← België

Arrest 187779 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.779 Rolnummer: A. 162387/VII-37138 Zaak: Arrest 187779 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.779 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.779 van 6 november 2008 in de zaak A. 162.387/VII-37.138. In zake : 1. Colette COUSSEMENT, 2. Henri COUSSEMENT, 3. Jacques COUSSEMENT, 4. Jean-Louis COUSSEMENT, die woonplaats kiezen bij advocaten P. DE MAEYER en A. VERRIEST, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Colette COUSSEMENT, Henri COUSSEMENT, Jacques COUSSEMENT en Jean-Louis COUSSEMENT op 9 mei 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2005 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische structuur : Onderdelen van natuurgebieden "Ster der Zee" en "Schipgatduinen", "in de mate dat het perceel gelegen te Koksijde- Oostduinkerke, aan de hoek van de Zeedijk en de Professor Blanchardlaan te Koksijde-Oostduinkerke, ter hoogte van 'Ster der Zee', kadastraal bekend als sectie D, nr. 117 tot natuurgebied wordt bestemd"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; VII-37.138-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE LANGE die, loco advocaten P. DE MAEYER en A. VERRIEST verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partijen zijn eigenaars van een grond, gelegen aan de hoek van de Zeedijk en de Professor Blanchardlaan te Koksijde-Oostduinkerke, ter hoogte van "Ster der Zee", kadastraal bekend, eerste afdeling, sectie D, nr. 117. 1.2. Dit perceel was overeenkomstig het gewestplan Veurne-Westkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, gelegen in natuurgebied. De aanduiding van deze bestemming werd door de Raad van State een eerste maal vernietigd, bij arrest nr. 20.461 van 24 juni 1980, omdat, samen- gevat, het bezwaarschrift aangaande dit perceel onvoldoende was onderzocht. Een tweede vernietiging kwam er bij arrest van de Raad van State nr. 63.277 van 26 november 1996, nadat bij besluit van de Vlaamse regering van 18 november 1987 de eigendom van de verzoekende partijen opnieuw tot natuurgebied was bestemd, omdat, samengevat, er tussen het voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan en het definitief vastgesteld gewestplan een te groot tijdsverloop was verstreken, zodat het voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan van 28 december 1973 geen wettige VII-37.138-2/10 grondslag meer kon zijn voor de vaststelling van het aanvullend gewestplan van 18 november 1987. 1.3. Op 12 december 2003 besluit de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : gewestelijk RUP) voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische structuur: Onderdelen van natuurgebieden "Ster der Zee" en "Schipgatduinen". Aangaande het perceel van de verzoekende partijen wordt in de toelichtingsnota het volgende gesteld : "Dit plangebied maakt deel uit van het duingebied Ster der Zee dat geomorfologisch tot de zeereep en het 'chaotisch voorduinlandschap' behoort. De meest zeewaarts gelegen terreindelen, waaronder ook perceel D 117, bestaan in hoofdzaak uit al dan niet gefixeerde stuif- en helmduinen. Het zeereepelement is lokaal vrij goed ontwikkeld. Er komen biestarwegrasduintjes voor en begeleidende soorten als zeeraket en stekend loogkruid. In het oostelijk deel van het duingebied 'Ster der Zee' groeit zeewinde; het betreft wellicht de grootste populatie van de Westkust. Een aantal stuifduinen zijn gefixeerd met rijshouthagen. Door opslag van levend rijshout komen verspreid populierenbosjes voor. Het grootste gedeelte van Ster der Zee wordt ingenomen door duindoornstruweel. Naast gewone vlier komen ook hondsroos en egelantier er veel in voor. Ook de zeer zeldzame wegedoorn komt in het struweel voor. Ook op perceel D 117 is struikachtige begroeiing aanwezig. De aaneengesloten percelen van het gebied Ster der Zee zijn de enige plaats tussen Sint-Idesbald en Koksijde-Bad waar nog een strand-duinovergang aanwezig is. Dit gebied heeft hierdoor niet enkel waarde voor natuurontwikkeling en natuurbehoud maar heeft bovendien een belangrijke open ruimte functie tussen de vrijwel gesloten bebouwing langs de zeedijk. De open-ruimteverbindingen tussen de badplaatsen zijn structuurbepalend voor de kustlijn. Door het verder volbouwen van de kustlijn dreigt een eenvormigheid van het landschap. Deze vervaging van de landschappelijke structuren doet afbreuk aan de belevingswaarde, de herkenbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Ook sociaal en recreatief is deze open ruimte belangrijk voor de badplaatsen in de onmiddellijke omgeving. Om die redenen is een bestemming die als hoofdfunctie natuurontwikkeling en -behoud garandeert aangewezen. De duinen doen bovendien dienst als natuurlijke zeewering voor het binnenland". 