id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.755 Rolnummer: A. 133990/XII-3797 Zaak: Arrest 187755 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.755 van 6 november 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.755 van 6 november 2008 in de zaak A. 133.990/XII-
- In zake : Luc MESTDAGH, die woonplaats kiest bij advocaat D. Crabeels, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat 106 tegen : de PROVINCIALE HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, de Schiervellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Mestdagh op 12 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 januari 2003 waarbij het college van beroep van de Provinciale Hogeschool Limburg beslist om de hem toegekende evaluatie “onvoldoende” te handhaven; Gelet op het arrest nr. 120.270 van 6 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 27 juni 2003 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3739-1/15 Gelet op de beschikking van 22 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Louage, die loco advocaat D. Crabeels verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H. Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is ten tijde van het geschil vast benoemd docent in het departement architectuur en beeldende kunst aan de Provinciale Hogeschool Limburg. 1.
- Op 10 juli 2000 hecht de raad van bestuur van verwerende partij zijn goedkeuring aan het protocol nr. 45 van 20 juni 2000 houdende de evaluatie- regeling voor het onderwijzend personeel van de Provinciale Hogeschool Limburg (hierna ook : de evaluatieregeling). 1.
- Op 22 augustus 2002 wordt verzoeker door een technische commissie geëvalueerd met betrekking tot de academiejaren 1999-2000, 2000-2001 en 2001-2002, overeenkomstig artikel 12 van de evaluatieregeling. De technische commissie is van oordeel dat verzoeker, vergeleken met een eerdere evaluatie van 13 oktober 1999, geen verbetering scoort op het vlak van de criteria “relaties binnen het departement” en “respect voor afspraken en deontologie” en dat hij thans ook onvoldoende scoort voor het criterium “inzet en betrokkenheid”. De technische commissie stelt voor een eindevaluatie “onvoldoende” toe te kennen. XII-3739-2/15 Op 10 september 2002 wordt door het departementshoofd aan verzoeker de evaluatie “onvoldoende” toegekend. Op 23 september 2002 tekent verzoeker tegen deze beslissing beroep aan, “en wel om volgende redenen”: “
- ‘Welk systeem wordt er gehanteerd door de technische commissie (hierna: TC)?’ en ‘Hoe komt de TC aan zijn voorstel tot conclusie?’ Uit het evaluatiedossier dd.22/08/02 valt af te leiden, dat mijn client op 7 van de 10 criteria ‘Voldoende’ heeft behaald (waarbij zelfs 4 maal ‘goed’), maar dat het voorstel toch ‘onvoldoende’ vertoont. Ter vergelijking kan men de beoordeling van 13/10/99 erbij nemen. Daarin ‘scoort’ mijn client op dezelfde criteria 4 maal goed en 2 maal onvoldoende, maar de conclusie is... ‘voldoende’!
- Bij de beoordeling van ‘leiderschap, collegialiteit en betrokkenheid’ valt wel op dat al de negatieve reacties, uitgaan van Dhr.VRANCKEN. Die op zijn beurt twee tijdelijke collega’s blijkbaar aangezet heeft om negatieve nota’s te schrijven over mijn client. Deze collega’s vroegen op hun beurt aan anderen om hun nota’s te ondertekenen (waarvan getuigen). Het departementshoofd doet dit alles zonder enig onderzoek van de feiten en de omstandigheden, hij (in plaats van de betrokkene) schrijft de verklaringen zelf, er vindt geen verhoor plaats, en er wordt ook niet aan mijn client naar een verklaring gevraagd.
- Op 15 oktober 2001 dient mijn client formeel een klacht in bij de algemene directie wegens pesterijen begaan door het departementshoofd, zijnde Dhr. VRANCKEN, en het opleidingshoofd, zijnde Dhr. ENGELEN ... deze klacht blijft onbehandeld en onbeantwoord!
- De in maart 2002 bij hoogdringendheid aangevraagd functionerings- gesprek had slechts plaats op 27 mei 2002 (net voor indieningsdatum definitieve evaluatiedossier). Dit gesprek gebeurde samen met het departementshoofd en het opleidingshoofd, precies beide personen tegen wie een klacht hangende was wegens pesten, bijgevolg had dit onderhoud niets meer weg dan van een disciplinair verhoor. Alhoewel het woord ‘verhoor’ slecht gekozen is want er was geen enkele bereidheid tot ernstig luisteren, spreken en tot het bereiken van een overeenkomst. Tenslotte tekende mijn client dit verslag enkel voor kennisname. Er werd geen rekening mee gehouden.
