← België

Arrest 187789 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.789 Rolnummer: A. 188724/X-13820 Zaak: Arrest 187789 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.789 van 6 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.789 van 6 november 2008 in de zaak A. 188.724/X-13.820. In zake : 1. Omer MATTHEEUWS, 2. Nele DERUYTER, 3. Sabine VERGAUWE, die woonplaats kiezen bij advocaat F. CORYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Casinoplein 19 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de b.v.b.a. MASI, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 113. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Omer MATTHEEUWS, Nele DERUYTER en Sabine VERGAUWE op 26 juni 2008 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 13 december 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de b.v.b.a. MASI ingesteld tegen het besluit van 26 september 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins houdende afgifte van de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een mestverwerkingsinstallatie met lagune op een perceel gelegen te Sint-Laureins, Kruiskenstraat 27, kadastraal bekend sectie C, nrs. 194/k en 202/m, wordt ingewilligd en de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; X-13.820-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. STEENHAUT, die loco advocaat F. CORYN verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 11 juli 2008 heeft de b.v.b.a. MASI gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. De feiten 2.1. De betwisting betreft de bouw van een mestverwerkingsinstallatie aan de Kruiskensstraat in Sint-Laureins. De installatie zou door de tussenkomende partij worden gebouwd aansluitend bij een bestaande varkenshouderij met 2400 varkens, die volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter in agrarisch gebied ligt. De drie verzoekende partijen wonen in hetzelfde agrarisch gebied. De eerste en de tweede verzoekende partij zijn ‘aanpalenden’ van het kwestieuze perceel en de derde verzoekende partij woont op ongeveer 350 meter van de kwestieuze inrichting. X-13.820-2/12 2.2. Op 20 maart 2007 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in en op 18 juni 2007 een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Over die laatste aanvraag adviseert het departement Landbouw en Visserij gunstig; de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar adviseert eveneens gunstig, op voorwaarde dat er enkel mest wordt verwerkt van veeteeltinrichtingen geëxploiteerd door de aanvragende vennootschap. 2.3. Op 6 september 2007 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de eerder gevraagde milieuvergunning. Er worden verscheidene administratieve beroepen ingediend tegen de milieuvergunning, onder meer door derde verzoekster. 2.4. Op 26 september 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, onder de voorwaarde dat enkel mest mag worden verwerkt van bedrijven die door de tussenkomende partij worden geëxploiteerd. De tussenkomende partij tekent tegen deze voorwaarde een administratief beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 2.5. De provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar adviseert de gewraakte voorwaarde te schrappen. Op 13 december 2007 wordt de bestreden beslissing genomen. De deputatie verleent de stedenbouwkundige vergunning zonder de bestreden voorwaarde en op grond van een tijdens de beroepsprocedure gewijzigd plan. Dit is het bestreden besluit. 3. De ontvankelijkheid De tussenkomende partij betwist de tijdigheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. X-13.820-3/12 4. De grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.1. Standpunt van de partijen 5.1.1. