id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.803 Rolnummer: A. 135374/X-11391 Zaak: Arrest 187803 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Fiche Arrest nr 187.803 van 7 november 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.803 van 7 november 2008 in de zaak A. 135.374/X-11.391. In zake : 1. Mia DEPLA, 2. Patrick VAN ASSCHE, die woonplaats kiezen bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : 1. de gemeente DEERLIJK, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. verzoekende partijen in tussenkomst : 1. Frans VANDEN BROUCKE, wonende te 8540 DEERLIJK, Beverenstraat 46, 2. de n.v. FRANS VANDEN BROUCKE AANNEMINGEN, gevestigd te 8540 DEERLIJK, Beverenstraat 46. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mia DEPLA en Patrick VAN ASSCHE op 11 april 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 februari 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk waarbij aan de n.v. FRANS VANDEN BROUCKE AANNEMINGEN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een zendmast en een afdak en het aanbrengen van betonverharding over het gehele terrein (regularisatie) op een perceel gelegen te Deerlijk, Beverenstraat 46, kadastraal bekend sectie A, nrs. 202/d4, 202/z3, 202/g4, 202/e4 en 202/f4; X-11.391-1/13 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 juni 2003 ingediend door Frans VANDEN BROUCKE en de n.v. FRANS VANDEN BROUCKE AANNEMINGEN; Gelet op de beschikking van 4 september 2003 die de tussenkomst van Frans VANDEN BROUCKE en de n.v. FRANS VANDEN BROUCKE AANNEMINGEN toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij, de toelichtende memorie ten aanzien van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord ten aanzien van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 9 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 27 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat G. VERMEIRE, die loco advocaat P. DE JAEGERE verschijnt voor de verzoekende partijen in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.391-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 5 februari 2002 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt Frans Vanden Broucke, namens de n.v. Frans Vanden Broucke Aannemingen, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk een regularisatievergunning voor het “bouwen van een zendmast en een afdak”, op een perceel gelegen te Deerlijk, Beverenstraat 46, kadastraal bekend sectie A, nrs. 202/d4, 202/z3, 202/g4, 202/e4 en 202/f4. Dit perceel is, volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk, gelegen in een woongebied. 1.2. De regularisatieaanvraag wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk vervolgens gekwalificeerd als tevens betrekking hebbend op het “aanbrengen van betonverharding over het gehele terrein (regularisatie)”. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek over de regularisatieaanvraag wordt een collectief bezwaar ingediend, uitgaande van onder meer de eerste verzoekster, dat door het college van burgemeester en schepenen in de zitting van 27 maart 2002 wordt weerlegd. 1.4. Op 25 april 2002 brengt de gemachtigde ambtenaar over de vergunningsaanvraag een gunstig advies uit, waarbij hij de betonverharding niet bij zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betrekt : “Overwegend dat de dichtstgelegen woning zich op ca. 50 m van de antenne bevindt is de ruimtelijke impact van de antenne aanvaardbaar. De inplanting van het afdak is niet van die aard dat ze een storende impact heeft op de omgeving”. 1.5. Op 5 februari 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk de thans bestreden regularisatievergunning voor het bouwen van een zendmast en een afdak en het aanbrengen van een betonverharding over het gehele terrein. X-11.391-3/13 2. De rechtspleging Het verzoekschrift tot tussenkomst van Frans Vanden Broucke en de n.v. Frans Vanden Broucke Aannemingen wordt met een niet ter post aangetekend verzonden brief ingediend en is onontvankelijk gelet op artikel 84, § 1, van het algemeen procedurereglement. 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1. Standpunt van de partijen 3.1.1. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 53, § 3, eerste lid van het voornoemde decreet van 22 oktober 1996, van het algemeen rechtsbeginsel dat aan elke overheid de verplichting oplegt haar administratieve beslissingen formeel en materieel te motiveren en van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel : “1. De fabriek van de nv Frans Vanden Broucke heeft een oppervlakte (...) van minstens 3.633 m² (...). Bij deze oppervlakte is niet eens het terrein begrepen dat aansluit bij de Tulpenlaan met toegangspoort naar het bedrijf en dat, naar de nv Frans Vanden Broucke zelf toegeeft, ‘minstens’ wordt gebruikt als parkeerplaats voor het bedrijf. 2. Verzoekers zijn de mening toegedaan dat verwerende partij - en hetzelfde geldt voor de gemachtigde ambtenaar - redelijkerwijze niet tot de conclusie konden komen dat de regularisatieaanvraag betreffende dit complex bestaanbaar is met de bodembestemming woongebied en verenigbaar met de goede plaatselijke ordening. Minstens is er een evident motiveringsgebrek. Minstens is er een schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Verzoekers verklaren zich nader. 3. Artikel 5.1.0. van het KB van 28 december 1972 bepaalt dat woongebieden bestemd zijn voor ‘ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd.... Deze bedrijven (...) mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving’. Volgens de vaste rechtspraak van uw Raad moet bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving te worden uitgegaan van de X-11.391-4/13 specifieke kenmerken van deze onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten. Welnu, uit het situeringsplan dat de nv Frans Vanden Broucke zelf heeft gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag blijkt dat het bedrijf als het ware ingesloten is in een residentiële omgeving, zowel langs de kant van de Beverenstraat als langs de kant van de Tulpenlaan. Verwerende partij kon niet zonder de in het enig middel omschreven wettelijke bepalingen en de algemene rechtsbeginselen te schenden, oordelen dat een bedrijvencomplex met een oppervlakte van méér dan 3.600 m² in concreto verenigbaar is met de residentiële, onmiddellijke omgeving van het bedrijf. Minstens worden in de bestreden beslissing niet de juridische en de feitelijke overwegingen vermeld die aan deze beoordeling ten grondslag liggen. 4. De motieven aangehaald én door verwerende partij én door de gemachtigde ambtenaar ten gunste van de regularisatieaanvraag, kunnen niet overtuigen. In dit verband merken verzoekers op dat het volstaat dat een van beide motiveringen faalt, opdat de bestreden beslissing vernietigd dient te worden. 4.1. Wat het standpunt van de gemachtigde ambtenaar betreft, dient vastgesteld te worden dat hij slechts is overgegaan tot toetsing van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening voor wat betreft de antenne en het afdak. De gemachtigde ambtenaar zwijgt in alle talen voor wat betreft de verharding. Alleen al om deze reden is het advies van de gemachtigde ambtenaar onwettig en de bestreden beslissing zodoende nietig. 4.2. De argumentatie van de gemachtigde ambtenaar is nietszeggend. Overwegingen als zou ‘de ruimtelijke impact ‘derhalve klein’ (
- is)dat ze niet storend is voor de woonomgeving’ of nog dat ‘de dichtstgelegen woning zich op circa 50 meter van de antenne bevindt’ zodat de ruimtelijke impact van de antenne aanvaardbaar zou zijn, of nog dat ‘de inplanting van het afdak niet van die aard (
- is)dat ze een storende impact heeft op de omgeving’ zijn als dusdanig nietszeggend en dus ontoereikend. In het bijzonder blijkt hieruit niet dat effectief rekening gehouden werd met de concrete omgevingssituatie met de talrijke residentiële woningen. Komt daarbij dat de gemachtigde ambtenaar zich niet kon beperken tot de impact van de enkele regularisatieaanvraag, zonder rekening te houden met het grootschalige bedrijfscomplex van de firma Vanden Broucke. 4.3. Tenslotte merken verzoekers op dat de gemachtigde ambtenaar helemaal niet refereert naar zijn eerdere ongunstige adviezen ten aanzien van de regularisatie-aanvragen welke aanleiding gaven tot de ministeriële beslissingen van 19 juli 2000, zoals ze aangevochten worden voor uw Raad. De gemachtigde ambtenaar heeft destijds niet enkel een negatief advies verleend, hetgeen aanleiding gaf tot de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 25 november 1998, maar heeft bovendien beroep aangetekend tegen de gunningsbeslissing van de Bestendige Deputatie dd. 15 februari 1999. Dit deed hij op goede gronden. De gemachtigde ambtenaar kon zijn eerdere zienswijze aangaande de firma Vanden Broucke niet negeren, minstens dient hij bijzonder te motiveren waarom in casu werd afgeweken van de eerdere beleidslijn. Ook hier is het motiveringsgebrek evident, terwijl ook het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel worden geschonden. 