- Qua ‘algemene appreciatie’ wordt mijn client binnen het vakgebied grafische vormgeving en typografie (en zelfs daarbuiten) door opdrachtgevers, culturele instanties, studenten en collega’s blijkbaar ‘erkend’ en ‘gewaardeerd’. Binnen de opleiding GRV, zijnde de werkbiotoop van mijn client, wordt hij (als vast benoemd docent) door een minderheid van collega’s en het departementshoofd, het leven zuur gemaakt, uitgescholden, genegeerd, tegengewerkt... tot gepest! BESLUIT. Al de motivaties achter de ‘onvoldoendes’ voor de beoordelingscriteria m.b.t ‘inzet, betrokkenheid, leiderschap, collegialiteit, respect voor afspraken, regels en deontologie’ zijn zeer vaag en onbewezen. De gehanteerde maatstaven worden subjectief gehanteerd? De ‘objectiviteit’ is volledig zoek, daar in het merendeel van de (probleem)situaties de betrokken partij tegelijkertijd ook rechter is. Al de hierboven aangehaalde argumenten zijn terug te vinden in het evaluatiedossier”. XII-3739-3/15 Op 27 november 2002 en op 13 januari 2003 worden door het college van beroep inzake evaluatie meerdere getuigen opgeroepen en gehoord, en worden ook verzoeker en zijn raadsman gehoord. Op 8 januari 2003 legt verzoekers raadsman 9 bladzijden conclusies neer. Het college van beroep beslist op 13 januari 2003 om de evaluatie “onvoldoende” te handhaven op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende dat het college de rekenkundige verhoudingen zoals bepaald in punt 1 van het beroepsschrift d.d. 23 september 2002 niet kan aanvaarden; Overwegende dat het evaluatiesysteem van de PHL in de eerste plaats berust op een analyse van het evaluatiedossier, inclusief de evaluatie door de studenten, de teksten van de betrokkene en de teksten vanwege de bevoegde beoordelaars en andere derden. Dat op basis van deze analyse de technische commissie het te evalueren personeelslid beoordeelt op maximum tien rubrieken die samen de dimensies uitmaken van het professioneel functioneren. Dat op basis van de taakbelasting en het functioneringsgesprek de relevante criteria of dimensies gekozen en beoordeeld worden. Dat in principe een personeelslid uiteraard als voldoende dient te worden beoordeeld op elke dimensie. dat een technische commissie bij de overgang van de beoordeling van de functioneringsdimensies naar het eindoordeel clement kan zijn en tot de conclusie kan komen dat niettegenstaande partiële onvoldoendes, het professioneel functioneren globaal als voldoende mag worden beoordeeld. dat dit gebeurde bij de vorige beoordeling van de heer Mestdagh in
- Overwegende dat de twee onvoldoendes (criteria 9 en 10) van de evaluatie d.d. 13 oktober 1999 terugkeren in de evaluatie d.d. 22 augustus 2003 en worden aangevuld met een derde onvoldoende (criterium 6); Overwegende dat hieruit blijkt dat betrokkene, de heer Mestdagh er niet aan gewerkt heeft om deze tekortkomingen weg te werken; Overwegende dat het beoordelingssysteem drie niveaus onderscheidt binnen de positieve beoordeling van de dimensies van het professioneel functioneren. Dat de elementen van het dossier, de inhoud van de verweerschriften, de verklaringen van de getuigen en het persisteren van het tekort op de dimensies 9 en 10 evenwel aantonen dat deze onvoldoendes als ernstige, zware onvoldoendes mogen worden getypeerd en aldus mogen wegen op het eindoordeel. Overwegende dat betreffende punt 2 van het beroepsschrift de hiërarchische lijn voortdurend moet gerespecteerd worden zodanig dat een klacht van de ondergeschikte moet lopen via het