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift het volgende moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan: “(...) De eerste verzoeker heeft vanuit zijn woning - en derhalve vanuit zijn tuin - een rechtstreeks zicht op de plaats waar de inrichting zal worden geëxploiteerd (ongeveer 40 meter)(...). Ook de tuin van de tweede verzoekster heeft een rechtstreeks zicht op de plaats waar de mestverwerkingsinstallatie zal worden ingeplant (...). Vanuit het gezichtspunt van deze verzoekers, zou de vergunde constructie op geen slechtere plaats kunnen worden ingeplant, dan waar dit thans het geval is. Gelet op de aard en de omvang van de op te richten bouwwerken zal hun zicht op ernstige wijze worden belemmerd en gehinderd. Zij zullen een rechtstreeks zicht krijgen op de muur die wordt gecreëerd tussen het open landschap en hun eigendom. Deze visuele hinder vormt een belangrijk en persoonlijk nadeel. Deze verzoekers welke onmiddellijk grenzen aan de bouwplaats mochten erop vertrouwen dat de vergunningverlenende overheid de landschapswaarde zou vrijwaren en geen storende ingrepen zou toelaten. Het contrast kan eigenlijk niet groter zijn! De nieuwe inrichting betekent een verandering van landschap en aanslag op de ecologie van het gebied, die moeilijk te herstellen zullen zijn (...). 2. De oprichting van een mestverwerkingsinstallatie vormt een storende ingreep die de ecologie van het gebied in gevaar zal brengen. De mestverwerkingsinstallatie met loods, bekkens en lagune (2.788 m²) zal - tengevolge van haar oprichting midden in het gave open landschap (...) - immers niet alleen visuele hinder met zich meebrengen voor de verzoekers, maar ook lawaai- (enerzijds afkomstig van de centrifuge en de surpressor en anderzijds in de vorm van periodiek transport) en geurhinder. 3. Er zal dan ook ontegensprekelijk voor alle verzoekers een geurhinder zijn. Het gaat om diverse vormen van luchtverontreiniging waartoe kunnen gerekend worden de geur en stank door de opslag van de mest. Voorts is er de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën, ziektekiemen. 4. Daarnaast zal de exploitatie van dergelijke omvangrijke inrichting een aanzienlijke mate van lawaaihinder veroorzaken als gevolg van de centrifuge, X-13.820-4/12 de surpressor, de pompen en het dagelijkse vrachtwagentransport van en naar het bedrijf (laden en lossen van vrachtwagens). Dit alles zal een niet te vermijden lawaaihinder veroorzaken. Dat de lawaaihinder als reëel kan worden beschouwd, mag blijken uit de voorwaarde opgelegd in het aangevochten milieuvergunningsbesluit (...) waarbij een akoestische controlemeting wordt opgelegd. De aanslag op de ecologie en landschap enerzijds en de aantasting van het woonklimaat van verzoekers anderzijds noodzaken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de vergunde activiteit dient te worden geschorst om een moeilijk te herstellen nadeel te vermijden (...). 5. Dat van de verzoekers een grotere tolerantie mag worden gevraagd ten opzichte van ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beoogde inrichting toch groot te noemen is. 6. In ieder geval maken de verzoekende partijen op goede gronden aannemelijk dat zij nadeel zullen ondervinden door ernstige visuele hinder, geurhinder en geluidsoverlast (door de exploitatie van de inrichting) door de op te richten mestverwerkingsinstallatie met lagune in het gave open landschap. De verzoekers tonen aan dat zij beschikken over het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen vorderen. 7. Dat met de aanleg van een groenscherm door een beplanting met streekeigen bomen en struiken ter hoogte van de loods en deelbekkens en op de dijkwanden van de lagune - hetgeen ‘de integratie van het project zou bevorderen’ - dat ‘alles zou goedmaken’ geen rekening kan worden gehouden nu dit een lapmiddel blijkt te zijn om te verbergen wat de overheid zelf als hinderlijk aanziet. 