4.4. Ook de motivering van het college van burgemeester en schepenen is volstrekt ontoereikend. Uit deze motivering blijkt niet eens dat verwerende partij zelfstandig is overgegaan tot een bestaanbaarheidstoets met de bestemmingsvoorschriften en een verenigbaarheidstoets met de onmiddellijke omgeving. X-11.391-5/13 Verwerende partij beperkt zich tot de overweging dat het om een regularisatievergunning gaat voor een bedrijf waarvoor eerder reeds regularisatievergunningen werden afgeleverd. Zulks is evenwel geen afdoend antwoord op de vraag waarom de nieuwe regularisatie-aanvraag ‘an sich’, rekening houdend met de concrete omgevingsfactoren, verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke aanleg. Opnieuw is het motiveringsgebrek evident. In de repliek van het college op het bezwaarschrift, dat blijkbaar te onderscheiden is van het eigenlijke standpunt van het college van burgemeester en schepenen terzake de aanvraag, wordt nog gesteld dat ‘in de Beverenstraat nog bedrijven aanwezig zijn en dat deze straat geen residentiële straat is’. Zulks geeft evenwel helemaal geen antwoord op de situatie in de Tulpenlaan, terwijl de bezwaren kwamen van bewoners uit deze straat en verwerende partij niet zal betwisten dat het bedrijf in de onmiddellijke nabijheid gelegen is van de Tulpenlaan. De loutere omstandigheid dat in de Beverenstraat nog bedrijven aanwezig zijn of zelfs dat deze straat ‘geen residentiële straat’ is, is als dusdanig hoe dan ook niet afdoende voor een concrete verenigbaarheidstoets vereist door artikel 5.1.0 van het K.B. van 28 december 1972. 4.5. Nog benadrukt verwerende partij dat (slechts?) één schriftelijk bezwaar werd ingediend, terwijl dit bezwaarschrift nochtans uitging van niet minder dan 10 personen, alle wonende in de onmiddellijke omgeving van de nv Frans Vanden Broucke. Het aantal bezwaarschriften is ten andere niet relevant; verwerende partij is verplicht om afdoende te repliceren op een bezwaarschrift en dit op alle onderdelen. Dit is in casu geheel niet het geval. 4.6. Verzoekers merken nog op dat verwerende partij niet de argumentatie van de gemachtigde ambtenaar bijtreedt. In het onmogelijke geval uw Raad zou oordelen dat de motivering van de gemachtigde ambtenaar zou volstaan, quod non, dan kan zij slechts beslissen dat de eigen motivering van het schepencollege niet afdoende is, hetgeen volstaat om tot vernietiging over te gaan. 5. Tenslotte herinneren verzoekers eraan dat de motiveringsplicht des te strenger is bij een regularisatievergunning. In casu is aan deze motiveringsplicht geenszins voldaan. Het enig middel is gegrond”. 3.1.2. De tweede verwerende partij repliceert op dit middel als volgt : “1.3. In casu luidt het advies van de gemachtigde ambtenaar als volgt: ‘Beknopte beschrijving van de aanvraag De aanvraag betreft het plaatsen van een zendmast en het aanleggen van een betonverharding (regularisatie). Stedenbouwkundige basisgegevens uit plannen van aanleg Ligging volgens de plannen van aanleg + bijhorende voorschriften De aanvraag is volgens het gewestplan Kortrijk (KB 04 november 1977) gelegen in een woongebied. In deze zone gelden de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 5.1.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Deze voorschriften luiden als volgt: woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare X-11.391-6/13 nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag Het gewestplan is van toepassing. Overeenstemming met dit plan De aanvraag is in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften. Afwijkings- en uitzonderingsbepalingen Niet van toepassing Verordeningen De aanvraag dient getoetst te worden aan de gemeentelijke verordeningen en er aan voldaan. Andere zoneringsgegevens Er zijn geen verdere zoneringsgegevens relevant voor deze aanvraag. Externe Adviezen Er werden geen adviezen van externe instanties aangevraagd of ontvangen. Het openbaar onderzoek Wettelijke bepalingen In toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 2001 werd de aanvraag openbaar gemaakt daar de werken en handelingen betrekking hebben op het oprichten van gebouwen of constructies met een hoogte van meer dan 20 meter; het verbouwen van lagere gebouwen en constructies waardoor deze dezelfde hoogte