departementshoofd, hetgeen de indruk wekt dat het departementshoofd de ondergeschikte heeft aangezet om de klacht in te dienen; Overwegende dat dit manifest werd weerlegd in het getuigenverhoor; Overwegende dat de klacht wegens pesterijen, zoals aangehaald in punt 3 van het beroepsschrift, door de heer Mestdagh niet in het dossier, waarop de evaluatie betrekking heeft en waarop de onvoldoende is gebaseerd, werd ingebracht; Dat de heer Mestdagh dit verslag zelf in het evaluatiedossier had moeten steken; XII-3739-4/15 Overwegende dat een functioneringsgesprek waarvan sprake in punt 4 van het beroepsschrift slechts kan plaatsvinden in aanwezigheid van het departementshoofd en de opleidingsverantwoordelijke; Dat het college van beroep op grond van het getuigenverhoor niet kan bevestigen, noch ontkennen dat er sprake was van een ‘verhoor’; Overwegende dat het functioneringsgesprek d.d. 27 mei 2002 effectief bestaat en het blijkbaar in bezit was van de heer Mestdagh zelf, Dat dit stuk dan ook werd overhandigd op de zitting d.d. 27 november 2002; Overwegende dat, met betrekking tot punt 5 van het beroepsschrift, de appreciatie van de vakbekwaamheid van de heer Mestdagh binnen zijn vakgebied niet werd betwist en daarenboven gehonoreerd werd met drie maal ‘goed’ en twee maal ‘voldoende’ in de evaluatie d.d. 22 augustus 2002; Dat de door de heer Mestdagh opgeroepen getuigen uit zijn opleidingsdomein (GRV), grotendeels door hem zelf gecontacteerd, niet eensgezind over dit punt oordeelden; Overwegende dat het met betrekking tot bovenvermeld getuigenverhoor opmerkelijk is dat meester Crabeels voortdurend refereerde naar de brief van mevrouw Degraeve van 1999, waarvan achteraf bleek dat hij nooit bestaan heeft en die gebruikt werd om de evaluatie van 1999 in twijfel te trekken. Dat deze brief echter niets terzake doet voor de evaluatie van 2002, aangezien de vorige evaluatieperiode definitief is afgesloten”. Deze beslissing wordt door verzoeker bestreden met het thans voorliggende annulatieberoep. 1.
- Op 15 maart 2004 wordt verzoeker opnieuw geëvalueerd door de technische commissie en op haar advies kent het departementshoofd de evaluatie “onvoldoende” toe. Verzoeker tekent beroep aan. Op 24 juni 2004 neemt het college van beroep in overweging dat er essentiële, door de evaluatieregeling voorgeschreven stukken ontbreken in het evaluatiedossier, namelijk het functioneringsgesprek en de studentenenquêtes, en beslist het college dat het document eindevaluatie van 15 maart 2004 “als onbestaand wordt beschouwd”, “dat de referteperiode verlengd moet worden tot 19 september 2004” en “dat een nieuwe evaluatieprocedure op grond van het evaluatiedossier moet afgerond worden vóór 25 september 2004”. Op 23 augustus 2004 vindt een functioneringsgesprek plaats tussen verzoeker en zijn opleidingshoofd, in aanwezigheid van het departements- hoofd. Op 21 september 2004 verschijnt verzoeker voor de technische commissie die nogmaals een evaluatie “onvoldoende” voorstelt. Het departements- hoofd onderschrijft het advies en kent de onvoldoende toe. XII-3739-5/15 Verzoeker gaat in beroep, maar op 21 december 2004 beslist het college van beroep om de evaluatie “onvoldoende” te bevestigen. Ook tegen deze tweede evaluatiebeslissing stelt verzoeker een annulatieberoep in, gekend onder rolnummer A. 160.387/XII-
- Een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan wordt verworpen bij arrest nr. 150.625 van 25 oktober 2005; de zaak is momenteel bij het auditoraat voor onderzoek ten gronde. 1.
