmijnlaan te Beringen. Het betrokken perceel is ingevolge het bijzonder plan van aanleg “Mijnterreinen Beringen”, goedgekeurd bij besluit van 22 juni 2001 van de minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, gelegen in een zone voor lokaal bedrijventerrein. 1.
- Op 1 augustus 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een industriehal met kantoren, sociale lokalen en conciërgewoning. 1.
- Op 7 september 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beringen de gevraagde vergunning. Uit de aanhef van die beslissing blijkt dat “Wegen Limburg” op 17 juli 2006 een gunstig advies uitbracht. Nog steeds uit de aanhef van die beslissing blijkt dat volgens de dienst lokale economie de aanvraag niet voldoet aan het tewerkstellingscriterium. Het terrein heeft een oppervlakte van 92 are, en zelfs na uitbreiding zouden er slechts 11 personen worden tewerkgesteld, zodat niet wordt voldaan aan het tewerkstellingscriterium van 15 personen per hectare. Het college van burgemeester en schepenen sluit zich bij die zienswijze aan en is voorts van oordeel dat de vestiging van het bedrijf op de bewuste locatie een ernstige hypotheek dreigt te leggen op de expansiemogelijkheden van de mijnsite. X-13.862-2/6 1.
- Op 14 december 2006 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning nadat de verzoekende partij administratief beroep had ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen. 1.
- Op 11 januari 2007 stelt het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen administratief beroep in tegen deze beslissing. Het geeft in zijn beroepschrift de argumenten weer die het hadden aangezet tot het weigeren van de vergunning en voegt er aan toe dat de gronden die de verzoekende partij aankocht ondertussen een heel ander concept hebben, gelet op de globale visie omtrent de actuele herbestemming van de mijnterreinen en gelet op de PPS-structuur die ondertussen vorm heeft gekregen met het oog op de ontwikkeling van de mijnsite. In een nota wijst het college tevens op de geplande uitbreiding van de rotonde Mijnschoolstraat-Koolmijnlaan, waarbij de rotonde wordt opgebroken en er een grotere rotonde in asfaltverharding komt. 1.
- Op 10 mei 2007 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het administratief beroep dat werd ingesteld door het college van burgemeester en schepenen. 1.
- Op 25 januari 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient het Agentschap Infrastructuur, Wegen en Verkeer Limburg, een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning met als voorwerp het wegwerken van gevaarlijke punten en wegvakken langs de N72-Koolmijnlaan-Voortstraat-Posthoornstraat- Mijnschoolstraat. De geplande werken beogen onder meer een vergroting van de diameter van de bestaande rotonde op het kruispunt N72-Koolmijnlaan-Mijnschoolstraat. 1.
- Tussen 3 februari en 5 maart 2007 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er werd één bezwaar ingediend door een particulier, maar niet door de verzoekende partij. 1.
- Op 31 augustus 2007 levert de gemachtigde ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning af. De verzoekende partij heeft tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld, gekend onder nr. G/A. 189.141/X-13.
- X-13.862-3/6 1.
- Op 7 januari 2008 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat in het algemeen belang een deel van het perceel van de verzoekende partij onmiddellijk in bezit moet worden genomen voor de herinrichting van de rotonde, en dat deze goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. Dit is het bestreden besluit.
- De ontvankelijkheid De verwerende partij stelt dat de verzoekende partij de vordering laattijdig heeft ingesteld. Er is geen noodzaak om over die exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie is immers slechts nodig indien vast zou komen te staan dat de voorwaarden voor het inwilligen van de schorsing vervuld zouden zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
- De voorwaarden tot schorsing 3.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van het aangevochten besluit kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- Voor wat betreft de tweede voorwaarde voert de verzoekende partij aan dat zij tien jaar nodig had om een geschikt terrein te vinden voor haar herlocatie en de bouwvergunning te bemachtigen en dat zij nu wordt geconfronteerd met de uitbreiding van de rotonde, deels ten koste van haar terrein. Die uitbreiding hypothekeert haar verdere uitbating en groei. Door het gevaar voor inrijden van het verkeer op de rotonde ontstaat een veiligheidsrisico voor haar personeel, haar klanten en haar leveranciers. Het nieuwe gebouw is niet bestand tegen de trillingen van het verkeer op de uitgebreide rotonde, zoals blijkt uit een brief van de aannemer van het gebouw, die wijst op het gevaar van barsten en de verantwoordelijkheid daarvoor afwijst. X-13.862-4/6 Er ontstaat een gebrek aan ruimte voor de aanleg van een brandweg en het plaatsen van een omheining. Ter terechtzitting licht de verzoekende partij verder toe dat de brandweg rond het gebouw als een volwaardige ringweg wordt gebruikt, omdat een bedrijfsontsluiting aan de zijde van de Koolmijnlaan niet mogelijk was. Het gebruik van die brandweg als een volwaardige ringweg leidt tot een ruimtetekort, wat verergerd wordt door de uitbreiding van de rotonde. Er zou bovendien een strook van twee meter nodig zijn voor de plaatsing van de afsluiting, terwijl na de onteigening slechts een strook van anderhalve meter daarvoor beschikbaar is. Een optimaal gebruik van het nieuwe gebouw is nodig om de leningen voor het optrekken ervan te kunnen terugbetalen. Het niet kunnen realiseren van een volgende bouwfase zou de financiële positie van het bedrijf zwaar in het gedrang kunnen brengen. Enkel de schorsing van het bestreden besluit kan voorkomen dat de procedure voor onteigening voor de vrederechter wordt ingeleid. De toetsing van de wettigheid door de vrederechter is geen daadwerkelijke rechtsbescherming, nu hij binnen achtenveertig uur na de verschijning van de partijen uitspraak moet doen en er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de inwilliging van de onteigening. 3.
- Het thans aangevochten besluit heeft enkel de verklaring van openbaar nut van de verwerving van de betrokken gronden en de machtiging tot onteigening met mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel vindt derhalve zijn rechtstreekse oorzaak niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van het betrokken gedeelte van haar perceel. De verzoekende partij zal evenwel voor dat perceelgedeelte pas uit haar eigendom worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening pas uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het aangevochten besluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. De verzoekende partij zal de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoert, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak moeten over doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van haar eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van het betrokken perceelgedeelte een ernstig nadeel betekent voor X-13.862-5/6 de verzoekende partij, dient alleszins te worden vastgesteld dat deze geen moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft. 3.
- Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november 2008, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. VAN NIEUWENHOVE. X-13.862-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.722 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div