id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.746 Rolnummer: A. 188443/IX-5934 Zaak: Arrest 187746 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Arrest nr 187.746 van 5 november 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.746 van 5 november 2008 in de zaak A. 188.443/IX-
- In zake : Patrick STAS, die woonplaats kiest bij het VSOA, gevestigd te BRUSSEL, Boudewijnlaan 11 tegen : de NV DE SCHEEPVAART, die woonplaats kiest bij advocaat W. SLOSSE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Brusselstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick STAS op 4 juni 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 april 2008 van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Scheepvaart waarbij de verzoeker ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen met ingang van 4 april 2008, en om te vorderen dat aan de NV De Scheepvaart een dwangsom zou worden opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5934-1/14 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaten W. SLOSSE en F. DE BRUYNE, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker, geboren in 1956, is burgerlijk ingenieur bouwkun- de. Tot aan de bestreden beslissing was hij als ingenieur in dienst bij de NV De Scheepvaart. Hij begon zijn carrière bij de toenmalige Dienst voor de Scheepvaart op 1 december
- Op 1 december 1982 werd hij er vast benoemd als ingenieur. Met ingang van 12 november 1987 werd hij ambtshalve ontslagen omdat hij ondanks een weigering van loopbaanonderbreking afwezig bleef. De verzoeker stelde tegen de desbetreffende beslissing beroep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 61.229 van 29 augustus 1996 vernietigde de Raad de bestreden beslissing. In de periode tussen 12 november 1987 en 19 augustus 1996 oefende de verzoeker het beroep uit van zelfstandig ondernemer in het bedrijf van zijn vader, reden waarom hij destijds de loopbaanonderbreking had gevraagd. Na het vernietigingsarrest van 29 augustus 1996 bleef de verzoeker verder zijn zelfstandige activiteit uitoefenen. Ondertussen putte hij alle beschikbare verlof- en afwezigheidsmogelijkheden uit. IX-5934-2/14 2.
- Per 1 januari 2008 zijn alle statutaire verlof- en afwezigheidsmogelijkheden uitgeput. Tijdens een onderhoud van 17 oktober 2007 deelt de verzoeker aan de gedelegeerd bestuurder van de NV De Scheepvaart mee dat hij met ingang van 1 januari 2008 zijn betrekking weer wil opnemen. Bij schrijven van 18 oktober 2007 laat de gedelegeerd bestuurder aan de verzoeker weten dat zijn betrekking ondertussen vacant is verklaard en door een andere persoon is ingevuld. Er is op dat ogenblik geen betrekking vrij in het personeelsplan. De verzoeker wordt dan ook “in herplaatsing geplaatst”. Dit betekent dat voor hem een andere betrekking bij de diensten van de Vlaamse overheid zal worden gezocht. De gedelegeerd bestuurder deelt de verzoeker mee dat er onder bepaalde voorwaarden nog wel een mogelijkheid is om een halftijdse loopbaanonderbreking te nemen. De verzoeker neemt daarop contact met Werk-wijzer, een dienst van Jobpunt Vlaanderen. Op 18 december 2007 schrijft de verzoeker aan de verwerende partij dat er nog geen concrete oplossing is. Hij vraagt wat van hem verwacht wordt vanaf 1 januari
- Op 24 december 2007 deelt de gedelegeerd bestuurder aan de verzoeker mee dat hij, in afwachting van een effectieve herplaatsing bij een andere overheid, bij de NV De Scheepvaart “in overtal” wordt tewerkgesteld als projectingenieur bij de afdeling Waterbouwkunde. De verzoeker moet zich op donderdag 3 januari 2008 aanmelden bij het hoofd van die afdeling. Hij wordt erop gewezen dat als hij tweemaal een aangeboden betrekking weigert, hij ambtshalve wordt herplaatst naar de eerstvolgende betrekking die hem wordt aangeboden. Wanneer de verzoeker zich op die dag aanbiedt op de afdeling Waterbouwkunde, wordt hem meegedeeld dat hij als tijdelijk projectingenieur belast wordt met het dossier van de herbouw van de brug van Briegden over het Albertkanaal. Volgens de verzoeker is dit een zwaar dossier dat al jaren aansleept, en heeft hij daarvoor niet de vereiste ervaring. Hij mist bovendien de motivatie om zich in dat dossier in te werken, in afwachting van een overplaatsing naar een andere dienst van de Vlaamse overheid. Op 4 januari 2008, dus de volgende dag, vraagt de verzoeker dan ook een halftijdse loopbaanonderbreking voorafgaand aan het pensioen, met ingang van 7 januari