- Het directiecomité van de Provinciale Hogeschool Limburg neemt op 1 februari 2005 akte van de twee evaluaties “onvoldoende” en verklaart zich akkoord “met de definitieve ambtsneerlegging op basis van artikel 93 § 2 van het decreet van 13 juli 1994 met ingang van 1 februari 2005”. Ook die beslissing vormt het voorwerp van een vernietigingsberoep, gekend onder rolnummer A. 161.522/XII-4424, dat thans voor onderzoek ten gronde bij het auditoraat berust nadat de vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging is verworpen door de Raad van State bij arrest nr. 150.863 van 27 oktober
- 1.
- Vanaf 1 maart 2007 wordt aan verzoeker door de pensioendienst voor de overheidssector een rustpensioen toegekend. De periode van 1 februari 2005 tot 31 januari 2007 komt niet in aanmerking voor zijn pensioen als aanneembare dienst omdat hij gedurende die periode tijdelijk tewerkgesteld werd. De ontvankelijkheid
- Verwerende partij leidt uit de oppensioenstelling van verzoeker af dat hij geen actueel belang meer kan doen gelden in de procedure tot nietigverklaring. Uit het schrijven van de pensioendienst, dat verwerende partij ter ondersteuning van haar stelling overlegt, blijkt evenwel dat de periode van 1 februari 2005 tot 31 januari 2007 niet in aanmerking komt als “aanneembare dienst” voor de vaststelling van het pensioen, omdat verzoeker gedurende die periode tijdelijk tewerkgesteld werd. Nu is die tijdelijke tewerkstelling precies het gevolg van zijn in de zaak A. 161.522 bestreden ontslag. Dat ontslag op zijn beurt, vloeit dan weer voort uit de twee opeenvolgende negatieve evaluaties die aan verzoeker werden toegekend. Mocht blijken dat ten minste één van die evaluaties onwettig is, XII-3739-6/15 dan vervalt de grondslag voor het aan verzoeker gegeven ontslag. De inwilliging van de door verzoeker gevorderde nietigverklaring van de beslissing van het college van beroep dwingt de verwerende partij er toe, rekening houdende met de gronden van het vernietigingsarrest, zich opnieuw uit te spreken over het bezwaar van verzoeker tegen zijn evaluatie. Het biedt verzoeker dan ook perspectief, geacht te moeten worden steeds vast benoemd te zijn gebleven en, bijgevolg, op een aanpassing van zijn pensioen. De exceptie gaat niet op.
- Reeds in de memorie van antwoord wierp verwerende partij op dat verzoeker zonder belang was, omdat hij -toen- nog slechts éénmaal een evaluatie “onvoldoende” heeft gekregen. Terecht evenwel wijst verzoeker op het bepaalde in artikel 93, § 2, 2/, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna: het hogescholendecreet). Luidens die bepaling geeft het gegeven dat een personeelslid voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft gedurende twee opeenvolgende academiejaren negatief wordt geëvalueerd, of vijf maal in zijn of haar loopbaan binnen de hogeschool, aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging. Zelfs al betreft het hier nog de eerste evaluatie “onvoldoende” van verzoeker, kan hem niet het belang worden ontzegd met het voorliggende beroep na te streven dat die teller niet begint te lopen. De grond van de zaak Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel
- Als eerste vernietigingsgrond voert verzoeker de schending aan van artikel 77, § 3, tweede lid, van het hogescholendecreet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat het college van beroep, dat de bestreden beslissing nam, onder verwijzing naar artikel 23 van Protocol nummer 45 van 20 juni 2000 houdende de evaluatieregeling voor het onderwijzend personeel van de Provinciale Hogeschool Limburg (hierna Protocol nr. 45) slechts was samengesteld uit drie van haar vijf effectieve leden, zoals benoemd in het Protocol nummer 53 houdende de aanpassing van de samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie (hierna Protocol nr. 53). XII-3739-7/15 Terwijl het Hogescholendecreet, met betrekking tot de rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen, in artikel 77, §3, lid 2 voorziet dat het hogeschoolbestuur een college van beroep inzake evaluatie opricht, dat bestaat uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, al dan niet personeelsleden van de hogeschool. En Terwijl artikel 23 van Protocol nr. 45, dat stelt dat het college van beroep enkel dan rechtsgeldig zetelt wanneer tenminste drie effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig zijn, bij toepassing van artikel 159 Grondwet buiten beschouwing moet worden gelaten, gezien strijdig met artikel 77, §3, lid 2 Hogescholendecreet. En Terwijl het college van beroep door haar te beperkt aantal leden, namelijk drie in plaats van vijf, niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag legde bij het uitoefenen van haar plicht om in beroep nogmaals te oordelen over de aan verzoekende partij toegekende evaluatie ‘onvoldoende’”. Beoordeling
- Het aangevoerde artikel 77, § 3, tweede lid, van het hogescholendecreet schrijft voor dat het college van beroep uit vijf leden moet bestaan : “Het hogeschoolbestuur richt een college van beroep inzake evaluatie op. Dit college bestaat uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, al dan niet personeelsleden van de hogeschool. Zij worden aangeduid voor een termijn van vier jaar door het hogeschoolbestuur, waarbij het hogeschoolonderhandelings- comité moet instemmen met drie van de vijf leden en drie van de vijf plaatsvervangende leden. Personeelsleden die betrokken waren bij de evaluatie die aanleiding gegeven heeft tot het aantekenen van het beroep, kunnen geen zitting hebben in het college van beroep”.
