id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.789 Rolnummer: A. 188724/X-13820 Zaak: Arrest 187789 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.789 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.789 van 6 november 2008 in de zaak A. 188.724/X-13.820. In zake : 1. Omer MATTHEEUWS, 2. Nele DERUYTER, 3. Sabine VERGAUWE, die woonplaats kiezen bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Casinoplein 19 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de b.v.b.a. MASI, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 113. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Omer MATTHEEUWS, Nele DERUYTER en Sabine VERGAUWE op 26 juni 2008 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 13 december 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de b.v.b.a. MASI ingesteld tegen het besluit van 26 september 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins houdende afgifte van de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een mestverwerkingsinstallatie met lagune op een perceel gelegen te Sint-Laureins, Kruiskenstraat 27, kadastraal bekend sectie C, nrs. 194/k en 202/m, wordt ingewilligd en de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; X-13.820-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. STEENHAUT, die loco advocaat F. CORYN verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 11 juli 2008 heeft de b.v.b.a. MASI gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. De feiten 2.1. De betwisting betreft de bouw van een mestverwerkingsinstallatie aan de Kruiskensstraat in Sint-Laureins. De installatie zou door de tussenkomende partij worden gebouwd aansluitend bij een bestaande varkenshouderij met 2400 varkens, die volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter in agrarisch gebied ligt. De drie verzoekende partijen wonen in hetzelfde agrarisch gebied. De eerste en de tweede verzoekende partij zijn ‘aanpalenden’ van het kwestieuze perceel en de derde verzoekende partij woont op ongeveer 350 meter van de kwestieuze inrichting. X-13.820-2/12 2.2. Op 20 maart 2007 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in en op 18 juni 2007 een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Over die laatste aanvraag adviseert het departement Landbouw en Visserij gunstig; de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar adviseert eveneens gunstig, op voorwaarde dat er enkel mest wordt verwerkt van veeteeltinrichtingen geëxploiteerd door de aanvragende vennootschap. 2.3. Op 6 september 2007 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de eerder gevraagde milieuvergunning. Er worden verscheidene administratieve beroepen ingediend tegen de milieuvergunning, onder meer door derde verzoekster. 2.4. Op 26 september 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, onder de voorwaarde dat enkel mest mag worden verwerkt van bedrijven die door de tussenkomende partij worden geëxploiteerd. De tussenkomende partij tekent tegen deze voorwaarde een administratief beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 2.5. De provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar adviseert de gewraakte voorwaarde te schrappen. Op 13 december 2007 wordt de bestreden beslissing genomen. De deputatie verleent de stedenbouwkundige vergunning zonder de bestreden voorwaarde en op grond van een tijdens de beroepsprocedure gewijzigd plan. Dit is het bestreden besluit. 3. De ontvankelijkheid De tussenkomende partij betwist de tijdigheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.820-3/12 4. De grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.1. Standpunt van de partijen 5.1.1. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift het volgende moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan: “(...) De eerste verzoeker heeft vanuit zijn woning - en derhalve vanuit zijn tuin - een rechtstreeks zicht op de plaats waar de inrichting zal worden geëxploiteerd (ongeveer 40 meter)(...). Ook de tuin van de tweede verzoekster heeft een rechtstreeks zicht op de plaats waar de mestverwerkingsinstallatie zal worden ingeplant (...). Vanuit het gezichtspunt van deze verzoekers, zou de vergunde constructie op geen slechtere plaats kunnen worden ingeplant, dan waar dit thans het geval is. Gelet op de aard en de omvang van de op te richten bouwwerken zal hun zicht op ernstige wijze worden belemmerd en gehinderd. Zij zullen een rechtstreeks zicht krijgen op de muur die wordt gecreëerd tussen het open landschap en hun eigendom. Deze visuele hinder vormt een belangrijk en persoonlijk nadeel. Deze verzoekers welke onmiddellijk grenzen aan de bouwplaats mochten erop vertrouwen dat de vergunningverlenende overheid de landschapswaarde zou vrijwaren en geen storende ingrepen zou toelaten. Het contrast kan eigenlijk niet groter zijn! De nieuwe inrichting betekent een verandering van landschap en aanslag op de ecologie van het gebied, die moeilijk te herstellen zullen zijn (...). 