1.4. De verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in. Zij doen gelden dat het perceel niet als natuurgebied maar wel als bouwgrond moet worden beschouwd. VII-37.138-3/10 1.5. Op 7 september 2004 verleent de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna : VLACORO) advies. In dit advies wordt het bezwaar van de verzoekende partijen als volgt besproken : "Vlacoro is van oordeel dat met voorliggend RUP het toekennen van een bestemming aan het perceel gebaseerd is op een ruimtelijke afweging. Vlacoro onderkent dat het perceel voldoet aan bepaalde criteria waardoor het in aanmerking zou kunnen komen voor bebouwing. De ruimtelijke afweging om te bepalen welke bestemming aangewezen is voor een specifiek perceel is echter ruimer da(

  1. n)de aangehaalde criteria en omvat tevens de bijzondere karakteristieken en waarden van het perceel zelf en de situering van het perceel binnen zijn ruimtelijke context. In het geval van Ster der Zee zijn de bestaande natuurwaarden, de open ruimte functie tussen de vrijwel gesloten bebouwing langs de zeedijk, de sociaal/recreatieve functies en de natuurlijke zeewerende functies bepalend voor de herbestemming, zoals in de toelichtingsnota wordt gemotiveerd. Ingaan op de argumentatie van de bezwaarindiener zou overigens betekenen dat de gehele tussenruimte tussen Koksijde en Sint-ldesbald, vanaf de zeedijk tot aan de Koninklijke Baan, zou kunnen worden volgebouwd want elk blok grond (bezet met duinen) is omgeven door (uitgeruste) wegen. Niettemin wordt algemeen aanvaard dat het gaat om een tussenruimte met bijzondere ruimtelijke en natuurlijke waarden die onder geen enkel beding mag toe gebouwd worden Het feit dat het perceel niet beschermd is volgens het Duinendecreet, doet geen wezenlijke afbreuk aan de waarde van deze duinvegetaties. Het wijzigen van duinvegetaties is immers verboden krachtens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Dat het gebied niet opgenomen wordt in het Vlaams ecologisch netwerk (VEN) wordt in de toelichtingsnota niet gemotiveerd. Vlacoro meent dat de bepalingen voor opname in het VEN volgens het decreet houdende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, die beide onder meer een voldoende aaneengesloten oppervlakte als criterium stellen, correct werden toegepast. Dat het gebied niet opgenomen is in het VEN doet evenwel geen afbreuk aan de voorliggende bestemming met natuur als hoofdfunctie. Dat het Vlaams gewest in dit geval de toewijzing van de bestemming opneemt, wordt voldoende toegelicht in de toelichtingsnota en is ook bij de situering van voorliggend advies (punt A1) opgenomen. Het gebied Ster der Zee is bovendien niet geïsoleerd maar sluit aan bij het natuurgebied van de stranden langs de Vlaamse kust. Het voorkomen van braakliggende terreinen in aanpalende woonzones, vormt op zich geen criterium om af te zien van de voorliggende bestemming". 1.6. Bij besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2005 wordt het gewestelijk RUP voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische structuur: Onderdelen van natuurgebieden "Ster der Zee" en "Schipgatduinen" definitief vastgesteld. Het is onder meer als volgt gemotiveerd : VII-37.138-4/10 "Overwegende dat de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening een gunstig advies heeft uitgebracht, met voorwaarden zoals hieronder vermeld en waarbij volgende opmerkingen kunnen worden gemaakt : - 'bijsturing van de stedenbouwkundige voorschriften en het verordenend grafisch plan met respectievelijk een bijkomend artikel 'grote eenheid natuur de Westkust' en een overdruk'; aan deze voorwaarde werd voldaan door de voorschriften en het verordenend grafisch plan in die zin aan te passen; (...) - 'desgevallend in de toelichtingsnota aangegeven wordt dat voorliggend gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor wat betreft het plangebied Schipgatduinen een herbestemming van woongebied naar natuurgebied betreft'; de toelichtingsnota werd niet in vermelde zin aangepast om die hieronder nog vermelde redenen - zie de overwegingen over het bezwaarschrift van de eigenaar van het betrokken perceel; Overwegende dat de eigenaars van het perceel begrepen in het plandeel 'Onderdeel natuurgebied Ster der Zee' zich bij monde van hun raadsman in een bezwaarschrift verzetten tegen een bestemming als natuurgebied op grond van volgende argumentatie: - het perceel moet als bouwgrond worden beschouwd omdat het ligt aan een uitgeruste weg, het technisch mogelijk is erop te bouwen, en het in de nabijheid ligt van ander(
