id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.731 Rolnummer: A. 189936/XII-5577 Zaak: Arrest 187731 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.731 van 4 november 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 187.731 van 4 november 2008 in de zaak A. 189.936/XII-5577. In zake : Nadine WAEYTENS, die woonplaats kiest advocaat I. Martens, kantoor houdende te Gent, Gustaaf Callierlaan 291 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep Pantha Rhei, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Nadine Waeytens op 8 oktober 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 30 september 2008 van de raad van bestuur van de scholengroep 22 “Panta Rhei” van het Gemeenschapsonderwijs houdende haar preventieve schorsing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2008 waarbij de terechtzitting over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bepaald wordt op 14 oktober 2008, zitting die is uitgesteld naar de terechtzitting van 21 oktober 2008; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2008 waarbij de terechtzitting over het beroep tot nietigverklaring bepaald wordt op 21 oktober 2008; XII-5577-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Verzoekster is vast benoemd directeur van het Medisch Pedagogisch Instituut (MPI) De Oase te Gent; zij werkt er sedert 1 september 2008 halftijds (in het zogenaamde stelsel TBS58+). 1.2. Begin juni dient de vader van een leerling van het MPI een strafklacht in tegen personeelsleden van de school wegens “opzettelijke slagen en verwondingen aan een kind beneden de 16 jaar door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer”. De kinderrechtencommissaris wordt op de hoogte gebracht van deze klacht. 1.3. Op 14 augustus 2008 en nogmaals op 1 september 2008 schrijft de kinderrechtencommissaris de algemeen directeur van de scholengroep aan. Aan de voornoemde klacht koppelt zij de vaststelling dat haar in het verleden andere onrustwekkende meldingen over het personeel van het MPI bereikten, dat reeds in 2002 een onderzoek is gedaan naar gelijkaardige klachten, dat de bevindingen toen zeer ernstig waren, dat jegens verzoekster toentertijd de afdanking werd voorgesteld en dat de raad van bestuur zich tevreden stelde met een blaam. De kinderrechten- commissaris dringt aan op een persoonlijk onderhoud omdat het dossier te complex en te delicaat is om er schriftelijk over te communiceren. XII-5577-2/15 Op 17 september 2008 wordt de kinderrechtencommissaris gehoord door de raad van bestuur. Hiervan wordt geen verslag gemaakt. 1.4. Op 18 september 2008 wordt verzoekster aldus uitgenodigd voor een hoorzitting op 30 september 2008 : “Begin juni 2008 wordt het Kinderrechtencommissariaat op de hoogte gebracht van een klacht van een leerling van het MPI ‘De Oase’ bij het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te Gent. Betrokken leerling klaagde erover door het personeel van het ‘MPI De Oase’ te zijn mishandeld. De leerling meldde dat hij S dagelijks gestraft wordt en daarbij urenlang in de gang voor het bureel van de directie moet staan; S door een leerkracht hardhandig bij de bovenarmen werd gegrepen en tegen een muur aangeduwd werd; S door een andere leerkracht aan de oren getrokken werd en zo meegesleurd werd; S soms, voor lange tijd, in een zogenaamde 'rustkamer', een kleine zwarte ruimte, opgesloten werd. Opmerkelijk is het feit dat het hier blijkbaar niet om een uitzondering of incident gaat, maar dat de hiervoor beschreven handelwijze t.a.v. de leerlingen, courante, zelfs vaste praktijk is. Ook andere leerlingen worden door personeelsleden zwaar gestraft. Betrokken leerling meldde zelfs dat een meisjesleerlinge ingevolge een stamp van een leerkracht een open wonde aan het hoofd had. Blijkbaar wordt de leerlingen hierbij ingeprent de schuld voor deze incidenten steeds bij zichzelf te leggen. Volgens het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te Gent is er in het MPI ‘De Oase’ een klimaat van mishandeling, waardoor ook andere leerkrachten en pedagogisch personeel besmet raken. Alleszins worden, volgens het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling, door de directie geen maatregelen genomen om de leerlingen hiertegen te beschermen. Zoals hiervoor vermeld lichtte het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling het Kinderrechtencommissariaat in over bedoelde klacht(en). Op 1 september 2008 bracht mevrouw A. Vandekerckhove, kinderrechtencommissaris, mijn ambt en de Raad van Bestuur schriftelijk op de hoogte van deze klacht(
- en)met het uitdrukkelijk verzoek de nodige maatregelen te treffen. In haar brief wijst mevrouw Vandekerckhove naar de gelijkaardige klacht(
- en)van mei 2002. Mevrouw Vandekerckhove citeert daarbij ook de conclusies van het Onderzoeksteam dat de klacht(
