← België

Arrest 187732 - O.C.M.W. - 04/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.732 Rolnummer: A. 188656/XII-5474 Zaak: Arrest 187732 - O.C.M.W. - 04/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.732 van 4 november 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 187.732 van 4 november 2008 in de zaak A. 188.656/XII-5474. In zake : Dirk PERREMAN, die woonplaats kiest bij advocaten T. Arts en I. Dedecker, kantoor houdende te Genk, Stoffelsbergstraat 4 tegen : het VIRGA JESSE ZIEKENHUIS, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Knaeps, kantoor houdende te Hasselt, Willekensmolenstraat 72, bus 1. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk Perreman op 10 juli 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 2 juni 2008 van de raad van bestuur van de autonome verzorgingsinstelling Virga Jesseziekenhuis, waarbij wordt beslist zijn negatieve evaluatie te handhaven; Gelet op het arrest nr. 184.954 van 30 juni 2008 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van dezelfde beslissing wordt verworpen en de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten laste van verzoeker worden gelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door eerste auditeur B. Thys; XII-5474-1/9 Gelet op de beschikking van 15 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Hellemans, die loco advocaten T. Arts en I. Dedecker verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Ch. Smeyers, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. Barra; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1. Verzoeker is sedert 2004 hoofdverpleegkundige van de dienst dialyse van het Virga Jesseziekenhuis A.V., een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 1.2. Op 30 juli 2007 wordt het functioneren van verzoeker door het evaluatiecomité ongunstig geëvalueerd. Hij krijgt de eindbeoordeling D (“Minder goed: De scores op enkele resultaatsgebieden zijn voor verbetering vatbaar. De prestaties zijn minder goed te noemen en voldoen niet volledig aan de normen”). Het evaluatiecomité is in het geval van verzoeker samengesteld uit zorgmanager Lieve Haumont, medisch manager dokter Jean-Louis Coenegrachts en directeur patiëntenzorg Ludo Meyers. 1.3. Na een verkorte evaluatietermijn van zes maanden, overhandigt Lieve Haumont op 11 februari 2008 aan verzoeker een nieuw evaluatieformulier, dat opnieuw de ongunstige eindbeoordeling D vermeldt. Op het ogenblik van de XII-5474-2/9 overhandiging zijn op het evaluatieformulier twee handtekeningen aangebracht, respectievelijk gevolgd door de data “29/1/08” en “31/1/08”. De eerste handtekening is van Ludo Meyers, de tweede -volgens verzoeker, die daarin niet wordt tegen- gesproken door de verwerende partij- van dokter Keuleers. De twee andere leden van het evaluatiecomité, Lieve Haumont en dokter Jean-Louis Coenegrachts hebben het evaluatieformulier klaarblijkelijk niet ondertekend. 1.4. Op 4 maart 2008 wordt aan verzoeker, naar eigen zeggen, gevraagd het evaluatieformulier terug in te leveren. Op die datum ondertekent hij ook het evaluatie-formulier voor “gelezen”. 1.5. Met een aangetekende brief van 12 maart 2008 vraagt verzoeker aan de raad van bestuur van het Virga Jesseziekenhuis A.V. om zijn tweede negatieve evaluatie te herzien. 1.6. Bij inzage van het evaluatiedossier op 4 april 2008 stelt verzoeker vast dat het evaluatieformulier nu ook is ondertekend door Lieve Haumont en dokter Jean-Louis Coenegrachts. Achter de handtekening van eerstgenoemde is de datum “31/01/2008” vermeld. 1.7. Op 10 april 2008 worden verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en de leden van het evaluatiecomité door een interne adviescommissie gehoord. De adviescommissie oordeelt dat verzoeker zijn vraag tot herziening niet binnen de door artikel 10, g, van het administratief statuut van het personeel van het Virga Jesseziekenhuis (hierna : het administratief statuut) voorgeschreven termijn van tien dagen na de kennisgeving van de ongunstige evaluatie heeft ingediend. Zij besluit daaruit dat “de beroepsprocedure niet verdergezet kan worden”. Met een aangetekende brief van 5 mei 2008 deelt verzoeker niettemin aan de raad van bestuur mede dat hij de herzieningsprocedure wenst verder te zetten. 1.8. Op 2 juni 2008 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad van bestuur gehoord. XII-5474-3/9 De raad van bestuur neemt tijdens dezelfde zitting de thans bestreden beslissing om de negatieve evaluatie van verzoeker te handhaven. Deze beslissing steunt op de volgende motieven : “1. De heer Perreman stelde geen beroep in binnen de 10 dagen nadat hem kennis gegeven werd van de negatieve evaluatie op 11/02/2008. De termijn liep af op 21/02/2008. 2. De termijn van 10 dagen zoals gesteld in art. 10