8. Voorts is het zo dat wanneer dergelijke constructies er eenmaal staan, zelfs met een latere schorsing en vernietiging, dan nog de weg lang en moeilijk is naar een eventueel herstel in de oorspronkelijke staat. De verzoekers zullen moeten kunnen rekenen op de medewerking van de betrokken overheden bij de uitvoering van een annulatiearrest. Deze medewerking verloopt in de praktijk niet gemakkelijk. Bovendien is er een menselijk en financieel probleem: een gebouw doen afbreken dat er reeds staat, van een buur, is een zware opgave. Beter is het te voorkomen. Dit is zowel in het belang van de verzoekers als van de bouwheer, als de vergunning immers toch niet wettig is verleend”. 5.1.2. De verwerende partij antwoordt wat betreft de aangevoerde geurhinder wat volgt : “(...) Zelfs in de veronderstelling dat de mestverwerkingsinstallatie geurhinder zou veroorzaken, wat door verzoekende partijen niet wordt aangetoond, dan nog zou deze hinder niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden vergunning. Via de stedenbouwkundige vergunning wordt er immers enkel een constructie vergund. De exploitatie, die de opslag en verwerking van mest mogelijk maakt, wordt vergund via de milieuvergunning. De milieuvergunning sluit geurhinder overigens uit (...). De vrees voor de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen is totaal ongegrond en op geen enkel feitelijk gegeven gebaseerd”. X-13.820-5/12 Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde lawaaihinder betreft, stelt de verwerende partij wat volgt : “Ook deze activiteiten, voor zover ze al hinder zouden veroorzaken - quod non, betreffen elementen die niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden stedenbouwkundige vergunning, aangezien ze vergund worden via de milieuvergunning. Overigens worden in deze milieuvergunning de nodige maatregelen voorzien om lawaaihinder te voorkomen”. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde visuele hinder betreft, stelt de verwerende partij het volgende : “Verzoekers tonen evenmin aan dat zij werkelijk visuele hinder ondervinden. De bewering dat eerste verzoeker vanuit zijn woning slechts op 40 m van de inrichting is verwijderd, is onjuist. De milieuvergunning vermeldt daarover: ... ‘dat de dichtste woning is gelegen op een afstand van circa 125 meter van de geplande mestverwerkingsinstallatie zelf’ (...). Op de uitprint van GIS-kaart ziet men duidelijk de bestaande situatie. De uitbreiding van de inrichting is achter de twee bestaande hangars voorzien (...). Uit dit bovenaanzicht blijkt onmiskenbaar dat noch vanuit de woning van eerste verzoeker (Kruiskenstraat 29a), noch van tweede verzoekster (Kruiskenstraat 25), en al zeker niet vanuit de woning van derde verzoekster (Kruiskenstraat 36 - aan de overkant van de straat) een storend zicht ontstaat op de uitbreiding van de inrichting. Bovendien worden de geplande bouwwerken volledig geïntegreerd door een groenscherm. Eerste en tweede verzoekers behouden hun volle uitzicht op het verlengde van hun tuin. Wanneer zij in de richting van het landbouwbedrijf kijken, zullen zij in het verlengde van de twee bestaande hangars een groenscherm zien. Deze situatie kan geenszins als hinderlijk worden aanzien”. 5.1.3. De tussenkomende partij noemt in haar verzoekschrift tot tussenkomst de aangevoerde ernstige visuele hinder ‘flagrant in strijd (...) met de werkelijkheid’ en betoogt voorts wat volgt : “Uit stuk 16 blijkt duidelijk dat de woning van verzoeker sub 1 op minstens 140 meter is gelegen van de plaats waarop de inplanting zal worden voorzien. Daarenboven blijkt uit stuk 15 duidelijk dat verzoeker sub 1 geenszins zicht kan hebben op de plaats van inplanting. De woning van verzoeker sub 1 is immers heden niet zichtbaar vanop de plaats van inplanting van de installatie. De mestverwerking zal in casu immers volledig weggestopt zijn achter de bestaande varkensstal die op perceel nr. 202 O is opgericht en dus volledig onttrokken zijn aan het zicht van verzoeker sub 1. Vanuit de tuin zal verzoeker sub 1 ten hoogste zicht hebben op een beperkt deel van de zijgevel van de bekkens van de verwerkingsinstallatie, die onmiddellijk aansluiten op de bestaande varkensstallen. Teneinde de visuele hinder te beperken, zullen deze bekkens 2 meter worden ingegraven in de grond