id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.788 Rolnummer: A. 188382/X-13791 Zaak: Arrest 187788 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.788 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.788 van 6 november 2008 in de zaak A. 188.382/X-13.791. In zake : 1. Stefan LIESENBORGS, 2. Jan SEGERS, 3. Hugo POELMANS, 4. Kathy WAELBURGS, 5. Rita GEUKENS, 6. Gerard LUTS, 7. Ferdinand LAENEN, 8. Danny LOUWET, 9. André JANSSENS, 10. Guido VANDERAERDEN, 11. Louis MEYEN, 12. Jozef MEYEN, 13. Marc DE MUYER, die woonplaats kiezen bij advocaat P. VERPOORTEN, kantoor houdende te 3945 OOSTHAM, Heldenplein 42 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Stefan LIESENBORGS, Jan SEGERS, Hugo POELMANS, Kathy WAELBURGS, Rita GEUKENS, Gerard LUTS, Ferdinand LAENEN, Danny LOUWET, André JANSSENS, Guido VANDERAERDEN, Louis MEYEN, Jozef MEYEN en Marc DE MUYER op 30 mei 2008 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 29 februari 2008 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’”; Gezien de nota van de verwerende partij; X-13.791-1/13 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VERPOORTEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 4 mei 2007 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’” voorlopig vast. Voornoemd plan heeft betrekking op een gebied dat volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen is deels in agrarisch gebied, landschappelijk waardevol agrarisch gebied, bosgebied en industriegebied. 1.2. De zesde en de zevende verzoekende partijen wonen in het voornoemde gebied, de andere verzoekende partijen wonen daar rond. 1.3. De verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het ontwerpplan stipuleren voor het gemengd regionaal bedrijventerrein, in artikel 1, in fine, wat volgt: X-13.791-2/13 “Aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning worden voor advies voorgelegd aan de gewestelijke dienst die bevoegd is voor de veiligheidsrapportering wanneer het voorwerp van de aanvraag tegelijk aan de onderstaande voorwaarden voldoet: - Het gaat over werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen voor een nieuwe inrichting die valt onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. - De geplande inrichting is gelegen binnen een straal van 2 km van een gebied waar wonen is toegelaten en ten minste vier niet-onteigende woongelegenheden gegroepeerd aanwezig of gepland zijn, of van een gebied waar een ziekenhuis of een school of een verzorgingsinstelling aanwezig of gepland is (...)”. 1.4. De toelichtingsnota bij voornoemd ontwerp bevat daaromtrent de volgende toelichting: “Sevesobedrijvigheid: deze bepaling slaat op alle inrichtingen die vallen onder toepassing van de Seveso-wetgeving, zowel hogedrempelinrichtingen als lagedrempelinrichtingen. Aanvragen die betrekking hebben op dergelijke inrichtingen worden voor advies voorgelegd aan de terzake bevoegde gewestelijke administratie”. 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek van 8 juni 2007 tot en met 6 augustus 2007, dienen een aantal van de verzoekende partijen een bezwaar in. Nog tijdens het openbaar onderzoek, met name bij brief van 25 juli 2007, laat het stadsbestuur van Beringen “Aan de omwonenden van de Kolenhaven” het volgende weten : “betreft: gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Gemengd Regionaal Bedrijventerrein Ravenshout-Noord’ Geachte Op initiatief van de Vlaamse overheid werd de procedure gestart voor opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Gemengd Regionaal Bedrijventerrein Ravenshout-Noord’. Een plannetje met de situering van het plangebied zie je aan keerzijde. Dit is een nadere uitwerking van de visie en de beslissing van de Vlaamse regering in kader van het Economisch Netwerk Albertkanaal met de bedoeling om bijkomende regionale bedrijventerreinen te voorzien langsheen hoogwaardige verkeers- en vervoersinfrastructuur (Albertkanaal - E313). Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beoogt de herbestemming van de huidige gewestplanbestemmingen industriegebied (0,4ha), agrarisch gebied (15,1 ha), landschappelijk waardevol agrarisch gebied (6,7
- ha)en bosgebied (3