  2. e)bouwgronden en andere woningen; - een bestemming als natuurgebied ligt niet voor de hand; het perceel is onder meer omwille van de beperkte oppervlakte niet als beschermenswaardig in het Duinendecreet opgenomen, noch werd het opgenomen in het VEN; het is dan ook de vraag waarom het als natuurgebied beschermd zou moeten worden, het perceel heeft niet het karakter van (een) natuurgebied, het is ook de vraag wat het nut is van een natuurgebied met dergelijke beperkte oppervlakte; Overwegende dat met betrekking tot dit bezwaarschrift en de argumentatie erin het volgende kan gesteld worden : - de argumentatie is alvast in het eerste onderdeel gebrekkig: bezwaarindiener maakt hier toepassing van criteria die gebruikt worden om te onderzoeken of bij een bestemmingswijziging planschade is vereist (cf. ook het gebruik van de term 'bouwgrond' wat geen bestemmingscategorie is zoals bijv. 'woongebied' dat wel
  3. is); welnu, mocht al aan betrokken criteria voldaan zijn dan is dit uiteraard nog geen reden om zonder meer gronden een bebouwbare bestemming te geven; aldus redeneren zou de rechtsfiguur van de planschade overbodig en compleet zinloos maken want het geven van een niet-bebouwbare bestemming zou telkens niet motiveerbaar en dus onwettig zijn wanneer aan betrokken criteria is voldaan; het bestaan van de figuur van de planschade op zich staaft dat er hoegenaamd geen automatisch verband is tussen de toepasselijkheid van de geciteerde criteria (ligging aan uitgeruste weg, technische bebouwbaarheid en ligging in nabijheid van andere bebouwing) en een bebouwbare bestemming; overigens is alvast de bewering van bezwaarindiener dat het perceel in het wegennet 'ingesloten' ligt niet correct gezien zich aan zuidwestelijke zijde geen wegenis bevindt ; - in de toelichtingsnota worden daartegenover diverse argumenten gegeven die de bestemming als natuurgebied verantwoorden waaronder de feitelijke toestand op het terrein, de natuurwaarden, de vaststelling dat dit over grotere afstand langs de kustlijn zowat de enige plek is waar nog geen bebouwing is gerealiseerd tussen strandzone en achterliggende duinen; - de niet-opname in het duinendecreet en in het VEN eerste fase zijn geen reden om het gebied vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening niet te bestemmen als natuurgebied; de beperkte oppervlakte van het perceel op zich ontkracht niet de argumenten die in de toelichtingsnota zijn opgenomen VII-37.138-5/10 ter verantwoording van een bestemming als natuurgebied; bovendien moet niet slechts de beperkte oppervlakte van het perceel op zich bekeken worden, maar moet ermee rekening gehouden worden dat onmiddellijk aansluitende gronden en gronden in de nabijheid eveneens als natuurgebied zijn aangeduid; er kan bij het bepalen van de bestemming niet alleen rekening gehouden worden met de bestaande toestand maar ook met de potenties van gronden voor de realisatie van een bestemming; (...) Overwegende dat de plangebieden niet gelegen zijn binnen 'recent overstroomd gebied'; dat dit RUP naast het beschermen van de natuurwaarden als doel heeft de betrokken duingebieden bouwvrij te houden en aldus de natuurlijke zeewerende werking van de duinen te behouden; dat bijgevolg kan gesteld worden dat dit RUP geen schadelijke effecten veroorzaakt voor het watersysteem". 2. De ontvankelijkheid De verwerende partij verklaart ter terechtzitting dat zij afstand doet van de door haar opgeworpen exceptie. 3. Ten gronde 3.1.1. De verzoekende partijen voeren een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 42, §§ 6 en 7, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) en uit machts- overschrijding, doordat het bestreden besluit werd genomen buiten de daartoe decretaal voorziene termijn, terwijl artikel 42, § 6, van het D.R.O. bepaalt dat de Vlaamse regering binnen 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek en 210 dagen in geval van verlenging van de termijn vermeld in artikel 42, § 5, van het D.R.O. het gewestelijk RUP vaststelt, terwijl artikel 42, § 7, eerste lid, van datzelfde decreet bepaalt dat indien het gewestelijk RUP niet wordt vastgesteld binnen de termijn bedoeld in artikel 42, § 6, van het D.R.O. het ontwerp van gewestelijk RUP vervalt. 