- Dit wordt hem toegestaan, evenwel met IX-5934-3/14 ingang van 1 februari 2008, omdat een dergelijke loopbaanonderbreking steeds dient in te gaan bij het begin van de maand. De verzoeker ondervindt moeilijkheden op zijn werk. Op zijn vraag heeft hij op 24 januari 2008 een gesprek met het hoofd van de afdeling. Volgens het verslag dat van dat gesprek is opgemaakt verklaart de verzoeker dat men hem niet mag beschouwen als een volwaardig ingenieur omdat hij sinds zijn afstuderen geen ingenieurswerk meer gedaan heeft. Hij vindt dat het werk op de afdeling Waterbouwkunde niet geschikt is voor hem. Hij vraagt voorts om duidelijkheid met betrekking tot zijn toekomst bij de NV De Scheepvaart. Hij kondigt aan dat, zolang er daarover geen duidelijkheid wordt geschapen, hij met ziekteverlof zal zijn. Hij vindt dat het niet aan hem is om ontslag te nemen, maar aan de verwerende partij om hem eventueel te ontslaan. 2.
- Vanaf die dag is de verzoeker met ziekteverlof. Een controle op 8 februari 2008 bevestigt dat hij arbeidsongeschikt is. Op verzoek van het hoofd van de afdeling Waterbouwkunde neemt hij ondertussen contact met het hoofd van de afdeling administratie om over zijn toekomst te spreken. Op 11 februari 2008 heeft hij met haar een gesprek. Volgens het verslag dat daarvan is opgemaakt deelt de verzoeker mee dat hij niet kan werken op de afdeling Waterbouwkunde, dat hij zich onzeker voelt over het ingenieurswerk, dat hij het gevoel heeft niet welkom te zijn in de afdeling en dat hij zich niet kan opladen voor een functie waarvan hij weet dat ze slechts tijdelijk is. Hij herhaalt dat hij in ziekteverlof zal zijn totdat een andere oplossing voor hem wordt gevonden. Hij wil ook thuis blijven zonder loon. Het afdelingshoofd antwoordt hierop dat als de verzoeker als ingenieur wordt betaald, hij ook ingenieurswerk moet doen. Zij vindt dat de verzoeker op de afdeling Waterbouwkunde ervaring kan opdoen, onder meer inzake de wetgeving op de overheidsopdrachten. Op vraag van de verzoeker wordt hem nog een berekening toegestuurd van het loon dat hij zou ontvangen na een eventuele graadverandering naar adjunct van de directeur. Intussen solliciteert de verzoeker voor andere betrekkingen binnen de Vlaamse overheid, maar zonder succes. Ook de acties van Werk-wijzer blijven zonder succes. IX-5934-4/14 2.
- Een vakbondsvertegenwoordiger vraagt op 29 februari 2008, namens de verzoeker, om de mogelijkheid te onderzoeken van een verandering van graad van ingenieur naar adjunct van de directeur. Een eventuele graadverandering zou het mogelijk kunnen maken om een oplossing te vinden voor de hertewerkstelling van de verzoeker. Op 10 maart 2008 vraagt de verzoeker aan het hoofd van de afdeling administratie om een antwoord op die vraag. Hij vraagt een antwoord vóór 15 maart “aangezien (zijn) ziekteverlof verstrijkt op 15 maart 2008”. Hij stelt verder dat hij “in afwachting ... ervan uit(gaat) dat (hij) administratief in orde blijf(t) zonder ziekteverlof te moeten aanvragen, zodat (hem) ook geen loon moet worden toegekend vanaf die datum”. Het hoofd van de afdeling administratie antwoordt hem de volgende dag dat er aan Werk-wijzer is gevraagd om ook naar administratieve jobs uit te kijken. Zij deelt voorts mee dat er geen mogelijkheid is om onbetaald afwezig te blijven en dat, indien de verzoeker ziek is, hij de administratieve procedure moet volgen. 2.