2. De oprichting van een mestverwerkingsinstallatie vormt een storende ingreep die de ecologie van het gebied in gevaar zal brengen. De mestverwerkingsinstallatie met loods, bekkens en lagune (2.788 m²) zal - tengevolge van haar oprichting midden in het gave open landschap (...) - immers niet alleen visuele hinder met zich meebrengen voor de verzoekers, maar ook lawaai- (enerzijds afkomstig van de centrifuge en de surpressor en anderzijds in de vorm van periodiek transport) en geurhinder. 3. Er zal dan ook ontegensprekelijk voor alle verzoekers een geurhinder zijn. Het gaat om diverse vormen van luchtverontreiniging waartoe kunnen gerekend worden de geur en stank door de opslag van de mest. Voorts is er de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën, ziektekiemen. 4. Daarnaast zal de exploitatie van dergelijke omvangrijke inrichting een aanzienlijke mate van lawaaihinder veroorzaken als gevolg van de centrifuge, X-13.820-4/12 de surpressor, de pompen en het dagelijkse vrachtwagentransport van en naar het bedrijf (laden en lossen van vrachtwagens). Dit alles zal een niet te vermijden lawaaihinder veroorzaken. Dat de lawaaihinder als reëel kan worden beschouwd, mag blijken uit de voorwaarde opgelegd in het aangevochten milieuvergunningsbesluit (...) waarbij een akoestische controlemeting wordt opgelegd. De aanslag op de ecologie en landschap enerzijds en de aantasting van het woonklimaat van verzoekers anderzijds noodzaken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunde activiteit dient te worden geschorst om een moeilijk te herstellen nadeel te vermijden (...). 5. Dat van de verzoekers een grotere tolerantie mag worden gevraagd ten opzichte van ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beoogde inrichting toch groot te noemen is. 6. In ieder geval maken de verzoekende partijen op goede gronden aannemelijk dat zij nadeel zullen ondervinden door ernstige visuele hinder, geurhinder en geluidsoverlast (door de exploitatie van de inrichting) door de op te richten mestverwerkingsinstallatie met lagune in het gave open landschap. De verzoekers tonen aan dat zij beschikken over het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen vorderen. 7. Dat met de aanleg van een groenscherm door een beplanting met streekeigen bomen en struiken ter hoogte van de loods en deelbekkens en op de dijkwanden van de lagune - hetgeen ‘de integratie van het project zou bevorderen’ - dat ‘alles zou goedmaken’ geen rekening kan worden gehouden nu dit een lapmiddel blijkt te zijn om te verbergen wat de overheid zelf als hinderlijk aanziet. 8. Voorts is het zo dat wanneer dergelijke constructies er eenmaal staan, zelfs met een latere schorsing en vernietiging, dan nog de weg lang en moeilijk is naar een eventueel herstel in de oorspronkelijke staat. De verzoekers zullen moeten kunnen rekenen op de medewerking van de betrokken overheden bij de uitvoering van een annulatiearrest. Deze medewerking verloopt in de praktijk niet gemakkelijk. Bovendien is er een menselijk en financieel probleem: een gebouw doen afbreken dat er reeds staat, van een buur, is een zware opgave. Beter is het te voorkomen. Dit is zowel in het belang van de verzoekers als van de bouwheer, als de vergunning immers toch niet wettig is verleend”. 5.1.2. De verwerende partij antwoordt wat betreft de aangevoerde geurhinder wat volgt : “(...) Zelfs in de veronderstelling dat de mestverwerkingsinstallatie geurhinder zou veroorzaken, wat door verzoekende partijen niet wordt aangetoond, dan nog zou deze hinder niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden vergunning. Via de stedenbouwkundige vergunning wordt er immers enkel een constructie vergund. De exploitatie, die de opslag en verwerking van mest mogelijk maakt, wordt vergund via de milieuvergunning. De milieuvergunning sluit geurhinder overigens uit (...). De vrees voor de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen is totaal ongegrond en op geen enkel feitelijk gegeven gebaseerd”. X-13.820-5/12 Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde lawaaihinder betreft, stelt de verwerende partij wat volgt : “Ook deze activiteiten, voor zover ze al hinder zouden veroorzaken - quod non, betreffen elementen die niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden stedenbouwkundige vergunning, aangezien ze vergund worden via de milieuvergunning. Overigens worden in deze milieuvergunning de nodige maatregelen voorzien om lawaaihinder te voorkomen”. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde visuele hinder betreft, stelt de verwerende partij het volgende : “Verzoekers tonen evenmin aan dat zij werkelijk visuele hinder ondervinden. De bewering dat eerste verzoeker vanuit zijn woning slechts op 40 m van de inrichting is verwijderd, is onjuist. De milieuvergunning vermeldt daarover: ... ‘dat de dichtste woning is gelegen op een afstand van circa 125 meter van de geplande mestverwerkingsinstallatie zelf’ (...). Op de uitprint van GIS-kaart ziet men duidelijk de bestaande situatie. De uitbreiding van de inrichting is achter de twee bestaande hangars voorzien (...). Uit dit bovenaanzicht blijkt onmiskenbaar dat noch vanuit de woning van eerste verzoeker (Kruiskenstraat 29a), noch van tweede verzoekster (Kruiskenstraat 25), en al zeker niet vanuit de woning van derde verzoekster (Kruiskenstraat 36 - aan de overkant van de straat) een storend zicht ontstaat op de uitbreiding van de inrichting. Bovendien worden de geplande bouwwerken volledig geïntegreerd door een groenscherm. Eerste en tweede verzoekers behouden hun volle uitzicht op het verlengde van hun tuin. Wanneer zij in de richting van het landbouwbedrijf kijken, zullen zij in het verlengde van de twee bestaande hangars een groenscherm zien. Deze situatie kan geenszins als hinderlijk worden aanzien”. 5.1.3. De tussenkomende partij noemt in haar verzoekschrift tot tussenkomst de aangevoerde ernstige visuele hinder ‘flagrant in strijd (...) met de werkelijkheid’ en betoogt voorts wat volgt : “Uit stuk 16 blijkt duidelijk dat de woning van verzoeker sub 1 op minstens 140 meter is gelegen van de plaats waarop de inplanting zal worden voorzien. Daarenboven blijkt uit stuk 15 duidelijk dat verzoeker sub 1 geenszins zicht kan hebben op de plaats van inplanting. De woning van verzoeker sub 1 is immers heden niet zichtbaar vanop de plaats van inplanting van de installatie. De mestverwerking zal in casu immers volledig weggestopt zijn achter de bestaande varkensstal die op perceel nr. 202 O is opgericht en dus volledig onttrokken zijn aan het zicht van verzoeker sub 1. Vanuit de tuin zal verzoeker sub 1 ten hoogste zicht hebben op een beperkt deel van de zijgevel van de bekkens van de verwerkingsinstallatie, die onmiddellijk aansluiten op de bestaande varkensstallen. Teneinde de visuele hinder te beperken, zullen deze bekkens 2 meter worden ingegraven in de grond X-13.820-6/12 en (omgeven) worden met een groenscherm. Dit is gemotiveerd in de thans bestreden beslissing: ‘De voorgestelde inplantingsplaats achter de bestaande bedrijfsgebouwen qua diepte aanvaardbaar is omdat op deze manier de afstand tussen de installatie en de omgevende residentiële bebouwing maximaal is. De vraag rijst of een inplanting haaks op de weg te verkiezen is boven een inplanting dwars op de weg. Op het niveau van het perceel is de voorgestelde inplanting de meest toekomstgerichte, er worden immers geen ontwikkelingsmogelijkheden gehypothekeerd. Op een hoger schaalniveau, het niveau van de omgeving wordt door de voorgestelde inplantingswijze dieper ingesneden in het landelijk gebied dan een haakse inplantingswijze. De voorgestelde inplantingswijze versterkt de repelvormige perceelsstructuur in deze omgeving, de hoogte, omvang en karakter van de diepst gelegen voorziening - de lagune - en de grote afstand tussen de twee parallel lopende wegen resulteert er evenwel in dat de lagune grotendeels zal opgaan in het landschap waardoor een dwarse inplantingswijze geen wezenlijk voordeel zal betekenen in de integreerbaarheid in het landschap. Dit kan nu reeds vastgesteld worden bij een vergelijkbare bebouwingswijze meer naar het westen.’ Dit blijkt tevens uit de milieuvergunning: ‘Overwegende dat de betonnen bekkens een hoogte zullen hebben van 5,4 meter; dat deze ongeveer twee meter in de grond zullen zitten; dat de bekkens derhalve ongeveer 3,4 meter boven het maaiveld zullen uitsteken; dat er een groenscherm zal worden aangelegd rondom de installatie; dat dit tevens wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing; dat zodoende mede gelet op de inplanting van de installatie vlak achter de bestaande varkensstallen, de nieuwe installatie geen visuele hinder met zich zal brengen.’ Voor het overige zal verzoeker sub 1 zicht hebben op de lagune, die beperkt boven het maaiveld uitsteekt, die zal worden omwald met berm, die op zijn beurt is omgeven met streekeigen beplanting. Dit blijkt uit de bestreden beslissing: ‘dat het aangewezen is dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpasbaarheid; dat uit de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins blijkt dat de lagune zal worden omrand door een berm van vier meter hoog, waarvan de wanden zullen worden beplant met streekeigen bomen en struiken; Dat de mestverwerkingsinstallatie wordt voorzien achter alle bestaande bebouwing, zo ver mogelijk van de naburige woningen; dat zodoende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.