← België

Arrest 187778 - Milieuvergunningen - 06/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.778 Rolnummer: A. 155737/VII-32823 Zaak: Arrest 187778 - Milieuvergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.778 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.778 van 6 november 2008 in de zaak A. 155.737/VII-32.823. In zake : Marnix DEJAEGHERE, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marnix DEJAEGHERE op 17 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwer- king van 15 juli 2004, waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 januari 2004 houdende het verlenen van een vergunning aan verzoeker voor het verder exploiteren en veranderen van een varkensbedrijf, gelegen aan de Meenseweg 443 te Ieper, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 juni 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 september 2008; VII-32.823-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDROMME die, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoeker exploiteert een varkensbedrijf aan de Meenseweg 443 te Ieper. Op 22 juli 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een vergunning voor 324 zeugen, 3 beren en 950 mestvarkens, en zulks voor een termijn die verstrijkt op 31 december 2003. 1.2. Voor de periode van 16 augustus 2000 tot 31 december 2000 kiest verzoeker voor de aangifte van mestgebruik en mestproductie bij de Mestbank voor het type mestuitscheidingsbalans "regressierechten" voor biggen (7-20

  1. kg)en andere varkens (20-110 kg). 1.3. In een brief van 16 mei 2001 van de Mestbank van Brugge aan verzoeker, wordt het volgende gesteld : "Wij hebben uw aangifte van mestproductie en mestgebruik goed ontvang- en. Wij hebben echter opgemerkt dat volgende vakken in uw aangifte onduidelijkheden of onvolmaaktheden bevatten. Vak 3 : Dierlijke mestproductie : Er is in augustus vorig jaar gekozen voor het type mestuitscheidingsbalans 'regressierechte(n)' voor bepaalde diersoorten. De berekende uitscheidingscijfers zijn uitzonderlijk laag. Een volledige bereke- ning, een copie van het voederregister en een copie van het register van dierlijke productie dienen deze cijfers nader te verklaren. Indien deze documenten met een eventuele aangepaste berekening niet opgestuurd worden zal de Mestbank de forfaitaire uitscheidingscijfers toepassen voor volgende diersoorten : biggen (7-20
  2. kg)en andere varkens (20-110
  3. kg)VII-32.823-2/12 VII-32.823-3/12 Gelieve binnen de 14 dagen na ontvangst van deze brief de ontbrekende documenten en/of gegevens terug te sturen naar : Mestbank Brugge - dienst aangiften : E. De Neckerestraat 5, 8000 Brugge. Voor meer informatie kan u ons steeds telefonisch contacteren". 1.4. Op 30 juli 2003 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in om zijn varkensbedrijf met 324 zeugen, drie beren, 950 mestvarkens, 2.983 m³ mest, en 8.000 liter mazout verder te exploiteren, deze inrichting uit te breiden met het lozen van 120 m³ huishoudelijk afvalwater per jaar, een stalplaats voor zeven voertuigen, koelinstallaties van twaalf kW, de opslag van 412 liter olie, één verdeelslang, metaalbewerkingsmachines van 13,95 kW, een verwarmingsinstallatie van 502 kW en een verkooppunt voor vlees, en ze voorts te verminderen met 2.500 liter mazout. 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren of opmerkingen ingediend. 1.6. Op 9 oktober 2003 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) om slechts een vergunning te verlenen voor 282 zeugen inclusief de biggen, 3 beren en 825 gebruiksvarkens. Volgens het advies werd in het productie- jaar 2000 slechts 7.496 kg mest of 70 % van de productie van 10.773 kg afgezet en werd voor de productiejaren 2001 en 2002 100 % afgezet, wat neerkomt op gemiddeld 87 % over drie jaar, zodat de aanvraag niet verenigbaar zou zijn met artikel 33ter, § 1, 3/ van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffen- decreet). 1.7. Op 29 oktober 2003 stuurt verzoeker een brief aan de VLM waarin hij stelt de voormelde brief van 16 mei 2001 nooit te hebben ontvangen en waarbij hij er op wijst dat er ingevolge de overschakeling naar forfaitaire uitschei- dingscijfers 13 % van de varkensvergunning zou worden "afgenomen". Hij vraagt tevens of deze "administratieve mistoestand" kan worden rechtgezet door het doorsturen van de aanvullende gegevens voor het productiejaar 2000. 