- en)toen onderzocht en waarbij vastgesteld werd dat er ‘voldoende aanwijzingen en getuigenissen zijn om te stellen dat er wel degelijk sprake is van verbale agressie, inclusief bedreigingen t.a.v. leerlingen’, ‘mevrouw Waeytens de voorbije jaren verschillende keren leerlingen heeft geslagen’, ‘mevrouw Waeytens zich voorstander toont van straffen als: op de knieën zitten, schoenen en/of kousen afnemen, aan de oren trekken, kinderen opsluiten’ en ‘voorzover ze deze straffen niet zelf uitdeelt, tolereert dat leerkrachten op een dergelijke manier straffend optreden’. Mevrouw Vandekerckhove heeft op 17 september 2008 de problematiek toegelicht op een zitting van de Raad van Bestuur. Na de studie van het dossier, de schriftelijke klacht(
- en)van het Kinderrechtencommissariaat en na het gesprek met mevrouw Vandekerckhove is de Raad van Bestuur overtuigd van de ernst van de problematiek en van de noodzaak de nodige maatregelen te treffen. XII-5577-3/15 De Raad van Bestuur is van oordeel dat niet alleen de klacht(
- en)van de betrokken leerling moet(
- en)onderzocht worden maar dat ook uw handelwijze t.a.v. de leerlingen, wat het aspect straffen betreft, grondig moet worden onderzocht. Omwille van de ernst van de geformuleerde klachten, uw verantwoordelijkheid als directie daarbij, en de noodzaak uw beleid inzake de omgang met leerlingen grondig te onderzoeken overweegt de Raad van Bestuur u preventief te schorsen. De Raad wil u in het kader van deze preventieve schorsing horen. Artikel 59 van het Decreet van 27 maart 1991 bepaalt dat een preventieve schorsing maximum 1 jaar kan duren. Artikel 17 van het Besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie van vast benoemde personeelsleden, de maatregelen van orde en tucht in het Gemeenschapsonderwijs stelt m.b.t. ‘de preventieve schorsing’ : ‘§ 1. Behoudens bij strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten mag de preventieve schorsing niet meer dan één jaar bedragen. In dit geval kan de preventieve schorsing tot één jaar lopen na de kennisgeving door de strafrechtelijke overheid aan de tuchtrechtelijke overheid dat een onherroepelijke beslissing genomen is of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt verdergezet. § 2. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging kan de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen indien er binnen deze periode geen tuchtprocedure is ingesteld. § 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.’ De gevolgen van de preventieve schorsing worden bepaald door artikel 16 § 1 van het besluit van de Vlaamse regering dat stelt dat de preventieve schorsing een bewarende maatregel is. Het personeelslid blijft tijdens de preventieve schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag van de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren. Hierbij wordt u dan ook uitgenodigd voor een hoorzitting door de Raad van Bestuur op 30 september 2008 om 19 u. Gelieve u aan te bieden bij mijn ambt op volgend adres: Basisschool Gentbrugge, Hazenakker 1. Bij dit horen kan u zich laten bijstaan door een raadsman: een advocaat, een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie of een personeelslid van het Gemeenschapsonderwijs. U kan uw dossier inzien op de zetel van de scholengroep. Gelieve mij hiervoor voorafgaand telefonisch te contacteren (tel.: 09 272 77 77). Vooraleer de Raad van Bestuur een definitieve beslissing zal nemen, zal uw versie en uw verdediging door de Raad van Bestuur gehoord worden. U kan ter zitting een schriftelijk verweer neerleggen. Teneinde de nodige technische schikkingen met betrekking tot de hoorzitting te kunnen nemen dient u ten laatste op 29 september 2008 om 16.00 u. deze afspraak te bevestigen bij mijn ambt (tel.: 09 272 77 77)”. 1.5. Op 23 september 2008 deelt de Procureur des Konings aan het MPI mee dat hij besloten heeft om het dossier te seponeren wegens “geen misdrijf”. 1.6. Op 25 september 2008 vraagt de raadsvrouw van verzoekster om de hoorzitting uit te stellen omdat zij diezelfde avond professionele verplichtingen XII-5577-4/15 heeft en ook de gelegenheid dient te krijgen het onderliggend dossier te bestuderen en samen met verzoekster het verweer te organiseren. Zij deelt ook mee dat verzoekster “in verlof is (in het buitenland) van 11 tot en met 26 oktober aanstaande”. Daags voor de hoorzitting laat de algemeen directeur telefonisch weten dat de hoorzitting niet zou worden uitgesteld. De raadsvrouw protesteert met een fax van diezelfde dag, waarin zij de weigering een flagrante inbreuk noemt op de rechten van verdediging van verzoekster omdat haar het recht op bijstand van een raadsman en een redelijke termijn om het verweer voor te bereiden wordt ontzegd. 