← België

Arrest 187758 - Milieuvergunningen - 06/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.758 Rolnummer: A. 100686/VII-23191 Zaak: Arrest 187758 - Milieuvergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.758 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.758 van 6 november 2008 in de zaak A. 100.686/VII-23.191. In zake : de NV DEPRIESTER ALGEMENE ONDERNEMINGEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. DECORDIER, kantoor houdende te OOSTAKKER-GENT, Harlekijnstraat 9 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : Hendrik RAEVENS, die woonplaats kiest bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DEPRIESTER ALGEMENE ONDERNEMINGEN op 20 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 21 december 2000 waarbij het beroep ingesteld door de verzoekende partij tegen de stilzwijgende weigering door het college van burge- meester en schepenen van de gemeente Kluisbergen van 2 juli 2000 van de milieuvergunning voor het exploiteren van een aannemersbedrijf, gelegen aan de Zulzekestraat 65 te Kluisbergen, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 97.220 van 28 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-23.191-1/11 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 september 2001 ingediend door Hendrik RAEVENS; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2001 die de tussenkomst van Hendrik RAEVENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 14 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. BRACKE die, loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris-jurist Chr. WILLE die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Gw. VERMEIRE die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-23.191-2/11 1.1. De verzoekende partij exploiteert een loonwerk- en aannemersbe- drijf in de gemeente Kluisbergen, gedeeltelijk gelegen in woongebied met landelijk karakter en gedeeltelijk gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Aanvankelijk betrof het een loonwerkbedrijf met enkel landbouw- activiteiten, maar geleidelijk aan werden de activiteiten uitgebreid met grond-, bouw- en zoutstrooiwerken. Hendrik RAEVENS, de tussenkomende partij, woont naast de inrichting. 1.2. Op 17 september 1992 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen akte van de op 14 september 1992 gedane melding van een overdekte standplaats voor minder dan 25 bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens (klasse 3). Op 28 januari 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen een klasse 2- milieuvergunning, voor een termijn van vijf jaar, voor : - opslag en sorteren van teelaarde (maximum 1.000 m³), ijzer (maximum 5.000

  1. kg)en steenafval (maximum 500 m³); - mazouttank van 20.000 liter (landbouwmachines); - dieseltank van 8.000 liter (camions). 1.3. Na het verstrijken van voornoemde vergunning onderneemt de verzoekende partij een reeks pogingen om opnieuw vergund te geraken voor een ruimer voorwerp. 1.3.1. Eerste vergunningsaanvraag. Op 8 januari 1998 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de verdere exploitatie. Op 25 mei 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen een klasse 2-milieuvergunning voor : "Algemene onderneming: loonwerken, grond- en afbraakwerken met volgende rubrieken: 3.6.1 lozen van max. 40 m²/jaar huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering via een septische put 3.6.2.1 lozen van max. 60 m²/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van het wassen van voertuigen en tankplaats voertuigen via een KWS-afscheider 15.1 al- of niet overdekte standplaats voor autovoertuigen en/of aanhang- wagens, andere dan personenwagens (35 stuks) 15.2 werkplaats voor het herstellen van motorvoertuigen VII-23.191-3/11 15.4.1 wasplaats voor eigen bedrijfsvoertuigen (minder dan 10 stuks en hun aanhangwagens per dag) 16.3.2.1 compressor 5,5 kW 16.7.1 1.000 liter gas in diverse recipiënten 17.3.3.1 400 l koelvloeistof 17.3.5.1 bovengrondse tank met 1.000 l petrol voor verwarming 17.3.6.2 20.000 liter mazout en 20.000 liter diesel in bovengrondse houders 17.3.7.1 3.370 l nieuwe olie (in vaten en