- Er wordt niet betwist dat de bestreden beslissing door het college van beroep is getroffen, waarbij slechts drie leden aan de beraadslaging hebben deelgenomen. Nergens wordt door de decreetgever uitdrukkelijk bepaald wat het aanwezigheidsquorum is voor dit college om rechtsgeldig te kunnen beraadslagen en te beslissen. Alleszins legt de geciteerde, noch enige andere bepaling van het hogescholendecreet op dat dit college steeds voltallig moet vergaderen ten einde rechtsgeldig te kunnen beraadslagen en beslissen. Artikel 77, § 1, van hetzelfde decreet draagt evenwel aan het hogeschoolbestuur op om de evaluatieregeling vast te stellen, “met inbegrip van de evaluatieprocedure en de werking van het college van beroep inzake evaluatie”. Zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld, onder meer in zijn arresten Chaou, nr. 53.347 van 18 mei 1995, Balleux, nr. 178.020 van 18 december 2007 en Vanhoutte, nr. 185.145 van 3 juli 2008, dient bij gebrek aan XII-3739-8/15 andersluidende vermelding te worden uitgegaan van de gemeenrechtelijke regel dat een collegiaal orgaan slechts geldig beraadslaagt en besluit als meer dan de helft van de leden ervan aanwezig is. Door te bepalen dat het vijfkoppig college van beroep slechts geldig kan beraadslagen indien ten minste drie van zijn leden, dus meer dan de helft, aanwezig is, heeft het hogeschoolbestuur niet afgeweken van de samenstelling van dat college maar enkel die gemeenrechtelijke regel in herinnering gebracht. Het buiten toepassing laten van deze bepaling uit de evaluatieregeling zou verzoeker geen voordeel opleveren, overigens, aangezien alsdan precies toepassing te maken is van de reeds gememoreerde gemeenrechtelijke bepaling om na te gaan of het college van beroep rechtsgeldig kon beraadslagen en beslissen. Verzoeker beweert in de nadere toelichting van zijn middel nog dat het decretale voorschrift over de instemming van het hogeschool- onderhandelingscomité opzij geschoven werd en een beslissing genomen is die niet de steun krijgt van het hogeschoolonderhandelingscomité. Deze grief mist feitelijke grondslag. Immers, uit de neergelegde stukken blijkt dat de bedoelde drie leden -overigens, álle leden- wel degelijk aangesteld werden met instemming van het hogeschoolonderhandelingscomité. Het middel is ongegrond. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 7.
