id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.813 Rolnummer: Zaak: Arrest 187813 - Tucht (openbaar ambt) - 07/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-01 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:51 Fiche Arrest nr 187.813 van 7 november 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.813 van 7 november 2008 in de zaken A. I. 139.641/IX-3881 II. 143.091/IX-3967 III. 147.182/IX-4053 IV. 150.834/IX-4497 V. 153.990/IX-4597 VI. 156.692/IX-
- In zake : Peter POPPE (I t.e.m. VI), die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de politiezone Regio Rhode & Schelde, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter POPPE op 28 juli 2003 heeft ingediend in de zaak A. 139.641/IX-3881 om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 4 juni 2003 van het politiecollege van de politiezone Regio Rhode & Schelde, waarbij hem bij ordemaatregel een voorlopige schorsing met inhouding van 10% van zijn bruto-wedde voor een periode van drie maanden met ingang van 5 juni 2003 wordt opgelegd; - het besluit van 4 juni 2003 van het politiecollege van de politiezone Regio Rhode & Schelde, waarbij met verwijzing naar een brief van 21 mei 2003 van de procureur des Konings te Gent betreffende een tegen hem gevoerd opsporings- onderzoek, wordt beslist dat een tuchtprocedure pas zal worden opgestart na de kennisname van de gerechtelijke eindbeslissing, de seponering van het dossier of het vervallen zijn van de strafvordering; Gezien de verzoekschriften die Peter POPPE op 24 oktober 2003, 2 februari 2004, 19 april 2004, 20 juli 2004 en 20 oktober 2004 heeft ingediend om IX-3881-1/10 de nietigverklaring te vorderen van respectievelijk het besluit van 2 september 2003, 3 december 2003, 18 februari 2004, 1 juni 2004 en 1 september 2004 van het politiecollege van de politiezone Regio Rhode & Schelde, waarbij zijn voorlopige schorsing bij ordemaatregel met inhouding van 10% van zijn bruto-wedde telkens wordt verlengd, en dit uiteindelijk tot en met 24 oktober 2004, in de zaken A. 143.091/IX-3967, 147.182/IX-4053, 150.834/IX-4497, 153.990/IX-4597 en 156.692/IX-4682; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de zaken A. 139.641/IX-3881, 143.091/IX-3967, 147.182/IX-4053, 153.990/IX-4597, 156.692/IX-4682 en de toelichtende memorie in de zaak 150.834/IX-4497; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaken A. 139.641/IX-3881, 143.091/IX-3967, 147.182/IX-4053, 150.834/IX-4497, 153.990/IX-4597 en 156.692/IX-4682; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-3881-2/10 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is commissaris van politie bij de politiezone Regio Rhode & Schelde. 1.
- Met een brief van 21 mei 2003 deelt de procureur des Konings te Gent aan de voorzitter van het politiecollege van de voornoemde politiezone mede dat hij vanwege de zonechef een klacht heeft ontvangen tegen de verzoeker op grond van laster en eerroof, kwaadwillige ruchtbaarmaking en stalking en dat dien- aangaande een opsporingsonderzoek wordt gevoerd. De procureur vermeldt voorts dat naar zijn mening de verzoeker, in het belang van het politiekorps en in afwachting van de beëindiging van het opsporingsonderzoek, bij ordemaatregel voorlopig moet worden geschorst. 1.
- Op 4 juni 2003 besluit het politiecollege dat aan de verzoeker bij ordemaatregel een voorlopige schorsing met inhouding van 10% van zijn bruto- wedde voor een periode van drie maanden met ingang van 5 juni 2003 wordt opgelegd. Eveneens op 4 juni 2003 besluit het politiecollege dat tegen de verzoeker pas een tuchtprocedure zal worden opgestart na de kennisname van de gerechtelijke eindbeslissing, de seponering van het dossier of het vervallen zijn van de strafvordering. Deze beide besluiten maken het voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 139.641/IX-
- 1.