1.7. Op 30 september 2008 hoort de raad van bestuur verzoekster evenals I.L., eveneens halftijds vastbenoemd directeur lastens wie ook de preventieve schorsing wordt overwogen. I.L. laat zich bijstaan door A. Vandromme, een vertegenwoordiger van zijn vakorganisatie. Het verslag van de hoorzitting vermeldt als raadsman van verzoekster ook “de heer A. Vandromme”. Volgens de uitleg die verzoekster geeft in haar verzoekschrift heeft zij wél gevraagd aan A. Vandromme “om haar te vervoegen”, maar “is evenwel de heer Vandromme niet opgetreden als raadsman”, “hij heeft haar enkel vervoegd gelet op de vraag van verzoekster en de gelijklopende belangen van de beide directieleden”. Tijdens de hoorzitting legt verzoekster wel ook zelf een schriftelijk bezwaarschrift neer. 1.8. Bij beslissing van 30 september 2008 beslist de raad van bestuur om verzoekster preventief te schorsen op grond van de volgende argumentatie : “De Raad van Bestuur wenst eerst op te merken dat iedere verwijzing naar de gebeurtenissen in 2002 uit de debatten wordt geweerd. Zo wordt het stuk 1 uit het dossier verwijderd. De Raad van Bestuur wordt, na het dossier te hebben bestudeerd en het verweer van mevrouw Waeytens te hebben aanhoord geconfronteerd met twee totaal tegengestelde visies en versies. Het dossier, dat bestaat uit de twee brieven die door de kinderrechten- commissaris aan de heer J. De Maeyer, algemeen directeur gestuurd werden (d.d. 14 augustus 2008 en 1 september 2008), lijkt er op te wijzen dat de manier XII-5577-5/15 waarop in het MPI Gent met de leerlingen omgegaan wordt als totaal onaanvaardbaar moet worden omschreven. In de brief van 1 september 2008 maakt mevrouw Vandekerckhove, kinderrechtencommissaris melding van een reeks straffen die een 12-jarige leerling van de school moest ondergaan. Betrokken leerling diende ‘urenlang in de gang voor het bureau van de directie te staan’. Soms stond hij er zelfs een hele dag. Het overtreden van een voebalregel zou er toe geleid hebben dat de leerling door een leerkracht hardhandig bij de bovenarm gegrepen werd en tegen een muur geduwd werd. De letsels die er het gevolg van waren zouden door een arts zijn vastgesteld. De leerling zou soms ook gedurende ongeveer drie uren in de zogenaamde rustkamer, wat als een kleine zwarte ruimte wordt beschreven, opgesloten zijn, wat in ernstige angstgevoelens bij de betrokken leerling resulteerde. De leerling beklaagt er zich ook over dat hij tijdens een les LO door de leerkracht bij de oren werd genomen en op die manier van een trampoline werd getrokken. Volgens mevrouw Vandekerckhove is de behandeling die de klagende 12-jarige leerling te beurt viel zeker geen uitzondering. Mevrouw Vandekerckhove deelt mee dat betrokken leerling ook meldde dat ook andere leerlingen zwaar gestraft worden. Een meisje zou door een leerkracht zodanig gestampt zijn dat zij aan de behandeling van deze leraar een open wonde aan het hoofd overhield. Volgens mevrouw Vandekerckhove wordt de leerlingen ingeprent dat zij bij incidenten steeds de schuld volledig op zich moeten nemen. Mevrouw Vandekerckhove spreekt van een standaardzinnetje : ‘Het is mijn schuld, ik was stout.’ Mevrouw Vandekerckhove meldt in haar brief ook dat het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling, waar de klacht van de betrokken leerling in eerste instantie terechtkwam geconfronteerd werd met een sterk getraumatiseerd kind. Er is echter meer. Volgens het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling hierin bijgetreden door het Kinderrechtencommissariaat gaat het niet om één onaanvaardbare handeling van één leerkracht, maar om een bijna gestandaardiseerde aanpak die door tal van personeelsleden gebruikt wordt. Er is sprake van een ‘klimaat van mishandeling’. Mevrouw Vandekerckhove stelt dat ‘ook andere leerkrachten en personeel besmet geraken’. Mevrouw Vandekerckhove vindt het bijzonder alarmerend dat door de directie ‘geen maatregelen genomen worden om de leerlingen hiertegen te beschermen’. Mevrouw Vandekerckhove lijkt in haar brief te willen suggereren dat in het MPI ‘De Oase’ te Gent de leerlingen bijna standaard op een onaanvaardbare wijze worden aangepakt. Hiervoor lijkt zij de directie verantwoordelijk te achten niet alleen omdat de directie zich niet verzet tegen deze aanpak, maar deze aanpak zelf belichaamt. Als de personeelsleden vaak zeer agressief met leerlingen omgaan heeft dit te maken met het feit dat mevrouw Waeytens deze aanpak goedkeurt, meer nog, voorstaat, en er zelfs aan participeert. Mevrouw Waeytens vertolkte tijdens de hoorzitting op 30 september 2008 een totaal andere visie. Haar verweer was, wat de inhoudelijke discussie betreft, opgebouwd rond twee reeksen argumenten. Mevrouw Waeytens wees er op dat de klacht van de leerling vermoedelijk ook het voorwerp was van een onderzoek door de gerechtelijke instanties, waarbij het dossier inmiddels geseponeerd werd. De reden voor deze seponering is het feit dat er van geen misdrijf sprake is. Mevrouw Waeytens beperkt zich niet tot de klacht van de betrokken leerling. Mevrouw Waeytens ging ook in op de meer algemene klacht met betrekking tot de aanpak van de leerlingen in MPI. Mevrouw Waeytens wees er op dat een aantal van de leerlingen die in MPI school lopen (de zogenaamde