3.1.2. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat de termijn overeenkomstig artikel 42, § 7, laatste lid, van het D.R.O. wordt verlengd met de duurtijd van de behandeling van de adviesaanvraag door de afdeling wetgeving van de Raad van State, en dat het bestreden besluit ruimschoots binnen de gestelde termijn werd vastgesteld. 3.1.3. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de termijn overeenkomstig artikel 42, § 6, van het voormelde decreet op VII-37.138-6/10 gemotiveerd verzoek van de minister kan worden verlengd, doch dat er nergens een spoor bestaat van een dergelijk gemotiveerd verzoek en dat het administratief dossier dienaangaande enkel een stuk bevat dat het voorstel van de minister vermeldt, maar niet het gemotiveerd voorstel. 3.1.4. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen, als antwoord op het auditoraatsverslag, nog aan dat het betoog in hun memorie van wederantwoord geen nieuw middel betreft, aangezien het onderzoek van het verlengingsbesluit inherent is aan de in het eerste middel aangevoerde onbevoegdheid ratione temporis. Ondergeschikt stellen zij dat, zelfs al zou het om een nieuw middel gaan, de onwettigheid van het verlengingsbesluit de onbevoegdheid ratione temporis betreft en aldus een middel van openbare orde uitmaakt dat in elke stand van de procedure kan worden aangevoerd. 3.1.5. Uit artikel 42, § 7, van het D.R.O. volgt dat de termijn waarbinnen het gewestelijk RUP definitief diende te worden vastgesteld, zijnde binnen 270 dagen na de einddatum van het openbaar onderzoek, werd geschorst gedurende de volledige duur van de behandeling van de adviesaanvraag door de afdeling wetgeving van de Raad van State en dit met een maximum van 30 dagen. Te dezen werd de aanvraag bij de afdeling wetgeving van de Raad van State ingediend op 28 december 2004. Het advies werd verleend op 20 januari 2005. De termijn werd bijgevolg gedurende deze periode geschorst. Het bestreden besluit dat op 4 februari 2005 werd genomen, is dan ook niet laattijdig. In hun memorie van wederantwoord geven de verzoekende partijen een nieuwe wending aan dit middel, door te benadrukken dat een besluit tot verlenging van de termijn waarbinnen een gewestelijk RUP definitief moet worden vastgesteld, in toepassing van artikel 42, § 6, laatste lid, van het D.R.O., slechts kan worden verleend op gemotiveerd verzoek van de minister en dat nergens uit het administratief dossier of het bestreden besluit een dergelijk verzoek blijkt, zodat het verlengingsbesluit dat zich in het administratief dossier bevindt, onwettig is, en het bestreden besluit dus wel degelijk buiten de termijn werd genomen. Los van de vraag of dit middel voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd, blijkt uit de stukken dat het verzoek van de minister aan de Vlaamse regering tot verlenging van de termijn waarbinnen het plan moet worden vastgesteld in uitvoering van artikel 42, § 6, laatste lid, van het D.R.O. wel degelijk was VII-37.138-7/10 gemotiveerd. De motieven van dit verzoek zijn trouwens integraal terug te vinden in het verlengingsbesluit van 15 oktober 2004 zelf. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. De verzoekende partijen voeren in het tweede middel de schending aan van artikel 38, § 1, 3/, van het D.R.O., en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiverings-beginsel. De verzoekende partijen voeren verder ook machtsoverschrijding aan. Volgens de verzoekende partijen wordt ten onrechte gesteld dat het litigieuze perceel onmiddellijk aansluit bij andere gronden die als natuurgebied werden bestemd en er een samenhangend geheel mee uitmaakt, daar waar het perceel omringd is door bebouwde percelen en met die bebouwing één geheel uitmaakt, terwijl artikel 38, § 1, 3/, van het D.R.O. stelt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan een weergave van de feitelijke en juridische toestand bevat. Zij wijzen er tevens op dat de administratieve overheden hun beslissingen op een zorgvuldige wijze moeten nemen en derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel moeten eerbiedigen. Ten slotte stellen zij dat iedere administratieve overheid slechts beslissingen kan nemen op basis van juiste, correcte en rechtens aanvaardbare motieven die terug te vinden zijn in het administratief dossier. 