- Het tweede middel is geput uit de schending van “de plicht tot motivering der bestuurshandelingen” als bedoeld in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat het college van beroep in de bestreden beslissing enerzijds stelt dat de bemerkingen in het verweerschrift van verzoekende partij dd. 8 januari 2003, met betrekking tot de evaluatie van 1999, niet dienend zijn voor de evaluatie van 2002, aangezien de vorige evaluatieperiode definitief is afgesloten, doch anderzijds haar beslissing uitdrukkelijk motiveert middels verwijzing naar de evaluatie van 13 oktober 1999, die bovendien onwettig is en in huidige procedure buiten beschouwing moet worden gelaten; dat dergelijke motivering niet afdoende is, onder meer gezien dit een tegenstrijdige motivering uitmaakt. En doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat het college van beroep is overgegaan tot de herevaluatie van -minstens- de criteria waarbij de technische commissie verzoekende partij een onvoldoende gaf, hetgeen XII-3739-9/15 nochtans werd gevraagd in het verweerschrift van verzoekende partij dd. 8 januari 2003, gezien de -negatieve- beoordeling van voormelde criteria een determinerend motief is voor de eindevaluatie ‘onvoldoende’, en aldus voor het bestreden besluit; dat ook uit dit gegeven blijkt dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd en niet met de nodige zorgvuldigheid werd genomen. Terwijl, eerste onderdeel, het college van beroep ofwel de argumentatie van verzoekende partij tegen haar eerdere evaluatie van 1999 gemotiveerd moet tegemoetkomen of weerleggen, indien ze bij haar beoordeling in beroep rekening wil houden met die voorgaande evaluatie van 1999, ofwel geen rekening mag houden met de evaluatie van 1999, omdat die eerdere evaluatie niets terzake doet voor de huidige evaluatie van 2002; dat het college van beroep de bestreden beslissing niet eerst kan steunen op de evaluatie van 1999, om vervolgens, in dezelfde beslissing, bij de weerlegging van het argument van verzoekende partij dat deze evaluatie van 1999 onvolkomen, arbitrair en onjuist is, te motiveren dat dit argument niet dienend is en geen invloed heeft op de huidige evaluatieprocedure, gezien de vorige evaluatieperiode definitief is afgesloten. En terwijl de evaluatie van 13 oktober 1999 bovendien onvolledig, niet gemotiveerd en derhalve onwettig is, zodat er bij de evaluatie van 2002 geen rekening mee mocht worden gehouden; dat in andersluidend geval een afdoende motivering vereist dat wanneer een beroepsorgaan zich baseert op een door verzoekende partij in haar verweerschrift gecontesteerd document, in deze de evaluatie van 1999, alleszins wordt ingegaan op deze betwisting en wordt gemotiveerd waarom dit betwiste document toch in aanmerking kan/wordt genomen; dat het college van beroep de argumentatie van verzoekende partij in het verweerschrift, met betrekking tot de evaluatie van 1999, niet daadwerkelijk in de bestreden beslissing betrekt, zodat uit deze beslissing niet kan worden afgeleid waarom het college van beroep oordeelde dat wel degelijk rekening kon worden gehouden met de evaluatie van
- En terwijl, tweede onderdeel, een afdoende motivering vereist dat uit de bestreden beslissing van het college van beroep blijkt dat laatstgenoemde voldoende is tegemoetkomen aan de belangrijke elementen in de argumentatie in het verweerschrift van verzoekende partij, waaronder met name en vooral de vraag tot herbeoordeling van de verschillende criteria, die beslissend zijn bij de definitieve evaluatie; dat in deze nergens uit blijkt dat de bestreden beslissing duidelijk en omstandig weergeeft welke redenen haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de door verzoekende partij in haar verweerschrift, in beroep, gevraagde herevaluatie van de criteria niet is gebeurd. En terwijl het college van beroep bij haar besluitvorming zorgvuldig te werk dient te gaan bij de voorbereiding van de beslissing, zeker wanneer deze beslissing verregaande gevolgen heeft voor de geadresseerde, in deze onmiddellijke implicaties bij toekomstige bevorderingen en de mogelijkheid van definitieve ambtsneerlegging binnen het jaar; dat verzoekende partij subsidiair opmerkt dat een verplicht stuk niet in het dossier lijkt te zijn gevoegd”. Over het tweede middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat een nieuwe beoordeling door het college van beroep slechts op een zorgvuldige manier kon gebeuren wanneer het zelf nagaat of de beoordeling van de tien evaluatiecriteria, en meer bepaald de drie onvoldoendes, al dan niet correct is verlopen. Volgens verzoeker blijkt nergens uit de bestreden beslissing “waaruit kan XII-3739-10/15 worden afgeleid waarom het college van beroep oordeelde dat de argumenten van verzoekende partij met betrekking tot de drie partiële onvoldoendes op de respectievelijke criteria 6, 9 en 10 niet kunnen worden gevolgd”. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker er nog aan toe, betreffende het eerste middelonderdeel, dat hij tegen zijn evaluatie van 1999 geen beroep kon instellen, omdat ze globaal eindigde met “voldoende”, dat evenwel artikel 77, § 5, van het hogescholendecreet in zulk een geval toestaat dat het betrokken personeelslid schriftelijk mag reageren op zijn evaluatie welke dan aan het evaluatiedossier toegevoegd moet worden, dat zijn verweerschrift bij het college van beroep van 8 januari 2003 als een schriftelijke reactie conform voormeld artikel 77, § 5, moet worden gezien en dat het college van beroep daarover diende te oordelen. Verzoeker verwijt ook andermaal het college van beroep dat het bij zijn beoordeling vertrekt van het gegeven dat er voor drie criteria een onvoldoende werd toegekend in eerste aanleg, zonder zelf na te gaan of deze onvoldoendes al dan niet terecht waren toegekend, rekening houdend met het evaluatiedossier en de argumenten van zijn verweerschrift. 7.