bovengrondse houder van 1.200 liter) + 1.000 liter afvalolie in bovengrondse houder 17.3.9.2 brandstofverdeelinstallatie met maximaal 1 verdeelpomp 29.5.2.2 diverse metaalbewerkingsmachines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 12 kW 50 opslag van maximaal 100 ton strooizout". De vergunning voor rubriek 2.2.1.c.1, opslag en sorteren van niet gevaarlijke afvalstoffen, wordt geweigerd. De vergunning wordt verleend voor een termijn van drie jaar, tot 25 mei 2001, met het oog op herlokalisatie van de activiteiten die geen verband houden met de landbouwloonwerken (vervoer, grond- en afbraakwerken, strooidien- sten). Na het beroep ingesteld door de tussenkomende partij en de VZW STICHTING OMER WATTEZ, wordt de vergunning op 8 oktober 1998 geweigerd door de verwerende partij. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 81.521/VII-17.490. 1.3.2. Tweede vergunningsaanvraag. Op 5 februari 1999 dient de verzoekende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in, met hetzelfde voorwerp. De vergunning wordt eerst stilzwijgend geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen. Op 9 december 1999 weigert na beroep ook de verwerende partij de gevraagde vergunning. Een vordering tot schorsing vanwege de verzoekende partij is door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 87.979 van 15 juni 2000, omdat het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet wordt aanvaard. Het annulatieberoep wordt, bij toepassing van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wegens gebrek aan belang verworpen bij arrest nr. 103.334 van 7 februari 2002. 1.3.3. Derde vergunningsaanvraag. Op 21 maart 2000, dus nog voor de uitspraak over de vordering tot schorsing van de weigering van de tweede vergunningsaanvraag, dient de verzoekende partij een derde aanvraag in met hetzelfde voorwerp. VII-23.191-4/11 Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen verklaart zich onbevoegd omdat het om een inrichting klasse 1 zou gaan : de inrichting zou in werkelijkheid niet over één, maar wel over twee verdeelinstallaties voor motorbrandstof beschikken. De verzoekende partij tekent administratief beroep aan tegen wat zij als een stilzwijgende weigering beschouwt. Op 21 december 2000 wordt het beroep door de verwerende partij verworpen en wordt de vergunning geweigerd. Dit is het thans bestreden besluit. 1.3.4. Vierde vergunningsaanvraag. Op 28 februari 2001 dient de verzoekende partij een vierde vergunningsaanvraag in. De aanvraag bevat niet langer de opslag van 1.000 liter gassen in verschillende recipiënten en de opslag van strooizout, maar heeft voor het overige opnieuw hetzelfde voorwerp. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen laat opnieuw de beslissingstermijn verstrijken, waardoor de vergunning stilzwijgend wordt geweigerd. Hiertegen tekent de verzoekende partij administratief beroep aan. De verwerende partij verleent op 29 november 2001 een vergunning voor een termijn op proef van twee jaar. Tegen deze vergunning dient de tussenkomende partij zowel een vordering tot schorsing als een annulatieberoep in. Deze zaak is gekend onder A. 116.646/VII-25.716. De voornoemde proefvergunning wordt evenwel op 18 juli 2002 door de verwerende partij ingetrokken. Deze intrekking wordt op haar beurt ook aangevochten. Deze zaak is gekend onder A. 127.021/VII-27.900. De vordering tot schorsing wordt bij arrest van de Raad van State nr. 115.910 van 13 februari 2003 verworpen, andermaal omdat het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet wordt aanvaard. 1.3.5. Vijfde vergunningsaanvraag. Echter, op 5 juli 2001, nog vóór haar administratief beroep tegen de stilzwijgende weigering van de vierde aanvraag, heeft de verzoekende partij een vijfde aanvraag ingediend, waarvan het voorwerp identiek is aan dat van de vierde aanvraag. Op 12 oktober 2001, nog vóór de verwerende partij een vergunning op proef heeft verleend ingevolge de vierde aanvraag, verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen een vergunning voor een termijn op proef van twee jaar, tot 12 oktober 2003. VII-23.191-5/11 De tussenkomende partij tekent beroep aan tegen deze vergun- ning, tengevolge waarvan de verwerende partij op 21 februari 2002 de vergunning weigert. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 120.341/VII-26.468. De vordering tot schorsing wordt bij arrest van de Raad van State nr. 115.910 van 13 februari 2003 verworpen, andermaal omdat het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet wordt aanvaard. 1.3.6. Zesde vergunningsaanvraag. Op 3 september 2002 dient de verzoekende partij een zesde vergunningsaanvraag in. Op 2 december 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen een milieuvergunning, gedeeltelijk voor een termijn tot 30 juni 2003 en gedeeltelijk voor een termijn op proef voor twee jaar. Er wordt administratief beroep aangetekend door de tussenkomen- de partij en de VZW STICHTING OMER WATTEZ. Op 12 juni 2003 weigert de verwerende partij de vergunning. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 140.136/VII-30.462; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat het bevoegde lid van het auditoraat met een brief van 6 oktober 2004 aan de raadsman van de verzoekende partij heeft gevraagd om, gelet op de snelle opeenvolging van milieuvergunningsaanvragen en op de wijzigingen in de bedrijfsvoering, duidelijkheid te verschaffen over het voorwerp van elk van de afzonderlijke, opeenvolgende milieuvergunningsaanvragen en het actueel belang inzake elk van de voornoemde ingestelde annulatieberoepen; 2.2. Overwegende dat met een brief van 24 november 2004 de raadsman van de verzoekende partij als volgt antwoordt : "(...) Het belang van de N.V. Depriester bij de behandeling (van
  2. de)annulatiever- zoeken is in elk geval aanwezig. Vooreerst kan erop gewezen worden dat de opeenvolgende milieuvergun- ningsaanvragen niet hetzelfde voorwerp hebben. (...) Wat de annulatieverzoeken betreft gekend onder G/A 81.521/VII-17.490 en G/A 100.686/VII-23.191 (...), zou in principe kunnen gesteld dat het belang opgeslorpt kan zijn door de drie later ingediende annulatieverzoeken, en dit op VII-23.191-6/11 voorwaarde uiteraard dat deze drie latere annulatieverzoeken ten gronde behandeld worden. Er is evenwel een nieuw aspect, dat aantoont dat de door de Administratie gehanteerde geluidsnormen in casu niet toepasselijk zijn, en het annulatiever- zoek van de N.V. Depriester gegrond is. (...) De beslissingen tot weigering van de milieuvergunningsaanvragen zijn immers strijdig met de vigerende wetgeving, gezien deze beslissingen er telkens vanuit gaan dat de Vlarem-geluidsnormen van toepassing zijn op landbouw- en loonwerkondernemingen. Dit is niet het geval, en de overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen druisen in tegen de bepalingen van Vlarem I en II om de volgende redenen: - Sub deel 3, artikel 3.1.1 § 1 van Vlarem II is expliciet bepaald dat de bepalingen van de delen 3, 4 en 5 van Vlarem II enkel van toepassing zijn op de 'ingedeelde inrichtingen'; - Onder artikel 1.1.2, definities, bepaalt Vlarem II wat onder ingedeelde inrichtingen moet worden verstaan: 'Elke inrichting die meldings- of vergunningsplichtig is krachtens het decreet betreffende de milieuvergunning en die vermeld is op de bijlage 1 bij Titel I van het Vlarem gevoegde lijst'; Sub bijlage 1 bij titel I van het Vlarem gevoegde lijst, komen landbouwin- richtingen en landbouwloonwerkbedrijven niet voor, zodat dergelijke bedrijven niet als 'ingedeelde inrichtingen' kunnen beschouwd worden. Bijgevolg zijn de geluidsnormen van Vlarem II niet toepasselijk op dergelijke bedrijven; (...) De Vlarem-geluidsnormen worden gedefinieerd in artikel 4.5.1.1, §2, deel 4 van Vlarem II; De artikelen 4.5.2.1 en 4.5.2.2 van Vlarem II bepalen uitdrukkelijk dat de geluidsnormen slechts gelden als richtwaarden waaraan het geluid van een inrichting wordt getoetst; Uit bijlage 4.5.5 van Vlarem II (richtwaarden voor fluctuerend, incidenteel, impulsachtig en intermitterend geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen) volgt bovendien dat deze richtwaarden hoe dan ook niet van toepassing zijn op het in- en uitgaand wegverkeer. Dit laatste impliceert dat, zelfs wanneer het zou gaan om een