bereiken; het verhogen van gebouwen of constructies die hoger zijn dan 20 meter met meer dan 5 meter; Evaluatie van de procedure/aantal bezwaren De voorgeschreven procedure werd gevolgd. Er werd één bezwaarschrift ingediend gedurende het openbaar onderzoek. Evaluatie bezwaren Het bezwaarschrift werd gedurende het openbaar onderzoek ingediend en is aldus ontvankelijk. Het bezwaarschrift omvat volgende klachten : 1. gelegen in woongebied en deel in residentiële verkaveling; 2. er werden klachten neergelegd vanwege milieu-inbreuken; 3. er thans een regularisatievergunning is aangevraagd; 4. de aanvraag enkel de zonevreemdheid van het bedrijf versterkt, in tegenstelling met de uitspraak van de Bestendige Deputatie inzake de milieuvergunningsaanvraag klasse 2 waarin sprake van niet verenigbaar met bestemming en onmiddellijke omgeving; 5. niet strookt met de bestemming op het gewestplan zijn de woongebied, daar : - de ontsluiting van bedrijf in Tulpenlaan zonevreemd is; - reeds eerder door de gemachtigde ambtenaar is geoordeeld dat het bedrijf niet verenigbaar is met bestemming en goede plaatselijke aanleg; - ‘beperkte regularisatie’ niks verandert over verkeerd bestemmingsgebruik. 6. schadelijk effect als gevolg van de zendmast; 7. regularisatie dient geweigerd te worden. Het bezwaar is ongegrond : 1. bedrijven welke niet storend zijn in de woonomgeving kunnen aanvaard worden; in dit geval kan er aan worden toegevoegd dat de hoofdzetel van het bedrijf niet meer in Deerlijk gevestigd is; 2. de klachten op basis van milieu-inbreuken hebben niets te maken met de stedenbouwkundige aanvraag en is derhalve zonder voorwerp; X-11.391-7/13 3. de regularisatievergunning heeft niets te maken met de stedenbouwkundige aanvraag en is derhalve zonder voorwerp; 4. de huidige aanvraag zal de produktie niet verhogen en de ruimtelijke impact is derhalve klein dat ze niet storend is voor de woonomgeving; 5. de ontsluiting via de Tulpenlaan; - de ontsluiting via de Tulpenlaan is niet van toepassing op de aanvraag en derhalve zonder voorwerp; - de aanvraag dient getoetst te worden aan het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving; 6. Regelmatig wordt de vrees geuit dat een zendmast de gezondheid van de buurt zal aantasten door de uitgezonden straling. Inmiddels heeft de federale overheid ter zake het Koninklijk Besluit houdende de normering van de zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 Mhz en 10 Ghz uitgevaardigd. Dit KB legt gezondheidsnormen vast die 4 keer strenger zijn dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en 200 keer strenger dan de effectieve risicogrens. Op die wijze wordt het voorzorgsprincipe volledig gerespecteerd. Alle nieuwe en bestaande installaties moeten aan de normen van dit KB voldoen. Het BIPT heeft tot taak via metingen toe te zien op de naleving ervan. De vergunningverlenende overheid kan er dan ook in alle redelijkheid van uit gaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat. 7. is zonder voorwerp. Historiek In het verleden zijn er verschillende overtredingen vastgelegd en verdunningen verleend voor de uitbating van het bedrijf. Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag De aanvraag bevindt zich in een omgeving welke gekenmerkt wordt door het wonen en de activiteiten van verschillende bedrijven. De aanvraag betreft de regularisatie van een mast van 40 m (gebruikt voor radiocontact tussen bureel en vrachtwagens, staat er al meer dan 25 jaar) en een afdak (fungeert als opslagplaats). Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Overwegend dat de dichtsgelegen woning zich op ca 50m van de antenne bevindt, is de ruimtelijke impact van de antenne aanvaardbaar. De inplanting van het afdak is niet van die aard dat ze een storende impact heeft op de omgeving.’ 