type 3-leerlingen) vaak zeer agressief uit de hoek kunnen komen. In het MPI is een strafbeleid ontworpen, dat door het volledige team gedragen wordt en consequent toegepast wordt. In uitzonderlijke gevallen dient op een wijze XII-5577-6/15 geïntervenieerd te worden die voor een buitenstaander misschien agressief voorkomt. De bedoeling van deze tussenkomsten bestaat er in potentieel gevaarlijke situaties voor de leerling zelf, voor de andere leerlingen, voor de personeelsleden in de kiem te smoren. Mevrouw Waeytens ontkent ten stelligste dat er sprake zou zijn van een klimaat van mishandeling, van een sfeer van agressie, van een cultuur van ongepaste straffen. Als er al moet tussengekomen worden is dit omdat de omstandigheden dit noodzakelijk maken. Zelfs dan wordt weldoordacht en met een minimum aan ‘geweld’ ingegrepen. De Raad van Bestuur wordt met twee volstrekt tegengestelde visies geconfronteerd. Volgens mevrouw Vandekerckhove is er sprake van een totaal onaanvaardbare handelwijze naar leerlingen toe, waarbij de directie een loodzware verantwoordelijkheid draagt. Volgens mevrouw Waeytens is er feitelijk niets aan de hand. Mevrouw Waeytens vermoedt zelfs dat er tegen haarzelf een complot gesmeed is, waarbij men haar welbewust wil treffen. De Raad van Bestuur wil zich op dit moment niet uitspreken over wie hier, en in welke mate, het gelijk aan zijn kant heeft. De Raad van Bestuur wordt wel geconfronteerd met een ernstige klacht. De beschuldigingen die in de brief van de kinderrechtencommissaris worden vermeld zijn niet van de minste. Zonder dat de Raad van Bestuur dit meteen tot zijn belangrijkste argument wil maken, mag en moet de Raad van Bestuur er toch van uitgaan dat als instanties als het Kinderrechtencommissariaat en het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling een klacht van een leerling in die mate ondersteunen dat zij een tussenkomst van de Inrichtende Macht noodzakelijk achten, deze klacht zeker niet als een fabulatie van de hand kan worden gewezen. Mevrouw Waeytens zal hierbij opmerken dat de klacht die door het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling en het Kinderrechtencommissariaat in het daglicht wordt geplaatst met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid identiek is aan de klacht die door een ouder van een leerling aanhangig gemaakt werd bij de gerechtelijke instanties. De Raad van Bestuur heeft kennis genomen van het dossier dat door mevrouw Waeytens werd neergelegd en de beslissing van de Procureur des Konings te Gent op 23 september 2008 om het dossier te seponeren, waarbij de Procureur als reden voor deze seponering het feit dat geen misdrijf vastgesteld werd, vermeldt. De Raad van Bestuur wil niet ontkennen dat de overeenkomsten tussen de klacht die bij de gerechtelijke instanties werd ingediend en de klacht die door het Kinderrechtencommissariaat bij de Inrichtende Macht ingediend werd frappant is. Betekent dit dat rekening houdende met de resultaten van het gerechtelijk onderzoek een intern onderzoek overbodig, redundant of zelfs onmogelijk zou zijn? De Raad van Bestuur wenst hierbij vier opmerkingen te formuleren. Als de procureur des Konings het dossier seponeert omdat er geen sprake is van een misdrijf betekent dit enkel dat volgens de Procureur de strafwetten niet overtreden werden. De procureur heeft enkel beslist dat er geen sprake is van ‘opzettelijke slagen en verwondingen aan een kind beneden de 16 jaar, door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer’. Niets meer, maar ook niets minder! Bindt deze beslissing ook de Inrichtende Macht? Het antwoord op deze vraag is bevestigend. Het komt de Inrichtende Macht niet toe af te wijken van het feitelijk oordeel van de gerechtelijke instanties. De Inrichtende Macht kan dus niet oordelen dat er wel sprake is van ‘opzettelijke slagen en verwondingen ...’. Betekent dit automatisch dat de Inrichtende Macht aan een handelwijze die door de gerechtelijke instanties niet als een misdrijf werd betiteld geen gevolg, in dit geval tuchtrechtelijk gevolg, kan geven? Dit is niet het geval. Het is perfect mogelijk dat een handelwijze geen inbreuk op de strafwetten, dus geen misdrijf uitmaakt, maar wel een inbreuk betekent op de plichten van de XII-5577-7/15 personeelsleden en het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure. Hierover oordelen behoort tot de souvereine bevoegdheid van de Inrichtende Macht. Zelfs al zouden beide klachten identiek zijn en zou het indienen van de klacht, via het Kinderrechtencommissariaat een poging zijn om alsnog zijn gelijk te halen, mag toch niet uit het oog verloren worden dat door de gerechtelijke instanties enkel de klacht van Hugo Rogier inzake opzettelijke slagen en verwondingen t.a.v. zijn zoon Diego Rogier geseponeerd werd. Het gerechtelijk dossier maakt duidelijk dat enkel deze klacht onderzocht werd. In de brief van het Kinderrechtencommissariaat worden nog een