3.2.2. De verwerende partij stelt hier in de memorie van antwoord tegenover dat uit een uittreksel van het gewestplan Veurne-Westkust blijkt dat het perceel van de verzoekende partijen langs drie van de vier zijden wordt omringd door natuurgebied en slechts aan één zijde door woongebied, en dat het feit dat het perceel wordt omringd door bebouwde percelen niet van aard is om een vernietiging van het bestreden besluit te rechtvaardigen. 3.2.3. De verzoekende partijen argumenteren in hun memorie van wederantwoord dat noch de juridische, noch de feitelijke toestand correct werd weergegeven en dat het de facto gaat om een stuk grond uit de bebouwde kom, "dat door drie volledig uitgeruste wegen wordt omsloten, waaronder een parking die in het hoogseizoen duizenden toeristen ontvangt en waarop eveneens een hoge constructie werd gebouwd die de avifauna eerder afschrikt dan beschermt". 3.2.4. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat hun vader "nog zeker tot de jaren 79 en 80 belast werd door de gemeente Koksijde, omdat de grond niet bebouwd was (...), en dat terwijl sedert het K.B. van VII-37.138-8/10 6 december 1976 houdende de vaststelling van het gewestplan Veurne-Westkust, de bewuste grond was ingedeeld bij natuurgebied". Ook betogen zij dat uit de luchtfoto met aanduidingen, die zich in het dossier bevindt, duidelijk blijkt dat het perceel niet aansluit bij een groter natuurgebied, maar wel degelijk is omringd door bebouwing die de bebouwde kom van de gemeente Koksijde uitmaakt. Zij noemen het "volstrekt onzinnig en rechtens onaanvaardbaar om een qu(
  4. a)oppervlakte bescheiden terrein een natuurbestemming te geven wetende dat het de facto om een stuk grond uit de bebouwde kom gaat, dat door drie volledig uitgeruste wegen wordt omsloten, waaronder een parking die in het hoogseizoen duizenden toeristen ontvangt en waarop eveneens een hoge constructie werd gebouwd die de avifauna eerder afschrikt dan beschermt, dit alles in de veronderstelling dat in die omstandigheden natuurwaarden zouden kunnen beschermd worden". Zij beklemtonen dat de natuurwaarde van de grond uitermate beperkt is zodat niet kan worden beweerd dat het om duingebied gaat. 3.2.5. De verzoekende partijen poneren in het verzoekschrift dat "ten onrechte wordt gesteld dat het litigieuze perceel onmiddellijk aansluit bij andere gronden die als natuurgebied werden bestemd en er een samenhangend geheel mee uitmaakt, daar waar het perceel omringd is door bebouwde percelen en met die bebouwing één geheel uitmaakt". Aldus tonen zij niet op concrete wijze aan dat het bestreden besluit uitgaat van een foutieve weergave. In elk geval blijkt bij de totstandkoming van dit besluit en meer bepaald ook uit de bespreking van het bezwaar van de verzoekende partijen, waarin reeds werd gesteld dat het perceel niet als natuurgebied maar wel als bouwgrond dient te worden beschouwd, dat de overheid geen verkeerde voorstelling heeft gemaakt van de omgeving van het perceel van de verzoekende partijen. In het bestreden besluit wordt onder meer verwezen naar de toelichtingsnota waarin diverse argumenten worden gegeven die de bestemming als natuurgebied verantwoorden, waaronder de feitelijke toestand op het terrein, de natuurwaarden, en de vaststelling dat dit over een grotere afstand langs de kustlijn zowat de enige plek is waar nog geen bebouwing is gerealiseerd tussen strandzone en achterliggende duinen. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de verwerende partij aldus op kennelijk onredelijke wijze zou hebben geoordeeld. Ook blijkt uit het bestreden besluit dat de verwerende partij wel degelijk tevens voor ogen had dat het perceel van de verzoekende partijen aansluit bij woonzones. Tegelijk wordt gemotiveerd waarom dit aspect van de zaak niet doorslaggevend is. Het feit dat het betrokken perceel in 1979 en 1980 werd belast als bouwgrond bewijst evenmin dat de gronden op het ogenblik waarop het bestreden besluit werd genomen in feite dit karakter hadden. De kritiek van de VII-37.138-9/10 verzoekende partijen komt neer op de kritiek ten aanzien van de beleidskeuze van de verwerende partij in het bestreden besluit om de percelen eerder te laten aansluiten bij de natuurwaarden. De verzoekende partijen tonen met hun kritiek niet aan dat het bestreden besluit zou zijn uitgegaan van een verkeerde voorstelling, noch maken zij aannemelijk dat de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze zou hebben gehandeld. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat artikel 38, § 1, 3/, van het D.R.O. zou zijn geschonden. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.138-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.