ingedeelde inrichting, in casu quod non, het geluid van het in- en uitgaande wegverkeer - zijnde alle voertuigen die vanaf de openbare weg het bedrijfsterrein oprijden of omgekeerd - niet onder de toepassing valt van de richtwaarden van deze bijlage 4.5.5. (...) Het bovenstaande maakte het voorwerp uit van een recente parlementaire vraag nr. 42, ingediend op 24 september 2004 door kamerlid Erik Matthijs. In zijn antwoord op deze parlementaire vraag, bevestigde de Vlaamse Minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, dat de Vlarem-geluidsnormen niet toepasselijk zijn op landbouw- en loonwerk- bedrijven, noch op in- en uitgaand verkeer. Ik voeg de parlementaire vraag en het ministerieel antwoord in bijlage bij dit schrijven (bijlage 1). (...) Uit het geheel van deze elementen blijkt dat de N.V. Depriester ruim onder de ter zake vigerende geluidsnormen blijft, meer bepaald onder de toegestane maximale geluidsniveaus van landbouwvoertuigen, die op geharmoniseerde wijze zijn gereglementeerd door de EG richtlijn 2003/37/EEG van 26.05.2003. VII-23.191-7/11 De richtlijn verwijst naar de EG richtlijn 74/151/EEG van 04.03.1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, volgens dewelke het geluidsniveau van bedoelde trekkers meer dan 89 dB (A) voor trekkers met een leeg gewicht van meer dan 1,5 ton, en 85 dB (A) voor trekkers met een leeg gewicht van niet meer dan 1,5 ton, niet mag overschrijden. Uit het proces-verbaal van 09.06.1999 van de technische controle op geluidshinder van het Bestuur Milieu-inspectie Oost-Vlaanderen blijkt dat de N.V. Depriester op geen enkele wijze deze geluidsnormen benadert, laat staan overschrijdt. Ik meen dat het proces-verbaal in het administratief dossier steekt maar voeg dit voor zoveel als nodig nogmaals sub bijlage 2. (...) In de gegeven omstandigheden zijn de annulatieverzoeken door de N.V. Depriester ingediend, wel degelijk pertinent en heeft de N.V. Depriester nog alle belang bij de behandeling ten gronde van deze annulatieverzoeken - ook van de annulatieverzoeken gekend onder G/A 81.521/VII-17.490 en G/A 100.686/VII-23.191. De gegrondverklaring van deze annulatieverzoeken impliceert dat de administratieve overheid niet meer zou kunnen besluiten tot een weigering op grond van deze niet-toepasselijke geluidsnormen. (...)"; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie het volgende stelt : "(...) Het vereist(
  3. e)belang. Een particulier moet een persoonlijk belang aantonen, wat impliceert dat de verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt, en dat de nietigverklaring hem een direct en persoonlijk voordeel (hoe miniem ook) verschaft. De rechtsprekende functie impliceert rechtsherstel. Rechtsherstel betekent zowel herstel van een objectieve regel als herstel van de subjectieve rechten die de keerzijde vormen van de regel. Handhaving van het objectieve recht betekent per definitie herstel van de geschonden subjectieve rechten die het betrokken rechtssubject aan dat objectieve recht ontleent, en omgekeerd. Voor de Raad van State - in tegenstelling tot het rechtsherstel voor de gewone rechter - moet de verzoeker aantonen dat hij baat heeft bij de specifieke vorm van het rechtsherstel door de vernietiging van de onrechtmatige overheidshandeling. (...) Geen verzaking. Verzaking dient overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie strikt geïnterpreteerd te worden, en kan slechts afgeleid worden uit feiten welke voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Verzaking kan niet worden vermoed. In deze is er geen verzaking, zeker niet in het geval van de eerste, derde en vijfde bestreden beslissingen ( zaken G/A 81.521, 120.341 en 140.136), waar het telkens een aan verzoekster verleende vergunning betrof die in graad van beroep door verweerder werd ingetrokken. In deze kan er evenmin verzaking vermoed worden inzake de vierde bestreden beslissing (G/A 127.021), waarbij een eerder verleende vergunning door verweerder, amper enkele maanden later met miskenning van alle rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur, wordt ingetrokken. VII-23.191-8/11 In deze betreft het