- De verzoeker dient daarop een nieuw medisch attest in, dat zijn ziekteverlof verlengt van 15 maart tot 4 april
- Op 19 maart 2008 biedt een controlearts zich bij de verzoeker thuis aan. De verzoeker is niet aanwezig. De controlearts laat een bericht achter, met oproeping van de verzoeker om zich op 20 maart 2008 in het medisch centrum te Hasselt aan te bieden. De verzoeker verklaart het bericht pas te vinden op 21 maart
- Hij regelt met de controlearts een afspraak op 25 maart
- De controlearts bevindt hem dan “niet arbeidsongeschikt”. Volgens de verzoeker telefoneert hij dezelfde dag met zijn behandelende arts, die hem vraagt de medische controlefiche te faxen. Zijn arts zegt hem ook dat hij een arbitrageprocedure zal starten door een brief te schrijven aan de controlearts. De verzoeker brengt een kopie voor van een brief van zijn arts aan de controlearts, gedateerd 30 maart 2008, waarin zijn arts verklaart dat de verzoeker volgens hem gedeprimeerd is. In die brief stelt de arts voor om een arbitrage te starten indien de controlearts niet akkoord zou gaan. Volgens de verwerende partij is er nooit een overleg geweest tussen de behandelende arts en de controlearts. IX-5934-5/14 Ondertussen heeft het hoofd van de afdeling Waterbouwkunde de verzoeker op 25 maart 2008 een brief gestuurd waarin hij vraagt waarom de verzoeker niet is ingegaan op de oproep van de controlerende arts om zich op 20 maart 2008 aan te bieden. Met een schrijven van 28 maart 2008 legt de verzoeker uit dat hij de oproep pas op 21 maart 2008 heeft gevonden en dat hij zich inmiddels heeft aangeboden op 25 maart
- Van de gelegenheid maakt de verzoeker gebruik om te melden dat hij actief bezig is met een aantal sollicitaties en dat hij ook nog wacht op initiatieven van de verwerende partij om hem een passende job aan te bieden. 2.
- Op vrijdag 4 april 2008 zendt de gedelegeerd bestuurder de verzoeker een aangetekende brief, waarin hij vaststelt dat de verzoeker de dienst niet opnieuw heeft hervat nadat de controlerende arts op 25 maart 2008 heeft geoordeeld dat hij niet arbeidsongeschikt was. In de brief wordt voorts uitvoerig ingegaan op de te volgen procedure ingeval een personeelslid niet akkoord gaat met de conclusie van een controlegeneesheer. Er wordt opgemerkt dat de behandelende arts binnen de vierentwintig uur zijn eventueel niet-akkoord moet meedelen aan de controlerende arts en dat dit overleg dan de beslissing opschort, maar dat indien de controlerende arts niet binnen de vierentwintig uur wordt verwittigd de controlebeslissing definitief wordt. De gedelegeerd bestuurder leidt uit de feiten af dat de verzoeker meer dan tien dagen ongewettigd afwezig is. Hij deelt dan ook zijn voornemen mee om hem ambtshalve te ontslaan. Met het oog daarop wordt de verzoeker uitgenodigd voor een verhoor door het hoofd van de afdeling Waterbouwkunde op maandag 7 april 2008 te 8.30 u. In de brief wordt ten slotte gesteld dat de verzoeker “vandaag nog”, dit wil zeggen op 4 april 2008, ook een telefonische oproep voor het verhoor zal ontvangen. De verzoeker wordt op 4 april 2008 inderdaad telefonisch opgeroepen. Volgens de verzoeker wordt hem niet uitgelegd waarover het onderhoud op 7 april 2008 zal gaan. Volgens de verwerende partij wordt hij wel op de hoogte gebracht van de agenda van de hoorzitting. Op 7 april 2008 biedt de verzoeker zich aan bij het hoofd van de afdeling Waterbouwkunde. Hij krijgt op dat ogenblik een kopie van de brief van 4 april 2008, brief die hij op dat moment nog niet had ontvangen. IX-5934-6/14 Van het verhoor wordt een verslag opgemaakt dat door alle aanwezigen is ondertekend. Volgens dit verslag wordt aan de verzoeker gevraagd waarom hij het werk na 25 maart 2008 niet heeft hervat. De verzoeker antwoordt dat hij na het bezoek aan de controlerende arts zijn behandelende arts op 25 maart 2008 onmiddellijk heeft geraadpleegd, dat hij hem het attest van geschiktheid heeft gefaxt en dat zijn arts hem beloofde contact op te nemen met de controlerende arts. De verzoeker deelt voorts mee dat hij op 1 april 2008 is teruggegaan naar zijn behandelende arts, die hem een nieuw attest van arbeidsongeschiktheid heeft afgeleverd voor de periode van 5 tot 16 april
- De verzoeker heeft dat attest evenwel nog niet naar de controledienst gestuurd. Dezelfde dag nog neemt de gedelegeerd bestuurder een besluit waarbij de verzoeker met toepassing van artikel XI 3, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen met ingang van 4 april 2008, op grond dat hij sinds 25 maart 2008 meer dan tien dagen onwettig afwezig is. Dit besluit, dat op 8 april 2008 aan de verzoeker wordt betekend, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Onderzoek van de middelen 3.