aantal andere klachten geformuleerd, die niet onderzocht werden en waarover de gerechtelijke instanties dan ook geen uitspraak hebben gedaan. Met het Kinderrechtencommissariaat wenst de Raad van Bestuur de zaak toch iets ruimer te zien. De kinderrechtencommissaris heeft het over ‘een klimaat van mishandeling’. Alhoewel deze kwalificatie volledig voor rekening van de kinderrechtencommissaris is, komt het de Raad van Bestuur voor dat de klachten die inzake de behandeling van de leerlingen in het MPI ‘De Oase’ werden geformuleerd in een bredere context moeten worden geplaatst. Zonder dat de Raad van Bestuur, alleszins op dit ogenblik, het oordeel van de kinderrechtencommissaris wil onderschrijven, acht de Raad van Bestuur het nodig dat het sanctiebeleid, de wijze waarop met leerlingen wordt omgegaan, welke acties worden ondernomen bij crisisinterventie, het gebruik van time-out en time-outruimtes, ..., onderzocht wordt. Is het zo dat er soms buiten proportie gereageerd wordt? Heerst er op school een cultuur van geweld naar leerlingen toe? Voedt deze aanpak de agressie van leerlingen? Als deze repressieve, geweldadige aanpak bon ton is in de school en de grens van het aanvaardbare hierbij overschreden wordt, wie is hiervoor verantwoordelijk? Is de directie hierbij de sturende en/of stuwende klacht, zoals de kinderrechtencommissaris lijkt te suggereren? Is er sprake van een systeem of gaat het om geïsoleerde incidenten? ... Alhoewel, zoals reeds gesteld, de gelijkenissen tussen beide klachten opvallend is, kan toch niet voor de volle 100 % uitgesloten worden dat het twee verschillende klachten over twee verschillende gebeurtenissen betreft. De Raad van Bestuur moet besluiten dat een onderzoek zich wel degelijk opdringt. De Raad stelt vast dat mevrouw Waeytens dit eigenlijk ook niet betwist en zelfs vragende partij is voor een dergelijk onderzoek. De Raad van Bestuur is, zoals hiervoor reeds werd gesteld, van oordeel dat het onderzoek niet beperkt kan blijven tot de klachten, incidenten die in de brief van de kinderrechtencommissaris werden beschreven. Uiteraard zullen deze feiten onderzocht worden. De onderzoeksopdracht zal echter ook het volledige beleid inzake straffen van leerlingen betreffen. Heerst er dan niet een cultuur van hardhandig optreden? Als er sprake zou zijn van buitensporig geweld, wie draagt terzake de verantwoordelijkheid? Biedt de directie de leerlingen voldoende bescherming bij eventueel onaanvaardbaar gedrag van personeelsleden of is het eerder zo dat de leerkrachten terzake handelen met goedkeuring of zelfs ondersteuning van de directie? Afhangende van de resultaten van het onderzoek zal de Raad van Bestuur evenwel een procedure ten gronde opstarten. Nu bewezen is dat een grondig onderzoek zich opdringt, rest enkel nog de vraag of, teneinde dit onderzoek kans op slagen te bieden, de preventieve schorsing van mevrouw Waeytens zich opdringt. De Raad van Bestuur gaat er in navolging van tal van arresten van de Raad van State van uit dat een preventieve schorsing kan uitgesproken worden als aan twee voorwaarden voldaan is : 1. er moet sprake zijn van een ernstig vermoeden van schuld over substantiële feiten. XII-5577-8/15 2. de aanwezigheid van het personeelslid verstoort de orde - in de ruime zin van het woord - in de school, in de instelling, waarbij ook het verstoren van het onderzoek betreffende substantiële feiten als ordeverstoring geïnterpreteerd wordt. 1. De Raad van Bestuur is van oordeel dat er onbetwistbaar sprake is van een ‘ernstig vermoeden van schuld over substantiële feiten’. Deze voorwaarde valt uiteen in twee delen : a. een ernstig vermoeden van schuld. b. over substantiële feiten. a. Een ernstig vermoeden van schuld In de brief van de kinderrechtencommissaris wordt vermeld dat het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling tijdens de gesprekken met de betrokken leerling geconfronteerd werd ‘met een kind dat duidelijk getraumatiseerd was door de manier waarop ze in de school behandeld werden’. Het Vertrouwenscentrum had ook de indruk ‘dat het niet om één leerkracht gaat, maar om een klimaat van mishandeling waardoor ook andere leerkrachten en pedagogisch personeel “besmet” geraken’. Vanuit de directie worden er, volgens het Vertrouwenscentrum, ‘geen maatregelen genomen om hun leerlingen hiertegen te beschermen’. Het Kinderrechtencommissariaat ‘vreest deze vaststelling te moeten ondersteunen, gezien het niet om eenmalige feiten lijkt te gaan’. De Raad van Bestuur gaat er van uit dat zowel het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling als het Kinderrechtencommissariaat over voldoende expertise beschikt, dit is in wezen eigen aan deze organismen, om een reële klacht van een gefabuleerde te onderscheiden. Als beide instanties de bij hen geformuleerde klachten in deze scherpe termen beschrijven, hebben zij daar ongetwijfeld, rekening houdende met de ervaring die zij terzake hebben, ook