dus een annulatieverzoek tegen beslissingen, waarbij aan verzoekster de milieuvergunning werd toegekend. Dit zou anders kunnen (worden) geïnterpreteerd, zo het annulatieverzoek een beslissing van verweerder betrof, nadat eerder ook het College van Burgemees- ter en Schepenen de vergunning had geweigerd. In dat geval zou kunnen gesteld worden dat door de nieuwe aanvraag, de verzoekende partij de zaak opnieuw ter beoordeling aan de vergunningverle- nende overheid wenst voor te leggen ten einde deze ervan te overtuigen haar opvatting die ze heeft geuit naar aanleiding van de eerste aanvraag te wijzigen, en toch een vergunning te verlenen. In casu betrof het evenwel allen aanvragen tot milieuvergunning, die in eerste instantie werden gegrond verklaard. Door een nieuwe aanvraag in te dienen nadat door verweerder een eerder toegekende vergunning werd ingetrokken, heeft verzoekster op geen enkele wijze willen afstand doen of verzaken aan de haar in eerste instantie door het College ( eerste, derde en vijfde vergunning) of door de Bestendige Deputatie zelf ( vierde vergunning) telkens toegekende milieuvergunning. Er kan dus geenszins gesteld worden dat verzoekster door het indienen van een nieuwe aanvraag - waartoe zij genoodzaakt was - afstand deed van de eerder toegekende vergunning. De rechtspraak van de Raad van State waarnaar de Auditeur verwijst inzake Stedenbouw, betrof gevallen waar de vergunning werd geweigerd, en de exploitant een nieuwe aanvraag indiende. In casu betreft het annulatieverzoek het rechtsherstel dat verzoekster beoogt ten gevolge van de onrechtmatige intrekking door verweerder van de eerder bekomen milieuvergunning, zodat zeker geen verzaking kan vermoed worden aan een in eerste instantie verleende vergunning. (...) Actueel belang. Uit het voorgaande blijkt ook het actueel belang dat verzoekster heeft bij de benaarstiging van de annulatieverzoeken. Zo de annulatieverzoeken gegrond worden verklaard, heeft dit voor gevolg dat verzoekster sinds 1998 een volledig regelmatige én vergunde exploitatie heeft. De laatste (proef)vergunning zou slechts op 2 december 2004 verstreken zijn. Door de ingrijpende maatregelen die verzoekster intussen heeft doorgevoerd, met delocalisatie van alle niet strikt landbouwgebonden activiteiten, en ingevolge het gewijzigd beleid inzake geluidsnormen (zie verder), komt verzoekster in aanmerking voor definitieve vergunning. Verzoekster zoekt rechtsherstel. Zoals hoger gesteld, bestaat dit rechtsherstel in herstel van de geschonden subjectieve rechten die verzoekster aan het objectieve recht op vergunning, ontleent. Tegen verzoekster werden in de voorbije jaren een aantal administratieve en gemeenrechtelijke maatregelen genomen, ten gevolge van het feit dat verzoekster al die jaren ten onrechte als een onregelmatig exploiterend bedrijf werd beschouwd"; dat zij ten slotte opnieuw verwijst naar de gewijzigde toepassing van de geluidsnor- men en dat zij van oordeel is dat het annulatieberoep wel degelijk pertinent is; 2.4. Overwegende dat de verzoekende partij na de in deze zaak bestreden weigering van een vergunningsaanvraag, nog drie andere vergunningsaan- vragen heeft ingediend, met name op 28 februari 2001, 5 juli 2001 en 3 september VII-23.191-9/11 2002; dat deze opeenvolgende aanvragen niet in belangrijke mate verschillend zijn; dat het indienen van deze opeenvolgende aanvragen een gewijzigde omstandigheid inhoudt waardoor de verzoekende partij niet langer doet blijken van het vereiste actueel belang; dat de motieven voor deze nieuwe aanvragen, noch de vraag wie ze heeft veroorzaakt, in rechte relevant zijn; dat het belang om een administratieve rechtshandeling onwettig te horen verklaren, geen belang meer is verbonden aan het doen verdwijnen van de akte uit de rechtsorde, maar uitsluitend een belang om een middel gegrond te horen verklaren; dat zulk een belang slechts indirect is; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-23.191-10/11 E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.191-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.758 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.