X-13.820-6/12 en (omgeven) worden met een groenscherm. Dit is gemotiveerd in de thans bestreden beslissing: ‘De voorgestelde inplantingsplaats achter de bestaande bedrijfsgebouwen qua diepte aanvaardbaar is omdat op deze manier de afstand tussen de installatie en de omgevende residentiële bebouwing maximaal is. De vraag rijst of een inplanting haaks op de weg te verkiezen is boven een inplanting dwars op de weg. Op het niveau van het perceel is de voorgestelde inplanting de meest toekomstgerichte, er worden immers geen ontwikkelingsmogelijkheden gehypothekeerd. Op een hoger schaalniveau, het niveau van de omgeving wordt door de voorgestelde inplantingswijze dieper ingesneden in het landelijk gebied dan een haakse inplantingswijze. De voorgestelde inplantingswijze versterkt de repelvormige perceelsstructuur in deze omgeving, de hoogte, omvang en karakter van de diepst gelegen voorziening - de lagune - en de grote afstand tussen de twee parallel lopende wegen resulteert er evenwel in dat de lagune grotendeels zal opgaan in het landschap waardoor een dwarse inplantingswijze geen wezenlijk voordeel zal betekenen in de integreerbaarheid in het landschap. Dit kan nu reeds vastgesteld worden bij een vergelijkbare bebouwingswijze meer naar het westen.’ Dit blijkt tevens uit de milieuvergunning: ‘Overwegende dat de betonnen bekkens een hoogte zullen hebben van 5,4 meter; dat deze ongeveer twee meter in de grond zullen zitten; dat de bekkens derhalve ongeveer 3,4 meter boven het maaiveld zullen uitsteken; dat er een groenscherm zal worden aangelegd rondom de installatie; dat dit tevens wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing; dat zodoende mede gelet op de inplanting van de installatie vlak achter de bestaande varkensstallen, de nieuwe installatie geen visuele hinder met zich zal brengen.’ Voor het overige zal verzoeker sub 1 zicht hebben op de lagune, die beperkt boven het maaiveld uitsteekt, die zal worden omwald met berm, die op zijn beurt is omgeven met streekeigen beplanting. Dit blijkt uit de bestreden beslissing: ‘dat het aangewezen is dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpasbaarheid; dat uit de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins blijkt dat de lagune zal worden omrand door een berm van vier meter hoog, waarvan de wanden zullen worden beplant met streekeigen bomen en struiken; Dat de mestverwerkingsinstallatie wordt voorzien achter alle bestaande bebouwing, zo ver mogelijk van de naburige woningen; dat zodoende (

  1. de)verwerking één ruimtelijk geheel zal vormen met de bestaande varkensstallen; dat zodoende wel een deel van de open ruimte achter het bedrijf ingepalmd wordt, maar dat dit te verantwoorden is doordat de mestverwerkingsinstallatie op die manier zo ver mogelijk van de omliggende woningen zal gesitueerd zijn;’ Verzoeker sub 2 zou theoretisch vanuit de woning slechts zicht kunnen hebben op een beperkt deel van de bekkens en een deel van de lagune. De bekkens zullen immers quasi volledig onzichtbaar zijn voor verzoeker sub 2, en dit gelet op de stallen aanwezig op perceel nr. 194 K. Het zicht op de lagune zal daarenboven worden gebroken door de bestaande aanwezige beplanting op het perceel van verzoeker sub 2 en door de aanleg van streekeigen beplanting op de berm van de lagune. Uit stuk 15 blijkt zeer duidelijk dat de gekozen inplanting de minst schadelijke is, en dit in tegenstelling tot hetgeen verzoekers voorhouden. Het overgrote deel (i.e. meer dan 95%) van het open zicht van verzoeker sub 1 en X-13.820-7/12 2 op het achterliggend agrarisch gebied blijft van bebouwing gevrijwaard. Slechts vanuit het achterste deel van de tuin van verzoekers zal men zicht hebben op een deel van de bekkens en op de lagune. Vanuit dit opzicht is het ingeroepen nadeel van verzoekers geenszins ernstig. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat verzoeker sub 3 geenszins kan gewagen van visuele hinder. De woning van verzoeker sub drie ligt aan de overzijde van de Kruiskenstraat, omgeven door andere woningen. Verzoeker sub 3 heeft noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks zicht op de plaats van inplanting. (...) De beperkte visuele hinder die met de inplanting van de verwerkingsinstallatie gepaard gaat is niet van die aard om van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen gewagen. Bij de beoordeling van de ernst van het nadeel moet immers ook rekening worden gehouden met de gewestplanbestemming ‘agrarisch gebied’ van de inplantingsplaats. De inrichting is bestaanbaar met deze gewestplanbestemming. In dergelijk gebied geldt geen bouwverbod. Deze gewestplanbestemming verleent aan verzoekers geen erfdienstbaarheid non aedificandi. De beperkte visuele hinder is aanvaardbaar binnen het agrarisch gebied en is geenszins van dien aard om aan verzoekers een MTHEN te verschaffen”. De tussenkomende partij merkt vervolgens op: “(...) dat de beweerde geurhinder, lawaaihinder, stofhinder, de beweerde hinder door bacteriën en ziektekiemen ... geen rechtstreeks verband houdt met de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing (zijnde de stedenbouwkundige vergunning), maar hoogstens verband zou kunnen houden met de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning. Het zal uw Raad overigens niet ontgaan dat verzoekers zich bij de uiteenzetting van het nadeel beperken tot een quasi woordelijke en identieke herneming van het MTHEN zoals uiteengezet in het verzoekschrift dat bij uw Raad gekend is onder het rolnummer G/A 188.187/VII-37.193. Dit gegeven op (zich) is reeds van aard om te besluiten dat het MTHEN geenszins ernstig is. (...)”. Wat betreft de geurhinder betoogt de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen niet meer aanvoeren dan een ‘nietszeggende one-liner’, en dat dient opgemerkt te worden : “dat de ingeroepen maar niet bewezen geurhinder hoe dan ook niet voldoende ernstig is om van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te gewagen. De woning van verzoeker (sub 1) is weliswaar het dichtst gelegen bij de installatie (+_ 100 meter), maar deze is alleszins niet gelegen binnen de overheersende windrichting (west- en zuidwestenrichting). De woning(
  2. en)van verzoekers sub 2 en 3 zijn dan weer op veel grotere afstand gelegen (meer dan 140 meter respectievelijk meer (dan) 350 meter). Bij de inplanting van de installatie is er overigens voor geopteerd om de bekkens en de lagune zo ver mogelijk van de bestaande woningen in te planten, en dit om onaanvaardbare geurhinder naar de omgeving toe te beperken. Dit blijkt uit de hoger weergegeven citaten uit de bestreden beslissing: ‘De voorgestelde inplantingsplaats achter de bestaande bedrijfsgebouwen qua diepte aanvaardbaar is omdat op deze manier de afstand tussen de installatie en de omgevende residentiële bebouwing maximaal is.’ X-13.820-8/12 Uit de praktijk blijkt overigens dat de geurhinder die met verwerking gepaard gaat voor de in casu vergunde installatie tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt en dit gelet op de toegepaste technieken. Dit alles blijkt uit praktijkervaring met bestaande reeds functionerende effecten (?), en is ook op die wijze gemotiveerd in de milieuvergunning: ‘dat, zoals eerder gesteld, de emissie van ammoniak en andere geurcomponenten uit beide bekkens tot een minimum beperkt zijn, onder meer door de toepassing van de fijnbellige beluchting; dat er reeds voldoende ervaring is met het juist sturen van de processen in het nitrificatie/denitrificatie- bekken opdat emissies kunnen worden vermeden; dat dit tevens blijkt uit metingen en onder andere op basis van reeds gelijkaardige operationele installaties in Vlaanderen; dat ook de nabezinker en de lagune niet moeten worden overdekt op voorwaarde dat het gehalte aan ammoniakale stikstof lager is dan 1 kg ammoniumstikstof per 1.000 liter; dat, zoals eerder gesteld, de reststikstof (v)an het effluent vo(o)rnamelijk zal aanwezig zijn als organische en