1.8. Op 31 oktober 2003 antwoordt de VLM onder meer dat in de voormelde brief van 16 mei 2001 duidelijk werd gesteld dat, bij gebrek aan een antwoord, de Mestbank voor de biggen en de andere varkens de forfaitaire uitscheidingscijfers zou hanteren, dat er in deze brief een periode van veertien dagen werd vooropgesteld om te antwoorden, dat tegen de daaropvolgende basisheffing VII-32.823-4/12 voor het productiejaar 2000, aanslagjaar 2001, geen bezwaar werd ingediend door verzoeker, dat er pas in de brief "van 30 oktober 2003" schriftelijk wordt gemeld dat verzoeker de brief van 16 mei 2001 niet zou hebben ontvangen en dat, "gelet op bovenstaande elementen en gelijke behandeling bij soortgelijke vragen", de VLM niet kan ingaan op het verzoek om de uitscheidingscijfers voor het productiejaar 2000 te wijzigen. 1.9. Op 29 januari 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunning voor : - 282 zeugen, 3 beren en 825 mestvarkens voor een termijn die eindigt op 29 januari 2024; - 42 zeugen en 125 mestvarkens voor een proeftermijn die eindigt op 29 januari 2006. 1.10. Op 23 februari 2004 tekent de VLM een administratief beroep aan tegen de voormelde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 1.11. Op 22 maart 2004 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig voor de vergunning. 1.12. Op 26 maart 2004 adviseert de VLM gunstig voor de verdere exploitatie van onder meer vier varkensstallen met plaats voor 1.110 varkens waarvan 3 beren, 282 zeugen (inclusief biggen) en 825 andere varkens. 1.13. Op 6 april 2004 adviseert de celverantwoordelijke van de afdeling Monumenten en Landschappen dat "rekening houdend met (
  4. de)eerder negatieve visuele impact van het bedrijf op de omgeving", een ruime landschappelijke inkadering meer dan gewenst is. 1.14. Op 6 april 2004 wordt het voornoemde beroepschrift van de VLM met een aangetekend schrijven overgemaakt aan verzoeker. 1.15. Op 21 april 2004 stuurt verzoeker een brief aan de verwerende partij waarin wordt gesteld dat de minister zijn bevoegdheid om te beslissen verloren heeft door het overschrijden van de vervaltermijn van veertien dagen waarbinnen verzoeker in kennis moest worden gesteld van het ontvankelijk bevonden beroep van de VLM. VII-32.823-5/12 1.16. Op 27 april 2004 adviseert het hoofdbestuur van de administratie Milieu-, Natuur, Land- en Waterbeheer het beroep van de VLM in te willigen. 1.17. Op 29 april 2004 antwoordt de verwerende partij op de brief van verzoeker van 21 april 2004. Zij stelt dat verzoeker, wanneer hij dit schriftelijk aanvraagt, alsnog door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie kan worden gehoord. 1.18. Op 17 mei 2004 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie, na de aanvrager te hebben gehoord, het beroep van de VLM in te willigen. 1.19. Op 15 juli 2004 willigt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, het beroep van de VLM in en wordt de vergunning, enerzijds, verleend voor 282 zeugen, 3 beren en 825 mestvarkens voor een termijn die eindigt op 29 januari 2024 en, anderzijds, geweigerd voor 42 zeugen en 125 mestvarkens. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat de te vergunnen mestproductie van de bestreden beslissing dient berekend te worden op basis van de forfaitaire uitscheidings- normen (zowel voor N en voor P2O5) voorzien in artikel 33bis, § 2 van het meststoffendecreet; dat de aangevraagde inrichting een te vergunnen mestpro- ductie zal hebben van 9.805 kg P2O5 en 20.198 kg N; dat deze hernieuwing geen stijging inhoudt van de vergunde mestproductie en bijgevolg in overeen- stemming is met deze bepalingen van het meststoffendecreet; Overwegende dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank-Brussel, blijkt dat enerzijds voldaan is aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/,