over gedelibereerd en nagedacht en hierbij hun woorden gewikt en gewogen. Alleszins laten beide instanties weinig twijfel bestaan over de schuldvraag. De Raad van Bestuur wil zich op dit moment toch iets afstandelijker opstellen. Dat er een ernstig vermoeden van schuld is, is duidelijk. Toch betekent dit niet dat de Raad dit in absolute termen wenst te formuleren. Dat er een vermoeden van schuld is betekent zeker niet dat over het schuldig zijn nu al een uitspraak gedaan wordt. De Raad stelt enkel vast dat er een aantal indicaties zijn die duiden op schuldig gedrag. Het onderzoek zal duidelijk maken of deze indicaties ook bevestigd worden. b. Substantiële feiten Niemand zal betwisten dat de klachten die door het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling en het Kinderrechtencommissariaat geformuleerd werden geen mineure feiten betreffen. Als er sprake zou zijn van ‘een klimaat van mishandeling’, als meerdere personeelsleden zich te buiten zouden gaan aan ongepast agressief optreden t.a.v. leerlingen, als leerlingen als gevolg hiervan ernstig getraumatiseerd zouden zijn, als de directie ‘geen maatregelen neemt om de kinderen hiertegen te beschermen’, meer nog de sturende en stuwende kracht zou zijn achter deze aanpak, ... dan is er in het MPI ‘De Oase’ iets fundamenteels fout, dan is een doorstastend optreden van de verantwoordelijke Inrichtende Macht noodzakelijk en zal een fundamentele ingreep zowel inzake het strafbeleid als inzake de verantwoordelijkheid voor het ontsporen van dit strafbeleid zich opdringen. Een school is er voor de kinderen. Dit is des te meer het geval in een school voor buitengewoon onderwijs met kinderen die buitengewoon kwetsbaar zijn, omwille van hun beperkingen, de thuissituatie en vaak de combinatie van beide. De personeelsleden van de school hebben de taak er voor te zorgen dat kinderen zich goed voelen op school, dat het XII-5577-9/15 welbevinden van de leerlingen hoog is. 'Een klimaat van mishandeling' valt hier absoluut niet mee te rijmen. 2. De Raad van Bestuur is ervan overtuigd dat er sprake is van ordeverstoring in de ruime zin van het woord. a. De Raad van Bestuur is de mening toegedaan dat mevrouw Waeytens terwijl het onderzoek ten gronde gevoerd wordt, niet aanwezig kan zijn in het MPI ‘De Oase’. Het onderzoek zal met zich meebrengen dat de personeelsleden van de school, een aantal participanten van de school, leerlingen zullen moeten worden gehoord. Het is duidelijk dat dit onderzoek in alle objectiviteit en sereniteit zal moeten worden gevoerd. Het is de overtuiging van de Raad van Bestuur dat de aanwezigheid van mevrouw Waeytens dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal hinderen gezien een aantal getuigen zich ongetwijfeld gehinderd zullen voelen door haar aanwezigheid. De Raad van Bestuur wil hier alleen al verwijzen naar het feit dat volgens het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling in het MPI ‘De Oase’ door een aantal personeelsleden een systeem gehanteerd wordt waarbij de leerlingen automatisch de schuld voor ieder incident op zich nemen. Als ze een straf krijgen, waarbij die straf althans volgens het Vertrouwens- centrum en de kinderrechtencommissaris, soms de grens van het redelijke en aanvaardbare overschrijdt, nemen de kinderen de schuld op zich. Op die manier nemen de kinderen de verantwoordelijkheid voor het incident, maar ook voor de onaanvaardbare straf op zich. Het is duidelijk dat in die omstandigheden kinderen zich geremd zullen voelen, niet de volledige waarheid zullen durven vertellen als men hen niet de zekerheid geeft dat hun eerlijkheid op zijn beurt niet het voorwerp van een nieuwe straf zal worden. De Raad van Bestuur meent dat de waarheid inzake het straffen van leerlingen enkel aan het licht kan komen als leerlingen vrij kunnen spreken. Dat kan uiteraard niet als zij die dit strafbeleid emaneren op school aanwezig zijn. De Raad van Bestuur beseft ten volle dat het voeren van een onderzoek een instelling niet onberoerd laat. De Raad is er zich van bewust dat een dergelijk onderzoek steeds negatieve effecten heeft voor een instelling. Een instelling heeft inderdaad in eerste instantie nood aan rust. Als de omstandigheden van die aard zijn dat een onderzoek zich opdringt, moeten de voorwaarden geschapen worden om dit onderzoek snel en accuraat te kunnen uitvoeren. Het onderzoek moet op de kortst mogelijke tijd op een kwalitatief hoogstaande wijze worden gevoerd. Het onderzoeksrapport moet een definitieve, niet meer te betwisten analyse inhouden. Een dergelijk kwalitatief hoogstaand onderzoek kan niet gevoerd worden als de partijen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken door bewuste manoeuvers en/of intimidatie, die bewust of onbewust kunnen zijn, de onderszoeksarbeid verstoren. De Raad van Bestuur wil nu de definitieve analyse van de problematiek van het MPI ‘De Oase’ kennen. De Raad is tevens van oordeel dat ook