nitraatstikstof; dat ook de andere componenten uit de onbehandelde mest, die aanleiding kunnen geven tot geurhinder (bijvoorbeeld vluchtige vetzuren), zullen afgebroken worden in de biologie door de micro-organismen; dat zodoende emissies van ammoniak uit de lagune en de nabezinker verwaarloosbaar zijn en een overkapping van beide bekkens niet noodzakelijk is; dat installaties die in de praktijk werden gerealiseerd reeds hebben bewezen dat zij geen overlast met betrekking tot geur met zich meebrengen;’ De installatie in kwestie beschikt daarenboven over een prototypekeuring waaruit duidelijk blijkt dat de ze installatie voldoet aan de milieuvergunningsvoorwaarden van het Vlarem II. Verzoekende partijen leveren niet het bewijs dat er in casu, rekening houdend met het type installatie en de specifieke ligging van de installatie t.o.v. de woningen sprake zou zijn van geurhinder die een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou uitmaken. Zij leveren evenmin bewijs van het feit dat de in de beslissing aangehaalde praktijkervaringen onjuist zouden zijn. Zoals verzoekers terecht aanhalen aanvaardt de rechtspraak van uw Raad overigens dat bij de beoordeling van het nadeel rekening dient te worden gehouden met de specifieke bestemming van het gebied waarin de inrichting in kwestie gelegen is. Uw Raad stelt dat een zekere hinder, afkomstig van agrarische activiteiten, aanvaardbaar is in het agrarisch gebied. Enkel de hinder die de perken te buiten gaat van hetgeen men in dergelijk gebied mag verwachten, kan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel opleveren. Het is aan de verzoekers om van dit alles het bewijs te leveren. Dit is in casu echter niet gebeurd”. Met betrekking tot wat de verzoekende partijen ‘de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën (
  3. en)ziektekiemen’ noemen, schrijft de tussenkomende partij : “In het verzoekschrift wordt zonder enige concrete aanleiding gesteld dat de exploitatie stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen tot gevolg zou hebben. Verder toelichting worden er op dit punt echter niet gegeven. Verzoekers blijven volledig in gebreke om de op hen rustende bewijslast in te vullen. Verzoekers doen zelfs nog geen poging om voor uw Raad of voor partijen aannemelijk te maken welke onderdelen van de exploitatie mogelijk stof, schadelijk(
  4. e)bacteriën of ziektekiemen zouden veroorzaken. Verzoekers blijven zeer vaag, en beroepen zich op een aantal gemeenplaatsen. Er dient vastgesteld dat de activiteiten binnen de mestverwerkingsinstallatie geenszins stofverwekkend zijn. Er is daarenboven een grote afstand tussen de X-13.820-9/12 woningen en de inrichting, (100, 140 en respectievelijk 350 meter). Tevens is er de aanwezigheid van het groenscherm. Het MTHEN is op dit punt volstrekt niet onderbouwd”. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde geluidshinder betreft, stelt de tussenkomende partij het volgende : “Als laatste onderdeel van het MTHEN verwijzen verzoekers naar mogelijke lawaaihinder die beweerdelijk met de exploitatie van de verwerkingsinstallatie zou gepaard gaan. Verzoekers verwijzen in die context naar mogelijke lawaaihinder van de centrifuge, de supressor, de pompen en het transport van en naar het bedrijf. In de milieuvergunning wordt echter duidelijk aangegeven dat de door verzoekers gevreesde geluidshinder in casu geenszins ernstig is. Aldaar is er duidelijk op gewezen dat de surpressor zal worden omkast met een geluidsdempende mantel. Daarenboven zal de centrifuge opgesteld worden binnen de loods. Daarenboven worden m.b.t. het transport de voorwaarden opgelegd dat dit enkel mag gebeuren tussen 7.00 u ’s morgens en 19.00 u ’s avonds. Ook moeten de motoren van wachtende voertuigen worden stilgelegd. Ter controle dient een akoestische meting te worden overgemaakt aan de milieu-inspectie, en dit binnen een termijn van 3 ma(a)nden na ingebruikname van de installatie. Verzoekers maken opnieuw niet aannemelijk dat de mogelijke geluidshinder die met de exploitatie gepaard gaat, dermate hinderlijk zou zijn dat deze de grenzen van het aanvaardbare binnen het agrarisch gebied zou overstijgen, en dit ondanks de genomen en bijkomend opgelegd(