- Verwerende partij noemt in de memorie van antwoord het tweede middelonderdeel manifest ongegrond, omdat het de schending van de formele- motiveringsplicht inroept tegen het voorstel van de technische commissie en het departementshoofd, wat voorbereidende handelingen zijn. Na kennisneming van het voor haar negatief uitvallend auditoraatsverslag, stelt verwerende partij in haar laatste memorie de in haar memorie van antwoord ontwikkelde argumentatie te handhaven. Zij voegt daar aan toe dat de overweging van het college van beroep “dat de elementen van het dossier, de inhoud van de verweerschriften, de verklaringen van de getuigen en het persisteren van het tekort op de dimensies 9 en 10 evenwel aantonen dat deze onvoldoendes als ernstige, zware onvoldoendes mogen worden getypeerd en aldus mogen wegen op het eindoordeel” geen loutere overweging is, nu er uitdrukkelijk een oordeel in wordt verwerkt over de ernst van de tekortkomingen. De onvoldoendes zijn voor de bestreden beslissing “ernstige, zware onvoldoendes”, wat volgens haar impliceert dat er een beoordeling is en aan deze beoordeling een gevolg wordt gegeven; het betreft dan ook geen loutere stijlformule. XII-3739-11/15 Beoordeling
- De voor de bestreden beslissing toepasselijke evaluatieregeling -het protocol nr. 45- dateert van 20 juni 2000, en is dus van een latere datum dan de evaluatie van 13 oktober
- Welke evaluatieregeling toen van toepassing was wordt door de partijen in het ongewisse gelaten. Alleszins evenwel verwijst verzoeker terecht naar artikel 77, § 5, van het hogescholendecreet dat hem ook toentertijd de waarborg bood dat hij in geval van een evaluatie die niet met “onvoldoende” besloot, zijn schriftelijke reactie mocht toevoegen aan het dossier. Dit heeft verzoeker eertijds niet gedaan. Hij heeft enkel op 19 oktober 1999 die evaluatie ondertekend “voor kennisname”. Nog daargelaten of toentertijd een intern beroep of een beroep in rechte tegen de evaluatie al dan niet open stond, welke beroepen verzoeker dan niet heeft ingesteld, heeft verwerende partij terecht vastgesteld dat de evaluatie van 1999 betrekking had op een afgesloten evaluatieperiode én dat ze definitief is geworden. Noch de formele- motiveringsplicht noch het zorgvuldigheidsvereiste vereisen dan dat zij alsnog zou moeten antwoorden op meer dan drie jaar later geformuleerde grieven tegen de inhoud van die evaluatie. Bij ontstentenis van een tijdig in het dossier toegevoegde schriftelijke reactie vanwege verzoeker is verwerende partij niet met zichzelf in tegenspraak als zij vervolgens refereert aan die definitief en onaantastbaar geworden evaluatie, om de evaluatie van het presteren van verzoeker in de thans bestreken evaluatieperiode te vergelijken met zijn toenmalige presteren. Kortom, verzoeker mag thans niet meer de wettigheid van de evaluatie van 1999 in vraag stellen en verwerende partij mag die evaluatie in haar beoordeling betrekken als toetssteen om de evolutie van verzoekers presteren te beoordelen en, met name, om na te gaan of verzoeker de reeds eerder vastgestelde tekortkomingen tijdens zijn huidige evaluatieperiode heeft kunnen verbeteren of wegwerken. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
- De door de decreetgever gewaarborgde mogelijkheid om tegen een negatieve evaluatie beroep in te stellen bij een college van beroep, vormt een georganiseerd administratief beroep. XII-3739-12/15 Verzoeker heeft daarvan gebruik gemaakt en een bezwaar ingediend waarin hij de sub 1.