- ha)naar de bestemmingszone ‘gemengd regionaal bedrijventerrein’. Vermits het hier gaat om een gewestelijk uitvoeringsplan heeft de stad geen beslissende bevoegdheid en kan de stad alleen een advies formuleren. Het schepencollege heeft in haar advies van 19 juli 2007 gesteld dat de leefbaarheid van het omliggende gebied een essentiële randvoorwaarde is voor de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein. X-13.791-3/13 Daarom dient er volgens de stad een afbouw van de bedrijfsactiviteiten te gebeuren naar de woonzone van de Olmsesteenweg. De bedrijfsgebouwen moeten beperkt zijn in omvang en hoogte en de activiteiten mogen niet belastend zijn voor de buurt. De bestaande wegen door woongebied mogen niet dienen als ontsluitingswegen. Dit houdt concreet in dat de aanleg van de N73 een essentiële voorwaarde is voor de ontsluiting van het ganse gebied. Komt de N73 er niet dan moet het regionaal bedrijventerrein er voor de stad ook niet komen. Via dit schrijven wenst het college de omwonenden persoonlijk in kennis te stellen van het openbaar onderzoek dat nog loopt tot 06 augustus 2007. Tot die datum kunnen opmerkingen en bezwaren overgemaakt worden aan de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II-laan 19 bus 11 te 1210 Brussel. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ligt ter inzage op de dienst ruimtelijke ordening van de stad Beringen, Mijnschoolstraat 88 te 3580 Beringen tijdens de openingsuren”. 1.6. Op 27 november 2007 verstrekt de VLACORO een advies omtrent voornoemd ontwerp, waarin de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren worden onderzocht. 1.7. Op 29 februari 2008 beslist de Vlaamse regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout- Noord’” definitief vast te stellen. Artikel 1, in fine, van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften alsmede de toelichting zijn identiek aan deze, horend bij het ontwerpplan. Dit is het bestreden besluit. 2. De grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3. De ernstige middelen 3.1. Eerste middel 3.1.1. Standpunt van de partijen X-13.791-4/13 3.1.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen” : “EERSTE MIDDEL: Het gevoerde openbaar onderzoek schendt de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen nu de Stad Beringen op 25.07.2007 een brief met misleidende informatie heeft gestuurd naar de omwonenden van het gebied, EN Nu nergens in het openbaar onderzoek aan de burgers werd meegedeeld dat het terrein aangewend zou worden voor de inplanting van SEVESO - inrichtingen. DOORDAT, Het schepencollege in haar brief d.d. 25.07.2007 stelt dat: ‘de leefbaarheid van het omliggende gebied een essentiële randvoorwaarde is voor de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein. Daarom dient er volgens de stad een afbouw van de bedrijfsactiviteiten te gebeuren naar de woonzone van de Olmsesteenweg. De bedrijfsgebouwen moeten beperkt zijn in omvang en de hoogte en de activiteiten mogen niet belastend zijn voor de buurt. De bestaande wegen door woongebied mogen niet dienen als ontsluitingswegen. Dit houdt concreet in dat de aanleg van de N73 een essentiële voorwaarde is voor de ontsluiting van het ganse gebied. Komt de N73 er niet dan m(o)et het regionaal bedrijventerrein er voor de stad ook niet komen’. Bovendien stelt de bestreden beslissing: ‘Overwegende dat in het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is goedgekeurd door de Dienst VR op 14.09.2007 wordt aangegeven dat het plangebied van het RUP Gemengd regionaal bedrijventerrein potenties biedt voor de vestiging van SEVESO - inrichtingen’. TERWIJL, Er op géén enkele manier in de brief van het schepencollege van de stad Beringen wordt aangegeven wat de waarde van dit advies is in de totale besluitvorming, namelijk dat dit advies in geen enkel opzicht bindend is, en zonder meer door de Vlaamse Regering naast zich neer kan gelegd worden, wat uiteindelijk ook gebeurd is. Voor veel inwoners was deze brief de enige manier dat zij in kennis gesteld werden van het lopende openbaar onderzoek, en daarbij kregen zij dan nog volkomen foutieve en misleidende informatie. Het beginsel van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen werd door de overheid met de voeten getreden, nu de Vlaamse regering, die toch het toezicht moet houden op de lokale overheden, de stad Beringen deze misleidende informatie ongestraft heeft laten verspreiden in het midden van een openbaar onderzoek voor zulk een ingrijpende planwijziging. Immers werd de indruk gewekt dat er uitsluitend bedrijfsgebouwen zouden mogen komen die beperkt zijn in omvang en hoogte en uitsluitend activiteiten mogen komen die niet belastend zijn voor de buurt. Noch het één, noch het ander is correcte informatie. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de ‘vertaling naar stedenbouwkundige voorschriften’ uit de toelichtingsnota bij het GRUP Ravenshout Noord (...): ‘Het terrein wordt ontwikkeld als een gemengd regionaal bedrijventerrein. Op een gemengd regionaal bedrijventerrein kunnen bedrijven gevestigd en X-13.791-5/13 uitgebaat worden die om ruimtelijke en milieuredenen niet verweefbaar (meer) zijn met een multifunctionele stedelijke of residentiele omgeving. Een regionaal bedrijf is een grootschalig bedrijf met belangrijke ruimtelijke impact op de omgeving op vlak van mobiliteit, uitzicht, omvangrijke ruimte-inname en potentieel in te bufferen effecten.’ Nochtans is dit alles nog bijzonder omfloerst weergegeven als men weet dat men in feite het gebied wil inrichten voor SEVESO - bedrijven. Nochtans stelt de bestreden beslissing van de Vlaamse regering uitdrukkelijk op pagina 2: ‘Overwegende dat in het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is goedgekeurd door de Dienst VR op 14.09.2007 wordt aangegeven dat het plangebied van het RUP Gemengd regionaal bedrijventerrein potenties biedt voor de vestiging van SEVESO - inrichtingen’. In de toelichtingsnota, die, in tegenstelling tot het Ruimtelijk Veiligheidsrapport wel door de burgers kon ingekeken worden bij het openbaar onderzoek bij het GRUP Ravenshout Noord, werd hieromtrent enkel gesteld (...): ‘De opmaak van een ruimtelijk veiligheidsrapport (RVR) is begin 2007 opgestart. De studie zal enerzijds een globale inschatting geven van de mogelijkheden tot preventie van zware ongevallen en beperkingen van gevolgen van dergelijke zware ongevallen voor het gehele ENA en anderzijds een concrete inschatting van de risico’s op zware ongevallen voor mens en milieu, specifiek vertaald naar dit plange(bied). Bedoeling is om met de eventuele ruimtelijke gevolgen ervan te kunnen rekening houden in de loop van de procedure.’ Op géén enkele manier blijkt hieruit dat men zinnens is het gebied in te kleuren als industriegebied voor SEVESO - inrichtingen. Het is dan ook niet ernstig en verregaand onzorgvuldig om een openbaar onderzoek te organiseren als een rapport met zulke essentiële informatie niet wordt meegedeeld. ZODAT De burgers misleid werden bij het openbaar onderzoek, enerzijds door het schrijven van de stad Beringen, anderzijds door het organiseren van het openbaar onderzoek zonder de burgers kennis (
- te)geven van de inhoud van de intussen parallel lopende Ruimtelijk Veiligheidsrapportage. Het middel is gegrond”. 3.1.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota als volgt : “Het eerste middel wordt genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen ‘nu de stad Beringen op 25.07.2007 een brief met misleidende informatie heeft gestuurd naar de omwonenden van het gebied’ en ‘nergens in het openbaar onderzoek aan de burgers werd meegedeeld dat het terrein aangewend zou worden voor de inplanting van SEVESO-inrichtingen’. - Het terrein wordt ontwikkeld als een gemengd regionaal bedrijventerrein. Op een gemengd regionaal bedrijventerrein kunnen bedrijven gevestigd en uitgebaat worden die om ruimtelijke of milieuredenen niet verweefbaar (meer) zijn met een multifunctionele stedelijke of residentiële omgeving. Een regionaal bedrijf is een grootschalig bedrijf met belangrijke ruimtelijke impact op de omgeving op vlak van mobiliteit, uitzicht, omvangrijke ruimte-inname en potentieel in te bufferen effecten. Regionaal verwijst niet naar de economische relaties of het verzorgingsgebied van het bedrijf. (...). X-13.791-6/13 Volgens de stedenbouwkundige voorschriften zijn SEVESO bedrijven toegelaten. Pagina 29 van de toelichtingsnota. SEVESO bedrijvigheid: Deze bepaling slaat op alle inrichtingen die vallen onder toepassing van de SEVESO wetgeving, zowel hogedrempelinrichtingen als lagedrempelinrichtingen. Aanvragen die betrekking hebben op dergelijke inrichtingen worden voor advies voorgelegd aan de terzake bevoegde gewestelijke administratie. Bij de beoordeling van deze aanvragen kan deze administratie zich baseren op de resultaten van het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is opgemaakt voor het plangebied. Deze bepalingen zijn opgenomen in de toelichtingsnota. De toelichtingsnota