  5. c)van het meststoffendecreet en anderzijds er niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 3/ van het meststoffendecreet (de laatste drie kalenderjaren zijnde de aanslagjaren 2001- 2003 of productieja- ren 2000-2002, werd voldaan aan de aangifteplicht en in het verleden werd er gemiddeld slechts voor 87% van de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het meststoffendecreet wat voor de Vlaamse Landmaatschap- pij gehanteerde criteria als onvoldoende wordt bestempeld); dat volgens artikel 3 van het uitvoeringsbesluit van 5 oktober 2001 (gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 9 januari 2002), en in uitvoering van artikel 33ter van het meststoffendecreet, in dergelijk geval de vergunning ambtshalve moet worden beperkt in functie van de bewezen mestafzet; dat de vergunning derhalve moet worden beperkt tot het aantal plaatsen voor dieren dat ten opzichte van het vergunde aantal dieren verhoudingsgewijs overeenkomt met het gemiddelde van de jaarlijks bewezen mestafzet ten opzichte van de jaarlijkse mestproductie voor de drie voorafgaande kalenderjaren; dat aangezien de vergunde mestpro- ductie 9.805 kg P2O5 bedraagt en de vergunning zou moeten gereduceerd worden tot 87% hiervan, de 'gereduceerde' P2O5-productie maximum 0,87 x 9.805 kg P2O5 = 8.530 kg P2O5 bedraagt; dat dit overeenkomt met 1.110 varkens ouder dan 10 weken (282 zeugen inclusief biggen, 3 beren, 825 vlees- varkens/opfokzeugen); dat derhalve de vergunning enkel verenigbaar is met artikel 33ter, §1, 3/ van het meststoffendecreet mits beperking tot een vergunde mestproductie van 8.530 kg P2O5; VII-32.823-6/12 Overwegende dat in functie van de bewezen mestafzet in het verleden (slechts voor 87% afgezet) de aangevraagde vergunning voor de hernieuwing verhoudingsgewijs dient gereduceerd tot 1.110 varkens ouder dan 10 weken (282 zeugen inclusief biggen, 3 beren, 825 vleesvarkens/opfokzeugen)". 2. Ten gronde 2.1.1. Verzoeker voert een eerste middel aan, gesteund op de schending van artikel 33bis, § 2, van het meststoffendecreet, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en het evenredigheidsbeginsel. Hij zet daarbij in essentie uiteen dat de bestreden beslissing berust op een administratieve vergissing, aangezien hij, om zijn mestafzet te bewijzen, uitdrukkelijk heeft verkozen om niet de forfaitaire uitscheidingswaarden voor N en P2O5 te hanteren, dat hij de brief van 16 mei 2001 nooit heeft ontvangen, dat hij in zijn aangifte voor het productiejaar 2000 uitdrukkelijk heeft geopteerd voor de toepassing van regressie en reële uitscheidingswaarden en terzake een voldoende duidelijke berekening aan de Mestbank heeft overgemaakt, dat de Mestbank nooit de correctheid hiervan heeft betwist en dat hij zijn mestaangifte ook zelf kan bewijzen, dat hij geenszins verplicht is om een kopij van het voederregister en het register van dierlijke productie over te maken met de mestaangifte en dat niets de verwerende partij belette alsnog de gevraagde inlichtingen uit 2001 in beschouwing te nemen en rekening te houden met de berekeningswijze van verzoeker in zijn overgemaakte mestuitscheidingsbalans. 2.1.2. De verwerende partij antwoordt hierop dat ernstig moet worden getwijfeld aan het verhaal van verzoeker als zou deze het schrijven van 16 mei 2001 nooit hebben ontvangen, dat verzoeker wel degelijk actie had kunnen ondernemen tegen de toepassing van het forfaitaire systeem indien hij daarmee niet akkoord was, dat het thans te laat is om deze vermeende onwettigheid op te werpen, dat, zelfs indien verzoeker het schrijven van 16 mei 2001 niet zou hebben ontvangen, hij via het heffingsbiljet op de hoogte werd gebracht van het toepassen van het forfaitair stelsel, dat hij op geen enkele wijze de toepassing van het forfaitaire stelsel had kunnen aanvechten, dat verzoeker zijn annulatieberoep inzake een milieuvergunning thans baseert op een beweerde verkeerde toepassing van het forfaitaire stelsel, terwijl hij zich destijds tegen deze toepassing van het forfaitaire stelsel had kunnen verhalen door een administratief beroep aan te tekenen, waarna hem tevens nog een VII-32.823-7/12 jurisdictioneel beroep ter beschikking stond, en dat dan ook terecht met de sindsdien onbetwistbare productiegegevens rekening werd gehouden. 2.1.3. In de laatste memorie wijst de verwerende partij er nog op dat het bestuur niet op alle middelen en argumenten van de adressaat van de bestuurshande- ling moet antwoorden. 