  5. e)maatregelen (...) in de milieuvergunning: ‘Overwegende dat de surpressor zal voorzien worden van een geluidsdempende kast; dat, zoals eerder vermeld, de centrifuge binnen de loods zal worden opgesteld; Overwegende dat de bestreden beslissing met betrekking tot het beperken van geluidshinder de volgende bijzondere voorwaarden oplegt: - de transporten met betrekking tot de mestverwerking dienen te gebeuren tussen 7 uur en 19 uur; - de motoren van de bedrijfsvoertuigen moeten worden stilgelegd tijdens de wachtperioden en laad- en losoperaties, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen en dergelijke; - binnen een termijn van drie maanden na de ingebruikname van de mestverwerkingsinstallatie dient een akoestische controlemeting te gebeuren door een erkend deskundige bij de meest dichtbijgelegen woning wanneer de centrifuge en de surpressor gelijktijdig in werking zijn; indien blijkt dat er niet wordt voldaan aan de geluidsnormen, dienen de nodige saneringsmaatregelen te worden getroffen;’ Ook hier blijven verzoekers in gebreke om de op hen rustende bewijslast in te lossen. De tussenkomende partij besluit tenslotte met wat volgt: “Behoudens de boven uiteengezette hinderaspecten voeren de verzoekers geen andere elementen aan waaruit zou blijken dat de thans bestreden beslissing een aanslag op de ecologie en het landschap en een aantasting op het woonklimaat zou uitmaken. Verzoekers komen in deze niet verder dan het uiten van een aantal gemeenplaatsen en loze beweringen. Van een bewezen aanslag X-13.820-10/12 op de ecologie en het landschap en aantasting van het woonklimaat is er geen sprake”. 5.2. Beoordeling 5.2.1. In zoverre de verzoekende partijen als nadeel geurhinder, de uitstoot van ontelbare stofdeeltjes, bacteriën en ziektekiemen en lawaaihinder aanvoeren, doen de verwerende partij en de tussenkomende partij terecht opmerken dat een dergelijk nadeel niet het rechtstreekse gevolg is van het bestreden besluit, maar van de verleende milieuvergunning. 5.2.2. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde “visuele hinder” betreft, dient vooreerst te worden vastgesteld dat de inrichting gepland is in een agrarisch gebied, waar de schoonheidswaarde van het landschap niet de speciale bescherming geniet als in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en waarin enkel de hinder die de perken te buiten gaat van hetgeen men in dergelijk gebied mag verwachten, een ernstig nadeel kan opleveren. De verzoekende partijen, die de verplichting tot de aanleg van een groenscherm met streekeigen bomen en struiken ter hoogte van de loods en deelbekkens en op de dijkwanden van de lagune simpelweg afdoen als een “lapmiddel” waarmee geen rekening kan worden gehouden, tonen een dergelijk ernstig visueel nadeel niet aan. Bovendien legt de tussenkomende partij een kadasterplan en een luchtfoto voor, die duidelijk maken dat de eerste en de tweede verzoekende partijen vanuit hun woning en tuin geen of nauwelijks zicht zullen hebben op de geplande inrichting en geenszins het zicht op een open landschap zullen verliezen, terwijl de derde verzoekende partij in het enig verzoekschrift zelf aangeeft dat zij op ongeveer 350 meter van het perceel woont waarvoor de bestreden vergunning werd verleend, en een ernstig visueel nadeel in haren hoofde alleen al daardoor als niet aannemelijk voorkomt. 5.2.3. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.820-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. MASI wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2008, door : de H. S. DE TAEYE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. S. DE TAEYE. X-13.820-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.789 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.