  1. g)van het administratief statuut is een vervaltermijn. Enkel binnen deze termijn kan het bezwaar van het personeelslid ingesteld. Eens deze termijn overschreven wordt de evaluatie definitief. 3. De evaluatie die overhandigd werd aan de heer Perreman was wel degelijk een geldige evaluatie. 4. Ook indien de evaluatie niet de handtekeningen droeg van alle evaluatoren, werd aan de heer Perreman duidelijk gemaakt door mevr. Haumont, die hem het document overhandigde, dat ondertekend was door de Heer Meyers, dat dit document via deze overhandiging de kennisgeving inhield van zijn evaluatie. 5. Uit de verklaringen van de heer Perreman omtrent de kennisgeving door mevr. Haumont van het document en het gesprek naar aanleiding hiervan, blijkt dat de heer Perreman absoluut niet kon twijfelen en ook niet twijfelde dat de overhandiging van dit document de officiële kennisgeving inhield van zijn evaluatie. 6. Zelfs indien voor de vormelijkheid bepaalde elementen van het document zouden hebben ontbroken, dan kwam het niettemin aan de heer Perreman toe, deze vormgebreken aan te voeren, binnen de termijn, voorzien voor het instellen van zijn bezwaar. Immers, de procedure van bezwaar kan zowel slaan op de formele als op de inhoudelijke argumenten van de evaluatie.”. Met een aangetekende brief van 11 juni 2008 stellen de voorzitter en de algemeen directeur van het Virga Jesseziekenhuis A.V. verzoeker van deze beslissing in kennis. XII-5474-4/9 De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 2. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 10, e en g, van het administratief statuut, het beginsel “pater legem quem ipse fecisti”, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker licht het middel in zijn verzoekschrift uitvoerig toe. Die toelichting komt er in essentie op neer dat de raad van bestuur in de bestreden beslissing ten onrechte tot de laattijdigheid van verzoekers bezwaar tegen zijn ongunstige evaluatie heeft besloten. Verzoeker zet dienaangaande uiteen dat hem op 11 februari 2008 geen evaluatieverslag is overhandigd, zoals voorgeschreven door het administratief statuut, omdat het overhandigde evaluatieformulier toen niet was ondertekend door Lieve Haumont, die zijn leidinggevende ambtenaar was. Verzoeker vermeldt ook te hebben vastgesteld dat dokter Jean-Louis Coenegrachts het evaluatieformulier pas heeft ondertekend nadat hij dat formulier op 4 maart 2008 had moeten inleveren. Het spreekt volgens verzoeker voor zich dat het beschrijvend kwalitatief verslag slechts een evaluatieverslag wordt, zodra het is gedateerd en ondertekend door alle evaluatoren. Hij betoogt dat de reden van de voorgeschreven ondertekening erin bestaat dat alle leden van het evaluatiecomité daarmee aangeven dat zij inhoudelijk akkoord zijn met de evaluatie. Uit het hem op 11 februari 2008 overhandigde verslag bleek dat akkoord van alle leden van het evaluatiecomité niet. Het kon voor hem dan ook geen aanvangspunt vormen van de beroepstermijn bij de raad van bestuur. Dat Lieve Haumont naderhand haar handtekening heeft geplaatst op het formulier én die handtekening heeft geantidateerd, bewijst -aldus verzoeker- dat zij maar al te goed wist dat het evaluatieformulier ondertekend had moeten zijn vóór de overhandiging ervan aan hem. Ten overvloede laat verzoeker gelden dat het bedoelde formulier hem bovendien niet binnen de voorgeschreven termijn van tien dagen werd overhandigd. Hij concludeert dat zijn verzoek tot herziening alleszins niet laattijdig bij de raad van bestuur werd ingediend. 3. In de nota met opmerkingen die zij in het kader van het administratief kort geding heeft ingediend, laat de verwerende partij met betrekking tot “de grond van de zaak” vooreerst gelden dat artikel 10, e, van het administratief XII-5474-5/9 statuut van het personeel van het Virga Jesseziekenhuis A.V. weliswaar voorschrijft dat het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag moet worden gedateerd en ondertekend, maar dat niet is bepaald dat het verslag door álle leden van het evaluatiecomité moet worden ondertekend. Toen op 11 februari 2008 het evaluatieverslag aan verzoeker ter kennis werd gegeven, was het gedateerd en, behalve door Lieve Haumont, door de leden van het evaluatiecomité ondertekend, zodat dan ook niet te begrijpen valt waarom dat verslag niet als geldig zou kunnen worden aanvaard. Het verslag werd bovendien door Lieve Haumont zelf aan verzoeker overhandigd en eerstgenoemde heeft met verzoeker wel degelijk uitgebreide gesprekken gevoerd over diens negatieve evaluatie. Ondergeschikt betoogt verwerende partij dat eventuele gebreken in de kennisgeving van de bestreden beslissing, de rechtmatigheid van de beslissing niet kunnen aantasten en dat voorts de termijn van tien dagen waarbinnen het personeelslid kennis moet krijgen van het evaluatieverslag, geen vervaltermijn is. De verwerende partij zet nog uiteen dat de bestreden beslissing “gelet op de verschillende verslagen” afdoende is gemotiveerd, zowel in materieel als in formeel opzicht. Beoordeling 4. Artikel 10, e, van het administratief statuut van het personeel van het Virga Jesseziekenhuis A.V. luidt : “Het evaluatiecomité stelt de evaluatie op in de vorm van een beschrijvend kwalitatief verslag dat gedateerd en ondertekend wordt en binnen de tien dagen voor kennisgeving ter ondertekening aan het personeelslid voorgelegd wordt.” Luidens artikel 10, g, eerste zin, van het genoemde statuut kan het personeelslid dat met de uitdrukkelijke evaluatie niet akkoord gaat, binnen tien dagen na de kennisgeving schriftelijk een herziening vragen bij de raad van bestuur. 