- Op 2 september 2003, 3 december 2003 en 18 februari 2004 besluit het politiecollege telkens tot de verlenging van verzoekers voorlopige schorsing bij wijze van ordemaatregel voor een periode van drie maanden met inhouding van 10% van zijn bruto-wedde. IX-3881-3/10 De desbetreffende besluiten van het politiecollege maken het voorwerp uit van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken A. 143.091/IX-3967, 147.182/IX-4053 en 150.834/IX-
- 1.
- Blijkens twee brieven van de procureur des Konings die aan het besluit van het politiecollege van 3 december 2003 zijn gehecht, maken op dat ogenblik verschillende zaken het voorwerp uit van een onderzoek: vooreerst een klacht van de korpschef tegen de verzoeker op grond van laster, eerroof, kwaad- willige ruchtbaarmaking en stalking; voorts een klacht van de verzoeker tegen de korpschef op grond van beledigingen, laster door lasterlijke aangifte bij de overheid en laster door een geschrift dat aan verscheidene personen werd medegedeeld; tevens een klacht van de verzoeker tegen de korpschef, een aantal officieren en de leden van het politiecollege wegens verduistering en fiscale misdrijven door het niet aangeven van voordelen van alle aard; ten slotte een klacht van de verzoeker tegen de korpschef en de leden van het politiecollege wegens inbreuk op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. 1.
- Met een brief van 20 februari 2004 deelt de procureur des Konings aan de voorzitter van het politiecollege mede dat hij de klacht van de korpschef tegen de verzoeker om opportuniteitsredenen zonder gevolg heeft gerangschikt, dat de burgerlijke partijstelling van de verzoeker tegen de korpschef wegens beledigin- gen en laster “voor uitspraak staat op 15.3.2004 voor de raadkamer” en dat de overige klachten die de verzoeker heeft ingediend, “bij gebrek aan enig strafbaar feit” zonder gevolg werden gerangschikt. De procureur stelt dat naar zijn mening uit het opsporingsonderzoek kan worden afgeleid dat een verdere samenwerking met de verzoeker bijna onmogelijk is geworden, dat een strafrechtelijke seponering niet belet dat de tuchtoverheid in het algemeen belang optreedt en dat het thans aan de overheid toekomt om een definitieve beslissing lastens de verzoeker te nemen. 1.
- Op 1 juni 2004 besluit het politiecollege nogmaals tot de verlenging van verzoekers voorlopige schorsing bij wijze van ordemaatregel voor een periode van drie maanden met inhouding van 10% van zijn bruto-wedde. Dit besluit maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietig- verklaring in de zaak A. 153.990/IX-
- IX-3881-4/10 Uit de overwegingen van dit besluit blijkt dat de verzoeker hoger beroep heeft ingediend tegen de buitenvervolgingstelling van de korpschef door de raadkamer, maar dat de kamer van inbeschuldigingstelling op het ogenblik dat het politiecollege een beslissing moet nemen over de verlenging van verzoekers voorlopige schorsing, voor zover bekend, over dat beroep nog geen uitspraak heeft gedaan. 1.
- Op 12 augustus 2004 besluit het politiecollege “in de hoedanig- heid van hogere tuchtoverheid”, op grond van de overweging onder meer dat de door de verzoeker “gedane aantijgingen, beschuldigingen en strafklachten, met de einduitkomst als gezegd, tuchtvergrijpen uitmaken”, dat ten laste van de verzoeker een inleidend verslag wordt opgesteld met een voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Blijkens het bedoelde inleidende verslag van dezelfde datum, waarin het politiecollege voorstelt om de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, heeft de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 24 juni 2004 de beschikking van de raadkamer van 15 maart 2004 bevestigd en de buitenvervolgingstelling van de korpschef uitgesproken. 1.