- overgeschreven vijf grieven formuleert. In de bestreden beslissing antwoordt het college van beroep op elk van die vijf grieven. In zijn verzoekschrift bij de Raad van State gaat verzoeker niet meer concreet in op al die vijf grieven en het er op gegeven antwoord. Hij argumenteert enkel dat het college van beroep de volledige evaluatie had moeten overdoen, minstens wat de toegekende onvoldoendes betreft en dat het college van beroep niet adequaat heeft geantwoord op zijn bezwaren met betrekking tot de hem toegekende onvoldoendes voor de criteria 6, 9 en
- De Raad van State stelt vast dat het bezwaarschrift van verzoeker bij het college van beroep op dat vlak vrij summier genoemd mag worden. Enkel punt 2 ervan gaat enigszins in op de beoordeling van “leiderschap, collegialiteit en betrokkenheid” -wat een samentrekking lijkt van het criterium 6 (inzet en betrokkenheid) en het criterium 9 (relaties : leiderschap accepteren, collegialiteit en samenwerking, zelf leiderschap opnemen). Daartegenover evenwel staat de vaststelling dat verzoeker na inzage van het volledige dossier en na het getuigenverhoor bij wege van zijn raadsman op 8 januari 2003 een zeer omstandige conclusie heeft neergelegd waarin hij zich puntsgewijze verweert tegen de ongewettigde afwezigheden die hem worden aangewreven om de onvoldoende voor “inzet en betrokkenheid” te verantwoorden en waarin hij ook uitgebreid ingaat op de diverse klachten van zijn collega’s die hebben geleid tot de onvoldoende voor “collegialiteit en samenwerking”. Uit die conclusies van de raadsman blijkt dat verzoeker zeer wel op de hoogte is waarom hem in eerste instantie een “onvoldoende” werd toegekend. De formele-motiveringsplicht wordt in zoverre niet dienstig aangevoerd. Uit het antwoord van het college van beroep valt evenwel niet op te maken of en hoe aandacht is gegeven aan de argumentatie van verzoeker in zijn conclusies. Een georganiseerd beroep is echter maar zinvol indien de bezwaren van betrokkene door het beroepsorgaan in de beoordeling werden betrokken; verzoeker moet uit de beslissing kunnen vernemen waarom deze bezwaren het bestuur niet konden overtuigen om een andere beslissing te nemen. De Raad van State volgt verzoeker niet zo ver dat het enkele instellen van het beroep ipso facto meebrengt dat het XII-3739-13/15 college van beroep een nieuwe, autonome evaluatie moet organiseren, zelfs indien geen enkel van de aangebrachte grieven kan overtuigen. Wel mocht verzoeker van het college van beroep verwachten dat het formeel veruitwendigt waarom de door verzoeker verdedigde stellingen niet worden aangenomen. De referentie in de bestreden beslissing aan “de elementen van het dossier, de inhoud van de verweerschriften [bedoeld is niet het verweerschrift van verzoeker, maar de verweerschriften van de technische commissie en van het departementshoofd], de verklaringen van de getuigen en het persisteren van het tekort” staat in schril contrast met de zeer gedetailleerde verdediging die verzoeker op basis van het dossier en de getuigenverklaringen had opgebouwd, en volstaat in die omstandigheden niet voor wat van een zorgvuldig optreden bestuur als formele motivering mag worden verwacht. Het tweede middelonderdeel is in die mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 13 januari 2003 waarbij het college van beroep van de Provinciale Hogeschool Limburg beslist om de aan Luc Mestdagh toegekende evaluatie “onvoldoende” te handhaven. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3739-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3739-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.755 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.