2.1.4. Artikel 33ter, § 1, 3/, van het meststoffendecreet, zoals gewijzigd door het decreet van 3 maart 2000, luidde op het ogenblik van de bestreden beslissing als volgt : "(...) Vanaf l januari 2000 kan binnen de perken van dit artikel de milieuvergun- ning, als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ning, zowel voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie, slechts worden verleend in zoverre in het kader van de overeenkomstige milieuvergunningsaanvraag als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, voor de drie voorafgaande kalenderjaren voor de desbetreffende veeteeltinrichting werd voldaan aan de aangifteplicht bij de Mestbank en in zoverre de mestproductie die op de veeteeltinrichting voor de drie voorgaande kalenderjaren werd geproduceerd, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet werd afgezet". In de bestreden beslissing wordt de vergunning geweigerd voor 42 zeugen en 125 mestvarkens omdat "uit het advies van de Vlaamse Landmaat- schappij, afdeling Mestbank-Brussel, blijkt dat enerzijds voldaan is aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet en anderzijds er niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 3/ van het meststoffende- creet (de laatste drie kalenderjaren zijnde de aanslagjaren 2001-2003 of productieja- ren 2000-2002, werd voldaan aan de aangifteplicht en in het verleden werd er gemiddeld slechts voor 87% van de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het meststoffendecreet wat voor de (door
  6. de)Vlaamse Landmaat- schappij gehanteerde criteria als onvoldoende wordt bestempeld)". Dit vormt een herhaling van het standpunt dat de VLM reeds op 9 oktober 2003 in haar advies had ingenomen, volgens hetwelk in het productiejaar 2000 slechts 7.496 kg mest of 70 % van de productie van 10.773 kg werd afgezet en voor de productiejaren 2001 en 2002 100 %, wat neerkomt op gemiddeld 87 % over drie jaar, zodat de aanvraag niet verenigbaar zou zijn met artikel 33ter, § 1, 3/, van het meststoffendecreet. VII-32.823-8/12 Zowel in zijn brief van 29 oktober 2003 aan de Vlaamse Landmaatschappij als voor de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen en voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft verzoeker voormeld standpunt van de VLM trachten te weerleggen met een argumentatie over het door hem gehanteerde regressiesysteem in de periode van 16 augustus 2000 tot 31 december 2000. Het bestreden besluit bewaart het stilzwijgen over de hiervoor bedoelde argumentatie en beperkt zich enkel tot het reproduceren van het standpunt van de VLM. Hoewel niet alle tot staving van het administratief beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt in de bestreden beslissing moeten worden beantwoord, dient wel te worden geantwoord op de cruciale argumentatie in de bezwaarprocedure. Het eerste middel is gegrond in zoverre het de schending van de motiveringswet aanvoert. 2.2.1. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 52, 1/, c), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de rechten van verdediging en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker wijst er op dat hij pas met een schrijven van 6 april 2004 in kennis werd gesteld van het ontvankelijk bevonden beroep van de VLM, nadat deze brief eerst aan zijn overleden vader was geadresseerd, dat artikel 52, 1/, c), van Vlarem I uitdrukkelijk voorschrijft dat de aanvrager binnen veertien dagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking zoals bedoeld in artikel 31 van Vlarem I, per aangetekend schrijven in kennis moet worden gesteld van het ontvankelijk bevonden beroep en dat te dezen die termijn met liefst zes weken werd overschreden, dat deze termijn in de rechtspraak van de Raad van State als een vervaltermijn wordt beschouwd, en dat de Raad in zijn arrest nr. 121.005 van 26 juni 2003 heeft gesteld dat het niet naleven van deze kennisgevingstermijn geen gevolgen heeft wanneer de exploitant ervan op de hoogte werd gebracht dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is en de exploitant tijdig werd ingelicht over de in beroep tegen de afgegeven vergunning aangevoerde middelen VII-32.823-9/12 en argumenten, zodat hij daarop met kennis van zaken kon reageren. Toch meent hij dat het tijdig en volledig in afschrift meedelen van een beroepschrift een substantiële vormvoorwaarde vormt, die bedoeld is om de exploitant te beschermen tegen het niet-definitieve karakter van zijn vergunning in eerste aanleg. Verder wijst hij op de schending van het vertrouwensbeginsel, doordat hij pas anderhalve maand na de verwerende partij op de hoogte werd gebracht van het feit dat het administratief beroep ontvankelijk werd bevonden, en van de motiveringsplicht, doordat op zijn voormelde argument in verband met het overschrijden van de termijn van veertien dagen niet werd geantwoord, en op de schending van het recht van verdediging, doordat hem slechts drie werkdagen tijd werd gegeven om zijn verdediging voor te bereiden voor de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 17 mei 2004. 