1.4. Wanneer een bouwvergunning wordt gevraagd voor een perceel dat gelegen is in een gebied waarvoor geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of een goedgekeurde verkavelingsvergunning bestaat, kan deze pas worden verleend op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Een positief advies van de gemachtigde ambtenaar is evenwel niet bindend, zodat de overheid, ongeacht de inhoud van het advies de bevoegdheid behoudt om een andere mening te hebben en ervan af te wijken. Zij blijft bevoegd voor de eindbeslissing. Het advies van de gemachtigde ambtenaar behoeft dan ook geen antwoord te bevatten op alle argumenten van feitelijk aard. De bouwvergunning moet het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar overnemen. Deze verplichting ontslaat het college van burgemeester en schepenen er niet van de zaak zelf te onderzoeken en in de beslissing de eigen motieven tot het verlenen of het weigeren van de bouwvergunning te vermelden. In casu wordt in het bestreden besluit de integrale tekst van het advies van de gemachtigde ambtenaar overgenomen en motiveert het college van burgemeester en schepenen zijn standpunt hieromtrent als volgt: • overwegende dat de aanvraag volgende werken behelst: regularisatie van een zendmast, een afdak, en de betonverharding over het gehele terrein, X-11.391-8/13 • overwegende dat er voor het bedrijf een milieuvergunning klasse 3 werd afgeleverd en dat er reeds 2 regularisatievergunningen, na beroep, bij ministerieel besluit goedgekeurd werden; • overwegende dat er bijgevolg reeds vroeger beslist werd om de aanwezigheid van het bedrijf op deze plaats te bevestigen; • overwegende dat de zendmast reeds meer dan 25 jaar bestaat en gebruikt wordt als radiocontact tussen het bureel en de vrachtwagens; • overwegende dat het te regulariseren afdak geen plaats voor productie is, maar enkel dienst doet als opslagplaats; dat het afdak fysisch één geheel vormt met het bestaande gebouw; • overwegende dat het terrein reeds geruime tijd verhard is: • overwegende dat de aanvraag, volgens de voorzieningen van het K.B. dd. 4 november 1977 goedgekeurd bij gewestplan Kortrijk in woongebied gelegen is; • overwegende dat de gevraagde bestemming in overeenstemming is met de voorzieningen van het gewestplan;’ 1.5. Voor de formele motiveringsplicht volstaat het dat duidelijk, maar desnoods bondig, in de beslissing zelf wordt aangegeven op welke gronden zij berust. De formele motivering moet dan ook geen uitweidingen bevatten over gegevens die de betrokken rechtsonderhorige, in casu de vergunningsaanvrager, reeds kent. De gegevens waarop de beslissing steunt moeten worden vermeld, maar niet gedetailleerd. De uitdrukkelijke motivering komt dus niet in de plaats van het dossier, maar moet wel berusten op de gegevens van het dossier die ten grondslag liggen aan de genomen beslissing. De materiële motiveringsplicht legt op dat de beslissing dient te worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn, en die daarom naar aanleiding van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. Deze motieven moeten blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier. 1.6. In casu is de met het bestreden besluit vergunde regularisatie-aanvraag in overeenstemming met de gewestplanbestemming. Het volstond in deze te vermelden dat de aanvraag zich bevindt in een omgeving welke gekenmerkt wordt door het wonen en de activiteiten van verschillende bedrijven en dat de dichtsgelegen woning zich op ca 50m van de antenne bevindt, zodat de ruimtelijke impact van de antenne aanvaardbaar is. Ook de vermelding dat de inplanting van het afdak niet van die aard is dat ze een storende impact heeft op de omgeving, is afdoende. Het spreekt hierbij voor zich dat de verharding van het terrein die, zoals het college van burgemeester en schepenen opmerkt reeds geruime tijd werd aangebracht, en die net als het afdak één geheel vormt met de bestaande inrichting, evenzeer bestaanbaar is met de bestemming en verenigbaar is met de omgeving, zonder dat hier verder diende te worden op ingegaan. In casu volstond de hieromtrent in het bestreden besluit gegeven beknopte, maar duidelijke motivatie. Lange uitweidingen waren hierbij niet noodzakelijk. 1.7. De bestreden beslissing vermeldt aldus de juridische en de feitelijke overwegingen die er aan ten grondslag liggen. Uit bovenstaande blijkt dat deze overwegingen bovendien afdoende zijn. Het middel is dan ook ongegrond”. 3.1.3. Enkel de verzoekende partijen dienen een laatste memorie in, waarin zij evenwel niets toevoegen aan hun eerdere uiteenzettingen. X-11.391-9/13 3.2. Bespreking 3.2.1. Er bestaat geen betwisting over dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk gelegen is in woongebied. De regularisatieaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, heeft als voorwerp het “bouwen van een zendmast en een afdak”, terwijl de bestreden beslissing mede vergunning verleent voor het aanbrengen van een betonverharding over het gehele terrein. 3.2.2. Artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : “De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving”. 