- De verzoeker roept een eerste middel in, gericht tegen het feit dat hij op grond van artikel XI 3,3/, van het Vlaams personeelsstatuut is ontslagen. Volgens de verzoeker steunt het ambtshalve ontslag wegens afwezigheid zonder geldige reden op de premisse dat het personeelslid op eigen initiatief uit dienst is getreden. Weliswaar wordt een ambtenaar die na een geoorloofde aanwezigheid zijn dienst niet meer hervat en die meer dan tien dagen afwezig blijft, geacht zelf uit eigen beweging uit de dienst te zijn getreden, maar dit vermoeden kan weerlegd worden. Volgens de verzoeker blijkt uit de concrete omstandigheden van de zaak dat hij het vermoeden heeft weerlegd dat hij niet langer in dienst wenste te blijven. Hij wijst in het bijzonder op: - zijn verwoede pogingen om ander werk te vinden via de herplaatsing, in overeenstemming met de wensen van de verwerende partij, zelfs vóór de IX-5934-7/14 werkhervatting op 1 januari 2008 en tijdens zijn geldige afwezigheid wegens ziekte; - zijn bereidheid om een verlaging in graad voor te stellen, om toch maar in herplaatsing te kunnen gaan; - de twee gesprekken die hij voerde met de hoofden van de afdeling Waterbouwkunde en de afdeling administratie, om de ernst van de situatie te onderlijnen en om hen te vragen actief mee te zoeken naar een andere betrekking, bij een andere dienst van de Vlaamse overheid, - zijn brief van 28 maart 2008, waarin hij niet alleen de bij brief van 25 maart 2008 gevraagde uitleg verstrekte, maar ook wees op zijn pogingen om tegemoet te komen aan de wens van de verwerende partij dat hij zo snel mogelijk in herplaatsing zou gaan; - de stipte opvolging van de instructies van zijn werkgever: hij heeft zich op 25 maart 2008 stipt aangeboden op de nieuwe afspraak bij zijn controlerende arts; hij heeft dezelfde dag zijn behandelende arts ingelicht en diens instructies opgevolgd, hij heeft zich op 7 april 2008 stipt bij de verwerende partij aangeboden, zelfs zonder de agenda van het onderhoud te kennen; enzovoorts. - zijn verklaring van 7 april 2008, waarin hij gesteld heeft dat zijn behandelende arts hem op 25 maart 2008 beloofde contact te nemen met de controlerende arts, als antwoord op de vraag waarom hij na 25 maart 2008 het werk niet heeft hervat. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat artikel XI 3, 3/, van het Vlaams personeelsstatuut niet vereist dat de verwerende partij moet bewijzen dat de verzoeker de intentie had om het werk te verlaten. De afwezigheid van een ambtenaar zonder geldige reden en voor meer dan tien dagen dient immers beschouwd te worden als een vermoeden van vrijwillig ontslag, en de overheid kan de ambtenaar ontslaan wanneer dit vermoeden niet weerlegd wordt. Volgens de verwerende partij werd het bedoelde vermoeden te dezen niet weerlegd. Zij wijst in dit verband op de volgende gegevens: - de verzoeker was zonder geldige reden afwezig nu hij, hoewel hij door de controlerende arts niet langer arbeidsongeschikt was bevonden, op 26 maart 2008 het werk niet heeft hervat en dat ook de tien daarop volgende dagen niet heeft gedaan; - het vermoeden werd ook niet weerlegd tijdens de hoorzitting op 7 april 2008, daar de verzoeker niet kon verantwoorden waarom hij tien dagen afwezig was. Hij verwees enkel naar het feit dat zijn arts contact zou opnemen met de controlerende IX-5934-8/14 arts en dat hij zou beschikken over een nieuw attest dat zijn afwezigheid dekte van 5 april tot 26 april 2008, maar dat bewijs moest hij toen nog indienen. De verzoeker diende aldus te weten dat hij ongewettigd afwezig was; - voor de beoordeling van de vraag of de verzoeker het tegenbewijs leverde, moet ook met alle voorgaanden rekening worden gehouden: de verzoeker gaf meerdere malen aan dat hij zijn baan niet aankon en zich niet op zijn plaats voelde bij de verwerende partij; hij stelde zelf dat men hem mocht ontslaan mits betaling van een ontslagvergoeding; hij diende nooit een officieel verzoek in om een