id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.763 Rolnummer: A. 118799/VII-26185 Zaak: Arrest 187763 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.763 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.763 van 6 november 2008 in de zaak A. 118.799/VII-26.
- In zake : de NV VAN GOMPEL, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV VAN GOMPEL op 27 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 6 februari 2002 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaat- schappij (hierna : OVAM) van 18 oktober 2001, houdende beslissing dat de verzoekende partij, als overdrager, niet aantoont dat zij conform de bepalingen van artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-26.185-1/4 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2008; Gehoord het verslag kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO die, loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij exploiteert een schildersbedrijf met bijhorende werkplaats aan de Sint-Amandinastraat 35 te Leopoldsburg. De betrokken gronden zijn in 1990 aangekocht. Voorheen werd ter plaatse een installatie voor het mengen van nijverheidsoliën geëxploiteerd. 1.
- Naar aanleiding van het voornemen om de betrokken gronden over te dragen, laat de verzoekende partij een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren. Het eindrapport van dat oriënterend bodemonderzoek dateert van 11 mei
- Het onderzoek brengt een historische verontreiniging van de bodem en het grondwater aan het licht. De bodem en het grondwater blijken meer bepaald verontreinigd te zijn met minerale olie in gehaltes die hoger liggen dan de overeenkomstige bodemsaneringsnorm. Bovendien blijken er in de bodem ook hoge concentraties van de stof fenantreen aanwezig te zijn. In de conclusies van het oriënterend bodemonderzoek wordt onder meer het volgende gesteld : VII-26.185-2/4 "Op basis van de onderzoeksresultaten kan niet geconcludeerd worden dat er geen ernstige aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreini- ging op het kadastrale perceel. De ernst en de risico's van de verontreiniging dienen nagegaan te worden in een beschrijvend onderzoek". 1.
- Op grond van de resultaten van het oriënterend bodemonderzoek wordt de verzoekende partij door OVAM aangemaand om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. In de aanmaning van 20 augustus 2001 wordt er op gewezen dat in afwachting van het beschrijvend bodemonderzoek de voorgenomen overdracht van de gronden niet kan plaatsvinden. 1.
- Op 14 september 2001 deelt de verzoekende partij aan OVAM mee dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) en dat zij derhalve niet verplicht is om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan. Zij stelt namelijk dat de vastgestelde historische verontreiniging niet door haar werd veroorzaakt, maar wellicht door vroegere activiteiten van de inrichting vergund op naam van "Ets. Schepens Carlo" waarbij nijverheidsoliën werden opgeslagen en vermengd. Daarenboven zou de verzoekende partij bij de verwerving van de betrokken gronden evenmin op de hoogte zijn geweest van een bodemverontreiniging die helemaal niet zichtbaar was. OVAM verwerpt met een beslissing van 18 oktober 2001 de aanspraken van de verzoekende partij. Op 6 februari 2002 bevestigt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de beslissing van OVAM waarbij deze besluit dat de verzoekende partij zich niet kan beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet. 1.
- Bij besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 31 juli 2007 wordt vastgesteld dat de verzoe- kende partij op voldoende wijze aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, §2, van het bodemsaneringsdecreet; VII-26.185-3/4
- Ten gronde Overwegende dat de verwerende partij ter zitting betoogt dat de bestreden beslissing impliciet is ingetrokken door het voornoemde besluit van 31 juli 2007; dat zij daarmee terugkomt op de stelling die zij in het bestreden besluit had ingenomen; dat hiermee het voorwerp van de vordering uit de rechtsorde is verdwenen zodat het beroep doelloos is geworden; dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, de kosten ten laste van de verwerende partij moeten worden gelegd, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-26.185-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.763 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div