3.2.3. Krachtens het bepaalde in het voormelde artikel kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf enkel in een woongebied worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de “taken” van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bijvoorbeeld louter residentiële villawijk of woonpark). Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van dat gebied aan die omgeving heeft gegeven. X-11.391-10/13 Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Hieruit volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. 3.2.4. In de bestreden beslissing motiveert de eerste verwerende partij de “beoordeling van de goede ruimtelijke ordening” als volgt : “-overwegende dat de aanvraag volgende werken behelst : regularisatie van een zendmast, een afdak en de betonverharding over het gehele terrein; - overwegende dat er voor het bedrijf een milieuvergunning klasse 3 werd afgeleverd en dat er reeds 2 regularisatievergunningen, na beroep, bij Ministerieel Besluit goedgekeurd werden; - overwegende dat er bijgevolg reeds vroeger beslist werd om de aanwezigheid van het bedrijf op de huidige plaats te bevestigen; - overwegende dat de zendmast reeds meer dan 25 jaar bestaat en gebruikt wordt als radiocontact tussen het bureel en de vrachtwagens; - overwegende dat het te regulariseren afdak geen plaats voor productie is, maar enkel dienst doet als opslagplaats; dat het dak fysisch één geheel vormt met het bestaande gebouw; - overwegende dat het terrein reeds geruime tijd verhard is; - overwegende dat de aanvraag volgens de voorzieningen van het K.B. d.d. 4 november 1977 goedgekeurd gewestplan Kortrijk in woongebied gelegen is; - overwegende dat de gevraagde bestemming in overeenstemming is met de voorzieningen van het gewestplan; - overwegende dat de aanvraag niet valt binnen de grenzen van een bij K.B. of M.B. goedgekeurd BPA, noch binnen de grenzen van een goedgekeurde verkaveling; - overwegende dat de aanvraag onderworpen werd aan een openbaar onderzoek; dat gedurende het openbaar onderzoek (periode 14/02/2002 - 16/03/2002) één schriftelijk bezwaar werd ingediend; - overwegende dat het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg; - gelet op het GUNSTIG advies van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap , Afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 30/01/2003”. 3.2.5. Nog daargelaten de omstandigheid dat de door het bestreden besluit verleende vergunning voor het aanbrengen van een betonverharding niet het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag, dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit geen enkel concreet motief reveleert met betrekking tot de bestaanbaarheid van de vergunde constructies, laat staan van het gehele bedrijf, met de bestemming woongebied en de verenigbaarheid ervan met de onmiddellijke X-11.391-11/13 omgeving. Integendeel beperkt het bestreden besluit zich desbetreffend tot de standaardformulering dat het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg. In zoverre de overweging van het bestreden besluit “gelet op het GUNSTIG advies van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 30/01/2003” zou moeten begrepen worden als een zich eigen maken van dit advies door de eerste verwerende partij, dient op de ontoereikendheid van dit advies, dat niet eens de aanleg van een betonverharding over het gehele terrein in zijn beoordeling van de goede ordening betrekt, te worden gewezen. Het betoog van de tweede verwerende partij dat het “voor zich spreekt” dat de verharding van het terrein bestaanbaar is met de bestemming en verenigbaar met de omgeving, zonder dat hier verder diende te worden op ingegaan, kan niet worden bijgetreden. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 5 februari 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk waarbij aan de n.v. FRANS VANDEN BROUCKE AANNEMINGEN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een zendmast en een afdak en het aanbrengen van betonverharding over het gehele terrein (regularisatie) op een perceel gelegen te Deerlijk, Beverenstraat 46, kadastraal bekend sectie A, nrs. 202/d4, 202/z3, 202/g4, 202/e4 en 202/f4. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen in tussenkomst, ieder voor de helft. X-11.391-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.391-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div