mevrouw Waeytens hier belang bij heeft. Immers zolang de definitieve analyse niet gemaakt is, zal zij geconfronteerd blijven met een negatieve geruchtenstroom over haar instelling en haar beleid. Het onderzoeks- rapport zal duidelijk maken of er al dan niet iets schort aan het beleid. Het onderzoeksrapport zal terzake definitief duidelijkheid brengen. b. De klachten in dit dossier betreffen het strafbeleid van het MPI ‘De Oase’, of alleszins toch de wijze waarop dit strafbeleid in de praktijk wordt geïmplementeerd. Het komt de Raad van Bestuur voor dat nu dit strafbeleid in die mate gecontesteerd wordt dat er zelfs sprake is van ‘een XII-5577-10/15 klimaat van mishandeling’ dit strafbeleid, tot er definitief uitsluitsel is over de vraag of de wijze waarop dit strafbeleid concreet toegepast al dan niet als ongepast en onaanvaardbaar moet worden beschouwd, niet kan gedragen worden door zij die er tot op heden voor verantwoordelijk zijn. De Raad van Bestuur beseft tenvolle dat de komende weken en maanden in het MPI ‘De Oase’ nog straffen zullen moeten worden opgelegd, nog zal moeten worden geïntervenieerd bij crisissituaties. De Raad van Bestuur is van oordeel dat aan de personeelsleden terzake een duidelijk kader zal moeten worden geboden. Dat zij die het gecontesteerde strafbeleid belichamen dit niet kunnen is duidelijk. Terwijl het onderzoek naar het gecontesteerd strafbeleid loopt moeten terzake de bakens uitgezet worden door iemand die niet bij het gecontesteerde strafbeleid betrokken is”. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 2. Verzoekster voert in een eerste middel onder meer de schending aan van “de tegenspraak (principe van woord en wederwoord)” en van het “recht op eerlijke beoordeling juncto schending van art. 70 § 1 en § 2 van het Rechtspositiedecreet van 27 maart 1991”, “Doordat, op verzoek van de kinderrechtencommissaris, zij op 17 september 2008 door de voltallige Raad van Bestuur van verweerster werd gehoord en de ‘problematiek’ kon toelichten in afwezigheid van verzoekster en van deze hoorzitting nooit enig verslag werd opgesteld, minstens dat verzoekster daarvan niet in kennis werd gesteld, terwijl bij dergelijke tenlasteleggingen aan verzoekster het recht van wederantwoord diende te worden verleend teneinde zichzelf te kunnen verdedigen. Dat aldus de Raad van Bestuur eenzijdig kennis heeft kunnen nemen van feiten, beweringen en argumenten die verzoekster niet kent en waarvan haar het recht werd ontnomen enig wederwoord te voeren. Dit is des te meer een ernstige schending daar de bestreden beslissing klaarblijkelijk enkel en alleen is gesteund op de verklaringen en beweringen (beschuldigingen) aan mevrouw Vandekerckhove, die de Raad van Bestuur als ‘ernstig’ beschouwt”. Verzoekster zet nog uiteen dat de kinderrechtencommissaris in haar brieven tendentieus is, de klachten van de twaalfjarige als bewezen beschouwt en hoofdzakelijk steunt op het verjaarde en destijds eveneens door de kinderrechten- commissaris opgestart tuchtdossier van 2002, waaromtrent zij moeilijk kan aanvaarden dat het “slechts” heeft geleid tot een blaam. 3. Verwerende partij antwoordt dat de kinderrechtencommissaris geen partij is in deze zaak en zelfs geen getuige in het dossier, maar een XII-5577-11/15 onafhankelijke instantie die door de decreetgever is opgedragen uit eigen initiatief onderzoeken in te stellen met betrekking tot de naleving van het zogenaamde Kinderrechtenverdrag van 20 november 1989. Zij mag daarbij klachten onderzoeken. Het is niet de raad van bestuur die de kinderrechtencommissaris heeft gehoord maar veeleer andersom, en daarin ligt de verklaring van het feit dat de raad van bestuur hierover geen afzonderlijk verslag heeft opgesteld. De raad van bestuur was ook vooraf niet op de hoogte van de feiten die de kinderrechtencommissaris zou melden en kon dus niet op voorhand beslissen om andere personeelsleden op te roepen. Hoe dan ook zijn in de brief waarbij verzoekster is opgeroepen voor de hoorzitting omstandig de bevindingen en de argumenten van de kinderrechtencommissaris uiteengezet. De raad van bestuur heeft voorts beslist om iedere verwijzing naar het dossier van 2002 uit de debatten te weren. Verwerende partij vraagt dat de Raad van State zou vaststellen dat er geen aanleiding is tot toepassing van de korte debatten. Beoordeling 4. Ook al is het initiatief voor het onderhoud van 17 september 2008 uitgegaan van de kinderrechtencommissaris en ook al zou dit onderhoud kaderen in een autonoom onderzoek dat deze laatste voert naar aanleiding van een klacht, dan nog is het een feit dat niet de kinderrechtencommissaris maar wel verwerende partij naderhand binnen haar bevoegdheden is opgetreden tegen verzoekster om de thans bestreden maatregel op te leggen. Krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur mag die maatregel in principe slechts worden genomen nadat betrokkene in de gelegenheid is gesteld nuttig