2.2.2. De verwerende partij stelt hier tegenover dat de voormelde termijn van veertien dagen verstreek op 31 maart 2004 en slechts met zes dagen werd overschreden, dat de termijn geen vervaltermijn is en dat de kennisgeving weliswaar een substantiële vormvoorwaarde uitmaakt, doch dat zulks niet geldt voor de termijn van veertien dagen waarbinnen deze kennisgeving moet plaatsvinden. Zij vervolgt dat de voorgeschreven termijn een tweevoudige finaliteit heeft, namelijk de exploitant op de hoogte brengen van het feit dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is en dat aldus de exploitatie van de inrichting niet zonder risico kan worden aangevat, en de exploitant tijdig inlichten over de in het beroep tegen de afgegeven vergunning aangevoerde middelen en argumenten, zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren. Aan beide doelstellingen is volgens de verwerende partij te dezen tegemoet gekomen. 2.2.3. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de omstandigheden van de voorliggende zaak niet identiek zijn aan deze die voorlagen in de zaak die aanleiding gaf tot het voormelde arrest van de Raad van State nr. 121.005 van 26 juni 2003. 2.2.4. Artikel 52, 1/, c), van Vlarem I bepaalt : "(...)
  7. c)wordt het beroep ontvankelijk bevonden, dan wordt de indiener van het beroep door de Gemeenschapsminister of de in sub
  8. a)vermelde gemachtigde ambtenaar binnen veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 hiervan per ter post aangetekend schrijven in kennis gesteld; in zoverre het beroep niet door de exploitant is ingediend, wordt deze laatste binnen dezelfde termijn door voormelde Gemeenschaps- VII-32.823-10/12 minister of gemachtigde ambtenaar per ter post aangetekend schrijven kennis gegeven van het ontvankelijk beroep". Artikel 52, 1/, c), van Vlarem I verbindt geen gevolgen aan het overschrijden van de termijn van kennisgeving van het beroep aan de exploitant. Die termijn is dan ook niet als een vervaltermijn te beschouwen. De in Vlarem I opgelegde verplichting om het ontvankelijk bevonden beroep binnen een bepaalde termijn ter kennis van de exploitant te brengen heeft tot doel deze laatste ervan op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is en aldus de exploitatie van de inrichting niet zonder risico kan worden aangevat. Deze verplichting heeft eveneens tot doel hem tijdig in te lichten over de middelen en argumenten die in het beroep tegen de afgegeven vergunning worden aangevoerd, zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren. Wanneer het niet naleven van de in Vlarem I opgelegde kennis- gevingstermijn het bereiken van die dubbele finaliteit niet in de weg heeft gestaan en dienvolgens de belangen van de exploitant niet heeft geschaad, kan het niet voldoen aan die voorwaarden niet tot de conclusie leiden dat de beroepsinstantie niet meer op wettige wijze uitspraak kan doen over de beroepen. Het administratief beroep van de VLM heeft enkel betrekking op de door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleende vergunningsverlenging op proef voor 42 zeugen en 125 mestvarkens voor een termijn die eindigt op 29 januari 2006, en niet op de vergunningsverlenging voor 282 zeugen, 3 beren en 825 mestvarkens voor een termijn die eindigt op 29 januari 2024. In die omstandigheden kan bezwaarlijk staande worden gehouden dat verzoeker in zijn belangen is geschaad. Bovendien is bij de bespreking van het eerste middel gebleken dat verzoeker zijn argumentatie over het door hem gehanteerde regressiesysteem in de periode van 16 augustus 2000 tot 31 december 2000 voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft kunnen uiteenzetten. Het beginsel van het recht van verdediging geldt niet in het kader van een administratieve beroepsprocedure met betrekking tot een milieuvergunning. Het tweede middel is niet gegrond, VII-32.823-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 15 juli 2004, waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 januari 2004 houdende het verlenen van een vergunning aan Marnix DEJAEGHERE voor het verder exploiteren en veranderen van een varkensbedrijf, gelegen aan de Meenseweg 443 te Ieper, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-32.823-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.