graadverandering te verkrijgen; hij putte alle afwezigheids- en vakantie- mogelijkheden uit; hij ondernam nauwelijks iets in de functie die hij sinds januari 2008 had gekregen binnen de NV De Scheepvaart; - het valt te betwijfelen of de verzoeker ziek zou zijn geworden door de werkdruk aangezien hij tussen 1 en 24 januari 2008 maar 9,5 dagen effectief op de afdeling Waterbouwkunde aanwezig was, waarna hij ziek werd. Bovendien oefende de verzoeker tijdens zijn tewerkstelling bij de verwerende partij nog steeds een zelfstandige activiteit uit. Het is trouwens zeer opmerkelijk dat de verzoeker in zijn gesprekken stelde dat hij met ziekteverlof thuis zou blijven tot er een andere job werd aangeboden. De verwerende partij besluit dat, vermits de verzoeker duidelijk aangaf op te zien tegen het werk, redelijkerwijze aangenomen kon worden dat hij deze functie wenste te verlaten. Hij drong er regelmatig op aan om ontslagen te worden en een ontslagvergoeding te verkrijgen, alhoewel dit voor een statutair ambtenaar onmogelijk was, wat hem ook werd meegedeeld. Het is dan ook overduidelijk dat hij zowel zijn functie als de vennootschap wilde verlaten, mits het uitbetalen van een vergoeding. 3.3.
- Artikel XI.3 van het Vlaams personeelsstatuut luidt als volgt: “Ambtshalve en zonder opzegging wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar voor: 1/-2/ (...); 3/ de ambtenaar die zonder geldige reden de werkpost verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft; 4/-5/ (...)”. IX-5934-9/14 Het ontslag van ambtswege, bedoeld in die bepaling, is geen tuchtmaatregel maar een maatregel die genomen wordt in het belang van de dienst en die gestoeld is op de gedachte dat de ambtenaar die zijn dienst verlaat en meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit dienst te zijn getreden. Het bestuur mag derhalve slechts tot dat ontslag overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven, niet geacht kan worden weerlegd te zijn. Daarbij is het van geen belang of het door de betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan. Dat motief moet immers als louter feitelijk gegeven in aanmerking worden genomen. 3.3.
- Te dezen staat vast dat de verzoeker zich op 26 maart 2008 niet opnieuw op de dienst heeft aangeboden, alhoewel de controlerende arts hem op 25 maart 2008 niet meer arbeidsongeschikt had bevonden, en dat zijn afwezigheid daarna nog meer dan tien dagen heeft geduurd. De vraag is of de verwerende partij uit die afwezigheid na tien dagen mocht afleiden dat de verzoeker geacht moest worden vrijwillig uit dienst te zijn getreden. Toen de verzoeker op de hoorzitting van 7 april 2008 geconfronteerd werd met de vaststelling dat hij na 26 maart 2008 het werk niet had hervat, heeft hij verklaard dat hij de dag zelf van het bezoek aan de controlerende arts het nodige heeft gedaan om diens conclusie te laten bestrijden door zijn behandelende arts, en dat zijn arts hem ook heeft beloofd om contact op te nemen met de controlerende arts. Uit het dossier blijkt niet dat de behandelende arts effectief contact heeft opgenomen met de controlerende arts, met het oog op het opstarten van het overleg tussen beiden, maar een eventueel verzuim van de behandelende arts zou moeilijk aan de verzoeker verweten kunnen worden en daaruit zou zeker niet afgeleid kunnen worden dat verzoekers afwezigheid het gevolg was van zijn wil om uit dienst te treden. Uit niets blijkt echter dat de verwerende partij een poging heeft ondernomen om verzoekers verhaal te controleren. Integendeel, nog dezelfde dag neemt de gedelegeerd bestuurder het bestreden ontslagbesluit. Daarin wordt enkel overwogen dat de verzoeker “geen enkele geldige reden kan aanhalen die zijn afwezigheid van 25 maart tot en met 4 april 2008 rechtvaardigt”. IX-5934-10/14 Anders dan de verwerende partij aanvoert, was de voorgeschiedenis ook niet van aard om de conclusie te wettigen dat de verzoeker vrijwillig ontslag wenste te nemen. Integendeel, toen