voor haar belangen op te komen. Verwerende partij stelt overigens het beginsel zelf niet in vraag, maar argumenteert enkel dat het te dezen ook is nageleefd. Dit beginsel impliceert dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven die er aan ten grondslag liggen vooraf aan de betrokkene worden medegedeeld en dat zij over een redelijke termijn moet beschikken om haar verweer degelijk te kunnen voorbereiden. XII-5577-12/15 5. De feiten waarvoor de raad van bestuur overwoog om verzoekster de preventieve schorsing op te leggen, werden aan verzoekster vooraf meegedeeld met brief van 18 september 2008. Het zijn de klacht van een leerling over mishandeling, de “vaste praktijk” en het “klimaat van mishandeling” waartegen de directie geen maatregelen neemt, de twee brieven waarmee de kinderrechten- commissaris herinnert aan gelijkaardige klachten in 2002 en de toelichting van de problematiek door de kinderrechtencommissaris op een zitting van de raad van bestuur. Het dossier dat aan de raad van bestuur wordt voorgelegd -en dat verzoekster ook heeft kunnen inkijken- omvat vier stukken : het onderzoeksrapport van de onderzoekscel in de loop van de tuchtprocedure die aanleiding gaf tot de blaam in 2002, de beide brieven van de kinderrechtencommissaris en de uitnodiging van 18 september 2008 voor de hoorzitting. Verzoekster heeft op die hoorzitting formeel geprotesteerd tegen de verwijzing naar de verjaarde tuchtsanctie. De raad van bestuur heeft daarop beslist om elke verwijzing naar die stukken uit de debatten te weren. Aldus resteren als feiten die verzoekster vooraf zijn meegedeeld en waartegen zij zich nog kon verdedigen met betrekking tot de voorgenomen maatregel, de klacht van de leerling en het “klimaat van mishandeling”, en bleven in het dossier als stavingsdocumenten hierover nog enkel de twee brieven van de kinderrechtencommissaris. Nochtans steunt de kinderrechtencommissaris in die beide brieven, naast de verwijzing naar de klacht van de leerling, uitsluitend op de feiten van 2002, waarvan echter de raad van bestuur net heeft besloten dat er geen rekening mee wordt gehouden. In haar verweerschrift dat zij op de hoorzitting neerlegt vraagt verzoekster uitdrukkelijk uit welke gegevens blijkt dat er een vaste praktijk van mishandeling zou zijn en merkt zij op dat in het haar voorgelegde dossier geen enkel bewijs noch aanwijzing voorligt. Het enige werkelijk concrete feit dat zij in het dossier heeft teruggevonden, zo stelt zij, is het verhaal van één leerling, waarvan de klacht is geseponeerd, dan nog zonder concrete data of namen van personeelsleden. Zij merkt ook op dat haar geen verslag is overhandigd van de bijeenkomst op XII-5577-13/15 17 september 2008 van het onderhoud met de kinderrechtencommissaris, zodat zij zich tegen haar verklaringen niet op een faire manier kan verdedigen. Zij besluit dat zij geen motivering in het dossier vond die een preventieve schorsing kon wettigen, die haar persoonlijk iets ten laste legt of die de noodzaak van haar afwezigheid in de school aangeeft. De Raad van State valt de kritiek van verzoekster volledig bij. Lectuur van de brieven van de kinderrechtencommissaris leert dat zij haast uitsluitend refereert aan het dossier van 2002, dat door de raad van bestuur uit de debatten is geweerd, en aan de ene, geseponeerde klacht van de leerling, om een “vaste praktijk” en een “klimaat” van mishandeling te staven. In die geseponeerde klacht wordt verzoekster niet genoemd; zij wordt ook niet tegengesproken in haar verklaring thans voor de Raad van State dat zij na inzage van het strafdossier heeft vastgesteld dat zij afwezig was wegens arbeidsongeval ten tijde van de beweerde feitelijkheden. Daarnaast is er in het dossier dat verzoekster vóór de hoorzitting mocht inkijken niet het minste concrete element terug te vinden dat zij had kunnen aangrijpen om er zich nader over te verklaren, om er zich tegen te verweren en om, in het licht van de voorgenomen maatregel, de vereiste van haar preventieve verwijdering uit de school af te wegen tegen het belang van de dienst en van het onderwijs. In die omstandigheden wordt aangenomen dat, zoals het dossier aan haar vooraf is voorgelegd, verzoekster haar verdediging niet nuttig heeft kunnen voorbereiden. Het middel is in de besproken mate gegrond. Verwerende partij brengt in de nota geen elementen naar voor die voldoende twijfel doet rijzen om de zaak toch niet met korte debatten af te handelen. De vordering tot schorsing De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. XII-5577-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 30 september 2008 van de raad van bestuur van de scholengroep 22 “Panta Rhei” van het Gemeenschapsonderwijs houdende de preventieve schorsing van Nadine Waeytens als vast benoemd directeur van het MPI “De Oase” te Gent. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5577-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div