- Eveneens op 12 augustus 2004 besluit het politiecollege de voorlopige schorsing van de verzoeker bij ordemaatregel nog te verlengen tot en met 24 oktober 2004 met inhouding van 10% van zijn bruto-wedde. Dit besluit maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietigverkla- ring in de zaak A. 156.692/IX-
- 1.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord in de laatstgenoemde zaak dat het politiecollege op 28 september 2004 heeft besloten om, overeenkomstig artikel 20,1/, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet), de tuchtzaak van de verzoeker over te dragen aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 3 augustus 2005 beslist de minister van Binnenlandse Zaken om aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. IX-3881-5/10 De verzoeker vecht ook deze tuchtbeslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (de zaak A. 165.259/IX-5002). Deze zaak is thans nog aanhangig. Over de ontvankelijkheid 2.
- In de zaak A. 139.641/IX-3881 werpt de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie op betreffende de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring wat het tweede bestreden besluit betreft. Zij voert aan dat het tweede bestreden besluit louter voorbereidend en bewarend is en de rechten van de verzoeker niet schaadt, zodat de verzoeker niet het rechtens vereiste belang heeft om daartegen bij de Raad van State op te komen. Voorts laat de verwerende partij gelden dat het tweede bestreden besluit, dat betrekking heeft op de eigenlijke tuchtprocedure, niet dermate samenhangt met het eerste bestreden besluit, hetwelk de preventieve schorsing betreft, dat beide met éénzelfde verzoekschrift voor de Raad van State kunnen worden bestreden. 2.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het tweede bestreden besluit krachtens artikel 56 van de Politietuchtwet een rechtstreekse impact heeft op de verjaringstermijn die geldt voor de betekening van het verslag dat de tuchtprocedure inleidt. Hij meent dat zijn belangen door het tweede bestreden besluit dan ook worden bedreigd. Voorts betoogt de verzoeker dat het tweede bestreden besluit, dat op dezelfde dag werd genomen als het eerste bestreden besluit, een “rechtstreeks voortvloeisel” is van dat eerste besluit, waaraan het zijn bestaan ontleent, en dat het niet is omdat een preventieve schorsing theoretisch ook zonder het opstarten van een tuchtprocedure kan worden opgelegd, dat in de voorliggende zaak het ene besluit zou kunnen worden losgekoppeld van het andere. De verzoeker besluit dat in zijnen hoofde niet alleen het rechtens vereiste belang voorhanden is om het tweede besluit te bestrijden, maar dat het tweede besluit bovendien dermate verbonden is met het eerste dat het gezamenlijk bestrijden ervan in éénzelfde verzoekschrift evident is. 2.3.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de Politietuchtwet luiden als volgt: “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. IX-3881-6/10 In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier gesepo- neerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Uit het aangehaalde tweede lid blijkt dat het ingaan van de vervaltermijn voor het instellen van een tuchtvordering in de genoemde gevallen wordt uitgesteld tot op het ogenblik dat de tuchtoverheid in kennis is gesteld van de gerechtelijke eindbeslissing, de seponering van het dossier of het verval van de strafvordering. De toepassing van deze bepaling is niet afhankelijk van een voorafgaande verwittiging door het bestuur. Uit de brief van 21 mei 2003 van de procureur des Konings te Gent aan de voorzitter van het politiecollege van de politiezone Regio Rhode & Schelde blijkt dat de verwerende partij zich in het door artikel 56, tweede lid, van de Politietuchtwet geregelde geval bevond. Het valt niet in te zien op welke wijze de belangen van de verzoeker door het tweede bestreden besluit “rechtstreeks bedreigd” zouden zijn, of nog, welk voordeel de vernietiging van het tweede bestreden besluit aan de verzoeker zou kunnen verschaffen, vermits ook zonder dat besluit de regeling van artikel 56, tweede lid, van de Politietuchtwet op zijn situatie van toepassing zou zijn. Alvast in zoverre is de door de verwerende partij opgeworpen exceptie betreffende de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit in de zaak A. 139.641/IX-3881 derhalve gegrond. 