lag ter inzage tijdens het openbaar onderzoek. In de toelichtingsnota die ter inzage lag tijdens het openbaar onderzoek, werd ook reeds melding gemaakt van de opmaak van een ruimtelijk veiligheidsrapport. Het ruimtelijk veiligheidsrapport werd opgemaakt in het voorjaar van 2007. Het ruimtelijk veiligheidsrapport werd tijdens een toelichting aan de gemeenten op 29.06.2007 gepresenteerd en een specifieke nieuwsbrief werd verspreid over de resultaten van die studie onder meer naar de gemeenten. Het openbaar onderzoek werd gehouden van 08.06.2007 tot 06.08.2007. Pagina 2 van het overwegend gedeelte van het bestreden besluit: ‘Overwegende dat in het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is goedgekeurd door de dienst VR op 14 september 2007 wordt aangegeven dat het plangebied van het RUP Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’ potenties biedt voor de vestiging van ‘SEVESO-inrichtingen’; dat hiertoe in het ruimtelijk veiligheidsrapport zoneringskaarten zijn opgenomen die in het kader van de verdere inrichting kunnen worden gehanteerd;’ In de toelichtingsnota bij het RUP werden de conclusies van het ruimtelijk veiligheidsrapport overgenomen en wordt verwezen naar de zoneringskaarten die per type SEVESO bedrijvigheid werden opgemaakt. Het eerste middel is niet ernstig”. 3.1.2. Beoordeling De brief van 25 juli 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen, waarin volgens de verzoekende partijen “‘misleidende informatie” aan “de omwonenden van het gebied” zou zijn verstrekt, vermeldt uitdrukkelijk dat “vermits het hier gaat om een gewestelijk uitvoeringsplan (...) de stad geen beslissende bevoegdheid (heeft) en (...) de stad alleen een advies (kan) formuleren”, zodat de juridische geldingskracht van het in dit schrijven vervatte standpunt van het college de verzoekende partijen, op het eerste gezicht, genoegzaam bekend was. Voormeld document, evenmin als het nog niet bekend zijn van het veiligheidsrapport tijdens het openbaar onderzoek, vermocht de omwonenden te misleiden aangaande de mogelijkheid tot het vestigen van Seveso- bedrijven in het betrokken gebied. Uit het verordenend stedenbouwkundige voorschrift van het ontwerpplan en uit de daarbij horende toelichting mocht, op het eerste gezicht, immers op voldoende duidelijke wijze blijken dat de vestiging van X-13.791-7/13 Seveso-bedrijven in het gemengd regionaal bedrijventerrein geenszins was uitgesloten. De verzoekende partijen tonen voorts niet aan dat het openbaar onderzoek, tijdens hetwelk het voormelde voorschrift en de toelichting ter inzage lagen, de omwonenden niet op rechtsgeldige wijze ter kennis zou zijn gebracht. Het middel is niet ernstig. 3.2. Tweede middel 3.2.1. Standpunt van de partijen 3.2.1.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het ‘standstillbeginsel’ vervat in artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” : “TWEEDE MIDDEL: De bestreden beslissing schendt het ‘standstillbeginsel’ vervat in artikel 1.2.1, §2 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: ‘Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van het preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstillbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt’. DOORDAT, De bestreden beslissing een versoepeling inhoudt van de milieu - en ruimtelijke ordeningsregels die van toepassing zijn op het omgevormde gebied door 25,2 ha agrarisch gebied en bosgebied om te vormen naar industriegebied. TERWIJL, Het standstillbeginsel expliciet stelt dat het niveau van milieubescherming zoals geldend op het ogenblik van de invoering van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene beginselen van milieubeleid een minimumniveau is, zodat er niet langer wijzigingen van de geldende regels kunnen plaatsvinden die dit beschermingsniveau verder verlagen. Zie hieromtrent Deketelaere, K., Handboek Milieurecht, Die Keure, Brugge, 2001, 99: ‘Houdt in dat in het licht van de huidige slechte toestand van het milieu, minstens een verdere achteruitgang moet worden tegengegaan.’ Verzoekers menen dan ook dat een toepassing van het standstillbeginsel ofwel inhoudt dat een omvorming van gebieden waarbij de milieu - en ruimtelijke ordeningsregels versoepeld worden, niet langer mogelijk is, ofwel dat deze minstens gecompenseerd moeten worden door een verstrenging van de regels elders, zodat het globale niveau van milieubescherming in het vlaamse Gewest niet uitgehold wordt. In dit opzicht schendt de bestreden beslissing beide interpretaties van het standstillbeginsel, nu noch de concrete, noch de globale interpretatie van het beginsel gerespecteerd wordt. X-13.791-8/13 Het spreekt immers voor zich dat zelfs de meest soepele interpretatie van het standstillbeginsel vooropstelt dat een onmiddellijke en directe compensatie voor een lokale verspoeling in de vorm van een lokale verstrenging elders dient in te houden. Zo niet is er uiteraard sprake van een achteruitgang van het beschermingsniveau van het leefmilieu. Gezien de kenmerkende traagheid van de Vlaamse politiek als het op zulk een verstrengingen van de milieubescherming aankomt (of althans de uitvoering ervan, zie dienaangaande het mestdossier, het dossier van de broeikasgasemissies, de compenserende bebossing bij ontbossing, het herstelbeleid gevoerd ten aanzien van overtredingen van de stedenbouwwetgeving, enz.), is enkel deze directe koppeling van een versoepeling aan een verstrenging elders verenigbaar met deze minst strenge interpretatie van het standstillbeginsel. ZODAT, Deze beslissing een verdere verlaging van het milieubeschermingsniveau in het Vlaamse Gewest vormt, en daarmee artikel 1.2.1, §2 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid schendt. Het middel is gegrond”. 3.2.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota wat volgt : “- In het Decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt geformuleerd dat, voor het bereiken van een hoog beschermingsniveau, de maatschappelijke impact op het leefmilieu dient gestuurd te worden door de volgende beginselen : • het voorzorgsbeginsel; • het beginsel van preventief handelen; • het beginsel van de voorkeur voor brongerichte maatregelen; • het beginsel dat de vervuiler betaalt; • het integratiebeginsel; • het stand-still beginsel. Het ‘stand-still beginsel’ houdt in dat de huidige toestand niet verslechtert en dat natuurwaarden of milieuomstandigheden die gunstige voorwaarden kunnen scheppen voor natuur (b.v. een natuurlijk meanderend beektraject) beschermd worden voor toekomstige generaties. Om een vergrijzing van het leefmilieu tegen te gaan dienen gebieden die nu nog een hoge kwaliteit bereiken, beschermd te worden. Het stand-still beginsel betekent niet enkel een bescherming tegen ‘nieuwe’ ingrepen, die de milieu- en natuurkwaliteit kunnen bedreigen, maar ook het opzetten van actieve beschermings- en herstelprogramma’s om de milieukwaliteit en de biodiversiteit blijvend te garanderen. Het behouden van een milieukwaliteit kan onder andere betekenen dat een aantal ingrepen afgebouwd moeten worden of dat er strengere randvoorwaarden gesteld moeten worden ten aanzien van een gebruiksfunctie. (...) ‘De standstill- en integratiebeginselen laten een ruime appreciatiebevoegdheid toe in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid niet lijken in te houden dat de bestemmingsvoorschriften die zijn voorzien in een plan van aanleg, wat de natuur-en grondgebieden, betreft, op grond van deze beginselen nooit kunnen worden gewijzigd;’ Er bestond voor dit gebied (een) project MER. Op basis hiervan en de voorbereidende documenten vanuit het planningsproces ENA is een nota opgemaakt voor de ontheffing van de plan MER plicht. De dienst MER heeft deze ontheffingsaanvraag positief beoordeeld. Het tweede middel is niet ernstig”. X-13.791-9/13 3.2.2. Beoordeling 3.2.2.1. Het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, luidt als volgt : “§ 2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt”. De verzoekende partijen gaan in hun middel voorbij aan het bepaalde in artikel 1.2.1, § 3 van het voormelde decreet, dat luidt als volgt: “§ 3. De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. 3.2.2.2. Uit de wetsgeschiedenis van de betrokken bepalingen blijkt dat, wat het in § 2 vervatte standstill-beginsel betreft, dit bij amendement werd ingevoegd bij de overige in voornoemde paragraaf vervatte algemene principes (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-2, 2). Wat deze algemene beginselen betreft, is in § 3 bepaald dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Luidens de memorie van toelichting impliceert dit dat o.m. een afweging van de sociaal-economische gevolgen van het milieubeleid noodzakelijk is (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 25). Ter zake blijkt nog uit de memorie van toelichting dat “het voor de Vlaamse regering overigens evident (