5.1. Verzoeker kan worden bijgevallen in zijn standpunt dat de aangehaalde statuutbepaling een ondertekening van het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag voorschrijft door álle leden van het evaluatiecomité. Bij ontstentenis van een bepaling die de ondertekeningsbevoegdheid namens het evaluatiecomité aan één of meerdere leden van dat comité toewijst, moet worden aangenomen dat zonder een ondertekening van het evaluatieverslag door álle leden van het evaluatiecomité, niet vaststaat dat het comité als zodanig een evaluatiebeslissing heeft genomen, laat staan dat alle leden van het evaluatiecomité XII-5474-6/9 het evaluatieverslag als de geformaliseerde beslissing van het comité erkennen en onderschrijven. De ondertekening van het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag door alle leden van het evaluatiecomité betreft dan ook een substantieel vereiste waaraan dient voldaan te zijn opdat van een voor herziening vatbare evaluatie door het evaluatiecomité sprake zou kunnen zijn. 5.2. Het evaluatieformulier dat aan verzoeker op 11 februari 2008 werd overhandigd, was slechts ondertekend door één van de drie leden van het evaluatiecomité. De handtekeningen van de twee overige leden zijn pas op 4 maart 2008, toen verzoeker het evaluatieformulier terug had ingeleverd, of later aangebracht. Verwerende partij betwist niet dat de handtekening van Lieve Haumont is geantidateerd op “31/01/2008”. Het evaluatieformulier dat op 11 februari 2008 aan verzoeker werd overhandigd, miste derhalve een substantieel onderdeel, zodat het niet kon worden geacht een evaluatie in te houden waartegen reeds een interne beroepsmogelijkheid openstond. De overhandiging van het evaluatieformulier aan verzoeker, zoals ze op 11 februari 2008 is gebeurd, kon voor verzoeker dan ook niet de door artikel 10, g, van het administratief statuut voorgeschreven termijn van tien dagen voor het vragen van een herziening bij de raad van bestuur doen ingaan. De omstandigheid dat het evaluatieformulier door Lieve Haumont zelf aan verzoeker werd overhandigd en dat deze, zoals door de verwerende partij wordt beweerd, uitvoerige gesprekken met betrokkene over zijn negatieve evaluatie zou hebben gevoerd, doet daaraan geen afbreuk, vermits dan nog de instemming van het derde lid van het evaluatiecomité, dokter Jean-Louis Coenegrachts, in het ongewisse bleef. Vermits het aan verzoeker op 11 februari 2008 overhandigde verslag niet als een evaluatieverslag in de zin van artikel 10, e, van het administratief statuut kon worden opgevat, heeft de raad van bestuur per weeromstuit op 2 juni 2008 ten onrechte tot de laattijdigheid van verzoekers vraag tot herziening besloten. Geen van beide partijen hebben betwist dat de voorliggende zaak kan worden opgelost met korte debatten, in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit wat voorafgaat volgt dat het enig aangevoerde middel alvast gegrond is, in zoverre het is ontleend aan de schending van artikel 10, e en g, van het administratief statuut van het personeel van het Virga Jesseziekenhuis A.V. Alleen al deze vaststelling dient te leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. XII-5474-7/9 5.3. Ten overvloede wijst de Raad van State erop dat, luidens artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking, die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, slechts geldig ter kennis wordt gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld en dat, bij ontstentenis daarvan, de termijn voor het indienen van een beroep geen aanvang neemt. In casu is bij de kennisgeving van de ongunstige evaluatie aan verzoeker op 11 februari 2008 geen melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid bedoeld in artikel 10, g, van het administratief statuut, zodat zelfs indien de onvolledige ondertekening van het evaluatieverslag buiten beschouwing wordt gelaten, de beroepstermijn voor verzoeker hoe dan ook geen aanvang kon nemen en de raad van bestuur op 2 juni 2008 alleszins niet tot de laattijdigheid van verzoekers vraag tot herziening kon besluiten. De vordering tot schorsing 6. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. XII-5474-8/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 2 juni 2008 van de raad van bestuur van de autonome verzorgingsinstelling Virga Jesseziekenhuis, waarbij wordt beslist de negatieve evaluatie van Dirk Perreman te handhaven. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5474-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.732 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.