2.3.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van het eerste bestreden besluit in de zaak A. 139.641/IX-3881 en van de beroepen tot nietigverklaring in de overige zaken, dient te worden vastgesteld dat artikel 65 van de Politietuchtwet het volgende bepaalt: “Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschu- wing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is IX-3881-7/10 ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.” Bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 augus- tus 2005 werd aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam opgelegd. Krachtens artikel 65, eerste lid, van de Politietuchtwet heeft deze tuchtstraf uitwerking vanaf de datum waarop ze is uitgesproken en moet de aan de verzoeker opgelegde voorlopige schorsing als ingetrokken worden beschouwd. Bovendien werd de tuchtstraf van de blaam aan de verzoeker pas opgelegd op 3 augustus 2005, terwijl de verzoeker slechts voorlopig werd geschorst tot en met 24 oktober
- Dit heeft tot gevolg dat zelfs in de hypothese dat de tuchtoverheid na een eventuele vernietiging van het tuchtbesluit van 3 augustus 2005 de tuchtprocedure tegen de verzoeker zou hernemen en alsnog één van de in artikel 65, tweede lid, van de Politietuchtwet opgesomde zware tuchtstraffen zou opleggen, die tuchtstraf hoe dan ook niet meer zou kunnen worden opgelegd “in aansluiting op” de voorlopige schorsing. Ook in die hypothese zou dus de aan de verzoeker opgelegde voorlopige schorsing krachtens artikel 65, eerste lid, van de Politietuchtwet als ingetrokken moeten worden beschouwd. Bijgevolg komt, ongeacht de uitspraak van de Raad van State over verzoekers beroep tot nietigverklaring van het tuchtbesluit van 3 augustus 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken in de zaak A. 165.259/IX-5002, thans reeds definitief vast te staan dat de zes door de verzoeker bestreden besluiten met betrekking tot zijn voorlopige schorsing als ingetrokken moeten worden beschouwd. Ambtshalve moet dienvolgens worden opgeworpen dat de door de verzoeker ingestelde beroepen tegen die besluiten hun voorwerp hebben verloren. De verwerende partij voert in haar laatste memorie aan dat de woorden “in aansluiting op” in artikel 65 van de Politietuchtwet niet noodzakelijk de betekenis hebben van een tijdsbepaling, maar ook een inhoudelijke betekenis kunnen hebben in die zin dat “minstens deels, de tuchtfeiten van de definitieve tuchtsanctie aansluiting vinden met de tuchtfeiten van de voorlopige schorsing, dan wel in dezelfde tuchtprocedure kaderen of te kaderen zijn”. Het zou dan voorbarig zijn ervan uit te gaan dat na een eventuele vernietiging van de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf van de blaam geen zware tuchtstraf “in aansluiting op” de IX-3881-8/10 preventieve schorsing van de verzoeker zou kunnen worden opgelegd. Dit standpunt van de verwerende partij, dat overigens niet is onderbouwd, kan niet worden bijgevallen. In het algemeen Nederlands taalgebruik betekent “aansluitend”: “zonder tussenpoos volgend op iets” (Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal). Bovendien kan de terugwerking van een zware tuchtstraf tot de ingangsdatum van de voorlopige schorsing, waarvan sprake in artikel 65, tweede lid, van de Politietuchtwet, redelijkerwijze slechts verantwoord zijn indien er geen hiaat in de tijd is tussen de voorlopige schorsing en het opleggen van de zware tuchtsanctie. 2.
- De voorliggende beroepen tot nietigverklaring dienen alle te worden verworpen.
- Gelet op de reden van het teloorgaan van het voorwerp van de beroepen tot nietigverklaring van de besluiten betreffende verzoekers voorlopige schorsing en de opeenvolgende verlengingen daarvan tot en met 24 oktober 2004, past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 1.050 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3881-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 november 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3881-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.