- is)dat in de praktijk van het milieubeleid rekening gehouden wordt met de sociaal-economische implicaties ervan” (ibid.) en, wat het in § 3 vervatte integratiebeginsel betreft, dit beginsel inhoudt dat de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid geïntegreerd moeten worden in de andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest (ibid.). Luidens de memorie van toelichting was de Vlaamse regering van oordeel dat “uitdrukkelijk moet bepaald worden dat aan het milieuvraagstuk een belangrijke plaats moet toekomen, ook in de andere beleidsdomeinen”, dat “hiermee wordt onderstreept dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de milieubelangen”, maar dat “waar precies deze X-13.791-10/13 milieubelangen moeten geplaatst worden op de schaal van de beleids-prioriteiten (...) niet (wordt) gezegd”, en dat “in bepaalde gevallen (
- ze)zullen (...) moeten wijken voor andere, meer essentieel geachte beleids-prioriteiten” (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 26). Uit het voorgaande blijkt op het eerste gezicht dat het aangehaalde standstillbeginsel een ruime appreciatiebevoegdheid toelaat in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en dit inzonderheid niet lijkt in te houden dat een agrarisch gebied of bosgebied, dat, zoals in casu, in een gewestplan is voorzien, op grond van dit beginsel nooit zou kunnen gewijzigd worden. Evenmin lijkt dit beginsel, op het eerste gezicht, een onmiddellijke en directe verplichting tot compensatie van een lokale versoepeling in de vorm van een lokale verstrenging elders in te houden. 3.2.2.3. Waar de verzoekende partijen in een niet in het procedurereglement voorziene, en derhalve uit de debatten te weren, brief van 16 september 2008 aan het auditoraat, alsook ter terechtzitting, nog aanvoeren dat zij “de Vlaamse wetgeving (...) niet conform (achten) met het grondwettelijk standstillbeginsel (artikel 23, 4e GW) en de interpretatie die het Grondwettelijk Hof hieraan geeft”, dient hun middel als een niet-ontvankelijke wettigheidskritiek verworpen te worden. Het middel is niet ernstig. 3.3. Derde middel 3.3.1. Standpunt van de partijen 3.3.1.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat “de op 31.03.2008 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde beslissing (...) niet de beslissing (
- is)genomen door de Vlaamse Regering op 29.02.2008” : “DOORDAT, De beslissing genomen door de Vlaamse Regering op 29.02.2008 in art. 1 stelt: ‘Het bij dit besluit gevoegde ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport en logistiek ‘Genenbos’ wordt definitief vastgesteld.’ TERWIJL, De op 31.03.2008 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde beslissing in art. 1 echter stelt: ‘Het bij dit besluit gevoegde ruimtelijk uitvoeringsplan Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout Noord’ wordt definitief vastgesteld.’ X-13.791-11/13 ZODAT, De gepubliceerde beslissing onwettig is, nu zij blijkbaar nooit door de Vlaamse Regering is genomen. Het middel is gegrond”. 3.3.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota wat volgt : “(...) Bij besluit van 29.02.2008 van de Vlaamse Regering werd het GRUP Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’ definitief vastgesteld: (...) Artikel 1: Het bij dit besluit gevoegde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’ wordt definitief vastgesteld. Het besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31.03.2008: (....) Artikel 1: Het bij dit besluit gevoegde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Ravenshout-Noord’ wordt definitief vastgesteld. Ook het derde middel is niet ernstig”. 3.3.2. Beoordeling Uit het door de minister-president van de Vlaamse Regering en de viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening ondertekend besluit van 29 februari 2008 mag, op het eerste gezicht, blijken dat het derde middel van de verzoekende partijen feitelijke grondslag mist. 3.4. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.791-12/13 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2008, door : de H. S. DE TAEYE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. S. DE TAEYE. X-13.791-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.788 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div