verzoekers mogelijkheden voor voltijdse afwezigheid op 1 januari 2008 opgebruikt waren, is hij zich opnieuw voor de dienst komen aanbieden. Het is weliswaar juist dat de verzoeker meende dat hij de taak die hem, in afwachting van een herplaatsing bij een andere dienst van de Vlaamse overheid, bij de afdeling Waterbouwkunde was opgedragen, niet aankon, en dat hij eigenlijk niet langer als ingenieur maar wel in een andere functie wilde werken. De ontevredenheid met een tijdelijke functie is echter niet noodzakelijk een uiting van de wil om ontslag te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat de verzoeker bezwaar gemaakt heeft tegen om het even welke functie bij de verwerende partij of bij een andere dienst van de Vlaamse overheid. Het is voorts ook juist dat de verzoeker verklaard heeft dat hij zich ziek zou laten verklaren toen bleek dat hem niet snel een andere functie kon worden aangeboden, en dat hij ook effectief ziekteverlof heeft gekregen. Een afwezigheid die gedekt is door een medisch attest, aan het bestuur bezorgd om in orde te zijn met de statutaire verplichtingen van de betrokken ambtenaar, kan echter niet beschouwd worden als een uiting van de wil om ontslag te nemen. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de verzoeker meer dan eens heeft verklaard zelf geen ontslag te willen nemen. Het feit dat hij eventueel wel ontslag wilde krijgen mits uitbetaling van een ontslagvergoeding, doet aan die vaststelling geen afbreuk. In het licht van het geheel van de aangehaalde feiten kon de afwezigheid van de verzoeker, nadat de controlerende arts had geoordeeld dat hij niet langer arbeidsongeschikt was, niet geïnterpreteerd worden als een blijk van de wil van de verzoeker om de banden met zijn bestuur volledig door te knippen en uit dienst te treden. Er waren integendeel redenen om aan te nemen dat de verzoeker ervan uitging dat hij nog steeds in dienst was en dat het nodige gedaan was of gedaan zou worden om het oordeel van de controlerende arts te bestrijden. De concrete feitelijke gegevens van de zaak konden bijgevolg in redelijkheid het vermoeden niet wettigen dat de verzoeker niet langer in dienst wenste te blijven. De verwerende partij kon het ambtshalve ontslag van de verzoeker dan ook niet wettig steunen op diens afwezigheid van het werk. Het middel is gegrond. IX-5934-11/14 IX-5934-12/14 Vordering tot schorsing
- Uit het onderzoek van de zaak is gebleken dat de beslechting van het geschil ten gronde afgedaan kan worden in korte debatten, met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is dan ook geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. Dwangsom 5.
- In zijn verzoekschrift vraagt de verzoeker aan de Raad van State om een dwangsom op te leggen ten bedrage van 1000 euro per dag dat de verwerende partij de beslissing niet schorst, gelet op het feit dat het de tweede keer betreft dat zij een gelijkaardige handeling stelt. 5.
- Ter zitting preciseert de verzoeker dat die vordering enkel wordt ingesteld voor het geval de Raad van State de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou schorsen. Gelet op de vernietiging van het bestreden besluit, is de vordering tot het horen opleggen van een dwangsom zonder voorwerp. OM DIE REDENEN BESLIST DE KAMERVOORZITTER : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 7 april 2008 van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Scheepvaart waarbij Patrick STAS ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen met ingang van 4 april
- Artikel
- Er is geen aanleiding om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. IX-5934-13/14 Artikel
- De vordering tot het horen opleggen van een dwangsom is zonder voorwerp. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 november 2008, door : de H P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5934-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.746 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.